Part 9
Deſen grooten Moor was de vreeſe van alle de Chriſtenen Schepen, die inde Middelandtſe Zee voeren, ende van alle de Turcken geeſtimeert voor een Godt Mars. Ick ghelove dat indien den Grooten Heer hem abſoluyt commandement op de Zee gegeven hadde, ghelijck Sultan Soliman het gaf aen den Eerts-Zee-roover Barberoſſe inde voorgaende eeuwe, de Victorien van den grooten Moor grooter ſouden zijn geweeſt als die van alle de Ottomanſe Generaels, want hy was een Leeuw in het vechten, ende een Lam in ſijne Victorien, tracterende ſijne overwonnen Vyanden met ſoeticheydt ende groote courtoiſie.
Deſen grooten Moor hadde onder andere een Portugijſe Slaef die hem aen Landt diende voor Camerlingh, ende op Zee als Schrijver. Deſen Portugijs hadde ſijn Patroon eenige jaren langh getrouwelijck gedient ſoo ter Zee als te Lande. Op ſeeckeren dagh kruyſte den grooten Turck met ſijn Schip de Kuſt van Portugael: Hy riep zijn Slaef, ende ſeyde hem: Gy hebt ſoo veel jaren my getrouwelijck ghedient, ick geve u vryheydt, ende gaf terſtont ordre de Kuſt te approcheren, om deſen libertijn te lichter met de Chaloup aen Landt te ſetten, die zijn Meeſter bedanckte met een dobbelſinnigh ende ondanckbaer Herte. Terwijlmen dicht by het Landt quam, ging hy ſecretelijck inde Kejuyt, ende opende een Coffer van ſijn Patroon, daer hy de Sleutelen van hadde, ende nam eenige Hembden, ende om zijn voornemen te volbrengen ſonder ontdeckt te worden, dede hy die onder zijne Kleederen. Men ſette de Chaloup in Zee, ende de Portugijs overleverende de Sleutelen vande Coffer, nam zijn laetſte adieu van zijn Patroon. Men ſette hem aen Landt, de Chaloup quam wederom, ende het Schip continueerde met kruyſen. Eenige dagen daer na wilde de groote Turck ſchoon Lywaet aendoen: Maer hy was bedroghen, want zijn lywaet was van dien ondanckbaren geſtolen. Hy wierde ſoo ſeer vertoornt, dat hy ſeyde, ick ſwere by het leven van den Grooten Heere, dat indien ick dien ondanckbaren Chriſten wederom in mijn Handen krijge, hy de Slavernye om op de Galeyen te roeyen niet ſal eſchapperen.
Op de ſelfde tijdt geſchiede een andere ſeer remarquable ſake, te weten, dat de Generael Alli Pegelin, verloren hebbende een Diamant van groote prijs, de ſelfde van alle ſijne Slaven aen alle kanten dede ſoecken: onder andere vonde de ſelfde een van ſijne Slaven ſijnde een Spaengiaert. Hy preſenteerde de Diamant aen Pegelin, die de ſelfde ontfing, blijde zijnde dat hy die hadde, ghevende aende Slaef tot recompenſie een half ſtuck van achten, ende hem ſeggende, Neemt dat gy beeſt ſonder verſtandt, ende koopt een Touw om u te hanghen: Ghy hadt u vryheydt gewonnen, ende gy hebtſe niet konnen nemen. Alli Pegelin was immers ſoo ondanckbaer tegens ſijn Spaenſe Slaef, als de Portugijſe Slaef was tegens den grooten Moor.
XII. VERHAEL.
De maniere vande dooden tot Argiers te begraven.
In een van mijn voorgaende Verhalingen, hebbe ick mentie gemaeckt van den Oorlogh van een Barbariſen Koningh Benali tegen de Baſſa van Argiers. In deſen Oorlogh wierden vele Turcken ende Renegados doodt geſlagen. Onder andere een Bulcebas, dat is Capiteyn van infanterie. Deſen Bulcebas was een Renegado, ende hadde Slaef van mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga gheweeſt: Ende hy woonde inde ſelfde ſtraet van de voorſz Mahomet Celibi.
Soo haeſt als de tydinghe gekomen was vande doodt van deſen Bulcebas, ging mijn Patroneſſe vergeſelſchapt met twee ſwartinnen hare Slavinnen, ende met alle de Vrouwen vande buyrt, in het huys vande Weduwe, ende ſoo haeſt als ſy daer binnen waren gekomen, begonnenſe te ſchreyen, weenen, roepen, ende haer deſperatelijck aen te ſtellen; ende een van deſe Vrouwen klopte geſtadig met een ſtuck Yſers op een Tafel, het welcke ſoo grooten geluyt ende ſoo ſchrickelijcken geraes maeckte, als ofte de ſtraet vol dolle Menſchen ware. Ick vviſte vvel dat het de maniere van ſich te beklagen inden rouvv op zijn Africaens vvas. Wanneer mijn Patroneſſe vvederom thuys quam, thoonde ick als ofte ick de reden van alle dat gekrijt niet en vviſte, vragende de oorſaecke vvaerom ſy geſchreyt hadde, ende vvaerom ſy haer aenſicht gekrabbelt ende bebloet hadde. Sy antvvoorde my, dat het de maniere van het Landt vvas, ende datmen op deſe vvijſe de doodt van de Ouders ende goede Vrienden bevveende. Ick repliceerde: Dat is goet voor u, die den overleden kent: Maer vvederom is uvve Slavinne bekrabbelt ende bebloet gelijck als gy, devvijl ſy den overleden niet en kent, vvant ſy is onlangs eerſt by u gekomen, ende is vvildt? Mijn Patroneſſe antvvoorde my. Zy heeft ghedaen gelijck ſy ghezien heeft datmen dede, ſonder andere reden.
Op dit vvoort van wildt, ſult gy vveten dat het Koninckrijck van Argiers vele kleyne tributariſe Koningen heeft ende ſommige van haer betalen door ghebreck van Gelt haer jaerlijckſe tribuyt met menſchen. Deſe menſchen zijn ofte gevangen Arabiers, genaemt dvvalende Arabiers: Ofte by gebreck van gevangens, betalenſe met haer eygen onderſaten: Men noemt ſoodanigh Volck tot Argiers, Wilde, om datſe de ghemeene ſpraecke van het Landt, te vveten, Arabiſch ofte Moors, niet en kennen.
XIII. VERHAEL.
Van de onbedachte yver, ende vanden voorſichtighen yver.
Wanneer ick inde Mamore van Tituan was, quam een Moorſe Vrybuyter inde Mamore met een beelt van onſe Lieve Vrouwe in Houdt gheſneden, het welcke hy op een Chriſten Schip ghenomen hadde, preſenterende het ſelfde te verkopen. Alle de Spaenſe Slaven vergaderde haer daer rontſom, preſenterende een Goude Kroon, op dat aen het beelt geen verachtinge ofte ongelijck ſoude gheſchieden. De Moor ſiende den goeden yver van de Chriſtenen, ſeyde haer datter vier mael ſoo veel moſte ſijn, ende indien gy het niet geven wilt, ſal ick het verbranden.
De goede Spaignaerts waren in groote bekommerniſſe over de dreygementen van den Barbaer, ende delibereerden oftſe den Moor ſouden gheven ’t gene hy eyſchte: Ende om deſe ſomme te vinden, wilde het meeſtendeel vande Spaignaerts contribueren alles wat ſy hadden: Want die inde Mamore een ſtuck van achten kan verteeren, en heeft van armoede niet te klagen.
Ick ſagh aen ’t gene aldaer paſſeerde ſonder een woordt te ſpreecken; Op het laetſte moeyde ick my daer mede, ende ſeyde tot de Spaignaerts. Dit beelt is ſoo veel niet waert: Zy antwoorden my terſtont: Wy koopen het beelt niet om ſijn waerde, Maer op dat het geen ongelijck ſoude lijden. Ick ſeyde haer. Uwen yver is ſeer goet, maer conſidereert ghy niet dat deſen Moor met de vier Goude Kroonen uyt de Mamore ſal gaen voor een beelt dat geen vier Realen weerdigh is: Hy ſal door de gantſche Stadt gaen publiceren dat de Chriſtenen Afgoden-Dienaers ſijn: Ter naeuwer noot wilden de yverighe Spaignaerts mijn reden verſtaen, ende ick liep groot perijckel van voor een Lutheriaen ghehouden te worden. Maer ick kreegh een groot ſecours van een Pater Dominicaen, die mede Slaef inde Mamore was, ſijnde een Man van een goet leven ende ſeer geleert. Ick vertelde hem ’t ghene paſſeerde tuſſchen de Spaignaerts ende de Moor. Deſen goeden Pater gaet terſtont met een yver ghefondeert op voorſichtigheydt, na de Moor toe, ende ſeyde hem. Wilt gy een ſtuck van achten voor het beelt hebben, men ſal het u geven, ſoo niet, gaet ende doet met het beelt wat ghy wilt, ende vertreckt van hier, ofte anderſints ſullen de Chriſten Slaven u duyſendt ſlagen met Vuyſten geven. De Moor ſiende den Religieus ſoo reſoluyt, en ſprack geen rodomontaden meer, noch dat hy het beelt ſoude verbranden, maer was wel blijde het ſtuck van achten te hebben, gevende het beelt: Indien de Spaignaerts vier goude Kroonen gegeven hadden, ſouden ſy haer Geldt verloren gehadt hebben, de Moor ſoude haer beſpot hebben, ende de Catholijcke Religie veracht: maer den goeden yver van deſen Religieux vergeſelſchapt met voorſichtigheyt, conſerveerde het gelt van de arme Slaven, gaf vreeſe aen den Barbariſchen Moor, ende dede de Mahometanen ſien, dat de eere die de Catholijcken aen de beelden geven, niet beſtaet in de materie, gelijck de onwetende geloven.
XIV. VERHAEL.
Twee Exempelen van mildadigheyt ende erkenteniſſe
Saban Gallan Aga, menighmael gementioneert in het diſcours van mijn Reyſe, als mede in mijne Verhalinghen, was van Geboorte een Spaignaert vande Frontieren van Portugael, ende Zoon van een Boots-Geſel. Hy was van zijn jonckheydt af gevallen in Slavernye vande Turcken, die hem geperſuadeert ende gheinduceert hadden het Chriſtelijcke Geloof te verſaecken, het welcke aen een jongh Kindt licht te doen is.
Deſen Saban ontfingh door zijne noble maniere van yder een te tracteren, de naem van Galan. Hy was ſeer Rijck: Zijn oeffeninge was den Oorlogh ſoo ter Zee als te Lande. Hy was een Aga geweeſt, dat is, Maiſtre de Camp. Deſen Saban gingh op ſeeckere dagh by geval over de Marckt, alwaer men de Chriſtenen verkoopt, hy begon met de Slaven te diſcoureren, ende vonde by gheval een van ſijne Landts-Luyden, die hy om een kleyn Gelt koſte, want hy was een Viſſcher, ſonder apparentie van groot Rantſoen voor te krijghen. Hy brocht de Slaef t’ ſijnen Huyſe, ende ſeyde hem: Ick hebbe hondert ende vijftigh ſtucken van achten voor u betaelt, indien gy my wilt belooven ghelijcke ſomme in u Landt te betalen aen een die mijn Bloed-Vrindt is ende arm, ſal ick u aen Landt ſetten in u Vaderlandt met de eerſte Vrybuyter die vertrecken ſal. De Viſſcher de Slaef was ſeer blijde over deſe propoſitie, ende accepteerde ſonder uytſtel ’t ghene ſijn Patroon voor-geſtelt hadde. Saban dede volgens ſijn belofte hem inbarqueren op het eerſte Vrybuyters Schip, het welcke na de Ocean toe voer, ende gaf ordre datmen deſen Chriſten op de Kuſt van Portugael aen Landt ſoude ſetten. De ordre van Saban wierde volbracht. De Portugijſen van ſijn Dorp waren verwondert een Man ſoo haeſt van de Slavernye wederom te ſien. Hy begon ſijn Fortuyn te vertellen, ende de reſcontre die hy gehadt hadde, ende voorts alles wat met Saban Gallan gepaſſeert was.
Hy verkocht alles wat hy hadde, ende betaelde volghens zijn belofte aen wien hy de 150. ſtucken van achten betalen moſte, de welcke het Gelt ontfangen hebbende, ſchreef een brief van danck aen zijn bloedt-verwant Saban Gallan. Ondertuſſchen keerde deſen goeden Man ſich wederom na de Viſſcherye om zijn Koſt te winnen, ende het ongeluck wilde dat hy noch eens vande Zee-Roovers genomen wierde, ende tot Argiers gebracht, alwaer hy gekomen zijnde, liet hy aen Saban Gallan zijn ongheluck weten, die hem wederom kocht, hem eenighe daghen langh in zijn Huys tracterende, ende verſagh hem met Wolle ende Linnen na zijn behoef, ende ſeyde. Om dat gy een eerlijck Man zijt, ende dat gy u belofte voldaen hebt, keert noch een mael na u Huys, ende ’t gene gy gekoſt hebt, betaelt dat aen de ſelfde Perſoon op ſoodanighen tijdt. De Viſſcher ſeyde, Ick kan het niet doen, want ick hebbe alles wat ick hadde verkocht, om mijn eerſte rantſoen te betalen: Daerom ſal ick liever Slaef blijven, als mijn woordt niet te houden. Saban hoorende deſe eerlijcke reden, ſeyde hem, betaelt na u gelegentheydt (de tijdt was van ſes Maenden) binnen twee Iaren. De Viſſcher nam deſe conditie aen ende men ſette hem aen Landt als d’ eerſte mael in zijn Vaderlandt.
Hy gingh terſtont by de Bloet-Vrindt van Saban, ende ſeyde hem zijne recommandatien, hem belovende de geaccordeerde ſomme te betalen binnen twee Iaren, ende keerde wederom na zijn neringe. Maer alſoo zijn Barck met zijn toebehooren, ofte verkocht was, om zijn eerſte rantſoen te betalen, ofte verloren, wanneer hy de tweede mael genomen wierde, was hy genootſaeckt voor Knecht van andere Viſſchers te varen, ſoo dat hy ſoo veel profijt niet konde doen, als wanneer hy voor ſijn ſelven was: Maer niet teghenſtaende zijn kleyn profijt hebbende een kleyn ſomme gheſpaert, gaf hy de ſelve terſtont tot afkortinge van zijn rantſoen.
De twee Iaren waren gepaſſeert, ende hy hadde noch boven een derdedeel niet betaelt van ’t ghene hy ſchuldigh was: Om ſijn belofte te voldoen, dachte hy op een middel, de welcke was een quintael Toback te koopen, ende imbarqueerde ſich in een Portugijſe Schip dat na Argiers vertrock, (alwaer de Toback doenmael ſeer dier was) met paſpoort vande Baſſa, om eenighe Slaven af te loſſen. Hy quam in weynig dagen tot Argiers, ende ging recht na het Huys van Saban Gallan, de welcke ſeer verbaeſt was hem te zien: De Viſſcher ſeyde hem: Patroon, ick hebbe maer een derdendeel van ’t gene ick u ſchuldig ben, betaelt, als blijckt by deſe Quitantie, ende alſoo ick geen middel hebbe om de reſt te betalen, ben ick gekomen met een Quintael Toback, ende indien ick die kan verkoopen met het profijt alſmen my verſeeckert heeft dat ick ſoude doen, ſal ick u betalen, ſoo niet, ſal ick liever wederom u Slaef willen zijn, als dat uwe Signorie, vande welcke ick ſoo veel weldaden ontfanghen hebbe, my ſoude beſchuldigen van eenighe ondanckbaerheydt. Saban hoorde deſe redenen met groote verwonderinge vande ghetrouwigheydt ende erkenteniſſe van deſen Viſſcher: Antwoorde hem, gy zijt een eerlijck, getrouw ende danckbaer Man, Maer ſeer onnoſel: Gaet u Toback verkoopen, ende keert wederom na u Landt, ende behoudt het Gelt te ſamen met uwe vryheydt, ende gaf hem in ſijn Huys Eten, ende Drincken, tot dat hy met het ſelfde Schip wederom keerde: latende binnen Argiers een eeuwige naem van getrouwigheydt ende danckbaerheydt, ende brenghende in Portugael een eeuwige lof vande liberaliteyt van Saban Gallan.
XV. VERHAEL.
Van de maniere van Trouwen tot Argiers.
Myn Cameraet Ian Baptiſta Caloen woonde by een oude Vrouwe, de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, die een vande vijf Turcken was die tegens ons ſouden verwiſſelt worden. Deſen Moſtafa hadde een Broeder ghenaemt Amet Iugles, out 22. Iaren, maer ſeer ghedebaucheert, een Hoer-Jager, ende grooten Dronckaert, ſoo dat het leven dat deſen armen Turck voerde niet veel langher konde duyren ſonder hem ſelven te ruineren.
De Groot-Moeder ende de Moeder van Amet wiſten hem ſoo wel te perſuaderen, dat hy haer beloofde de Wijn ende Hoeren, te verlaten, ende dat hy voortaen ſoude leven als een eerlijcke Mahometaen: Ende om te toonen dat hy op die maniere wilde leven, ſeyde hy haer, ick ben te vreden een Wijf te nemen. Dit begeeren na hy toonde, behaeghde de Groot-Moeder ende de Moeder ſeer wel, die aen Amet preſenteerden verſcheyde Dochters van qualiteyt, ende onder andere eene die hem ſeer behaegde, om haer groote Rijckdom. Om dit Huwelijck te effectueren dede de Groot-Moeder van Amet de Ouders van de Dochter ſpreecken, ende Amet imployeerde tot Spion ende Afgeſante een oude Vrouwe, die inde principaelſte Huyſen zijde ſtoffen te verkoopen bracht.
Deſe oude Vrouwe wiſte zijne ſaecken alſoo te wege te brenghen, dat de Dochter binnen weynigh daghen haer woort ingageerde: Sy wiſte oock de ſchoonheydt vande Dochter, ende hare deughden, manieren ende Rijckdom ſoo te beſchrijven, dat Amet van Liefde betoovert wierde door het diſcoureren van deſe oude Vrouwe: De Ouders van beyde zijden approbeerden het Huwelijck. Men ordonneerde een dagh voor de Bruyloft: De toekomende Bruydegom ſondt aen ſijn Maiſtreſſe een preſent van zijde Linten ende andere dierghelijcke dingen: Ende om het preſent met behoorlijcke ſolemniteyten te doen, riep Amet 20. Slaven van ſijne Ouders ende Vrienden, onder de welcke ick oock was.
Wy marcheerden d’ een na den anderen, yder met ſijn Schotel bedeckt, waer inde preſenten waren. Amet leyde de Slaven tot aende Deure van het Huys van zijn Maiſtreſſe, alwaer ſy ghekomen ſijnde, bleef hy op de ſtraet, ende de Slaven gingen in het Huys, het welcke ghebout was op ſijn Italiaens met een vierkante plaets tuſſchen vier Galeryen. De toekomende Bruyt was geſeten op een Kuſſen van Root Fluweel, rijckelijck met Silver bewrocht, in ’t in komen van een kleyne Zael: Yder Slaef ſtelde zijn Schotel op de plaets die bereyt was om die te ontfangen, maeckende een groote reverentie aende toekomende Bruyt.
De andere Slaven hadden Monſieur Caloen ende my geleert deſe woorden, eylaa, eylaa, eylaa, die wy over luyts moſten uyt roepen, na dat vvy alle de Schotels op de Aerde geſet hadden, het vvelcke ghedaen vvierde. Ende de Slaven van het Huys ſo Mans als Vrouvven antwoorden met de ſelfde Muſijck. Dat gedaen ſijnde dede vvy een groote reverentie, ende ginghen uyt het Huys.
Amet vervvachte ons aende Deure, ende vvanneer ick voor by hem paſſeerde, ſeyde hy my in Spaens, Duynkercker is ſy ſchoon? Ick antwoorde, ſeer ſchoon, nemende de ſchoonheydt na de opinie van de Africanen, want ſy houden de Vrouwen ſchoon die vet zijn: Deſe tijdinghe behaegde Amet ſeer wel, want hy hadde het aenſicht van zijn Maiſtreſſe noyt geſien, de maniere van het Landt is dat wanneer de Vrouwen langs de ſtraten gaen, hebben het aenſicht bedeckt met twee Doecken, de een die het voor-Hooft tot de Ooghen toe bedeckt, de ander die de gantſche Neus bedeckt. Wanneerſe thuys ſijn, ſijnſe ſoo ſcrupuleus voor de Chriſten Slaven niet: Want ſy ſegghen, dat de Chriſtenen blindt zijn: Maer indien een Mahometaen haer aenſicht bloot ſoude ſien, dat ſoude een groote ſonde ſijn, ende dat een jongh-Man een eerlijcke Dochter in het Huys van haer Ouders ſoude ſpreken, is geenſints toegelaten.
Deſe maniere van leven dunckt my ſeer vreemt: Maer ſy is ſeer nootſakelijck in dat Landt wegen de quade inclinatien van de Vrouwen: Want hoewel haer Mans met alle vlijt trachten haer Vrouwen ende Dochters in Huys te houden, vindenſe nochtans duyſent practijcken om in het badt te gaen, ofte om viſiten te doen, ofte onder pretext van devotie (welcke inventie oock in Europa genoeg bekent is) te viſiteren ſoodanigen Marabout ofte Santon; Ende onder dit pretext abandonneren ſy haer ſelven, wanneerſe occaſie vinden, aen allen den genen dieſe reſcontreren, al waren het maer Guyten, Bedelaers, ende Sodomiten.
XVI. VERHAEL.
De nootſakelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheyt ende vande vernuftigheydt.
Wanneer ick woonde in de Bain van Alli Pegelin, waren wy 550. Chriſten Slaven, de welcke dagelijcks door vernuftigheyt haer leven ſochten.
Het is een ſaecke verwonderinghs weerdigh, op wat maniere yder een in ſoodanigen nootſakelijckheydt ſich diende van ſijn vernuftigheyt. De dieverye is de gemeenſte oeffeninge van deſe School. Daer was inde Bain een Italiaenſe Slaef, wiens Oorloghs naem was Fontimama: Hy vertroude ſich ſelfs ſoo ſeer op de konſt van ſtelen, dat hy niet bekommert was ſijne Cameraets ’s middaghs ten eten te noodighen, want voor die tijdt ſtal hy ’t gene hy ’s middaghs ſijne Vrienden te eten ſoude geven.
Op een ſeeckeren dagh hadde hy mijn Cameraet Reynier Saldens ten thien uren genoodight, met conditie dat hy met hem voor den eten een keer inde Stad ſoude doen. Fontimama brocht Saldens by eenige Joden die wiſſelaers van Gelt waren, van de welcke vele binnen Argiers waren, ſijnde op de ſtraten met een kleyne Tafel, op de welcke Aſpren ſijn dieſe wiſſelen teghens ſtucken van achten, maeckende van deſe wiſſelinge haer profijt. Fontimama eyſchte Aſpren voor een half ſtuck van achten, toonende dat het ſtuck goet was: Hy hielp de Jode tellen, ende rekeningh gemaeckt ſijnde, gaf hy de Jode een valſch ſtuck. De Jode, die het Gelt ſeer wel kende, joegh Fontimama wech: Maer daer waren eenige Aſpren ghebleven inde Handen vanden ſubtilen dief: Ende van daer gingenſe by een andere Jode, ende wiſte eyndelijck ſijn dingen ſo wel te doen, dat Fontimama ’s middaghs wederom inde Bain quam met twee Hoenderen, ende noch Gelt ghenoegh om haer Buyck vol Wijn te drincken.
Op een andere tijdt was hy met de Galeye van onſe Meeſter Pegelin op de Kuſte van Barbarien, voor een plaets genaemt Terrevechia, ende Fontimama was met eenighe andere Slaven aen Landt, om dat deſe Slaven de wacht over de Galeye moſten houden. Terſtont daer na vergaderden alle de Alarben ronts om deſe Slaven, haer vragende oftſe geen Yſer te verkoopen hadden (want het Yſer is op die plaetſe dier) ende de Slaven verkochten Spijckers, ende andere ſoodanige kleyne dinghen. De Cameraets van Fontimama hebbende haer Coopmanſchap verkocht, brochten de Koopers tijdinge van hare nabuyren, datſe Yſer ghekocht hadden vande Slaven vande Galeyen.
Twee Alarben verſtaende datmen aldaer Yſer goet koop verkocht, quamen na de Zee-Kant om daer van te koopen, ende quamen by Fontimama, die haer ſeyde, dat hy Yſer aen haer verkoopen ſoude, ende verkocht haer het Ancker vande Galeye voor vijf ſtucken van achten. Hy ontfingh het Gelt, ende ſeyde: Vrienden het is onmogelijck dat ghy ſoo veel Gewicht onder u beyden kont dragen, roept yemandt van u nabuyren, ende ick ſal u mede helpen. Deſe onnoſele Alarben liepen om hare nabuyren om aſſiſtentie te hebben. Fontimama gingh ondertuſſchen inde Galeye, ende leyde terſtont een Pleyſter op een van ſijne Ooge. Deſe twee Coopluyden quamen wederom met twintig Alarben om het Ancker wech te dragen, ſy gingen inde Galeye, ende begonnen de Kabels los te maken. De Generael Alli Pegelin, de welcke inde Kejuyt lagh op een Fluweele Matalas, ſagh deſe Alarben voor inde Galeye twiſten met de Turckſe Soldaten, want de Soldaten wouden het Ancker niet laten wegh dragen. Hy vraeghde waerom de Alarbes ſoo veel gheruchte maeckten. Men vertelde Pegelin de Hiſtorie dat Fontimama het Ancker verkocht hadde, hy gaf terſtont ordre aen de Commijs datmen deſe Canaille de Alarben ſoude verdrijven uyt de Galeyen. De ordre wierde terſtont geexecuteert met eenige ſlagen van ſtocken, die de Alarben ontfingen in plaets van het Ancker. Wanneer de Alarben verdreven waren, vraeghde Pegelin aen Fontimama, waerom hy het Ancker van de Galeye verkocht hadde, nadien het hem niet toe en quam. Fontimama antwoorde hem: Dat hy meende dat de Galeye beter ſoude voortgaen, wanneerſe van dat Gewicht ſoude ontlaſt zijn. Alle die vande Galeye begonnen te lachen over dit antwoort, ende de vijf ſtucken van achten bleven by Fontimama.
Daer was oock inde Bain een Brabander genaemt Frans de Vos, maer ſijn Oorloghs naem was Frans de Student: Deſen quam Pegelin niet toe, maer vvoonde inde Bain door ordre van zijn Patroon ende toelaten van Pegelin, hebbende een Yſere Keten van hondert ponden Gevvicht aen ſijne Beenen, ſonder daer te mogen uyt gaen: Alleen om de betalinghe van zijn rantſoen aen te dringen. Hy vvas als Secretaris van de Duynkerckſe, Hollandtſe ende Hamburger Slaven, ſchrijvende alle tijdt Brieven ſonder recompenſie, maer liet toe datmen hem te drincken gaf. Ende alſoo hy vveghen deſe brieven altoos omcingelt vvas van Vlamingen ende Hollanders, die by hem quamen, ende voor ſijn moeyte te drincken gaven, wanneer hy gheſchreven hadde, dede dit ambacht deſen Schrijver leven: Want de Weerdt alwaer hy ging ſchrijven, gaf hem dien gantſchen dagh te eten, ter oorſaecke van het profijt ’twelck hy maeckte by het verkoopen van de Wijn aende Perſonen die hem deden ſchrijven.
Daer was oock een Franſe Ridder, die inde Slavernye ſes Iaren langh geweeſt hadde, ſonder dat hy een Stuyver uyt zijn Land ontfangen hadde. Hy was altoos wel gekleedt in qualiteyt van een Slaef: Hy at ende dronck leckerlijck, ende noodighde menighmael eenighe Cameraets te eten met hem: Hy hadde groote kenniſſe met Gerenegeerde Franſen die hem Gelt op Intereſt leenden, het ſelfde wederom ghevende op de geſtelde tijdt; Maer om te betalen nam hy Gelt op Intereſt van andere Gerenegeerden: Ende alſoo alle Gerenegeerden Soldaten ſijn, ende in gheduyrighe Oorlogh, ſoo ter Zee als te Lande, woonde daer altoos yemant van ſijne Crediteuren. Ende alſoo deſe Crediteuren geen Bloet-Vrinden, noch Vrouw, noch Kinderen hadden, wierde de ſchult met de Doodt betaelt: Ende hoewelder eenighe Obligatie in gheſchrift was, alſoo deſen Ridder een Slaef was, was de ſelfde ſonder eenighe kracht.