Theaetetus

Part 8

Chapter 84,100 wordsPublic domain

So. Let nu eens op hetgeen hieruit volgt. Een volmaakt rekenkundige kent immers alle getallen? want van alle getallen zijn de kundigheden in zijne ziel.

Theaet. Natuurlijk.

So. Zou dan nu zoodanig iemand ooit óf iets bij zich zelven, óf iets van de uitwendige aan getal onderworpene dingen berekenen? [437]

Theaet. Waarom niet?

So. En wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen, dan als het onderzoeken, hoe groot het een of ander getal is.

Theaet. Zoo [zullen wij doen].

So. Wat hij dus kent, schijnt hij te onderzoeken, als het niet kennende, hoewel wij hebben toegestemd, dat hij alle getallen kent. Want gij zijt immers met dergelijke vraagstukken bekend [438]?

Theaet. Ja zeker.

XXXVII. So. Dus zullen wij, onze vergelijking van het bekomen en vangen der duiven ontleenende, zeggen, dat er eene dubbele vangst is, namelijk, deels die vóór het bekomen, om ze te bekomen; deels die na het bekomen, om het reeds bekomene te vatten en in de handen te hebben. Alzoo kan iemand hetzelfde, waarvan hij de kundigheden reeds lang te voren had opgedaan, en dat hij dus kende, weder leeren, door elke dier kundigheden op te nemen en dus datgene te hebben, wat hij reeds lang bezat, maar op het oogenblik niet voor zijn bewustzijn had [439].

Theaet. Dat is waar.

So. Dit nu was wat ik vroeg: hoe wij het noemen moeten, wanneer een rekenkundige gaat rekenen, of een taalkundige bij zich zelven overdenkt, hoe hij schrijven moet [440]. In zulk een geval toch gaat hij weder [441] van zich zelven leeren, wat hij reeds kent.

Theaet. Maar dat is toch wat gek, Socrates!

So. Maar moeten wij dan zeggen, dat zij, wat zij niet kennen, gaan berekenen of overdenken, terwijl wij toch gesteld hebben, dat zij de geheele kennis der getallen of van de taal hebben?

Theaet. Dat gaat evenmin.

So. Willen wij dan nu maar zeggen, dat het ons volstrekt niet raakt, hoe iemand de woorden kennen en leeren wil mishandelen, maar dat wij, onderscheid makende tusschen het bezitten en het hebben van kennis, geene mogelijkheid zien, dat iemand, wat hij bezit, niet zou bezitten, en dus evenmin, dat hij niet zou kennen, wat hij wel kent; maar dat het toch wel mogelijk is, daaromtrent valsche meening te bekomen; want dat het gebeuren kan, dat hij niet [442] de kundigheid [die hij hebben moet], maar eene andere vasthoudt, wanneer hij dezelve, terwijl zij [door de kooi in zijne ziel] rondvliegt [443] zoekt te vangen, maar bij vergissing de eene in plaats van de andere grijpt, en alzoo bij voorbeeld elf voor twaalf houdt, door de kundigheid [444] van elf in plaats van die van twaalf te grijpen, alsof hij in die kooi eene tortelduif in plaats van eene woudduif beetpakte.

Theaet. Dat gaat op.

So. En dat, wanneer hij de gezochte grijpt, geene valsche, maar ware meening door hem wordt opgevat, en dat alzoo ware en valsche meening bestaan, en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen. Misschien zult gij mij toestemmen, of hoe zult gij doen?

Theaet. Aldus.

So. Wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent, want, of men zich vergist of niet, het niet bezitten van hetgeen men wel bezit komt niet meer in aanmerking. Ik zie echter een ander vrij wat erger geval voor den dag komen.

Theaet. Wat dan?

So. Of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden kan.

Theaet. Hoe zoo?

So. Vooreerst, dat men, van iets kennis hebbende, datzelfde niet kent; en wel niet door onkunde, maar door zijne kennis; verder, dat men dit voor iets anders houdt en het andere voor dat, is zulks niet wat heel gek? daar dan door de aanwezigheid van kennis de ziel niets kent, maar van alles onkundig is? Volgens die redenering toch belet niets, dat het bijkomen van onkunde iets doet kennen, en van blindheid iets doet zien; zoo althans ooit kennis de oorzaak is, dat wij iets niet kennen [445].

Theaet. [Dat is toch nog wel te redden] [446], Socrates! want misschien hebben wij verkeerdelijk die vogels alleen als kundigheden gesteld, daar wij ook onkundigheden [447] moesten stellen, die te gelijk met dezelve door de ziel vliegen, zoodat hij, die ze poogt te vangen, dan eens eene kundigheid, dan eens eene onkundigheid aangaande hetzelfde grijpende, door de onkundigheid valsche, door de kundigheid ware meening bekomt.

So. Het is moeijelijk, Theaetetus! u niet te prijzen. Bezie echter het gezegde nog eens. Het zij, gelijk gij beweert. Gij zegt dan, dat degeen, die eene onkundigheid gegrepen heeft, valsche meening zal hebben, niet waar?

Theaet. Ja.

So. Maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden.

Theaet. Hoe zou hij daartoe komen?

So. Voor waar dus; en hij zal zich verbeelden, datgene te kennen, waaromtrent hij dwaalt.

Theaet. Natuurlijk.

So. Dus zal hij meenen, eene kundigheid, geene onkundigheid gevangen te hebben.

Theaet. Dat spreekt.

So. Dus zijn wij, na eenen langen omweg, weêr bij de eerste zwarigheid aangeland. Die vitter toch zal lagchende zeggen: hoe nu, mijne vrienden! houdt iemand, èn de kundigheid èn de onkundigheid kennende, die welke hij kent voor de andere, die hij ook kent? of zal hij, geene van beide kennende, de ééne, die hij niet kent, voor de andere houden, die hij ook niet kent? of de ééne kennende en de andere niet, die welke hij kent voor die welke hij niet kent? of zal hij die, welke hij niet kent, houden voor die, welke hij kent, of zult gij mij wederom zeggen, dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn, die men, ze bekomen hebbende, in andere belagchelijke kooijen of stukken was opsluit, en alzoo kent als men ze bezit, ook zonder ze voor het bewustzijn te hebben? en zult gij aldus in de noodzakelijkheid komen, om duizendmaal denzelfden weg te gaan, zonder iets te vorderen? Theaetetus! wat zullen wij daarop antwoorden?

Theaet. Waarlijk, Socrates! ik heb er niets op te zeggen.

So. Jongelief! bestraft ons de redekaveling dan niet te regt, door aan den dag te brengen, dat wij verkeerdelijk de valsche meening vóór de kennis zochten, en die laatste verwaarloosden? En dit [448] kan men toch onmogelijk kennen, voor men behoorlijk de kennis heeft gevat, wat zij eigenlijk is [449].

Theaet. Het is op het oogenblik onvermijdelijk, Socrates! zoo te oordeelen als gij daar zegt. [450]

XXXVIII. So. Welke bepaling zal dan nu, [om] nog eens van voren [te beginnen], van de kennis gegeven worden? want wij zullen het toch niet opgeven. [451]

Theaet. Wel neen! zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt.

So. Zeg dan eens, met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden tegenspreken?

Theaet. Met de vroeger gegevene, Socrates! ik althans heb geene andere.

So. Welke?

Theaet. Dat de kennis ware meening is. De ware meening toch is vrij van dwaling, en al wat door haar gedaan wordt, is schoon en goed.

So. De wegwijzer [in de fabel] zegt, [452] dat de diepte van het water zichzelve zal bekend maken, en zoo zal ook, zoo wij dit gaan onderzoeken, het gezochte misschien van zelfs voor den dag komen, maar zoo wij stil staan, wordt er zeker niets opgehelderd.

Theaet. Gij zegt goed; komaan dan! laat ons het onderzoeken.

So. Hier is geen omslagtig onderzoek noodig, want eene geheele kunst strekt ten blijk, dat dit niet de bepaling der kennis is.

Theaet. Hoe zoo? wat is dat voor eene kunst?

So. Die van de knapste lieden, namelijk van de redenaars in de volksvergadering en de pleitzaal. Zij toch brengen door hunne overredingskunst geene kennis, maar de meening, welke zij verkiezen, te weeg. Of gelooft gij aan het bestaan van zulke bekwame leermeesters, die iemand de ware toedragt van eenen diefstal of eene andere gewelddadige handeling, die hij niet heeft bijgewoond, onder het wegloopen van een weinig water kunnen doen kennen [453]?

Theaet. Wel neen! meer dan overreden kunnen zij niet.

So. Maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening?

Theaet. Natuurlijk.

So. Wanneer dus regters, op eene billijke wijs overreed zijnde van iets, hetwelk men alleen door het zien en anders niet kan weten, dit op het gehoor beoordeelen, dan oordeelen zij, zoo zij goed regtspreken, zonder kennis, doch naar ware meening, daar zij goed overreed zijn. [454]

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Maar, mijn vriend! zoo ware meening en kennis hetzelfde was, zou een goed regter nooit ware meening zonder kennis hebben; weshalve zij van elkander schijnen te verschillen [455].

Theaet. Ik herinner mij nu iets, Socrates, dat ik iemand heb hooren zeggen, maar dat mij ontgaan was [456]. Hij toch zeide, dat ware meening met bepaling kennis is, maar dat zij zonder bepaling op dien naam geen aanspraak heeft; en wat buiten de bepaling valt, noemde hij [457] onkenbaar, maar wat er binnen valt, kenbaar.

So. Dat zegt gij goed. Maar zeg dan nu eens, hoe hij die kenbare en onkenbare dingen verdeelde, [opdat wij weten], of gij en ik het op dezelfde wijs gehoord hebben.

Theaet. Maar ik weet niet, of ik het mij wel zal te binnen brengen [458]. Ik zou het echter, denk ik, wel kunnen volgen, wanneer een ander het zeide.

XXXIX. So. Hoor dan nu eens den eenen droom in plaats van den anderen. Want ik meen ook van iemand gehoord te hebben, dat de grondbestanddeelen, waaruit wij en al het overige zijn zamengesteld, door geene bepaling bevat worden. Want dat het alleen mogelijk is, ieder hunner bij zijn eigen naam te noemen, zonder er eenige andere eigenschap aan toe te kennen of te ontzeggen, daar dan zijn of niet zijn er aan zou toegekend worden, terwijl men er niets mag bijbrengen, zoo men het alleen en op zich zelf wil uitspreken. Dat men bijgevolg [459] de woorden zelf, dit, dat, ieder, alleen, enz. er niet op mag toepassen, daar die beurtelings op alles toegepast worden, en verschillend zijn van hetgeen, waarop men ze toepast, maar dat, zoo het mogelijk was, ze [460] te bepalen en er eene eigene bepaling van te geven, men ze zonder al die andere moest uitspreken. Dat het nu echter onmogelijk is, eene bepaling van een dier grondbestanddeelen te geven, want dat men ze alleen kan noemen, daar zij bloot eenen naam hebben, maar [dat] hetgeen daaruit, door hunne namen zóó te verbinden als zij zelve verbonden zijn, is zamengesteld, eene bepaling is; daar deze alleen door het verbinden der verschillende praedicaten kan tot stand komen. Dat alzoo de grondbestanddeelen buiten de bepaling en de kennis vallen, maar moeten waargenomen worden; doch dat hunne verbindingen kenbaar en uitspreekbaar en door ware meening te vatten zijn. Dat nu, wanneer iemand zonder bepaling de ware meening over eene zaak opvat, zijne ziel daarvan wel de waarheid bezit, maar ze toch niet kent, want dat hij, die [eene zaak] niet kan bepalen, daarvan [461] geene kennis heeft, maar dat hij, die er eene bepaling bij bekomen heeft, daartoe in staat is, en volkomen is in de kennis. Hebt gij den droom zóó of anders gehoord?

Theaet. Volkomen zóó.

So. Behaagt het u dus, en stelt gij het zóó, dat ware meening met bepaling kennis is?

Theaet. Ongetwijfeld. [462]

So. Wel, Theaetetus! hebben wij dan alzoo heden gevat, wat vele wijzen hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben?

Theaet. Ik geloof althans, Socrates! dat het nu gezegde goed gezegd is.

So. En dat het zoo is, heeft ook veel schijn; want hoe zou kennis kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening? In het gezegde is echter één ding, dat mij niet bevalt.

Theaet. Wat dan?

So. Juist hetgeen de meeste vertooning maakt, namelijk dat de grondbestanddeelen onkenbaar, maar de verbindingen kenbaar zijn.

Theaet. Welke?

So. De grondbestanddeelen [der woorden] en hunne verbindingen. Of gelooft gij, dat hij, die het vermelde gezegd heeft, daarbij op iets anders het oog had? [463]

Theaet. Neen, maar daarop.

XL. So. Laat ons dan dit nog eens ophalen, of laat ons liever ons zelven onderzoeken, of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben. Zeg mij eerst dit. De verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar, maar de grondbestanddeelen niet?

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Ik ben ook geheel van die meening. Wanneer dan nu iemand naar de eerste lettergreep van [het woord] Socrates vroeg, zeggende: Theaetetus! zeg eens, wat is so? wat zoudt gij antwoorden?

Theaet. Ik zou zeggen s en o.

So. Dit is dus uwe bepaling van die lettergreep?

Theaet. Ja.

So. Komaan! zeg dan zoo ook eens de bepaling van de s.

Theaet. Maar hoe zal iemand de grondbestanddeelen der grondbestanddeelen zeggen? Want, Socrates! de s behoort onder de medeklinkers, en is slechts eene soort van gesis der tong, terwijl bij de c en de meeste andere zelfs dit niet gevonden wordt. Derhalve is het zeer juist, ze buiten de bepaling te stellen, daar die vijf, welke nog het meeste hebben in te brengen, alleen eenen klank hebben, maar geene bepaling toelaten [464].

So. Dus, mijn beste! zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar gekomen.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen, dat de grondbestanddeelen niet kenbaar zijn, en de verbindingen wel?

Theaet. Het schijnt van ja.

So. Zeg dan nu eens, of wij de beide letters grondbestanddeelen en, zoo er meer dan twee zijn, die allen lettergreep (verbinding) noemen, of dat wij daar ééne zaak mede bedoelen, die door hunne zamenstelling ontstaat?

Theaet. Ik geloof, dat wij die allen bedoelen.

So. Zie het dan eens aan twee, de s en de o. Zij beiden maken toch de eerste lettergreep van mijnen naam uit. Die nu die lettergreep kent, kent ze immers beiden?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Dus kent hij de s en de o?

Theaet. Ja.

So. Maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet, zoodat hij, geen van beiden kennende, ze beiden kent?

Theaet. Dat zou dwaas en ongerijmd zijn, Socrates!

So. Edoch zoo het, om ze beiden te kennen, noodig is ieder op zich zelf te kennen, dan is het volstrekt noodig voor iemand, die ooit de lettergreep zal kennen, eerst de letters te kennen, en zoo gaat dan die schoone redekaveling ons in eens ontvlugten.

Theaet. En dat zoo onverwacht!

So. Wij passen er ook niet goed op. Want misschien was het beter, de lettergreep niet met de letters gelijk te stellen, maar met ééne zaak, die daaruit ontstaat, hare eigene wezenheid heeft, en van de letters onderscheiden is.

Theaet. Ik geloof ook [dat wij er niet goed op passen;] en misschien draagt het zich meer aldus toe, dan op de eerst genoemde wijs.

So. Wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije redekaveling niet zoo maar laten loopen.

Theaet. Wel neen.

So. Laat het dan eens zijn, zoo als wij zeggen, dat de verbinding ééne zaak is, die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat, zoowel bij de woorden, als bij alle andere dingen.

Theaet. Het zij zoo.

So. Maar moet die dan geen deelen hebben?

Theaet. Hoe zoo?

So. Omdat, waar deelen zijn, het geheel noodzakelijk uit al de deelen bestaat. Of houdt gij het geheel, dat uit die deelen ontstaan is, voor iets anders dan al die deelen te zamen?

Theaet. Ja.

So. Maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee verschillende dingen?

Theaet. Ik zie het wel niet duidelijk in, maar omdat gij wilt, dat ik vrijmoedig antwoorde, zoo wil ik er naar raden en zeggen: voor twee verschillende dingen.

So. Die vrijmoedigheid is goed, Theaetetus, maar of het antwoord zulks ook is, zullen wij zien.

Theaet. Dat spreekt.

XLI. So. Dus zou dan, volgens onze tegenwoordige redekaveling, het geheel en het al verschillen?

Theaet. Ja.

So. Maar verschillen dan nu ook al de deelen en het al? bij voorbeeld, wanneer wij zeggen: één, twee, drie, vier, vijf, zes [465], of twee maal drie, of drie maal twee, of vier en twee, of drie en twee en één, of vijf en één, zeggen wij dan bij die allen hetzelfde of iets anders?

Theaet. Hetzelfde.

So. Is het wel iets anders dan zes?

Theaet. Neen.

So. Dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al de zes uitgedrukt.

Theaet. Ja.

So. Maar als wij nu [in dit geval] van het al spreken, zeggen wij toch ook iets [466]?

Theaet. Wel zeker.

So. Iets anders dan de zes?

Theaet. Neen.

So. Dus houden wij althans in de getallen [467] het al en al de deelen voor hetzelfde.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Dit is dan ook de gewone wijs van spreken. Zoo beteekent ook het getal [voeten] eener roede en de roede hetzelfde, niet waar?

Theaet. Ja.

So. En evenzoo [is het] met de mijl?

Theaet. Ja.

So. En zoo ook met het getal [soldaten] eens legers en het leger, en al het dergelijke eveneens. Het getal van al de deelen toch is het al van ieder hunner.

Theaet. Ja.

So. En het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen zelve?

Theaet. Wel neen.

So. Maar wat nu deelen heeft, bestaat uit die deelen.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar nu wordt toegestemd, dat al die deelen het al zijn, zoo ten minste het getal deelen [eener zaak haar] al is [468].

Theaet. Juist.

So. Maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen; want dan zou hetzelve al de deelen en dus het al zijn?

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Maar kan nu een deel van iets anders deel wezen, dan van het geheel?

Theaet. Immers van het al.

So. Gij houdt u goed, Theaetetus! Maar is dan het al niet juist dàn het al, wanneer er niets aan ontbreekt?

Theaet. Noodzakelijk.

So. En is nu het geheel niet juist datzelfde, waaraan volstrekt niets ontbreekt? en waar iets aan ontbreekt, dat is immers noch het geheel noch het al, zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande, hetzelfde zijn?

Theaet. Nu geloof ik ook, dat het geheel en het al volstrekt niet verschillen [469].

So. Zeiden wij niet, dat, waar deelen zijn, het geheel en het al, al de deelen zijn [470]?

Theaet. Ja zeker.

So. Zeg mij dan nu nog eens, of het niet, gelijk ik daar zoo reeds begon te zeggen, noodig is, dat zoo de lettergreep niet de letters is, zij die letters niet als hare deelen heeft, of dat zij, hetzelfde als die deelen zijnde, evenzeer als dezelve kenbaar is?

Theaet. Juist.

So. Hebben wij niet, om dit te vermijden, haar als iets anders beschouwd?

Theaet. Ja.

So. Maar wat dan? zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn, kunt gij dan eenige andere dingen noemen, die wel de deelen zijn der lettergreep, maar toch niet hare letters?

Theaet. Wel neen! want, Socrates! zoo ik toestemde, dat zij deelen heeft, dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te zoeken.

So. Dus zou dan, Theaetetus! volgens de tegenwoordige redekaveling de lettergreep ééne ondeelbare zaak [471] zijn.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Herinnert gij u nu, mijn vriend! dat wij daareven als goed gezegd aannamen, dat er geene bepaling is van de grondbestanddeelen, waaruit de andere dingen zijn zamengesteld, omdat ieder op zich zelf niet zamengesteld is; en dat het niet eens goed is, daaraan het zijn of het dit [472] toe te schrijven, daar er dan iets anders en vreemds van gezegd wordt, en dat die oorzaak het onbepaalbaar en onkenbaar maakt?

Theaet. Ja, dit herinner ik mij.

So. Maar is er [van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid] nu wel eene andere oorzaak, dan deze: dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn? ik althans zie geene andere.

Theaet. Er schijnt dan ook geene andere te wezen.

So. Dus is dan de verbinding van dezelfde soort als die dingen geworden, zoo zij geene deelen heeft en enkelvoudig is [473].

Theaet. Zeer zeker.

So. Zoo dus de verbinding vele grondbestanddeelen en een geheel is, en die grondbestanddeelen hare deelen zijn, dan zijn de verbindingen even zoo kenbaar en bepaalbaar [474] als de grondbestanddeelen, nademaal al de deelen hetzelfde blijken te zijn als het geheel.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Maar zoo zij één en ondeelbaar is, dan is de verbinding even zoo zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar; want dezelfde oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen.

Theaet. Het is niet anders.

So. Laten wij het dus niet aannemen, wanneer iemand de verbinding voor kenbaar en bepaalbaar, en het grondbestanddeel voor het tegendeel verklaart.

Theaet. Zeker niet, zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven.

So. Maar wat dan? zoudt gij niet veeleer, wegens hetgeen gij weet [dat] u bij het leeren lezen [gebeurd is], het tegengestelde aannemen?

Theaet. Wat meent gij?

So. Dat gij een geruimen tijd niets anders gedaan [475] hebt, dan trachten om de letters ieder op zich zelve door het gezigt en het gehoor te onderkennen, opdat gij niet in de war zoudt komen bij hare plaatsing in het spreken of schrijven.

Theaet. Gij zegt volkomen de waarheid.

So. En was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen [van uwe les] wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven, van welke snaar zij was? en ieder zal toch toestemmen, dat dit de grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden.

Theaet. Niets anders.

So. Zoo wij dus van de ons bekende bestanddeelen en verbindingen tot de andere mogen besluiten, dan moeten wij zeggen, dat die soort van dingen, waartoe de grondbestanddeelen behooren, eene veel meer klaarblijkelijke en gewigtige [476] kennis dan de verbinding aanbrengt, tot het volkomen verkrijgen van elke kennis; en zoo iemand zegt, dat de verbinding wel kenbaar is, maar het beginsel niet, dan moeten wij oordeelen, dat hij vrijwillig of onwillekeurig zotteklap spreekt.

Theaet. Zeer zeker.

XLII. So. Hiervan zouden echter, naar mijn inzien, nog wel andere bewijzen te vinden zijn; maar wij moeten ons daardoor niet laten aftrekken van ons onderzoek, wat het toch zeggen wil, dat bepaling, bij ware meening komende, de volmaakte [477] kennis doet ontstaan.

Theaet. Wij moeten dat dan beschouwen.

So. Komaan dan! wat wil dat woord bepaling [478] hier te kennen geven? Naar mijne meening één van drie.

Theaet. Van welke?

So. Vooreerst zou het wezen: zijne gedachte door de stem met behulp van woorden en namen te openbaren, en zoo zijne meening, als het ware in eenen spiegel of in het water, te weêrkaatsen in de stem. Of houdt gij de bepaling niet voor zoo iets?

Theaet. Ja; wij zeggen van hem, die dat doet, dat hij eene bepaling van zijne meening geeft [479].

So. Maar is dan niet ieder, die niet stom of doof geboren is, in staat, om te kennen te geven, hoe hij ergens over denkt, zoodat allen, die ware meening hebben, dan daar de bepaling bij hebben, en er nergens ware meening zonder kennis gevonden wordt [480]?

Theaet. Dat is waar.

So. Laat ons echter hem, die de kennis op de ons bezighoudende wijze bepaald heeft, niet ligtvaardig vonnissen. Misschien toch meende hij er niet dit mede, maar dat men, op de vraag, wat ieder ding is, door het opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden.

Theaet. Hoe meent gij dat, Socrates?

So. Zoo als bij voorbeeld Hesiodus van een’ wagen zegt: „de bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd.” Die zou ik wel niet kunnen opgeven, en gij, denk ik, evenmin; maar wij zouden op de vraag, wat een wagen is, heel tevreden zijn met het antwoord: wielen, eene as, een bovenstuk, zijstukken, een juk.

Theaet. Wel zeker.

So. Maar hij zou misschien oordeelen, dat wij even bespottelijk waren, als zoo wij, naar uwen naam gewaagd zijnde, deszelfs lettergrepen opnoemden, en nu meenden, dat wij een taalkundig antwoord gaven en den naam Theaetetus bepaalden; want dat men van geen ding met kennis spreekt, zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening zamenstelt, zoo als ook daareven reeds gezegd is.

Theaet. Ja.

So. En dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben, maar dat hij, die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven kan, daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft, en van ware meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is opgeklommen, door het geheel uit de deelen zamen te stellen.

Theaet. Maar vindt gij dat oordeel niet juist, Socrates?

So. Zeg eens, mijn beste! of gij het zoo vindt, en toestemt, dat de bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer grondbestanddeelen, terwijl het opgeven van derzelver [eerste] verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is?

Theaet. Wel zeker stem ik dat toe.

So. Maar houdt gij dan iemand voor een’ kenner van iets, wanneer hetzelfde hem dan eens tot dit, en dan weer tot dat schijnt te behooren, of wanneer hij dan eens dit, en dan eens dat aan hetzelfde toeschrijft?