Uit de schooljaren van Hans Doncker
Part 4
Eindelijk scheen m’nheer Belmans ons lang genoeg bekeken te hebben en begon-i met ’n heel zachte stem en heel langzaam te spreken. ’Et bleek nu, dat wij allemaal, zooals we daar zaten, nieuwelingen waren, en dat de school eigenlijk pas den volgenden dag zou beginnen. We werden er nadrukkelijk op gewezen, dat er op ’et instituut Belmans gewerkt moest worden, hard gewerkt, en onder deze voorwaarde werden ons de schitterendste resultaten voorspeld. We kregen verder te hooren, dat onze schooluren dezelfde zouën zijn, als waaraan we op onze ouë school gewoon waren, dus van negen tot twaalf en van twee tot vier, behalve Woensdags en Zaterdags, maar dat we bovendien elken avond van zes tot acht op school moesten komen, om ons huiswerk daar te maken. Alleen den Zaterdagavond waren we daar vrij van. Dit waren, zei m’nheer Belmans uitdrukkelijk, de gewone uren; voor jongens, die ’et noodig hadden, kwamen daar natuurlijk nog extra-uren bij. Ik raakte aan ’et peinzen over de vraag, of zulke jongens, die ’et noodig hadden, dan eigenlijk nog wel den tijd zouën hebben, om te eten en te slapen, maar ik begreep al weer, dat al zulke dingen nu eenmaal bij ’n stoominrichting hoorden.
Nadat m’nheer Belmans ons op deze manier ’n beetje had voorbereid op de heerlijkheden, die ons op z’n instituut te wachten stonden, zei-i, dat-i ons nu wat werk zou opgeven, om ons voorloopig zoo’n beetje aan den tand te voelen. We kregen ieder ’n paar groote vellen papier, van dezelfde soort als ik op ’et examen had gehad, en moesten ’n opstel en vijf sommen maken, en ’n stukje in ’et Fransch vertalen. De sommen en de vertaling stonden al op den achterkant van de borden geschreven, en ’et onderwerp voor ’et opstel mochten we zelf kiezen. Om twaalf uur moesten we al ’et werk inleveren.
M’nheer Belmans ging op ’n stoel voor de klas zitten, nam ’n boek uit de lade en stak ’n sigaar op met ’n bandje er om. In onze lessenaars vonden we inkt en ’n penhouër, en we konden dus aan ’et werk trekken.
’Et spreekt vanzelf, dat ik met ’et opstel begon. Ik vertelde ’et avontuur, dat ik ’n week geleden in Zandvoort gehad had, en voor ik ’et zelf wist, had ik een van de reusachtige vellen, die voor me lagen, aan drie kanten bijna geheel volgeschreven. Dat zou zeker wel voldoende zijn. Maar nu ’et andere werk. Zou ik daarvoor nog tijd genoeg over hebben? Ik wist er niets van, want ’n horloge had ik niet, en ’et kon even goed elf uur als tien uur wezen. Ik zag wel ’n paar jongens, die ’n horloge droegen, maar ze zaten te ver van me af, om ze wat te vragen. En zelfs toen ik even rond keek, richtte m’nheer Belmans zoo’n vertoornden blik op me, dat ik ’n gevoel kreeg, of ik me aan de vreeselijkste misdaad had schuldig gemaakt. Ik werkte dus maar weer ijverig door.
Met de vijf sommen was ik gauw klaar. Dat wil zeggen, toen ik ze eenmaal gelezen had, was ik er vast van overtuigd, dat ik er geen een van maken kon. Daar was weer m’n ouë kennis: „Als ik drie en ’n zevende maal ’et geld, dat Jan zou hebben, wanneer-i twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat ...” en-i maakte me duizelig. En daar was weer ’n duivelachtig vat met onmogelijk veel kranen op de onwaarschijnlijkste plaatsen, die allemaal op verschillende tijden werden opengezet en allemaal verschillende hoeveelheden water doorlieten.
Kortom, ’et waren m’n ouë plaaggeesten, alleen nog wat onbegrijpelijker en nog wat ingewikkelder. En op ’et vel papier, dat ik voor m’n rekenwerk bestemd had, kwam alleen m’n naam te staan en No. 1, en verder bleef ’et blank.
Ook de vertaling was veel te moeilijk voor me. ’Et was ’n klein verhaaltje van ’n jongen, die ging schaatsenrijden, en in ’et water valt en gered wordt, maar kou vat en ik weet niet meer welke ziekte krijgt. Er kwamen ’n aantal woorden in, die ik nooit geleerd had of althans me op dat oogenblik niet kon herinneren. Toch begon ik maar voor ’et vaderland weg te vertalen. Voor de woorden, die ik niet wist, liet ik ’n open ruimte: die mocht m’nheer Belmans invullen, als-i lust had. Ik schreef vrij vlug door, maar toch was ik pas even over de helft, toen m’nheer Belmans opstond, en tot m’n verrassing zei: „Jongens, eindigen! Je kunt nog even je werk nakijken, en dan haal ik ’et op.” Dat deed-i dan ook gauw daarna en ik stopte m’n papier met sommen—ik bedoel, waarop m’n sommen hadden moeten staan—onder de andere, en gaf ’em alles over, zonder ’em aan te kijken. Toen kregen we nog te hooren, dat we dien middag vrij waren, maar dat we den volgenden morgen om negen uur terug verwacht werden, en dat dan de school in ernst begon. En toen konden we vertrekken.
In ’et portaal bleven we nog allemaal zwijgen, want m’nheer Belmans stond in de deur van ’et lokaal, en keek ons aan, of we allemaal z’n doodsvijanden waren. Zelfs op de trap en in de gang waagde nog haast geen van de jongens ’n woord te fluisteren, maar op straat kwamen de tongen los. En geen wonder, we hadden in drie uur tijd letterlijk geen woord gesproken.
Er vormden zich groepjes van jongens, die misschien elkaar al van vroeger kenden, en de anderen praatten mee, nu ’es hier en dan ’es daar. Er werd gesproken over m’nheer Belmans—niet heel vleiend natuurlijk—, over ’et moeilijke werk, en over de lange schooldagen, die ons boven ’et hoofd hingen. Maar dat had nog geen vijf minuten geduurd, of we werden opgeschrikt door ’n nijdig tikken tegen ’et raam van de onderste voorkamer, en toen we opkeken, zagen we ’et strenge gezicht van m’nheer Belmans tusschen de overgordijnen. Dat maakte meteen ’n eind aan ons gesprek, we namen onze petten af, en liepen door, met ’et gevoel van ’n afgeranselden hond.
De meeste jongens gingen niet den kant uit, dien ik op moest, en van de drie, die dat wel deden, moesten er twee bij de brug linksaf. Er bleef er dus nog maar een over, die me gezelschap hield. Al gauw wist ik, dat-i Andries van Ulft heette, en in de Voorstraat woonde, dus tamelijk wel in mijn buurt. We spraken met elkaar over allerlei dingen, over onze vroegere school, over ’et examen voor de Burgerschool, waar-i net als ik voor gesjeesd was, en natuurlijk over onze verwachtingen van de nieuwe school en van m’nheer Belmans, van wien-i me nog wist te vertellen, dat de jongens ’em altijd „de ouë” noemden. Dat had-i van ’n jongen gehoord, die daar al langer op school was, en dien-i kende. We konden heel goed met elkaar opschieten, en toen-i bij de Voorstraat van me wegging en ik ’et laatste stukje van m’n weg alleen vervolgde, dacht ik bij me zelf, dat ik ’et ’n aardigen jongen vond, en dat ik hoopte, dat we vriendjes zouën worden.
Vriendjes! Die had ik eigenlijk nog nooit gehad. Of ik had er vijftig gehad, zooals je ’et nemen wilt. Nu ’es had ik met dien, dan weer met ’n anderen jongen wat drukker omgegaan, dan met de overige jongens uit m’n klas, en ik was ook wel ’es ’n enkele maal bij deez’ of genen aan huis geweest om te spelen. Maar omdat ik ze nooit weerom vragen mocht, bleef dat altijd bij een of twee keer, en zonder dat ik eigenlijk met iemand ruzie kreeg, raakte zoo’n vriendschap altijd weer gauw uit. En ik moet er bij zeggen, dat ’et me niet veel schelen kon. Jongens om mee te spelen of mee te praten kon ik altijd wel vinden. En dat ’et heerlijk was, om iemand te hebben, aan wien je alles kon vertellen, waar je over dacht, ook de dingen, die je niet zoo aan iedereen zou willen zeggen, iemand, die je beklaagde, als je verdriet had, en zich verheugde, als je ’es ergens heel blij mee was, dat wist ik niet.
Van alles, wat ik thuis vertelde van m’n eersten morgen op ’et instituut Belmans, had ’et feit, dat ik daar elken avond van zessen tot achten terug moest komen, om m’n huiswerk te maken, de meeste belangstelling. M’n moeder verwachtte er meer rust voor zich zelf van, en m’n vader zei: „Zie je wel, op die school wordt gewèrkt.” Alleen zou ’et lastig worden met ’et middageten. Vader kon niet voor half zeven thuis zijn, en ik kon dus in ’et vervolg niet tegelijk met m’n ouërs eten. Na achten was wat laat, en er werd dus besloten, dat ik vooraf zou eten, om ’n uur of vijf. Voordeel had ik bij die nieuwe regeling niet, want ’et werd nu gewoonlijk zoo ingericht, dat er elken dag ’n behoorlijke portie eten overbleef, die dan den volgenden dag voor mij werd opgewarmd. Alleen Zaterdags en Zondags at ik voortaan gelijk met de anderen, en ik zag m’n vader nu nog minder dan vroeger, soms zelfs dagen achtereen in ’et geheel niet.
Toen ik den volgenden morgen tegen negen uur op de Veergracht kwam, waren er wel wat meer jongens dan den vorigen dag, maar zoo druk als bij ’n gewone school was ’et toch lang niet. En dat was geen wonder. Op m’n vorige school waren ’n driehonderd jongens geweest en hier waren er in ’et geheel ’n dikke veertig. ’Et scheen hier ook geen gewoonte te zijn, de deur om kwart voor negenen open te zetten; éen of twee minuten voor den tijd werden we pas binnengelaten.
Ik had natuurlijk naar Andries uitgekeken, maar ’em nergens gezien. Net op ’et oogenblik, dat ik naar binnen wou gaan, kwam-i aanloopen. Ik ging ’em tegemoet, en-i vertelde me, dat-i bij den hoek van de Voorstraat ’n tijdje op me gewacht had, en dat ’et daardoor ’n beetje laat was geworden. Ik zei, dat ’et me speet, dat ik ’et niet geweten had, en dat ik ’et erg aardig van ’em vond. In ’t vervolg zou ik ook op hem wachten. Dat was afgesproken en we gingen samen in school.
We kwamen weer in ’etzelfde lokaal te zitten, waar we den vorigen dag geweest waren, maar er zaten nu vier jongens meer. Die waren al vroeger daar op school geweest, en niet verhoogd geworden. Een van de vier had zelfs al twee jaar in diezelfde klas gezeten, ’n groote, forsche jongen van zeventien jaar, met lang zwart haar en al ’n klein snorretje, en met ’n gouden ring met ’n grooten zwarten steen aan z’n pink, in mijn oog al haast ’n m’nheer. Ik begon dus te begrijpen, dat zelfs ’n stoominrichting niet altijd z’n doel bereikte, vooral toen ik later merkte, hoe ongelooflijk dom die jongen met z’n ring was. Ik had alle reden om heelemaal niet trotsch te zijn op m’n eigen knapheid, maar bij dien jongen vergeleken was ik ’n kraan.
In plaats van m’nheer Belmans kregen we als onderwijzer ’n m’nheer, die veel jonger was en er ook niet zoo onvriendelijk uitzag. Toch was ook hij tamelijk strak en streng en op geen stukken na ’n Meester Lindeman. We kregen van hem les in alle vakken, die daar op school onderwezen werden, behalve in ’et Fransch. Daarvoor kwam m’nheer Belmans zelf elken dag ’n uur. Andere onderwijzers had onze klas niet, want aan gymnastiek, zingen en teekenen deden we niet.
Wat nu de manier aangaat, waarop we op ’et instituut Belmans onderwijs kregen, die verschilde niet zoo heel erg van wat ik ’et laatste jaar op school gewend was. Maar toch wel ’n beetje. In de eerste plaats maakte de meester daar zich veel drukker, om ons de dingen uit te leggen, om ons duidelijk te maken, waarom je zoo en niet anders doen moest. ’Et was niet genoeg, dat je wist ${3\over 5} : {2\over 7} = {3\over 5} \times {7\over 2}$ of de inhoud is lengte maal breedte maal hoogte, maar je moest dat ook kunnen verklaren. Hier leerde je alleen ’et kunstje, en verder werd er geen woord over vuil gemaakt. ’Et zal wel niet met alle jongens ’etzelfde geweest zijn, maar mij leek de laatste manier veel beter. Hoe langer ’n uitlegging duurde en hoe vaker ’n verklaring herhaald werd, hoe onduidelijker de zaak voor me werd, zoodat ik me ten slotte bij de toepassing van ’et kunstje zelf telkens vergiste.
Verder moesten we veel meer schriftelijk werk maken dan vroeger, thema’s, sommen en taaloefeningen, zooveel, dat ik vooral in ’et begin kramp in m’n vingers kreeg, wat ik vóór dien tijd nooit gehad had. Op m’n vorige school waren alle jongens altijd even ver, maar hier liet men ieder zoo hard vooruitkomen als-i kon, en we waren nog geen veertien dagen op school, of de vlugste rekenaar was mij bij voorbeeld ’n goeïe honderd sommen voor, en zat ik nog op thema twaalf te zweeten, terwijl Andries nummer achtendertig inleverde.
’Et grootste verschil tusschen vroeger en nu zat em natuurlijk wel daarin, dat we ’s avonds van zessen tot achten op school moesten komen, om daar lessen te leeren en werk te maken, wat we anders als huiswerk meegekregen zouën hebben. Ik had daartegen eigenlijk ’et meest opgezien, en dat ’et ’n pretje was, om daar nog die twee extra-uren op school te zitten, vooral op mooie herfst- of zomeravonden, wil ik dan ook niet zeggen. Maar toch, ’et had ook z’n goeïe zij. Als je nu eindelijk naar huis ging, dan was je tenminste van al den schoolrommel heelemaal af. Je hoefde niet onder ’et spelen of ’et lezen van ’n mooi boek telkens te denken aan ’n rist jaartallen, die je er voor den volgenden dag nog in moest pompen, of aan ’n reusachtige vormsom, die je nog te maken had, en waarvan je zoo goed als zeker vooruit wist, dat jij er zooiets van $1295368735 \over 49028362183$ uit zou krijgen, terwijl de meester beweerd had, dat ’et antwoord ’n „mooi” getal was. Ook kon je onder ’et werk af en toe ’es iets aan den onderwijzer vragen, wat vooral voor mij, die thuis nooit op eenige hulp had kunnen rekenen, ’n groote verbetering was.
Toch zou ik met m’n nieuwe school zeker niet half zoo ingenomen geweest zijn, als ik daardoor Andries niet had leeren kennen. Wat ik den eersten dag den besten gehoopt had, gebeurde: we wèrden vriendjes. Andries was wel in dezelfde stad geboren als ik, maar had ’n jaar of vijf met z’n ouërs in Rotterdam gewoond. Daar had hij dus ook school gegaan. Maar nu waren z’n ouërs weer uit Rotterdam vertrokken, en daarom had-i ook examen gedaan voor dezelfde Burgerschool als ik. Hij had dus ook geen vriendjes, en zoo sloten we ons bij elkaar aan. In de eerste weken gingen we alleen geregeld samen naar school en weer naar huis, maar ’et duurde niet lang, of ik maakte ook kennis met z’n ouërs. Vóór ik je echter meer van onzen omgang vertel en van alles, wat ik daaraan te danken had, wil ik je iets zeggen van ’n voorval, dat vrij kort na onze komst op school plaats had, en dat er veel toe heeft bijgedragen om ons tweetjes aan elkaar te binden.
Ik heb, meen ik, al gezegd, dat ’et instituut Belmans aan de stille zij van de Veergracht stond. Er was werkelijk ’n kolossaal verschil in drukte tusschen de twee kanten van die gracht. De lokalen, waarin op onze school les gegeven werd, lagen alle aan den tuinkant, maar al was dat niet ’et geval geweest, van ’et leven op onze gracht zouën we niet veel hinder gehad hebben. Maar aan den overkant zag ’et er heel anders uit. Daar waren ’n stuk of wat kantoren van stoombootdiensten voor ’et vervoer van goederen naar allerlei plaatsen. Enkele van die kantoren werden gehouën in kleine houten huisjes, die aan den waterkant stonden, andere in kelders of benedenhuizen. Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren, die goederen kwamen brengen en halen. Aan den waterkant stond ’et altijd vol met kisten en pakken en doozen; daar lagen ijzeren staven naast potten met bloemen, manden met flesschen wijn naast zakken meel, stapels baksteenen naast piramides van kazen. Daar stond soms ’n heele verhuisboel tusschen in, en ook wel koeien en bokken en kippen. En daar waren eeuwig mannen aan ’et sjouwen en hijschen, aan ’et rollen van vaten en ’et duwen van handkarren, en als ’et twee weken achter elkaar niet geregend had, was die kant van de Veergracht nòg vuil en modderig.
Dan stonden er ook nog ’n paar pakhuizen op die gracht, waar wel niet elken dag, maar toch van tijd tot tijd alweer zakken en kisten uit- of ingeheschen werden, en eindelijk was er ’n groote fabriek, waar zeker wel ’n paar honderd mannen en jongens werkten. Die fabriek gaf alleen maar drukte bij ’et aan- en uitgaan, maar op die oogenblikken was de gracht dan ook zoo vol, dat iemand, die daar niet bekend was, zou gedacht hebben, dat de koning in de stad was of dat er ’n huis in brand stond.
Nu zat er iederen dag op den hoek van die drukke gracht, pal bij de brug, ’n oud vrouwtje, dat mosselen en haring verkocht. Hoe vroeg ze daar verscheen, weet ik niet, maar als we ’s morgens naar school gingen, zat ze er, en ook om twaalf en om twee uur. Alleen als om vier uur de school uitging, zagen we haar niet, maar tegen zes uur kwam ze weer opdagen. Als ik ’s avonds wat vroeg bij school was en nog wat rondslenterde, had ik wel ’es gezien, dat haar stalletje werd opgeslagen. Er was dan ’n man bij, zeker ’er zoon, die de handkar duwde, waar haar koopwaar en alles, wat ze verder noodig had, in lag: ’n paar planken, ’n matten stoel, ’n groote ijzeren pot, enz. De man hielp ’er, om den boel in elkaar te zetten, en als dat gedaan was en zij rustig op ’er stoel achter ’et stalletje zat, ging hij weer heen. Om zes uur ging altijd de fabriek uit, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom ’et mosselenvrouwtje zorgde, dat ze tegen dien tijd weer op ’er post was. Of ze over ’et algemeen goeïe zaken deed, kan ik niet zeggen, want daarvoor heb ik er te weinig op gelet. Maar ik zou ’et wel denken, want ’n punt, waar meer menschen van de haring- en mosselenetende soort bij elkaar waren, zou er in de heele stad moeilijk te vinden geweest zijn.
We zullen ’n dag of veertien op school geweest zijn, toen Andries en ik ’n paar minuten voor zessen den hoek omsloegen van onze schoolgracht, en we op de brug ’n troep jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken. Er waren ook jongens van onze klas bij, en een, die ons in de gaten kreeg, riep: „Hallo, kom ’es hier?” We liepen de brug op, en kregen nu van allerlei kanten te gelijk te hooren, wat er aan de hand was. ’n Paar jongens zouën ’n mop uithalen, nee maar, ’n reuzemop. Ze hadden ’n lang, stevig touw mee gebracht, en nu zouën ze ’et eene eind daarvan probeeren vast te maken aan ’et mosselenstalletje, en dan ’et andere achter aan ’n kar of rijtuig vastbinden. Als dan de kar voortging, nam-i ’et stalletje op sleeptouw, en de mop was gelukt. ’n Paar andere jongens waren meegegaan, om haring of mosselen te gaan eten en daardoor de aandacht van ’et vrouwtje af te leiden. Toen ik keek, zag ik dan ook vier of vijf jongens, waaronder ook den grooten jongen met z’n gouden ring uit onze klas, vóor ’et stalletje staan, maar veel meer konden we te midden van ’et gewoel, dat er bij den hoek van de Veergracht heerschte, niet onderscheiden. We hadden er ook geen tijd toe. De torenklok begon te spelen, en op ’etzelfde oogenblik ontstond er ’n opschudding op de plek, waarheen al onze oogen gericht waren. We hoorden gillen, schreeuwen, zagen jongens weghollen, en zonder eigenlijk goed gezien te hebben, wat er gebeurd was, vlogen we de brug af en de gracht op naar onze school.
Ik was uit al m’n macht meegerend, zonder op Andries te letten, en eerst toen ik hijgende voor m’n lessenaar zat, merkte ik, dat hij er nog niet was. Ik begreep dat niet recht, want hij kon harder loopen dan ik. ’Et duurde intusschen niet heel lang, of-i kwam binnen. ’s Avonds werd ’et op school niet zoo heel precies met den tijd genomen, en ’et liep dan ook zonder standje voor ’em af. Maar ik zag aan z’n gezicht, dat-i niet heelemaal in z’n gewone doen was; ’et stond lang zoo vroolijk niet als anders. Graag zou ik even ’n praatje met ’em gemaakt hebben, maar dat ging niet, want we zaten tamelijk ver van elkaar. Ik keek later nog ’n paar maal naar hem, en telkens vond ik, dat-i bizonder ernstig keek.
De avond ging verder voorbij als altijd. Ik had half en half verwacht, dat er iemand bij m’nheer Belmans zou zijn gekomen, om zich te beklagen over den streek, dien onze jongens uitgehaald hadden. Maar dat scheen niet gebeurd te zijn, althans wij hoorden van niets. ’Et eenige bizondere, wat er gebeurde, was, dat de groote jongen met z’n ring—z’n naam was Walraven—misselijk werd. Hij moest ’n paar maal de klas uitgaan, zag zoo wit als ’n doek, en kreeg eindelijk verlof, om maar naar huis te gaan. Ik denk, dat-i er niet aan gewend was, om na ’et middageten ’n portie mosselen of ’n paar mootjes haring aan ’n stalletje als dessert te gebruiken, en dat z’n maag er niet tegen kon. Maar in m’n hart gunde ik ’em z’n misselijkheid, want ik vond ’et ’n naren jongen.
Ik verlangde dien avond nog wat harder naar ’et einde van den schooltijd als gewoonlijk, want ik was nieuwsgierig, om van Andries te hooren, waarom-i zoo laat gekomen was. Ik vermoedde natuurlijk wel, dat-i nog even naar den overkant van de gracht geloopen was, om te kijken, hoe ’et geval daar was afgeloopen. Nu, dat was ook zoo. Toen de school uitging, liepen we eerst nog even met de meeste andere jongens mee de brug op, om te kijken, of er nog wat bijzonders te zien was. Maar dat was niet ’et geval. De gracht was tamelijk stil, en ’et plekje van ’et mosselenvrouwtje was leeg. De jongens praatten en lachten onder elkaar nog wel ’n oogenblikje over ’et gebeurde, en er waren er ook wel, die beweerden dat ze gezien hadden, dat de kar ’et stalletje ’n heel eind voortgesleept had, maar ik geloof, dat ze zich dat maar verbeeldden. Andries zei niets, en weldra sloegen wij met ons tweetjes den weg naar huis in.
Onderweg kwam z’n tong los. Toen hij naar de plaats van de opschudding was toegehold, had-i zich eerst door ’n kluw van menschen en karren en kisten moeten heen wringen, en dat was ’em niet eens heelemaal gelukt. Maar toch had-i genoeg gezien en gehoord, om er uit op te maken, hoe ’et gegaan was. De kar had werkelijk ’et stalletje ’n eindje meegetrokken, maar de voerman had onraad gemerkt en al gauw stil gehouden. Er zouën dus wel wat mosselen en ’n stuk of wat mootjes haring op de straatsteenen terecht zijn gekomen, en misschien ’n paar bordjes en kommetjes en flesschen gebroken zijn, maar dat zou toch wel niet zoo heel erg zijn. Maar ’et vrouwtje, dat daar plotseling ’er stalletje op den loop had zien gaan, was van den schrik, of misschien omdat ze er met ’er armen op geleund had, voorover van ’er stoel gevallen. Of ze zich erg bezeerd had, wist Andries niet, want hij was er niet dicht genoeg bij kunnen komen, en-i had ook niet langer durven blijven.
We hoopten allebei, dat ’et zonder groot ongeluk afgeloopen was, en waren ’et er over eens, dat ’et eigenlijk ’n flauwe, gemeene streek van de jongens was geweest. Ik moet eerlijk bekennen, dat ’et door de manier, waarop Andries over de zaak sprak, eerst goed tot me doordrong, hoe laf en verkeerd ’n dergelijke grap eigenlijk was. Ik durf wel van mezelf te verzekeren, dat ik nooit zoo iets op touw zou hebben gezet, maar ik weet niet zoo vast, of ik niet meegedaan zou hebben, als andere jongens ’et me gevraagd hadden. En er om gelachen had ik zeker wel. Niet omdat ik gewoon was, om ’et verdriet van ’n ander verheugd te zijn, maar omdat ik er niet aan dacht, dat die ander leed hàd. Maar alles, wat Andries dien avond over dat mosselenvrouwtje zei, klonk zoo hartelijk, dat ik me inwendig ’n beetje schaamde, dat ’et gebeurde mij zelf eerst zoo koel had gelaten. En toen ik afscheid van m’n vriendje genomen had, dacht ik bij mezelf: „ik vind je ’n aardigen jongen en ’n goeïen jongen”.
Toen we den volgenden morgen bij de brug over de Veergracht kwamen, zochten onze oogen dadelijk de plek, waar ’et mosselenvrouwtje altijd te vinden was. Zij was er niet. We hoefden daaruit nog wel niet af te leiden, dat ze den vorigen dag ’n ongeluk gekregen had, maar ’et maakte ons toch ongerust. We hadden zoo gehoopt, ’er weer op ’er post te vinden. Andries had zelfs voorgesteld, dat we aan ’er stalletje ’n portie mosselen zouën gaan eten, als ’n soort van vergoeding. Toen ik zei, dat ik nog nooit mosselen geproefd had en niet wist, of ik ze lusten zou, zei Andries: „Ik ook niet, maar dan doen we maar net, of we er een eten, en we laten de rest staan.” Hij was zelfs van plan, om al de jongens ’etzelfde te vragen, en had gehoopt, ’et vrouwtje op die manier ’n reuzenklandizie te bezorgen. Maar dat viel nu allemaal in ’et water.