Uit de schooljaren van Hans Doncker

Part 5

Chapter 54,200 wordsPublic domain

Toen m’nheer Belmans dien morgen onze klas binnenstapte, om als gewoonlijk z’n Fransche les te geven, stond z’n gezicht nog barscher en onvriendelijker dan anders. Nog langer dan anders keek-i ons strak aan, zonder ’n woord te zeggen. Ik heb wel ’es gehoord, dat ’n slang ’n vogeltje, dat-i verslinden wil, zóó weet aan te kijken, dat ’et arme diertje niet in staat is, om weg te vliegen, maar stijf van schrik blijft zitten. Wij jongens voelden ons, dunkt me, eenigszins als zoo’n vogeltje, als de oogen van m’nheer Belmans achter z’n glinsterende brilleglazen op ons gericht waren. Nog vóór-i den mond had open gedaan, waren we er allemaal van overtuigd, dat-i van de zaak af wist. En dat was ook zoo. ’Et bleek, dat de zoon van ’et mosselenvrouwtje nog den vorigen avond op school geweest was, om zich te beklagen. Z’n moeder had bij haar val ’n arm gebroken, en lag nu in et gasthuis. Van menschen, die bij ’et ongeval tegenwoordig waren geweest, had-i gehoord, dat ze ’n troep jongens hard hadden zien wegloopen, en dat die jongens op onze school gingen.

Nadat m’nheer Belmans ons dit alles op z’n gewone afgemeten manier en met z’n gewone zachte stem had medegedeeld, vroeg-i: „Wie van jelui weet me van ’et gebeurde iets te vertellen?” Zooals ’et gewoonlijk bij zoo’n algemeene vraag gaat, de heele klas bleef zwijgen. De brilleglazen van m’nheer Belmans flikkerden sterker dan ooit, maar niemand stak ’n vinger op. Nu geloof ik vast, dat de meeste jongens wèl geantwoord zouën hebben, als m’nheer ze afzonderlijk gevraagd had, of ze er iets van wisten, vooral omdat de eigenlijke aanleggers niet bij ons in de klas zaten. Maar m’nheer Belmans was er de man niet naar, om te dulden, dat ’n vraag van hem onbeantwoord bleef. Hij herhaalde z’n vraag dus zelfs niet, maar zei na ’n doodsche stilte van minstens vijf minuten alleen nog: „Dan weet ik, wat me te doen staat”. En daarna begon-i gewoon met de les, en liet ons om twaalf uur naar huis gaan, alsof er niets bizonders aan de hand was.

Op straat werden natuurlijk de hoofden bij elkaar gestoken, en klonk van tien kanten tegelijk de vraag: „Wat zou de ouë doen?” Ja, dat wist niemand. Walraven, die van z’n misselijkheid genezen was, en van ons allen de meeste reden had, om zich bezorgd te maken, schreeuwde ’n paar maal: „Als jelui je mond maar houdt!” Wat ons ’et meeste verwonderde, was, dat we van ’n paar jongens uit de hoogste klas hoorden, dat m’nheer Belmans daar geen woord van de zaak gerept had. Daar snapten we niets van.

Onderweg spraken Andries en ik weer over niets anders. We hadden allebei erg te doen met ’et arme vrouwtje. Die gebroken arm zou wel weer in orde komen, meenden we, maar ’n week of zes duurde zoo’n geschiedenis toch wel, en al dien tijd zou ze geen cent verdienen. Andries was ’et eigenlijk weer, die van dat laatste sprak, want daaraan zou ik niet gedacht hebben, en-i maakte meteen al plannen, om onder de jongens ’n collecte te houën en zoo geld bij elkaar te krijgen voor ’n schadevergoeding. Ik praatte maar mee, al dacht ik bij me zelf, dat van mijn kant voor die collecte niet veel te verwachten was. Niet, dat ik geen medelijden met de stumper had, of bizonder gierig van aard was, maar ik kreeg van m’n vader ’n dubbeltje zakgeld in de week, en daarvan zou ’et vrouwtje niet vet soppen.

We waren dien middag op school pas met ons werk begonnen, toen m’nheer Belmans de deur van onze klas opendeed, en ’n man in ’n witte kiel met ’n pet op binnenliet. We keken allemaal verwonderd op, behalve onze onderwijzer, die al van de zaak scheen te weten, en ons dadelijk liet ophouën met werken. M’nheer Belmans zei geen woord, en de vreemde man, die ’n rood gezicht, ’n rooie snor en ’n paar rooïe bakkebaarden had, ging midden voor de klas staan, en keek alle jongens éen voor éen strak aan. Maar ’et duurde niet lang, of-i stapte regelrecht op Andries aan, tikte ’n paar maal met ’n korten, dikken wijsvinger midden op z’n borst, draaide zich om naar m’nheer Belmans en zei: „Dien jongeheer heb ik gisteren zien wegloopen.” M’nheer Belmans vertrok geen spier van z’n gezicht, zei alleen: „ik dank u”, en liet den man heen gaan.

Daarna keerde hij zich naar Andries en vroeg: „Van Ulft, ben jij gisteren avond aan de overzij geweest?”

„Ja, m’nheer!”

„Dus jij wist wèl, wat er gebeurd was?”

„Ja, m’nheer!”

„Dus jij hebt gelògen!”

„Ja, m’nheer, maar ....”

„Zwijg! Jij krijgt in de eerste plaats voor je liegen ’n strenge straf! En vertel nu alles, wat je weet!”

Nu had ik van ’et oogenblik af, dat de man Andries aanwees, al op heete kolen gezeten. ’Et leek me verschrikkelijk onrechtvaardig, dat de jongen, die van allemaal misschien ’et minst in staat was, om zoo’n grap uit te halen, en die zooveel medelijden met ’et mosselenvrouwtje getoond had, nu als een van de hoofdschuldigen zou aangezien worden. En toen ik nu van ’n strenge straf voor hem hoorde spreken, werd ’et me te machtig. Ik vergat m’n angst voor de flikkerende brilleglazen en de ijzige kalmte van m’nheer Belmans, en riep nog vóor Andries op z’n laatste vraag kon antwoorden:

„We weten er allemaal van! We hebben ’et allemaal gezien! En Andries heeft niets gedaan!”

Nooit zal ik ’et gezicht van m’nheer Belmans vergeten! Als ’et heele plafond naar beneden gekomen was, had-i er onmogelijk met meer ontzetting naar kunnen kijken als nu naar mij. Hij werd eerst bleek, toen rood, strekte toen den arm uit en wees naar de deur, zonder ’n woord te zeggen, maar zoo, dat ik aan z’n bedoeling niet behoefde te twijfelen. Ik verliet dus m’n plaats, nam m’n weg achter om de klas heen, om niet langs m’nheer Belmans te moeten, en ging buiten de deur in de gang staan.

Hoe ’et verder met de zaak ging, hoef ik niet in bijzonderheden te vertellen. ’Et lukte m’nheer Belmans natuurlijk, de aanleggers te vinden. Dat die in de hoogste klas zaten, verwonderde hem ’et meest. Hij was zòo overtuigd geweest, dat jongens, die al ’n jaar of langer onder zijn voortreffelijke leiding waren, nooit tot zoo iets in staat zouën zijn, dat-i in die klas niet eens iets gevraagd had. Ik, kan hier meteen wel zeggen, dat de bovenmenschelijke strengheid van m’nheer Belmans in ’et algemeen minder uitwerking had, dan hij er zich van scheen voor te stellen. Tenminste, buiten de school. In den korten tijd, dat ik op zijn instituut geweest ben, hebben de veertig jongens daar meer gemeene streken en straatschenderijen uitgehaald dan de driehonderd van m’n vorige school in al de acht jaren. Eigenaardig voor de manier van doen van m’nheer Belmans was zeker ook, dat-i de jongens, die schuld hadden aan ’et ongeluk van ’et vrouwtje, strafte, maar minder zwaar dan Andries en mij. Heel eerlijk en rechtvaardig leek ons dit niet, maar, zooals ik al gezegd heb, ’et heele voorval maakte, dat wij ons nog meer dan vroeger bij elkaar aansloten.

De straf, die Andries zoo onverdiend had opgeloopen, deed ’em z’n medelijden met ’et mosselenvrouwtje toch niet vergeten. Hij kwam weer met z’n plan van ’n collecte onder de jongens op de proppen, en sprak daarover met onzen onderwijzer. Die vond dat plan prachtig, sprak er over tegen de jongens uit onze klas, beloofde er ook in de hoogste klas ’n balletje van op te gooien, en verklaarde zich bereid, ’et geld in ontvangst te nemen.

Ik zelf raakte door dit plan ’n beetje in verlegenheid. Andries zei, dat-i eenvoudig thuis de zaak aan z’n vader en moeder zou vertellen, en dat die zeker wat zouën willen geven. Hij bracht dan ook den volgenden dag al vijf gulden mee. Maar wat zou ik doen? Van de scheutigheid van mijn ouërs voor onbekende mosselenvrouwtjes had ik niet veel verwachting, en met éen of twee dubbeltjes van me zelf dorst ik niet aan te komen.

Den eersten keer den besten, dat ik m’n vader even te pakken kon krijgen,—ik was net thuisgekomen uit de avondschool en hij stond klaar, om uit te gaan—vroeg ik:

„Vader, krijg ik van u voor m’n verjaardag ’n nieuw horloge?”

M’n vader keek vreemd op.

„Voor je verjaardag? Ben je dan niet in ... in December jarig?”

„Drie Januari, vader!”

„Nou ja, precies. En we hebben nu September! Tegen dien tijd zijn we misschien dood en begraven!”

„Ja, vader, maar ik bedoel ook eigenlijk, àls u dan van plan was, om me ’n horloge te geven ....”

„Van plan? Ik ben niets van plan! Denk je, dat ik maanden van te voren over jouw verjaardag loop te piekeren. Ik heb wel andere dingen aan m’n hoofd.”

„Ja, vader, maar ik wou u vragen, of u me dan nu niet vast wat geld zou willen geven..... ’n rijksdaalder of zoo, en dan met m’n verjaardag minder.... of niets.”

„Ben je gek? Waarvoor heb jij geld noodig?”

Ik begon nu de geschiedenis te vertellen, tamelijk hakkelend, want na et begin van ’et gesprek met m’n vader twijfelde ik heel erg aan ’n goeïen uitslag. Ik kon ook niet zeggen, dat m’n vader met bizonder veel belangstelling luisterde of erg begaan scheen met ’et vrouwtje. ’Et viel me dus nog erg mee, toen vader, voordat ik nog aan ’et eind van m’n verhaal gekomen was, z’n portemonnaie uit z’n zak haalde, ’n gulden op tafel lei en zei:

„Daar dan! Maar wacht nou in ’et vervolg met je bevliegingen van liefdadigheid tot je zelf geld verdient!”

En daarmee verliet-i de kamer.

Met veel moeite leende ik van ons dienstmeisje drie dubbeltjes, als voorschot op m’n zakgeld; twee dubbeltjes had ik zelf nog, en zoo kon ik dus den volgenden morgen ’n daalder aan onzen onderwijzer geven. Ik denk, dat Andries ’et wel wat weinig vond, maar-i zei er gelukkig niets van. Als-i geweten had, hoeveel moeite ’et me gekost had, om dat weinige bij elkaar te krijgen, zou-i er wel anders over gedacht hebben. Maar dat vertelde ik ’em natuurlijk niet.

IV.

VAN ANDRIES Z’N OUËRS, Z’N HUIS, EN M’N EERSTE SCHOUWBURGBEZOEK.

’n Paar dagen na ’et gebeurde met ’et mosselenvrouwtje zei Andries, toen we ’s avonds samen naar huis gingen: „Ga je nu ’es met me mee, dan kan je ’es kennis maken met m’n moeder.” Ik vroeg natuurlijk: „Vind je moeder dat goed?”, waarop Andries met de vraag antwoordde: „Waarom zou ze dat niet goed vinden?” Ik vond ’et moeilijk, om daarop ’n antwoord te geven, maar als ik er aan dacht, hoe ’et bij mij thuis zou opgenomen worden, wanneer ik maar zoo ineens ’n vriendje had meegebracht, was ik er toch nog niet al te gerust op, dat Andries z’n moeder er niets op tegen zou hebben. Ik vroeg daarom:

„Maar weet je moeder dan, dat ik meekom?”

„Nou, niet precies. Ik heb ’er gezegd, dat ik je ’es mee zou brengen. Maar niet bepaald van avond.”

„En je vader?”

„Die is niet thuis! Maar dat zou er anders toch niets toe doen. Kom, zeur niet! Je mag toch wel van je ouërs?”

„Ja, dat denk ik wel.”

Ik kon dat laatste gerust zeggen, want er werd bij mij thuis al heel weinig op gelet, of ik ’n uurtje vroeger of later kwam. ’Et was zelfs niet heel waarschijnlijk, dat iemand er iets van merken zou, behalve ’et dienstmeisje dan. M’n vader was zeker uit, en ’et was tien tegen éen, dat m’n moeder naar bed was gegaan. Ze sukkelde nog even erg met de „zenuwen” als vroeger. Ik besloot dus, ’et er maar op te wagen.

Andries woonde op ’n bovenhuis in de Voorstraat. Hij schelde aan, riep, toen er opengedaan was, luid: „Hallo!” naar boven, en ging me vóor, twee trappen op, en ’n kamer binnen. Daar zat bij de tafel ’n dame te lezen, die er heel jong uitzag en vriendelijk lachend opkeek, toen wij binnenkwamen. Andries vloog naar ’er toe, pakte haar om den hals en gaf ’er ’n kus. Toen zei-i:

„Kijk, Mam, daar heb je nou Hans!”

Ik wist niet, wat ik hoorde! „Je?” Zei Hans tegen z’n moeder „je”? Maar dat kon toch niet! Ik had bepaald verkeerd gehoord. Ik kon daar intusschen niet langer over nadenken, want ik moest z’n moeder ’n hand gaan geven. Ze zag nu ook mij vriendelijk aan, en zei met ’n stem, die me meteen heelemaal op m’n gemak zette:

„Zoo, Hans, dat is goed. Ik heb van Adi al ’n heelen boel van je gehoord, en ik ben blij, dat ik je ’es zie. Ik vind ’et altijd prettig, dat ik Adi z’n vriendjes ook ken. Ga jullie maar zitten, jongens! Je lust zeker allebei wel ’n kopje thee!”

We gingen bij de tafel zitten, en kregen ’n kopje thee met ’n koekje. Onderwijl vroeg Mevrouw naar ’et een en ander van onze school en ’et bleek, dat Andries ’er van alles goed op de hoogte had gebracht. De geschiedenis van ’et mosselenvrouwtje werd natuurlijk ook nog ’es opgehaald, en ik merkte, dat Andries z’n moeder ook verteld had, hoe ik voor ’em in de bres was gesprongen en daardoor straf opgeloopen had. Onder de hand keek ik de kamer ’es rond. Eigenlijk waren ’et twee heel ruime kamers, die in elkaar liepen. In allebei brandde licht en ik vond, dat alles er veel mooier en gezelliger uitzag dan bij me thuis. Er stonden juist niet zooveel andere meubelstukken, maar ze waren heel anders gerangschikt, niet zoo stijf, mannetje aan mannetje naast elkaar. Aan de muren hingen veel schilderijen, groote en kleine, in mooie lijsten, en op de piano, op ’et buffet en op de tafel stonden prachtige bloemen in vazen. Ik was niet gewoon, veel op zulke dingen te letten, en nog minder, om me er om te bekommeren, hoe iemand gekleed was. Ik zou dan ook niet in staat zijn, om precies te beschrijven, hoe de woning van Andries z’n ouërs was ingericht, en hoe z’n moeder was aangekleed. Maar even mooi en gezellig als me de kamers leken, even prettig vond ik ’et, om naar z’n moeder te kijken, en als ik had moeten zeggen, hoe zij er uitzag, zou ik gezegd hebben: als ’n prinses, of als ’n fee. Want aan zulke wezens, die ik natuurlijk alleen uit boeken kende, deed ze me telkens denken. En tegen zoo’n moeder zei Andries „jij en jou.” Ik hoorde ’et nu voortdurend en ’et gaf me iederen keer ’n kleinen schok.

„Toe, Mam, speel ’es wat!”

„Ja, Adi, dat wil ’k wel doen. Maar dan mogen we toch wel eerst aan je vriend vragen, of die ook van muziek houdt.”

„Natuurlijk, niet Hans?”

„O ja, Mevrouw, als ’et u blieft!”

„Speel je zelf ook piano, Hans?”

„Nee, Mevrouw. Ik zou ’et wel graag geleerd hebben, maar onze piano is altijd op slot. M’n moeder kan zoo iets heelemaal niet hebben. Ze is altijd ziek.”

„Zoo, dat is erg jammer! Adi heeft ’n jaar les gehad, maar-i had niet erg veel aanleg en wou er maar liever mee uitscheiden.”

„Maar ik hoor heel graag muziek. En Mam speelt zoo prachtig! Zòo had ik ’et toch nooit geleerd!”

Z’n moeder lachte en zei: „Ja, dat is wel makkelijk! Maar als je ’et zelf kan, heb je ’n ander niet noodig. En dan kan je anderen ook ’es ’n plezier doen”. Ze ging voor de piano zitten en begon te spelen. ’n Oogenblik volgde ik haar vlugge vingers, die over de toetsen vlogen, keek even naar Andries, die me toeknikte met ’n gezicht, alsof-i zeggen wou: „Heb ik geen gelijk gehad? Is ’et niet prachtig?” En toen vergat ik alles om me heen. Ik wist niets meer van Andries of van z’n moeder, ik zag geen kamer meer en geen meubels, ik was weg. Weg in ’n land, waar ik nooit geweest was, waar ik menschen zag, die ik nooit gekend had, waar ik sprak en deed, zooals ik nooit gesproken of gedaan had. En ik voelde me zoo luchtig, zoo sterk en zoo moedig, en ik was geen jongen meer, maar ’n man. En ik reed te paard als ’n generaal en duizenden soldaten presenteerden ’et geweer, en ik zat als Koning in ’n rijtuig met acht paarden en alle menschen juichten en zwaaiden met hoeden. En ineens was dat alles weer verdwenen en ik zat tegenover oom Frits en luisterde naar ’n verhaal, dat ik nooit van ’em gehoord had, maar dat o zoo mooi was, maar treurig, erg treurig. En toen moest ik blijven denken aan dien goeïen oom, die dood was gegaan, en aan m’n moeder, die ook dood was, en dat ik zelf ook dood zou gaan. En......

„Mam, wat speel je treurig! Hans heeft tranen in z’n oogen!”

Mevrouw Van Ulft hield op met spelen, maar draaide zich gelukkig niet dadelijk om. Ik had dus gelegenheid, m’n oogen af te vegen, en weer heelemaal tot me zelf te komen. Ik zou erg graag gezegd hebben, hoe heerlijk ik ’et gevonden had, maar daar zag ik geen kans toe.

„Hou je van noten, Hans?”

„Als ’et u belieft, Mevrouw!”

„Heb je noten, Mam? Heerlijk!”

Mevrouw haalde ’n bord met noten en ’n notenkraker uit ’et buffet, en we gingen met z’n drieën zitten kraken en pellen en peuzelen. Er werd geklopt, en ’n aardig jong dienstmeisje kwam binnen, om ’er tweede kopje thee te halen.

„Lust je ook ’n paar noten, Marie?”

„Als ’et u blieft, Mevrouw.”

„Kom er dan maar bij zitten, en drink hier je kopje thee. Je zit ’er zoo alleen in die keuken!”

Ik wist alweer niet recht, hoe ik ’et had. ’Et dienstmeisje bij Mevrouw aan de tafel en mee aan de noten smullende, of ’et zoo hoorde! Zoo iets was bij mij thuis ondenkbaar geweest. Maar ik vond ’et wel gezellig. Andries scheen ’et ook heel gewoon te vinden, en plaagde ’er soms, door ’er ’n leegen dop in de hand te duwen, maar dan zocht-i weer ’n mooien grooten uit en schoof die naar ’er toe.

„En doen we nu nog samen ’n spelletje, Mam, of lees-je verder uit ’et boek van gisteren voor?”

„Ja, Adi, wat je ’et liefst wil. Maar je moet ’et eigenlijk aan Hans overlaten”.

„Da’s goed, Mam! Zeg jij ’et maar, Hans! Willen we ’n spelletje zwartepieten?”

„Zwartepieten? Dat kan ik niet!”

„O, dat is niets. ’Et is doodmakkelijk! Dan zullen we ’et ’em wel leeren, niet Mam? Heb jij ’n kurk, Marie? Jij doet toch ook mee, hè?”

Andries zocht ’n spel kaarten te voorschijn, en Marie haalde ’n kurk uit de keuken. Ik was verschrikkelijk nieuwsgierig, wat er gebeuren zou. Ik had vroeger m’n oom Frits met m’nheer Arnolds wel ’es zien kaartspelen, maar ’n kurk was daar nooit bij te pas gekomen.

Andries begon me nu ’et spel uit te leggen, en als ’et niet erg duidelijk was, wat-i zei, kwam Mevrouw ’em te hulp. Nu, erg moeilijk was ’et werkelijk niet. Je kreeg ieder ’n stuk of acht kaarten, en als je nou twee heeren of twee vrouwen, of twee negens of twee tienen had, dan mocht je die wegleggen. Maar ze moesten van dezelfde kleur zijn, dus bij voorbeeld hartenaas en ruitenaas of klaverenzeven en schoppen zeven. Maar schoppenboer kon je nooit wegleggen, omdat klaverenboer uit ’et spel genomen was. Nu moest je telkens om de beurt ’n kaart van je buurman trekken, en dan zat je natuurlijk in angst, dat je zwartepiet, d.w.z. schoppenboer zou trekken, want wie daarmee ’et laatste zitten bleef, die had ’et spel verloren.

„Maar nou die kurk?” vroeg ik, toen ik dacht, dat ik de zaak nu wel begrepen had, en we ons eerste spel zouën beginnen.

„Dat zal je wel zien!” zei Andries lachend. „Pas maar op, dat jij niet verliest!”

Andries deelde de kaarten rond, en we begonnen te spelen. Wie zwartepiet had, deed z’n best, om zoo onschuldig mogelijk te kijken, in de hoop, dat z’n buurman ’em van ’em trekken zou. Gebeurde dit werkelijk, dan was ’et erg moeilijk, om je vreugde daarover niet te verraden, en zoo kon je, door goed op al de gezichten te letten, dikwijls wel zoo’n beetje raden, bij wie zwartepiet zat. Maar natuurlijk vergiste je je ook wel ’es. Aan ’et gezicht van Andries z’n moeder was ’et minste te zien. Dat stond voortdurend even lachend en vriendelijk. Maar Andries kon ’et ’n enkelen keer niet laten, luid te juichen, en toen Marie bij ’et trekken van ’n kaart onwillekeurig „ajakkes” riep, wisten we meteen allemaal, hoe laat of ’et was. Zoo ging ’et spel door, telkens werden er kaarten weggelegd en zwartepiet ging van de eene hand in de andere. Eindelijk was Andries al z’n kaarten kwijt en dadelijk daarna z’n moeder ook. Ik had nog een kaart, ruitenacht en Marie nog twee. Zij moest mij laten trekken. Ze draaide en draaide ’er kaarten door elkaar, en hield ze me eindelijk voor. Natuurlijk aarzelde ik ’n beetje, want een van ’er kaarten moest zwartepiet zijn. Ik trok er ten laatste een, en jawel, ik had ’em. Groot gejuich van Andries en groote pret van Marie! Maar nu moest zij weer van mij trekken, en nu draaide ik m’n twee kaarten door elkaar en aarzelde zij met er een te nemen. En warempel, ze trok weer de ongelukskaart. Nog harder gejuich van Andries en nog grooter pret van mij! En nu was ’et mijn beurt weer om te trekken, en ik trok ... hartenacht! Ik mocht m’n kaarten wegleggen, en Marie zat met zwartepiet.

En nu werd ’et geheim van de kurk opgelost. Hij werd ’n oogenblik boven de lamp gehouën en op die manier ’n beetje zwart gebrand. En toen mocht Andries, omdat hij ’et spel gewonnen had, met die kurk Marie ’n zwarten veeg in ’et gezicht geven. Je begrijpt, hoe er bij die kunstbewerking gelachen werd, en hoe Marie tegenspartelde en schreeuwde: „Niet op m’n lip, niet op m’n lip!” Maar eindelijk zaten we toch allemaal weer kalm, al schoot ik telkens weer in ’n lach, als ik naar Marie keek, die er met ’er zwarte snorretje allergekst uitzag.

We begonnen nog aan ’n tweede spelletje, maar dat kregen we niet meer uit. Want ineens werd er gescheld. Marie sprong verschrikt op, zei, dat ze zoo onmogelijk open kon doen, en holde naar de keuken, om ’er gezicht te wasschen. Andries riep ’er na, dat hij wel gaan zou, en ging opendoen. En net in den tijd, dat ik met z’n moeder alleen in de kamer was, sloeg de pendule op den schoorsteen half tien. Ik schrok er van: ik had gedacht, dat ’et op z’n hoogst negen uur zou wezen. Mevrouw merkte ’et, en vroeg:

„Wordt ’et je tijd, Hans?”

„Ja, Mevrouw, ik heb thuis niets gezegd, en ...”

„Ja, dan moet je gaan! Je moeder zal toch wel al ongerust wezen. Wil je nog wel ’es terug komen?”

„O, mevrouw; erg graag!”

„Maar dan moet je in ’et vervolg zorgen, dat ze ’et thuis weten!”

„Ja, Mevrouw.”

Andries kwam weer binnen; ’et was ’n puisje geweest.

„Wat is dat? Ga je nou ineens weg, Hans?”

„Ja, Adi, ’et is al half tien. Jij moet ook naar de koets,” zei z’n moeder.

„En ’et spel is niet eens uit!”

„Nou dat zullen we later nog wel ’es uitspelen. Je brengt Hans nog maar ’es gauw weer mee.”

Ik gaf Mevrouw ’n hand, riep bij de keukendeur „dag, Marie”, nam boven aan de trap afscheid van Andries en ging naar beneden en naar huis, vol van plezierige gedachten over den prettigen avond, dien ik gehad had, en vlassende op den volgenden keer, dat Andries me mee zou nemen. Thuis vond ik alles, zooals ik verwacht had. Ons dienstmeisje—we hadden juist weer ’es ’n erg knorrig exemplaar—deed me open met: „Ken je nog later thuiskomme?” Maar dat was ook alles, wat ik er van te hooren kreeg.

Al heel gauw daarna mocht ik weer ’es met Andries mee, en nog ’es, en nog ’es, en op ’et laatst bracht ik bijna al m’n vrije uren bij hem aan huis door. Niet alleen ging ik haast iederen avond ’n uurtje met ’em mee, maar ook Woensdag en Zaterdag middag was ik vaak bij ’em thuis, als ik tenminste geen extra-uren op school had. En dat gebeurde nog al ’es ’n keer, want voor ’et stoomen scheen ik nog minder geschikt dan voor ’et leeren op ’n gewone school. Andries maakte ’et daarentegen uitstekend, en ’et bleek al gauw, dat hij verreweg de beste van onze heele klas was. Dat beteekende nu wel niet zoo heel veel, want ons heele stelletje was bijna zonder uitzondering allesbehalve snugger. Maar Andries was werkelijk n vlugge jongen, en ’et verwonderde me hoe langer hoe meer, dat hij voor ’et toelatings-examen gezakt was. Ik kan hier wel meteen vertellen, dat de heeren, die ’em geëxamineerd hadden, zich inderdaad vergist moeten hebben, want ’et volgende jaar slaagde Andries voor de tweede klas van de Burgerschool en hij heeft ’et daar ook verder heel goed gemaakt.