"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 12
„Amice,” schreef hij. „Deze is dienende u kennis te geven van zeer ergerlijke praatjes, hier over u en mevrouw Lugtens in omloop en die ook mij ter oore zijn gekomen. Ik doe, zooals gij begrijpen zult, mijn best deze lasterpraatjes tegen te spreken, daar onze goede, vriendschappelijke oude relaties, zoo in als buiten zaken, mij daartoe verplichten. Intusschen acht ik het in aller belang, dat gij naar uw land ten spoedigste terugkeert en mevrouw Lugtens naar haar huis. Gij zult mij verplichten met eenig antwoord zoo spoedig mogelijk, en mij ook zeker ten goede houden, dat ik in het belang onzer gemeenschappelijke zaken niet geaarzeld heb mij van dezen voor mij onaangenamen plicht te kwijten, terwijl ik er vast op reken, dat gij aan mijn zeer dringend verzoek zult gevolg geven, ten einde een voor onze zaken allernoodigste samenwerking niet in ernstig gevaar te brengen.
t. t.
Twissels.
Geber was er zeer verontwaardigd over.
Dat was nu een man, die leefde met een huishoudster en zich zelfs niet ontzag die toe te laten tot zijn voorgalerij; een man bij wien hij wist, dat op sexueel gebied niets woog!
„Daar schrijft hij ook niet over,” zei Clara toen ze den brief had gelezen en Geber zich in dien geest opgewonden uitliet.
„Hij spreekt alleen van zaken; daarin zal hij wel gelijk hebben.”
„Je bent toch, hoop ik, niet van plan het te doen.”
Clara zag hem aan en zeide:
„Lieve Wim, ik geloof dat het niet anders kan.”
„En ik doe het toch niet,” ging hij voort, nu geheel in drift, terwijl zij kalm en terneergeslagen was. „Ik zal....”
Zij reikte hem het korte epistel van haar zuster toe, dat hij las in een oogenblik, en waarbij aan z’n gezicht was te zien, dat zijn opgewondenheid ineens wegzonk.
„Het is verschrikkelijk!” zei hij verdrietig. „Ja, ik begrijp het nu ook.... wij moeten!”
„Zeker moeten we.”
„En we zouden toch moeten, nu of over een of twee weken. ’t Is ook eigenlijk alles hetzelfde.... wat langer of wat korter.”
Haar gemoed schoot vol; ze zag op, terwijl ze op een stoel zat nu, omhoog naar zijn bleek treurig gezicht boven de lange gestalte, haar oogen vol tranen, en ze vroeg hem met haar zachte, beschaafde stem, trillend van ingehouden droefheid:
„Toch niet dáárvoor, Wim! Zeg dat je niet dat bedoelt.”
Hij boog zich voorover, lei de handen op haar mooie schouders en kuste haar op het voorhoofd, zooals een broer het zijn zuster had kunnen doen.
„Wees maar gerust, Clara. Dàt bedoelde ik niet; zoo’n vaart zal het niet loopen. Ik zie ertegen op naar Koeningan te gaan; dat begrijp je toch! Ik zie ertegen op als tegen een berg. Maar het zal wel djadi als ik weêr in de sleur van het werk terug ben. In Gods naam, het kan niet anders.”
Zij vatte moed en haar eigen overtuiging der noodzakelijkheid herkreeg daar zijn invloed bij.
„Het moet, zeker, en hoe eer hoe beter.”
Met geen enkel woord hadden zij gesproken over hun eersten indruk van verwondering, dat alles zoo bekend was geworden, gerijpt tot een publiek onderwerp van gesprek in de stad.
Het baatte immers toch niets!
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
CLARA WEÊR THUIS.
Toen zij thuis kwam met de kinderen, stond Lugtens hen af te wachten in de voorgalerij. Onder het rijden had ze maar één gedachte gehad: wat zou er nog voorvallen? Wat stond haar te wachten?
Bleek en bevend, alles inspannend om zich te goed houden, zag ze hem dik en zwaar de trap afkomen naar het portier.
„Zoo, ben jullie daar?” zei hij op een toon, dien hij vriendelijk poogde te maken, maar die het uit gewoonte toch niet worden wou. En te gelijk stak hij de handen uit naar kleine Lena, tilde haar ineens uit het rijtuig en zoende haar driemaal hard en geweldig.
„Jij ziet er goed uit,” riep hij, „de rozen op je gezicht. Net zoo pas uit Europa.”
Naar de anderen keek hij even en ook naar zijn vrouw; toen zei hij als verwijtend:
„Bij jou bloeien de rozen niet hard.”
„Ik ben ook niet voor m’n genoegen uitgeweest, met de zorg voor de kinderen en een zieke.”
„Ja,” antwoordde hij, milder, en oplettend voor dat laatste. „Wat scheelt dien man toch?”
„Ik weet het niet; de dokter weet het niet en hijzelf, geloof ik, ook niet.”
„En nu?”
„Geheel hetzelfde; hij knapte in het eerst heel aardig op. Daarna werd hij weêr even onlekker en bleek.”
Goddank, dacht ze, het gevaar was voorbij! Er mocht dan gepraat wezen wat er wilde,—hij wist nergens van, hij had niets gehoord. En met haar thuiskomen ving dadelijk het gewone leven met zijn huishoudelijke zorgen en bemoeiingen weêr voor haar aan, net alsof er niets was gebeurd.
Met mevrouw Uhlstra den volgenden dag een heftigen twist.
De oudste was gekomen om de jongste verschrikkelijk onder handen te nemen, maar die liet zich dat niet welgevallen.
Zij had er eens voor gebukt, jaren geleden, nu bedankte zij ervoor.
„God, God!” had mevrouw Uhlstra uitgeroepen, bij den eersten tegenstand, „de wereld moest eens weten wie je bent!”
„Iedereen moet maar naar zichzelve kijken,” meende Clara, bleek en ten allen aanval en verdediging gereed, het hoofd rechtop, met een uiterlijk vertoon van beslistheid.
Dat bracht Lena buiten haarzelve; met beide handen sloeg zij op haar dikke dijen, dat het kletste op haar sarong, met trillende beweging.
„Wat zeg je, laag schepsel? Doelt dat soms op mij?”
„Zoo goed als op een ander.”
„Wat heb ik.... Hemelsche goedheid!..... Wat heb ik ooit...?”
„Neen, zóó niet, Lena. Je hebt gemakkelijk praten, wat dat betreft.”
„En ik zeg je van neen! Al was Uhlstra zoo’n akelige kerel, als die man van jou, dan zou ik toch nooit zoo iets gedaan hebben. Foei! Eerst was hij de vriend van je man en nu mijn schoonzoon!”
„Misschien komt er morgen een brief uit Holland dat hij iemands zwager dáár is geworden. Wat kan ’t mij schelen!”
„En je kinderen!”
„Mijn kinderen?” stoof mevrouw Lugtens driftig op, „zullen door henzelven gelukkig of ongelukkig moeten worden; niet door mij. Maar ik zal ten minste de mijne niet ongelukkig maken door ze uit te huwelijken om het geld en om ze onder dak te hebben.”
Zoo maakten zij ruzie door alle tonen van de twistladder, tot ze vermoeid, en den voorraad invectieven en verwijten uitgeput, in zachter termen vielen en eindelijk met tranen in de oogen vrede sloten. Maar ditmaal had mevrouw Lugtens haar partij gewonnen en in ’t hart harer zuster bleef zelfverwijt achter, dat nog nawerkte toen ze thuis kwam.
Uhlstra wachtte haar met ongeduld.
Hij had de loopende praatjes het eerst gehoord, was er verschrikt meê thuis gekomen, waar zijn vrouw hem had voorgepraat, dat het laster was, maar dat ze Clara dadelijk zou laten terugkomen en met haar over dat alles spreken. En hem was in die opzichten zoo gemakkelijk alles wijs te maken! Niet, dat hij in zijn jeugd had gebravehendrikt,—Heer neen! Hij was hier geboren; zijn huidskleur en die van den inlander verschilden niet; baboe’s en huisjongens hadden zijn jeugd omringd, hem leeren loopen, leeren praten; hij was volkomen eigen met alle inlandsche luchtjes en gewoonten, en een echte njo was hij geweest in al zijn doen en laten; hij vond inlandsche vrouwen mooi; hij had in Lena het summum gezien van aantrekkelijkheid: een knap indisch meisje, naar zijn begrippen heelemaal europeesch opgevoed.—En toen hij met haar getrouwd was, had hij al genoeg posten geschreven op de inlandsche rekening om zonder eenige neiging tot iets anders, door en door trouw te blijven aan zijn vrouw. En waarvan het nu kwam had hij niet kunnen zeggen,—maar hij had ’t land aan pur-sang europeesche vrouwen; in heerengezelschap liet hij zich erover uit; hij had er geen persoonlijke ondervinding van, hoegenaamd niet, maar hij beweerde, dat ze niet proper waren op haar body, zooals hij zei, en hij lichtte dat op zijn manier toe door zeer bijzondere opmerkingen omtrent hetgeen zij deden en niet deden. Volkomen vreemd aan intriges,—was hij onverbiddelijk voor knoeierij van getrouwde lieden; daarom was hij nu zoo bang. Als het eens waar was! Als de naam der familie eens was gecompromitteerd door zijn vriend, zijn schoonzuster, zijn dochter....
„Net als ik zei,” praatte Lena, uit het rijtuig naar binnen stappend, „er is niets van aan.”
„Goddank!” zei Uhlstra met een diepen zucht, en zich hard in den stoppelbaard wrijvend, voegde hij erbij: „Hoe komen de menschen toch aan zulke schandelijke praatjes?”
„Och, zie je, vent, het gaat ons te goed; dat is het: anders niet.”
Hij schudde het hoofd met een gezicht of de boosaardigheid der wereld hem overweldigde.
„We zullen hen hier laten komen van Koeningan en dan een partijtje geven.”
„Dat heb ik ook al gedacht, maar het kan niet.”
„Dat is waar... om Roos....”
„Ook; maar dat zou nog wel gaan, als het moest.... Willem is ziek, zei Claar me.”
„Ik dacht, dat hij beterend was.”
„In het geheel niet. Hij is even ziek en ellendig als voorheen. Erger zelfs.”
Zijn hart voor den ouden sobat kwam heelemaal boven.
„Kasian!” zei hij meewarig. „Wat zou dien armen jongen toch schelen?”
„Ik heb het Claar gevraagd. Zij zegt, dat hij zielsziek is of zoo iets, en dat zij bang is voor zijn hersens.”
„Verduiveld, dat is heel erg. Jij en Clara schijnen niet te begrijpen, hoe erg het is.”
„Ik denk dat zij overdrijft, maar ze zei, dat ze heel bang is geweest; dat hij soms zoo raar doet; ze vreest, dat hij op een of anderen dag zich zelfmoorden zal.”
Verschrikt en zeer ontsteld keek hij haar aan. Hoe kon ze dat zoo rustig zeggen, dacht hij, den haat niet kennend, die stil in haar leefde tegen Geber.
„Ik zal eens naar hem toegaan, Leen.”
„Dat is misschien niet kwaad.”
„En als ik zie, dat er iets van dien aard aan de hand is, zal ik hem dag en nacht laten bewaken.”
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
BIJ DEN CHINEES.
Het was een donker gangetje in de woning van een Chinees; vóór was een kleine toko, heel ordinair, met weinig lakoe-artikelen, veel oud, onverkoopbaar goed. Achter de vuile primitieve vitrine met kleine ruitjes in slordig bruin geverfde stijltjes, het matgele groezige gezicht op den dunnen hals bengelend, zat daar een chineesche nona, met een zuigeling aan de borst, droomerig te soezen, met groote doffe oogen en gemarkeerde trekken, genietend van het enkel moeder zijn; lui, zonder iets erbij uit te voeren. De Chinees zelf zat op een bankje voor zijn deur, de kabaai open, het vollemaansgezicht glimmend; de bloote borst en buik, bij de voorover gebukte houding, met gevouwen handen om een opgetrokken knie, in zware vetlagen overplooiend, een gemest varken gelijk.
In het middaguur was het stil en licht in de chineesche achterwijk der stad; op de witte muren met grillige zwarte vegen van aangewaaide stof, stond het zonlicht gloeiend en eentonig; de lage, van gekleurde kains en katoentjes vol behangen winkeltjes zagen diep donker achterin; stil zaten de neringdoende menschen na te rekenen, de een zijn verdienste en de kans om over te houden, de ander zijn verliezen en hoe hij failliet zou gaan; sommigen erbij vouwend, uit zucht iets te doen, of met de handen langs de glad gepapte stukken wit goed aaiend, met de liefde van een handelaar voor de waar, die hem laat verdienen. Maar over alles steeg de hitte, en al wat vocht bevatte in de kleine steeg, al wat in hoeken en gaten lag te vergaan, gaf vreemde vieze luchtjes af, die den enkelen europeeschen voorbijganger onaangenaam mochten treffen, maar voor inlander en Chinees iets gemeenzaam lekkers moesten hebben; de atmosfeer waarin ze geboren werden, opgegroeid waren, leefden.
Het lange wit der armzwaaiende figuur, die den hoek omkwam, ’t steegje in, stak haast niet af tegen het scherp verlichte der muren, meer contrast makend door de vlugge beweging bij al die rust, dan door verschil in toon.
Twissels zwaaide in zenuwachtige drift met zijn smal hoog lichaam de woning van den Chinees binnen, die was opgestaan, zijn baadje dicht en de pijpen van zijn wijde katoenen broek omlaag deed, opgestroopt eerst tot halverwege het bovenbeen, voor de luchtigheid. Hij liep Twissels na, voorbij de opgeschrikte vrouw achter de toonbank, die heelemaal beteuterd was.
„U weet toch wel, dat u hier zóó niet kunt naar binnen gaan,” zei de Chinees onderdanig, doch zoo dringend als iemand, die van plan is zich ernstig te verzetten.
„Stil, ba!” piepte de hooge stem nu beverig, „roep meneer Lugtens.”
„Ik ben niet branie.”
„Roep hem dadelijk, anders doe ik het.”
„Het is heusch niet mogelijk meneer. Hij is pas gekomen van den anderen kant.”
„Het kan mij niet schelen. Roep hem dadelijk, zeg ik je.”
„Ik durf betoel niet. Als hij eens kwaad wordt! En hij is in gezelschap, meneer. Het is een europeesche....”
„Ba, ik vraag je niks en ’t kan mij ook niet schelen, maar roep hem dadelijk.”
Er was niets aan te doen. De dikke Chinees, zuchtend, mopperend bij zichzelven, verdween op zij in den wand door een trapopening, zijn harde voetzolen stampschuifelend over de treden.
Twissels hoorde op de bovenverdieping een onduidelijk rumoer, waaruit hij toch den barschen commando-toon van Lugtens onderscheidde; dan hoorde hij een harden stap en uit het gangetje kwam tegen het licht aan de in korten krachtigen omtrek gehouwen kop van Lugtens, vreemd dronkenachtig van uitdrukking, maar kwaad ook.
„Wat mot-je?” vroeg hij grof.
„Geber is dood.”
„Gévédé!”
Het gezicht van Lugtens was bij den schrik verbleekt, ernstig en zichzelf nu heelemaal.
„Hij heeft zich,”—Twissels zei dit zachtjes fluisterend haast, met een beweging naar zijn voorhoofd.
„Gévédé,” herhaalde Lugtens verslagen met de hand langs z’n oogen strijkend. „Dat is verschrikkelijk!”
Even ging hij terug, de trap weêr op, haastig gejaagd, in een paar minuten weerom, het huisje uit, de straat op, met den brandenden zonneschijn op hun ruggen, midden op den weg.
Dacht men aan zulke kleinigheden! Wat kwam het er op aan, dat Twissels zoo in eens had getoond precies te weten, welke geheime uitstapjes Lugtens soms ’s middags maakte van z’n kantoor uit, binnengaande in een groote toko, net als om zaken te doen, terugkeerend later door het gangetje uit ’t winkeltje in de achterbuurt tegenover den blinden muur? Hij dacht dat niemand het wist, en nu bleek toch duidelijk, dat zoo goed als iedereen op de hoogte was van zijn zondenregister; van zijn geheime snoepreisjes, het eenig zwak van iemand, die nooit rookte en nooit dronk.......
„Wat is er dan toch gebeurd?” vroeg hij, want al die bekendheid deerde hem nu niet; hij was voor alles man van zaken, en Geber behoorde tot de belangrijkste zaken als lid van de geld bij schepels verdienende kongsi.
„Ik weet het niet geheel. Uhlstra zond me van Koeningan een man te paard met dit briefje.”
Samen stonden ze stil; op ’t stukje papier kijkend, dat, in zenuwachtige haast geschreven, niets meldde dan:
„Mijn schoonzoon heeft zich, hoezeer we hem ook bewaakten, van nacht door het hoofd geschoten. Bezorg de regeling zijner zaken.”
Ze keken elkaar aan, onbeslist, niet wetende wat daarvan te denken, zich van zulke dingen geen flauw begrip kunnende maken.
„Die bliksemsche vent!” zei Lugtens kwaadaardig. „Hoe is het mogelijk!”
„Dat vraag ik ook,” zuchtte de andere fijntjes, hoog.
„Hij fopt ons er leelijk mee.”
„Met die houtzaken,—zeker! Hij was de eenige heelemaal op de hoogte.”
Ze waren voortgeloopen tot bij Twissels’ kantoor, en zwijgend gingen ze binnen. Toen zag Lugtens strak op naar het kleine kopje van den langen Twissels, boven zijn eigen stoer hoofd, en verdrietig met veel beweging in zijn breed glad gezicht, moeielijk zich bedwingend, zei hij:
„Het was zoo’n goeie vent, Twissels. Ik hield van hem, veel, heel veel! Hij had iets... waarvan ik hield... ik weet niet, hoe of het komt, maar ik hield meer van hem dan.... dan....”
Hij kon geen punt van vergelijking vinden; hij hield van zoo weinig.
Maar Twissels knikte heel ernstig.
Och, hij begreep dat wel! Het was weêr een dier dwaze dingen in het leven, dacht hij; een dier onberedeneerde sympathie-quaesties, waardoor zelfs zoo’n barre kerel als Lugtens werd beheerscht, zoodat hij, van alle mannen, de meeste vriendschap voelde voor den man, die hem het grootste koopje had gegeven.
„Ja,” zei hij zuchtend ’t hoofd schuddend, „ja, het heeft me ook verschrikkelijk getroffen.”
Ze praatten zoo nog wat voort, plichtmatig, ook over den zelfmoord; hij moest ziek zijn geweest en daardoor krankzinnig; het was hun eerste idee en hun laatste. In stilte dachten ze aan één en ’t zelfde, doch wilden er zoo dadelijk niet mee voor den dag komen, tot eindelijk Twissels zei, aarzelend in z’n stem:
„Als we eens in ’t ruwe een soort balans maakten?”
„Het is goed, voor zoover het kan.”
„Ja, zóó maar, zie je. We gaan strakjes natuurlijk erheen.”
„Natuurlijk.”
„Nu, ik dacht, dat Uhlstra wel iets zou willen weten, globaal, van den stand van z’n zaken.”
Lugtens knikte; hij had de korte lijkrede uitgesproken; de oude sobat was begraven; de levende zaak was in een „stand van zaken” overgegaan.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ROOS GEWAARSCHUWD.
Wezenlijk werd Geber bewaakt sedert Uhlstra op Koeningan was geweest. Men had daar eenigszins vreemd opgekeken van het bezoek.
„Ga je meê?” vroeg Geber, die aan belangstelling dacht voor de zaken van het land, en op ’t punt stond hier en daar eens te gaan kijken.
„Dank-je. Ik zal Roos gezelschap houden tot je terugkomt.”
„Hé pa!” riep Roos verwonderd. „Gaat u niet eens meê kijken met Wim?”
Ze begreep daar niets van.
Papa was zoo’n beste man, vond zij, en de broers en zusters waren dat eens; maar hij was niet iemand, die zou blijven babbelen over koetjes en kalfjes, als er onder mannen te praten viel over zaken. En dan nu!
Wantrouwend keek Geber zijn schoonvader aan.
Er zat, dat dacht hij ook, iets achter. Niets kwaads,—van zoo iets kon men Uhlstra niet verdenken; maar toch iets, dat men voor hem, Geber, niet wilde weten.
„Hoe is het met Willem den laatsten tijd?”
„Och..... zoo.... niet goed, vond ik. Hij is niet bepaald ziek... ik weet het wezenlijk niet.”
Zij leunde achterover in den wipstoel, zittend op ’t randje, in elke houding ontspanning zoekend voor haar moeielijke positie, breeder van schouders dan ooit, een beeld van rustige levenskracht laag bij den grond.
Uhlstra aan den anderen kant van de tafel, het groote ronde vlak van wit marmer tusschen hen in. Met zijn rijzweep tikte hij op zijn schoen, de rechtervoet op de linkerknie rustend, het bruinbaardig gezicht, donkerder onder de schaduw van den helmhoed, aan één kant hel in het slaglicht van buiten in de galerij; mooi van zware tint, doorkrieuweld met ’t kleine wit der grijze stoppels in het vele zwart en bruin. Verlegen keek hij naar het tikken met zijn zweep, en toen op naar zijn eigen oogen in het hoofd van zijn oudste dochter.
In de verte liep Geber door de djoarlaan naar den nieuwen aanplant; voorover ’n beetje, oudachtig in zijn houding, onzeker stappend, een loop zonder wil of beslistheid.
Uhlstra had moed gevoeld thuis; nu zonk hem ’t hart in de schoenen. Hij dacht naar zijn weten; hoe kon hij ook anders! In Roos zag hij een liefhebbende vrouw, een die dol veel hield van haar man, in alle opzichten; die een kind had van dien man, en die, als men vroeg wanneer het tweede kwam, wel kon antwoorden: „Straks.” Zij was zijn dochter, het waren zijn kleinkinderen; het was zijn schoonzoon en zijn oude vriend en buur.... Waar was de vroegere tijd gebleven.... En nu moest hij haar zeggen, dat Willem rondliep met plannen tot zelfmoord; hij moest het, naar zijn gedachten, voor Roos zoo goed en rustig huiselijk leven met geweld uiteentrekken om haar te waarschuwen en te trachten Geber te redden, te beveiligen tegen zichzelf. Uhlstra voelde zich zoo hulpeloos als een kind; hij kon het niet zeggen; hij zou het niet gezegd hebben, al waren er tien landen meê te verdienen geweest.
„Wat is er toch, pa?” vroeg Roos.
Hij keek weêr naar zijn interessanten schoen, tik, tik! met de rijzweep.
„Niets, niets! Ik kom maar ’reis kijken hoe jullie het maken.”
Zij geloofde er geen woord van.
„Willem ziet er slecht uit, non!” ging hij gemoedelijk voort. „Laat hem met me meêgaan; hij moet....”
Maar ze werd boos.
„Wel pa, dat vind ik heel aardig van u. Willem is, vindt u, ziek, en nu moet hij maar naar de stad en onder geneeskundige behandeling, en zeker ’s nachts tot drie, vier uren ’n partijtje met u maken tot geheel herstel van gezondheid! En ik dan?”
„Het is waar, kind, het is waar. Ik dacht daar heusch niet aan, zoo dadelijk.”
„Erg lief van u!”
„Jij bent ook altijd zoo wèl!”
„O zoo! en daarom kom ik niet in aanmerking. Plezierig, ja! Wim eet en drinkt goed, is altijd op de been, maar ziet bleek en wordt mager. Wel, dat is zeker niet goed! maar het zóó te overdrijven, en er niet tegen op te zien hem meê te nemen, en mij nu hier alleen te laten zitten....”
Roos begon ervan te huilen, eigenlijk meer uit kwaadheid, en Uhlstra, nu heelemaal van de wijs gebracht, kwam met domme verontschuldigingen, de een het niet beter makend dan de andere.
Ze hadden het nog aan den stok met elkaar toen Willem, door nieuwsgierigheid gedreven, terugkwam.
„Ik wou je niet graag alleen laten zitten,” zei hij tegen Uhlstra.
Zijn vrouw had hem zien aankomen met booze blikken onder haar lange omkrullende wimpers.
„Als pa bij mij zit,” viel ze uit, „is hij, voor zoover ik weet, niet alleen.”
Verwonderd keek Geber haar aan, verbluft zelfs. Zoo iets ongewoons had hij nooit gehoord. Hij zag dat ze gehuild had, en zei eenvoudig weg:
„Je hebt gelijk. Neem ’t niet kwalijk; het was zóó niet bedoeld.”
„Maar jullie zegt het toch maar. Pa ook, weet je. Ze maken zich ongerust, omdat je onlekker bent; ze willen je te logeeren vragen om... te genezen, en mij dan hier mijn gang maar laten gaan. Lief hè? Zoo zijn ze tegenwoordig thuis....”
„Praat er niet verder over,” zei Geber kalmeerend, „ik zou het immers toch niet doen;” en tot z’n schoonvader: „Hoe komt het bij je op!”
Uhlstra was blij, dat hij weêr terug kon gaan, schoon onverrichterzake. Bij al zijn meêgaandheid was hij een krachtig en moedig man, doch dat waren geen stukjes voor hem; en zijn vrouw, die al verwonderd was geweest toen hij, zoo brani, dadelijk bereid was naar Koeningan te gaan, wachtte hem af vol ongeduld en nieuwsgierigheid. Zij zag het al aan z’n gezicht toen hij van ’t paard steeg.
„Wel?” vroeg ze. „Hoe is het gegaan?”
Maar Uhlstra, nu met de zaak verlegen, gaf geen antwoord, en zij vervolgde:
„Ik wed, dat je niets hebt gezegd.”
„Dat heb ik ook niet, want Roos was al heelemaal uit haar humeur.”
„Haar humeur!.... Maar ’t moet toch gebeuren, vent, en ik zal het doen, ja? ik laat dadelijk inspannen.”
In haar hart vond ze het aardig, dat hij ’t niet had kunnen doen; zij maakte er hem ook geen verwijt van; zij had hem er, integendeel, te liever om.
„God!” riep Roos, naar voren waggelend, toen het zoo goed bekende rijtuig voor ’t landhuis reed. „Daar heb je waarachtig mama!”
En meteen begreep zij, helderde het zich voor haar op, juist als voor Geber: er was iets dat papa had willen zeggen en dat hij had verzwegen.
Erg vriendelijk was mevrouw Uhlstra tegen haar schoonzoon niet. Die man gaf haar meer soesah dan al haar kinderen saam. Zij had, nu, een hekel aan hem, en Geber zag dat aan haar donker gezicht.
„Hoe gaat het met je?” vroeg ze op een toon, die aan de woorden het karakter gaf van een scherp verwijt; zij klonken als: Lammeling, er is met jou ook altijd wat en nooit iets goeds.
„Uitstekend!” zei hij met den spottenden glimlach, dien ze niet uit kon staan; hij voelde heel goed wat er stak achter de belangstellende vraag naar zijn gezondheid, en hij wou niet, dat ze er plezier van zou hebben.
„Uitstekend, maatje! Het is louter verbeelding, dat ik onwel zou zijn. Ik ben nooit zoo gezond geweest.”
Zij keek eens op naar zijn bleek en mager gezicht, dat zoo droevig in tegenspraak was met zijn woorden, maar zij voelde geen kasian. Was dat een schoonzoon! Nu gold het nog Roos alleen; maar als de andere meisjes ook zulke laki’s moesten krijgen, zou zij voor de eer van het schoonmoederschap, hoe ook gewenscht overigens, bedanken.