Uit de schooljaren van Hans Doncker
Part 6
Even heerlijk als ik ’et den eersten avond bij m’n vriend aan huis had gevonden, bleef ik ’et daar ook in ’et vervolg vinden. Natuurlijk bemoeide z’n moeder zich niet altijd met ons, en vermaakten wij ons vaak met z’n tweetjes. Maar toch, als ze kon, en Andries ’et ’er vroeg, was ze altijd klaar, om piano voor ons te spelen of ’n spelletje mee te doen. Ook zong ze wel, terwijl ze speelde, en die liedjes, waarvan ik de woorden meestal niet eens verstond, leken me ’et mooiste, wat er op de wereld kon bestaan. Ik geloof, dat ik er altijd naar had kunnen blijven luisteren, zonder ooit moe te worden. En al was ik nooit in staat, om precies te zeggen, wat ik bij haar spelen of zingen voelde, en al dorst ik haar niet eens te bedanken voor ’et groote genot, dat ze mij er door gaf, toch scheen Mevrouw wel te merken, hoe ik er over dacht. Ik verbeeldde me tenminste, dat ik langzamerhand ’n beetje ’n gunsteling van ’er werd, en dat de manier, waarop ze met me omging, weinig minder hartelijk was dan de omgang tusschen haar en Andries. En dat die twee dol op elkaar waren, dat kon ’n blinde zien. De trots, waarmee Andries me aankeek, als z’n moeder speelde of zong, en-i aan m’n gezicht kon zien, hoe prachtig ik ’et vond, was precies even groot als die van haar, wanneer ik dingen van onze school vertelde en ’et daarbij te pas kwam, hoe ’n bolletje Andries was. Nooit zou hij thuis komen of ’et huis verlaten, al was ’et maar om ’n boodschap van vijf minuten te doen, zonder z’n moeder ’n dagzoen te geven. En altijd sprak-i met ’er als met ’n goeïen kameraad, aan wien je gerust al je geheimen vertellen kunt.
„Ik vind ’et jammer, dat wij op school heelemaal geen zangles krijgen,” zei ik op ’n keer, dat Mevrouw weer gezongen had.
„Ja,” zei Mevrouw, „dat is ’et ook wel! Ofschoon, als jelui allemaal zulke stemmen hebt als Adi op ’et oogenblik, dan zou ’et ’n fraai bromkoor worden.”
Andries lachte en zong ’n paar regels van ’n schoolliedje met ’n diepe basstem.
„Zit jouw baard niet in je keel, Hans?”
„Ik weet ’et niet, Mevrouw, ik geloof ’et niet.”
„Kun je goed zingen?”
„Ik had vroeger op school altijd goeïe cijfers voor zingen. Maar nu doe ik ’et nooit meer.”
„Nu, zing maar ’es wat! Wat ken je?”
Ik noemde ’n liedje, dat ik op school altijd met voorliefde gezongen had: „In ’t groene dal, in ’t stille dal”. Mevrouw ging aan de piano zitten en begeleidde. Bij de eerste maten was ik nog ’n beetje verlegen, maar al gauw zong ik uit volle borst. Toen de drie coupletten uit waren, klapte Andries als razend in de handen, en schreeuwde „bravo”, natuurlijk om me ’n beetje te foppen. Mevrouw liet me nog ’n paar liedjes zingen, en onder ’et laatste liep Andries stilletjes naar de keuken en kwam terug met ’n groote bloemkool, die hij me bij ’et einde met ’n diepe buiging aanbood. We lachten alle drie hartelijk om dien fraaien ruiker, maar Mevrouw zei: „Nu, Hans, je hebt werkelijk ’n krachtige en ’n zuivere stem!” En sedert dien tijd gebeurde ’et meer, dat ze me bij de piano liet zingen, wat ik verrukkelijk vond, vooral wanneer ze zelf mee zong en onze stemmen samenklonken. Soms maakte ze ook wel ’n opmerking of verbeterde hier of daar, en zonder dat ’et natuurlijk ’n zangles werd, voelde ik toch wel, dat ik wat leerde. Andries hield me nu ook niet meer voor ’et lapje, maar zei zelf wel ’es: „Kom, Hans, zing nog ’es wat met Mam!”
Zoo lang ik alleen ’s avonds bij Andries over den grond kwam, maakte ik geen kennis met z’n vader. Daar m’n eigen vader ook iederen avond uit was, vond ik daar niets vreemds in. Wat voor ’n betrekking i had, wist ik ook niet en ik vroeg er niet naar, want ’et kon me niet veel schelen. Alleen was er één ding, dat me wel wat nieuwsgierig maakte. ’n Paar maal al had ik Andries aan z’n moeder hooren vragen: „Speelt Pa vanavond hier?” En dan was ’et antwoord soms „ja” geweest, maar soms ook: „Nee, in Utrecht, of in Rotterdam” of in nog ’n andere plaats. Ik maakte er uit op, dat net als mijn vader lid van ’n schietvereeniging was, zijn vader lid was van ’n vereeniging, die domino of kaart of billard speelde, en ik vond ’et alleen vreemd, dat-i daarvoor zoo dikwijls op reis ging. Ook vroeg Andries op ’n keer: „Moet Pa Zondagmiddag spelen?” en toen zei z’n moeder: „Nee, gelukkig niet; Zondagmiddag gaan we met ons drietjes uit, daar heeft Pa de heele week al op gevlast.” Dat leek me nog vreemder: z’n vader scheen dus niet eens voor z’n plezier te spelen.
Wonder boven wonder kreeg ik de oplossing bij mij thuis te hooren. Ik had natuurlijk telkens, als ik ’n uurtje bij Andries aan huis zou doorbrengen, aan m’n moeder gezegd, dat ik wat later thuiskwam, en die had daar nooit eenig bezwaar tegen gemaakt. Maar op ’n Zaterdag- of Zondagmiddag, dat ik gelijk met m’n ouërs aan ’et middageten zat, begon m’n moeder:
„Hoe heet die jongen eigenlijk, waar je tegenwoordig zoo groot mee bent?”
„Andries.”
„Jawel, maar z’n achternaam?”
„Van Ulft.”
„En wat zijn dat voor menschen?”
Ik vond ’et nogal moeilijk, om op die vraag te antwoorden, maar ’et was gelukkig niet noodig, want tot m’n groote verrassing mengde m’n vader zich in ’et gesprek.
„Van Ulft? Is dat die acteur?”
Ik keek m’n vader verbaasd aan: „acteur?”
„Ja. Tooneelspeler?”
Daar ging me ’n licht op; dat „spelen”, waar Andries en z’n moeder over gesproken hadden, was dus tooneelspelen geweest. Ik antwoordde dus:
„Ja, vader, ik geloof ’et wel.”
„Ken jij ’em?” vroeg m’n moeder aan m’n vader.
„Hij is ’n tijdje geleden ’es aan me voorgesteld. Door Steneke. Die schijnt ’em in Rotterdam gekend te hebben.”
„Ja,” zei ik, „ze hebben in Rotterdam gewoond.”
„En wat was ’et voor ’n man?” vroeg m’n moeder verder.
„Nou, i maakte ’n fatsoenlijken indruk.”
„En verdient zoo’n man zooveel geld, dat-i z’n zoon op zoo’n dure school kan laten gaan?”
„Ja, hoor ’es, daar weet ik geen lor van. Ik geloof niet, dat ’et ’n eersterangs acteur is, maar misschien had z’n vrouw geld.”
Verder werd er niet over gesproken. M’n moeder ’er hart scheen gerust gesteld door ’et gehoorde, want ze kwam er later niet meer op terug, en liet me zoo vaak naar Andries gaan als ik verkoos. Ik zelf besloot, om de eerste de beste gelegenheid, dat ik met m’n vriend alleen was, waar te nemen, om ’es over ’et beroep van z’n vader te spreken. Want als iemand me gevraagd had: „Wat is ’n tooneelspeler?” dan zou ik geantwoord hebben: „Iemand, die tooneel speelt”, zonder me daarbij eigenlijk iets wezenlijks voor te stellen.
En zoo vroeg ik dus aan Andries:
„Is jouw Pa tooneelspeler?”
„Ja; wist je dat niet?”
„Nee! Maar zeg, wat is dat eigenlijk?”
Andries zette groote oogen op. „Wat dat is? Maar ben je dan nooit naar den schouwburg geweest?”
„Ja, eenmaal, heel lang geleden. Toen heb ik prachtig paardrijën gezien, en ’n gedresseerden olifant, en ’n goochelaar en ’n dame, die over ’n ijzeren draad liep met ’n parasol en ’n waaier, en .....”
„O, je bedoelt ’et circus? Maar dat is geen schouwburg.”
„Niet?”
„Wel nee! ’n Schouwburg is heel wat anders. Daar spelen ze stukken.”
„Zoo?” zei ik, nog niet veel wijzer. „En ben jij dan wel ’es naar den schouwburg geweest?”
„O je, zoo dikwijls. In Rotterdam ging ik haast elke week ’n keer. Maar nu kan ik natuurlijk alleen Zaterdags en Zondags. En die avonden gaat ’et niet zoo makkelijk.”
„Wat bedoel je?”
„Nou, dan is ’et altijd ’et volst. En dan kan Pa niet zoo goed vrijbiljetten krijgen.”
„Maar wat gebeurt daar dan eigenlijk in zoo’n schouwburg?”
„Ja, dat is niet zoo makkelijk om te zeggen. Denk nou ’es, dat je ’n verhaal in ’n boek leest, maar dat je dan al de menschen uit dat boek werkelijk voor je ziet, en dat je ze hoort spreken, dat je dus niet lèèst, wat er gebeurt, maar dat ’et net is, of je er zelf bij bent. Snap je?”
„Ja, wel zoo’n beetje.”
„Maar ik zal wel zorgen, dat je ’es gauw met ons mee gaat. Ik zal er dadelijk vanmiddag ’n balletje van opgooien.”
„O, als je dàt kon gedaan krijgen!”
„Natuurlijk kan dat. Reken er maar vàst op!”
Ik had in m’n heele jonge leven nog naar geen enkel ding zoo sterk verlangd als ik van dit oogenblik af naar ’et beloofde schouwburg-bezoek verlangde. Dat kwam waarschijnlijk juist, omdat ik me de heerlijkheid, die me wachtte, in ’et geheel niet kon voorstellen. ’Et was ’n onderwerp, waar ik zoo goed als nooit over gedacht had, omdat ik er tot nu toe ook bijna nooit over had hooren spreken. Of m’n vader wel ’es naar den schouwburg ging, wist ik niet; ’er was in elk geval bij me thuis nooit over gesproken.
Den volgenden dag al vertelde Andries me, dat z’n vader beloofd had, dat ik den eersten den besten keer mee zou mogen, en den Woensdagmiddag daarop, toen ik voor de eerste maal met z’n vader zelf kennis maakte, hoorde ik die belofte nog ’es uit z’n eigen mond. Wat was dat ook al weer ’n aardige man! Vroolijk en druk, nu ’es met ons jongens babbelend en lachend, naar onze grappen luisterend en zelf grappen vertellend, dan weer z’n vrouw plagend en met ’er stoeiend, dat ’et soms was, of ze krijgertje speelden; ’et eene oogenblik de trap opstuivend naar de bovenkamer, waar we ’em luid zingend boven onze hoofden hoorden scharrelen, ’et andere oogenblik zonder hoed of overjas de straat opstormend, om terug te komen met de een of andere tractatie voor ons allemaal. Ik had nooit zoo’n man gezien; ’n enkelen keer deed-i me aan meester Lindeman denken, maar die was toch heel wat bedaarder. Hij maakte Andries en mij ook drukker dan we anders ooit waren. Op een oogenblik—we hadden ’et toevallig over schermen gekregen, en Andries z’n vader had ’n paar ouë wandelstokken voor den dag gehaald, en ons ’n paar stooten geleerd, en we stonden alle drie uitvallen te doen, met harde stampen op den vloer, en te porren en te schreeuwen—op een oogenblik, zeg ik, maakten we zoo’n heidensch leven, dat er ’n boodschap van de benedenburen kwam. Natuurlijk waren we gauw koest en mevrouw zei half lachend, half boos tegen ’er man:
„Zie je nou wel, dat jij de grootste kwajongen van de drie bent! Dat is nou nog geen een keer gebeurd, als Hans met Adi alleen was!”
’Et zal ’n goeïe week na die eerste kennismaking met Andries z’n vader geweest zijn, dat de groote dag kwam, waarop ik voor de eerste maal naar den schouwburg zou gaan. ’Et was op ’n Zaterdagavond en ik zou met Andries en z’n moeder meegaan. Natuurlijk had ik er van te voren thuis over gesproken, en zonder veel moeite verlof gekregen. We zouën niet naar den schouwburg gaan, waar Andries z’n vader speelde, want daar werd geen stuk gegeven, dat erg voor kinderen geschikt was. Als ik den tijd sneller had kunnen laten voorbijgaan door aan de klokken te draaien, dan zou ik zeker geen uurwerk met rust gelaten hebben. Ik telde letterlijk de uren, die me nog van de verwachte zaligheid scheidden, en ik verwachtte eigenlijk ieder oogenblik de een of andere verschrikkelijke gebeurtenis—zooiets als ’et in de lucht vliegen van den schouwburg of ’n aardbeving of ’et uitbreken van ’n oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen—die zou maken, dat de heele boel in ’et water viel. Maar er gebeurde niets van dat alles, en Zaterdagavond tegen zeven uur stond ik in m’n beste plunje bij Andries op de stoep en schelde aan.
Ik vond Andries en z’n moeder nog niet klaar, om dadelijk weg te gaan, en in ’n veel minder opgewonden toestand, dan waarin ik zelf verkeerde. Vooral de kalmte, waarmee Andries de zaak opnam, had voor mij iets wonderbaarlijks. Toen Mevrouw merkte, dat ik ’n paar maal bezorgd naar de pendule keek, stelde ze me gerust met te zeggen: „Wees maar niet bang, dat we te laat zullen komen, Hans. We hebben besproken plaatsen.” Ik geloofde haar natuurlijk wel, maar zoolang ik nog niet werkelijk goed en wel in den schouwburg zat, bleef ik vreezen, dat er nog op ’et laatste oogenblik wat in den weg zou komen.
Eindelijk zat ik dan toch rond te kijken in ’n prachtige groote zaal, met heel veel licht, en gemakkelijke stoelen met rood trijp, vol heeren en dames, die lachten en praatten en haast niet luisterden naar de muziek, die er gemaakt werd. Ik keek naar ’et mooie plafond, geschilderd in wit en goud, naar de schitterende lichtkroon met honderden lichtjes, maar ’et meest naar ’et groote doek, dat boven de muzikanten hing, en dat alles verborg, wat we straks te zien zouën krijgen. Heel lang behoefden we daar niet op te wachten. De muziek hield op, ’et werd donker in de zaal, en ’et scherm ging omhoog.
Ik zag nu ’n landschap met weiden en boomen, waar geen eind aan scheen te komen, en daar waren drie mannen met wijë witte mantels en groote strooien hoeden met breede randen, die met elkaar spraken, zoo hard, dat je alles kon hooren, wat ze zeiën. In ’et eerst zat ik daar nog wat vreemd naar te kijken, en begreep ik ook niet recht, waar ze ’et over hadden. Maar langzamerhand begon ik ’et een en ander te snappen, en van dat oogenblik af vergat ik alle andere dingen en leefde heelemaal mee met wat ik voor me zag gebeuren. Er kwamen andere menschen, ook allemaal heel vreemd gekleed, en een was er bij, die heel slecht was, want die maakte met ’n ander ’n plan, om iemand ongelukkig te maken. En toen ze dat plan wilden uitvoeren, en met hun slachtoffer gingen praten en ’em wilden overhalen, om dàt te doen, waardoor-i ongelukkig zou worden, en toen dat slachtoffer toen ’n oogenblik nadacht en hardop vroeg: „Zòu ik hen vertrouwen?” toen riep ik: „nee!” Meteen kreeg ik ’n duw van Andries in m’n zij, en zag ik, hoe de menschen, die vóór ons zaten, zich omdraaiden, en hoorde ik naast me en achter me lachen, en ik kreeg ’n kleur als vuur en had wel in de zitting van m’n stoel willen kruipen, om me te verbergen. Maar gelukkig gingen de menschen op ’et tooneel gewoon door.
Toen na ’n poosje ’et scherm naar omlaag ging en ik op ’et voorbeeld van de andere menschen duchtig in m’n handen geklapt en met m’n voeten op den grond getrappeld had, en ’et weer licht in de zaal werd, had ik ’n gevoel, of ik zoo kersversch uit ’n andere wereld was komen aanreizen. Ik had ’n kleur als vuur en Mevrouw Van Ulft keek me lachend aan, en Andries plaagde me ’n beetje, dat ik zooeven ook ’n woordje had willen meepraten. Ik zag nu zelf in, hoe gek dat geweest was, en begreep nu wel, dat alles wat ik gezien en gehoord had, geen werkelijkheid, maar alleen spel geweest was. En toch, zoodra ’et scherm weer op was, leefde ik weer mee met alles, wat er daar vóór me gebeurde, en had ik alle andere gedachten verloren.
’Et was prachtig! Daar was ’n man, ’n veehoeder noemden ze hem, maar ’et was eigenlijk ’n prins, en daarvan dachten ze allemaal, dat-i stom was. En nu was er ’n koning of ’n keizer of zoo iets, en die woonde natuurlijk in ’n groot paleis, en die ging elken avond vóor-i naar bed ging op ’et balkon staan, en dan riep-i naar buiten: „Wachten van ’t paleis, waakt!”
Dat hoorde dan de schildwacht, die ’et dichtstebij stond, en dan riep die: „Wachten van ’t paleis, waakt!” Dan riep weer de volgende ’etzelfde, en dan de derde en de vierde, en zoo hoorde je die woorden al verder en verder wegklinken, en eindelijk heelemaal wegsterven. Maar nu hadden slechte menschen dien koning opgesloten en dus zou-i dien avond niet kunnen roepen, en dan zouën daardoor hun helpers weten, dat ’et booze plan gelukt was, en ’s nachts ’et paleis komen innemen. Maar de stomme, waar ik je daar-even van vertelde, was ook in ’et paleis en wist alles, want de boosdoeners hadden zich voor hem niet in acht genomen. Ze dachten, hij kan toch niets verklappen. En toen die nu alleen gebleven was, ging die naar buiten op ’et balkon en riep: „Wachten van ’t paleis, waakt!” Want-i had zich maar gehouën, of-i stom was. En ’et klonk weer van schildwacht tot schildwacht, al verder en verder: „Wachten van ’t paleis, waakt!” en ’et slechte plan mislukte
Natuurlijk gebeurde er nog ’n heele boel meer, maar ik zie geen kans, dat allemaal te vertellen. Je moet bedenken, dat ’et al heel lang geleden is, en dat ’et niet ’et eenige stuk bleef, dat ik te zien kreeg. Nog heel vaak mocht ik met Andries en z’n moeder mee, en ik heb in den loop van dien winter zeker wel tien tooneelstukken gezien. Misschien zou ik, wat ik je er van verteld heb, niet eens onthouën hebben, als ik dat later zelf niet zoo dikwijls nagespeeld had. Ik had namelijk ’et kunstje bedacht, om dat „Wachten van ’t paleis, waakt!” met ’n telkens hoogere en telkens zachtere stem te roepen, zoodat ’et precies klonk, of ’et hoe langer hoe verder weg geroepen werd, en dat kunstje haalde ik bij mij thuis, maar vooral bij Andries aan huis vaak genoeg uit. „Tooneeltje spelen” werd ons geliefdste spelletje. Met ouë kleeren van Andries z’n ouërs of van Marie, met lappen en vodden, takelden we ons toe, maakten ons snorren van schoensmeer en baarden van watten, haalden alles in de kamer overhoop, en speelden de tooneelen na, die ons ’et meest getroffen hadden. Nog zie ik Andries op handen en voeten over de strijkplank kruipen, die over twee stoelen was heengelegd: Andreas, de tijgerjager, die bij den waterval van de roode cederrots over ’n boomstam den veiligen oever bereikt. Nog hoor ik den schaterlach van Andries z’n moeder, die toevallig binnenkomt op ’et oogenblik, dat ik met ’n bulderende stem en ’n koninklijk gebaar uitroep: „Geef mij duizend zulke mannen, en ik zal de wereld veroveren!”
O heerlijke, zalige tijd! En toch ....
V.
VAN ’N ONGELUKKIGEN TIJD, ’N ONVERWACHTE ONTMOETING EN ’N GROOTE VERANDERING.
M’n vriendschap met Andries en alles, wat daar ’et gevolg van was, had dus wel ’n prettige verandering in m’n leven gebracht. En toch, hoeveel verrukkelijke uurtjes me die eerste tijd van m’n omgang met hem en z’n ouërs ook bracht, ik heb me in den loop van dat jaar ook dikwijls, heel dikwijls ongelukkig gevoeld, ongelukkiger eigenlijk dan ooit in vroegere of latere jaren. Hoe dat zoo kwam, zal ik je nu vertellen.
Om met ’et minst erge te beginnen, daar was in de eerste plaats m’n school. Met den dag voelde ik me minder opgewassen tegen ’et werk, dat daar van me verlangd werd. De sommen en thema’s, die ik telkens en telkens weer over moest maken, groeiden langzaam maar zeker aan tot ’n berg, die onmogelijk meer om door te komen was. ’Et hagelde extra-uren op m’n arm hoofd; nu ’es moest ik wekenlang ’s morgens om acht in plaats van om negen uur komen, dan weer geregeld van vier tot vijf blijven, zoodat ik naar huis moest rennen, in tien minuten m’n eten naar binnen slaan, en dan terugdraven, om met ’n steek in m’n zij om zes uur weer aan ’et werk te trekken. M’n Woensdagmiddagen werden me zoo goed als allemaal, m’n Zaterdagmiddagen vaak genoeg afgenomen. En als al die moeite nu nog maar ’n beetje beloond was geworden. Maar ik voelde me eigenlijk voortdurend dommer worden en ’et was volstrekt geen zeldzaamheid, dat ik in ’n thema, die ik voor den derden of vierden keer over moest maken, meer fouten had dan toen ik ’em voor de eerste maal maakte.
’Et was dus te begrijpen, dat ik zachtjesaan ’n gruwelijken hekel aan school kreeg. Er kwamen gedachten bij me op, zooals er vroeger nooit in m’n hoofd gekomen waren, die me zelf in ’et begin zoo vreemd en slecht leken, dat ze me haast bang voor me zelf maakten. „Als die ellendige school ’es afbrandde!” of „als m’nheer Belmans ’es erg ziek werd!” waren nog ’n paar van de onschuldigste. Wat ik nooit geweest was, onverschillig, werd ik nu. Ik wist zoo zeker, dat al m’n inspanning toch geen snars zou helpen, dat ik me niet meer inspande. Of m’n onderwijzer of m’nheer Belmans teleurgesteld keken of mopperden of standjes gaven of op hun poot speelden, ’et liet me zoo koud als ijs. Kortom, ik keek hen en m’n boeken en m’n schriften en m’n heele school aan met oogen vol haat, die ze alle met elkaar zou vernietigd hebben, als-i niet zoo machteloos geweest was.
Natuurlijk wist Andries dit allemaal even goed als ik, en beklaagde die me en troostte die me, zoo goed-i kon. Ook was-i altijd klaar, om me te helpen, en ’n enkele maal kon ik door ’et werk over te schrijven, dat hij vooraf voor me gemaakt had, aan ’n paar dreigende extra-uren ontkomen. Maar ’et spreekt van zelf, dat dit niet altijd ging.
En toch, die narigheid op school, al nam-i ’et grootst aantal uren in beslag, was niet ’et ergste. Er waren dan toch nog Zondagen en vrije avonden, waarop ik daaraan ook werkelijk niet dacht. Maar er was iets anders, dat me nooit met rust liet, dat maakte, dat ik me altijd ongelukkig voelde, ook in dien vrijen tijd en dan juist ’et meest, dat me zelfs niet rustig liet slapen en soms m’n prettigste oogenblikken bij Andries aan huis of in den schouwburg plotseling vergalde, ’et gevoel, dat ik thuis door m’n ouërs niet behandeld werd zooals ’et hoorde.
Niet, dat er bij me thuis iets veranderd was! Alles ging z’n ouë gangetje: m’n moeder klaagde over ’er zenuwen en m’n vader was in z’n zaak of uit, en ik ging m’n eigen gang en was zóó vrij, dat ik geloof, dat m’n ouërs ’et niet eens gemerkt zouën hebben, als ik ’es ’n keer den heelen nacht uitgebleven was. Aan al die dingen was ik van jongs af gewend geweest en ik had er nooit iets bijzonders bij gedacht en alles genomen, zooals ’et was. Maar sedert ik bij Andries aan huis kwam en daar zag, hoe die z’n ouërs tegen hem waren, en hoe ze met elkaar omgingen, nu begon ik te voelen, dat mij iets ontbrak, dat ik thuis iets miste, en dat gevoel werd hoe langer hoe sterker. Ik kreeg ’n diep medelijden met me zelf: wat alle andere kinderen van hun ouërs ondervonden, liefde en hartelijkheid, dat werd mij onthouden. Wat voor aardigheid of gezelligheid was er ooit bij mij thuis; we kwamen er eigenlijk allemaal alleen maar om te eten en te slapen, en verder leefden we haast als drie vreemde menschen, die ’es ’n enkelen keer ’n paar woorden met mekaar wisselden, en dan nog lang niet altijd vriendelijke woorden. En ook over m’n huis, over m’n vader en m’n moeder kwamen leelijke gedachten bij me op, die ik wel weer probeerde weg te denken en waarvoor ik me schaamde, maar die me toch vaak norsch en brutaal tegen m’n ouërs maakten, wat ik vroeger nooit geweest was.
’Et duurde vrij lang, vóórdat ik ook over deze dingen m’n hart bij Andries uitstortte. Misschien zou ik ’et nooit gedaan hebben, als ik ’et niet noodig gevonden had, om ’em begrijpelijk te maken, waarom ik ’em nooit weerom inviteerde. Maar ik vond ’et zòo ellendig, dat ik altijd maar bij hem aan huis kwam en allerlei pretjes had, en hem nooit terug kon vragen, dat ik er eindelijk over begon. En toen ik eenmaal met m’n vriendje over m’n huiselijke narigheden gesproken had, deed ik dat telkens weer, en als m’n vader of m’n moeder iets gezegd of gedaan hadden, dat ik bizonder onaardig of onhartelijk vond, dan verzuimde ik nooit om ’em dat te vertellen. Veel wist Andries er niet op te zeggen. Waarschijnlijk kon-i zich van ’n omgang als bij ons thuis moeilijk ’n voorstelling maken. Hij deed dus gewoonlijk alleen maar z’n best, om me op andere gedachten te brengen, door over wat anders te beginnen, en om door z’n eigen hartelijkheid me m’n gemis thuis te vergoeden. Ja, ’et leek me tusschenbeide wel ’es toe, alsof Andries er thuis ook over gesproken had, want ik meende in de manier, waarop z’n moeder me soms kon aankijken, iets van medelijden te zien. Ik kan me dat intusschen wel verbeeld hebben, maar dat ze, als ’et mogelijk was, nog liever en vriendelijker voor me was als in ’et begin, is zeker. Ik hield dan ook zooveel van ’er, dat ik rijk had willen wezen, om prachtige cadeautjes voor ’er te koopen. Maar alles, wat ik doen kon, was, m’n dubbeltje zakgeld zuinig te bewaren, en van tijd tot tijd ’es wat bloemen voor ’er te koopen, die naast de vele mooie, die Andries z’n vader geregeld voor haar meebracht, toch maar ’n poover figuur maakten.
Zoo ging de eene maand na de andere voorbij: thuis alles bij ’et ouë, op school van week tot week ellendiger, en m’n stemming hoe langer hoe slechter. Had ik Andries niet gehad, dan geloof ik wezenlijk, dat ik den een of anderen dag van huis weggeloopen zou zijn of iets anders krankzinnigs gedaan zou hebben.