Part 9
Theaet. Wel neen ik.
So. En is het u dan ontschoten, hoe gij en uwe makkers bij het leeren lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt?
Theaet. Meent gij, dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die letter meenden te zien, en dezelfde letter dan eens in de goede, dan eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten.
So. Dat meen ik.
Theaet. Neen waarlijk, dat is mij niet ontschoten, en ik geloof ook niet, dat zij, die zoo gesteld zijn, kennis bezitten.
So. Wat dan? wanneer iemand, in dien tijd Theaetetus schrijvende, t, h en e meent te moeten schrijven en schrijft; maar Theodorus willende schrijven, t en e meent te moeten schrijven en schrijft; zullen wij dan zeggen, dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent?
Theaet. Maar wij hebben daareven beredeneerd, dat die zoo gesteld is, nog geene kennis bezit.
So. Verhindert hem dan wel iets, om even zoo omtrent de tweede, derde en vierde lettergreep gesteld te zijn?
Theaet. Wel neen.
So. Maar zal hij niet, in het eerste geval de letters allen bijeenhebbende, met ware meening Theaetetus schrijven, wanneer hij ze naar volgorde schrijft?
Theaet. Natuurlijk.
So. Dus zonder nog te kennen, maar, zooals wij zeiden, met ware meening?
Theaet. Ja.
So. Edoch bepaling en ware meening hebbende. Want schrijvende, stelde hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen, en dat noemden wij bepaling.
Theaet. Dat is waar.
So. Dus, mijn beste! is er eene ware meening met bepaling, die wij nog geen kennis kunnen noemen.
Theaet. Dat schijnt zoo.
XLIII. So. Dus hebben, wij ons, naar het schijnt, met een schaduwbeeld gevleid, toen, wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten. Maar wacht! wij kunnen nog geen vonnis vellen. Want misschien zal iemand het niet zóó bepalen, maar de laatste kiezen der drie verklaringen, waarvoor wij zeiden, dat de bepaling der kennis als ware meening met bepaling vatbaar is.
Theaet. Gij doet wel, mij daaraan te herinneren, want er is nog ééne over. De eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de spraak, de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit de grondbestanddeelen, en de derde?
So. Wat de meesten zouden zeggen, [namelijk:] in staat te zijn eenig teeken te zeggen, waardoor het gevraagde van alle andere dingen onderscheiden wordt.
Theaet. En kunt gij mij zulk eene bepaling ergens van geven [481]?
So. Bij voorbeeld, zoo gij wilt, meen ik u de zon genoeg uitgeduid te hebben, zoo ik zeg, dat zij het schitterendste hemellicht is, dat rond de aarde loopt [482].
Theaet. Wel zeker.
So. Hoor dan nu eens, waarom dit gezegd is. Het is, wat wij daareven zeiden, dat, zoo gij van eenig ding het verschil, waardoor het van de anderen onderscheiden is, vatten kunt, gij volgens sommigen eene bepaling hebt; maar dat, zoo lang gij iets vat, dat aan velen gemeen is, gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen, die door dat algemeene omvat worden.
Theaet. Nu begrijp ik het, en ik geloof, dat het goed is, zoo iets bepaling te noemen.
So. En hij nu, die bij de ware meening over eenig ding het verschil van de andere bekomt, zal dan datgene kennen, waaromtrent hij te voren slechts meening koesterde.
Theaet. Zoo zeggen wij dat het is.
So. Waarlijk, Theaetetus! het gaat mij met die uitspraak als met een schijnbedrog [483]; nu ik er nader bij kom, begrijp ik er niet het minste van; hoewel ik, uit de verte oordeelende, meende, dat er heel wat gezegd was.
Theaet. Hoe dat?
So. Ik zal het zeggen, zoo ik er toe in staat ben. Wanneer ik ware meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom, dan ken ik u; maar zoo niet, dan breng ik het niet verder dan meening.
Theaet. Ja.
So. En de bepaling was het aanduiden van hetgeen, waardoor gij onderscheiden zijt?
Theaet. Juist.
So. Maar toen ik slechts meening koesterde, vatte ik dan toen met mijn verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt?
Theaet. Het schijnt van neen.
So. Dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke, dat gij volstrekt niet méér hebt dan een ander.
Theaet. Natuurlijk.
So. Komaan dan, bij Zeus! hoe meende ik dan in dat geval u meer dan iemand anders? Want stel eens, dat ik dacht, dat Theaetetus een mensch is, en een neus, oogen, een mond, enz. heeft. Zal zulk eene gedachte mij meer Theaetetus, dan Theodorus, of, zooals men zegt, den geringsten Mysiër doen denken?
Theaet. Wel neen.
So. Maar zoo ik nu niet alleen iemand denk, die een neus en oogen heeft, maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen, zal ik dan meer u meenen, dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk?
Theaet. Volstrekt niet.
So. Maar Theaetetus zal, denk ik, niet voor mijnen geest staan, voordat die platneuzigheid een van de anderen, die ik gezien heb, verschillend kenmerk in mijn geest heeft geprent, en uwe andere ligchaamsdeelen evenzoo, waardoor zij mij, ook zoo ik u morgen tegenkom, aan u herinneren en ware meening over u doen koesteren.
Theaet. Dat is volkomen waar.
So. Dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot voorwerp hebben.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening beduiden? want zoo het beteekent er datgene bij te meenen, waardoor iets van het overige verschilt, dan is dat een allergekst voorschrift.
Theaet. Hoe zoo?
So. Het schrijft ons dan voor, van die dingen, waaromtrent wij ware meening aangaande hun onderscheid van het overige hebben, ware meening aangaande hun onderscheid van het overige te bekomen. En zoo zou dan, in dat voorschrift, het omwinden met de scytala of het bovenstuk [484], of hoe het ook heet, niets te beduiden hebben, maar veeleer de raadgeving van een blinde zijn; want het voorschrift, dat wij, hetgeen wij [reeds] hebben, er bij nemen moeten, om wat wij meenen, te leeren kennen, heeft waarlijk veel van in den blinde rond te tasten.
Theaet. Maar zeg dan nu eens, wat gij daareven woudt vragen.
So. Jongelief! zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft, het onderscheid te kennen en niet te meenen, dan zou het er gek uitzien met die fraaije redenering over de kennis; want het kennen is toch het bezitten van kennis, niet waar?
Theaet. Ja.
So. Zij zal dus op de vraag, wat kennis is, ten antwoord geven, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid. Want volgens haar zou dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. En het is dan ook waarlijk onnoozel, nu wij de kennis onderzoeken, te zeggen, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid of van wat dan ook. Dus, Theaetetus! kan noch gevoel, noch ware meening, noch ware meening met bepaling kennis wezen [485].
Theaet. Het schijnt van neen.
So. Zijn wij nu nog zwanger, mijn waarde! en in barensnood over de kennis, of hebben wij alles ten einde toe gebaard?
Theaet. Waarlijk, bij Zeus! door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij was.
So. En zegt nu de vroedkunst ons niet, dat dit alles winderig en de opvoeding niet waardig is?
Theaet. Ongetwijfeld.
XLIV. So. Theaetetus! zoo gij nu hierna nog van iets anders poogt zwanger te worden, en zoo u dat gelukt, zult gij, ten gevolge van het onderzoek van heden, van betere dingen zwanger zijn; en zoo het u niet gelukt, zult gij minder lastig en handelbaarder zijn voor uwe bekenden, daar gij bescheiden uwe onkunde van hetgeen gij niet weet zult erkennen. Dit toch is het eenigste, dat mijne kunst vermag, meer niet; daar ik niets versta van datgene, waardoor anderen zich aanzien en roem hebben weten te bezorgen. Deze vroedkunst echter hebben ik en mijne moeder van de goden ontvangen; zij om vrouwen, ik om jongelingen van edelen inborst en schoone gedaante te verlossen [486]. Nu moet ik mij naar de koninklijke gaanderij [487] begeven, wegens de mij door Meletus aangedane beschuldiging; maar morgen vroeg, Theodorus! willen wij elkander hier weder vinden.
OVERZIGT DER REDEKAVELING.
Socrates vraagt aan Theodorus, welke Atheensche jongelingen vooral uitmunten. Theodorus roemt Theaetetus om zijne vlugheid in het leeren, zijne zachtmoedigheid en zijne losheid van het geld.
Hierop zoekt Socrates Theaetetus in een gesprek te wikkelen, en legt hem de vraag voor, wat kennis is. Theaetetus zegt, dit dikwijls onderzocht te hebben, maar het niet te kunnen vinden, waarop Socrates zegt, zelf geene kennis te hebben, maar wel de kunst te verstaan, van de begrippen, die in den geest van anderen sluimeren, door vragen te ontwikkelen. Hierdoor aangespoord, zegt Theaetetus: kennis is gevoel. Dit antwoord onderzoekt Socrates op deze wijs. Het komt op hetzelfde neêr als de leer van Protagoras: dat de mensch de maat is van alle dingen, met andere woorden: dat alle kennis subjectief is, dewijl zij ontstaat door de zamenwerking van de indrukken, op de zinnen gemaakt door de aanhoudend veranderende dingen buiten ons, en van den toestand, waarin hij, die de indrukken ontvangt, zich op het oogenblik bevindt, waaruit volgt, dat alle meening op het oogenblik waar is, doch alleen voor hem, die dezelve koestert, en dat geene hoedanigheid of eigenschap, die wij aan de zaken toekennen, op zich zelve bestaat, maar alles slechts betrekkelijk is en aanhoudend verandert. Nu zou men kunnen zeggen, dat dan ook de meeningen van gekken, droomenden of zieken waar zijn, en anderen daarmede niets te maken hebben. Men zou kunnen tegenwerpen: 1o. dat alzoo ieder even wijs is, en het dwaasheid zijn zou, anderen te willen leeren, 2o. dat wij dan talen, die wij niet kennen, zoo wij ze hooren spreken of geschreven zien, ook verstaan moeten, welk laatste zoo kan weêrlegd worden, dat wij alleen kennen, wat wij hooren en zien, doch de rest niet in aanmerking komt. 3o. Dat dan iemand, wat hij niet ziet noch hoort, maar zich wel uit vroegere waarneming herinnert, ook niet kent. 4o. Dat men dan iets, dat men slechts met het ééne oog ziet, tegelijk kent en niet kent, en dat al de eigenschappen van de aandoeningen der zinnen dus op de kennis van toepassing zijn.
Hierop zou Protagoras kunnen antwoorden:
1. Het doel van het leeren is niet meer ware, maar meer nuttige meening te doen ontstaan, want alle meening is wel even waar, doch alle meening is niet even nuttig.
2. Op deze tegenwerping is reeds geantwoord.
3. Herinnering is geheel iets anders dan waarneming en kan dus niet evenzeer kennis genoemd worden. Ook is iemand, zoo hij van waarnemend herinnerend geworden is, niet meer dezelfde, maar hij is veranderd.
4. Kennen en niet kennen kan best zamengaan, zooals juist uit het vorige blijkt.
Hierna weet Socrates Theodorus in het gesprek te doen deelen en weêrlegt, met hem sprekende, Protagoras aldus.
1. De ondervinding leert, dat de menschen wel degelijk in vele gevallen meenen, dat anderen de waarheid beter kennen dan zij. Deze meening is waar of niet. Is zij waar, dan wordt daardoor Protagoras weêrlegd; en is zij niet waar, dan wordt hij ook weêrlegd, daar wij dan hier eene valsche meening hebben.
2. Dus hangt de waarheid der meening van Protagoras van het oordeel der anderen af, en zij is niet waar, zoodra niemand ze aanneemt, terwijl hij zelf de meening van hen, die zijne leer verwerpen, als waar moet erkennen.
3. Al stemt men toe, dat de leer van Protagoras waar is, ten opzigte van de enkele aandoeningen der zinnen, en van deugd en regtvaardigheid; ten opzigte van het nuttige wordt zij echter door de ondervinding weêrsproken.
Hier volgt eene episode, waarin, naar eene gezochte aanleiding, de toestand van den wijsgeer, die de eeuwige ideën naspoort, verheven wordt boven het lot van hem, die zich op de zaken van het dagelijksche leven toelegt; hoewel wordt toegestemd, dat de wijsgeer niet minder ongeschikt is voor het dagelijksche leven, dan de anderen voor wijsgeerig onderzoek; daar de wijsgeer hoe langer hoe beter, de andere hoe langer hoe slechter wordt, en de eerste veel meer grond van hoop op eene gelukkige onsterfelijkheid heeft dan de andere. Nu wordt de weêrlegging van Protagoras weêr opgevat.
4. Ten opzigte van het toekomstige is het duidelijk, dat niet alle meening even waar is, dewijl zij, die eene kunst verstaan, al wat daarop betrekking heeft, zelfs de toekomstige meeningen van anderen over de voortbrengselen dier kunst, veel beter dan die anderen kunnen vooruitzien.
Wat nu de leer betreft, waarop de meening van Protagoras steunt, namelijk, dat alles in beweging is: zij veroordeelt zich zelve door den onderlingen strijd harer aanhangers en de onmogelijkheid der kennis, die uit dezelve voortvloeit, daar, zoo alles steeds in beweging is en steeds verandert, het zintuig evenmin als het waargenomene zóó of zóó is, en dus het toekennen van eigenschappen of hoedanigheden ongerijmd moet geacht worden.
Verder heeft iedere zin zijn eigen gebied, en de eene neemt de voorwerpen van de anderen niet waar. Wij hebben echter begrippen, b. v., van zijn, van gelijkheid en ongelijkheid, van éénheid en veelheid, enz., die op de waarnemingen van al de zinnen toepasselijk zijn. Dus moeten wij eene ziel aannemen, die boven de zinnen staat, hun middelpunt uitmaakt, en die begrippen door zich zelve kent. Die begrippen bevatten de waarheid; dus kan alleen de ziel de waarheid bereiken, en de zinnen, welke die begrippen niet kunnen vatten, zijn van de waarheid en dus van de kennis verstoken.
Dus is de kennis geen gevoel. Maar wat dan? Zij moet dus in de verrigtingen der ziel gezocht worden, en kan bepaald worden als meening, en wel, daar zij waar zijn moet, als ware meening. Maar is dan valsche meening bestaanbaar? Men kan er tegen inbrengen, dat, daar men elke zaak kent of niet kent, valsche meening niet bestaan kan, noch over hetgeen men kent, en welks waarheid dus voor onzen geest is, noch over hetgeen men niet kent, en dus in het geheel niet voor den geest heeft. Verder, dat, daar elke zaak is of niet is, hij, die meent wat is, ware meening heeft, en die meent wat niet is, niets meent.
Maar is valsche meening dan ook verwisseling van begrippen? Het is onmogelijk, zoo men beide begrippen voor den geest heeft, ze te verwisselen, en dit kan evenmin geschieden, zoo men er maar één voor den geest heeft.
Valsche meening is echter mogelijk, wanneer de vorige tegenstelling van kennen en niet kennen niet in de uitersten wordt vastgehouden, maar, óf het begrip óf de waarneming onvolkomen zijnde, beide op elkander worden toegepast; en ook wanneer niet volkomen heldere begrippen met elkaar worden in verband gebragt.
Maar hoe is het mogelijk, begrippen te hebben en zich er toch in te vergissen? Zoo men ze wel bezit, maar niet duidelijk voor het bewustzijn heeft. Hierin zijn nog wel zwarigheden, want zoo men een waar begrip voor het bewustzijn haalt, hoe kan dat ons tot valsche meening brengen? Hiertoe moet aangenomen worden, dat wij ook valsche begrippen in onzen geest hebben. Hoe zullen wij die onderscheiden? Natuurlijk door kennis. Dus komen wij weder tot de vraag: wat is kennis? Ware meening is er een bestanddeel van, maar voldoende is zij niet, daar er dikwijls ware meening gevonden wordt, die als bij toeval ontstaat en dus den naam van kennis niet verdient. Daarom willen wij beproeven, de kennis aldus te bepalen: kennis is ware meening met bepaling. Voor wij dit onderzoeken, moet opgemerkt worden, dat men beweert de grondbestanddeelen der begrippen niet te kunnen bepalen, maar wel derzelver verbindingen. Zoo zouden dan die grondbestanddeelen onkenbaar zijn. Dit laatste is echter niet waar, want, zijn de grondbestanddeelen onkenbaar, dan is het ook datgene, wat daaruit is zamengesteld, en het leeren van eenige kunst of wetenschap bestaat juist in het verkrijgen van kennis harer grondbestanddeelen.
Nu kan men het woord bepalen in drieërlei zin opvatten. Of als het uitdrukken zijner meening door woorden; doch dit is geene uitsluitende eigenschap der ware meening; of als het opgeven der grondbestanddeelen; doch dit kan ook bij toeval goed gedaan worden; of als het opgeven van bet kenmerkend onderscheid; doch ook dit is niet voldoende; want het onderscheid er bij te meenen, geeft niets, en het er bij te kennen, veronderstelt reeds kennis, en neemt dus, wat moet bepaald worden, in de bepaling op.
BEOORDEELING DER REDEKAVELING.
Hier kunnen wij ons twee vragen voorstellen, wier beantwoording ons in staat stelt, den Theaetetus te beoordeelen.
1. Wat was het doel van Plato met dit werk?
2. Heeft hij dat doel bereikt?
1. Bij het beantwoorden dezer vraag moeten wij vooral twee bijzonderheden in het oog houden. a. Plato stelt in het begin van deze zamenspraak de vraag: wat is kennis? b. aan het einde wordt deze vraag niet beantwoord, maar het werk eindigt met de bekentenis, dat het eigenlijke antwoord op die vraag niet gevonden is. Zoo nu het uitdrukkelijk beantwoorden der vraag zijn doel geweest ware, dan zouden wij met regt kunnen zeggen, dat zijn werk mislukt was; doch het is niet denkelijk, dat Plato het in dat geval zou in het licht gegeven hebben. Wij weten buitendien, dat Plato de kennis in een hooger gebied stelde, dan waarop hij zich hier beweegt, namelijk in de eeuwige ideën, en dat hij als een kenmerk der kennis de noodzakelijkheid en algemeenheid beschouwde, zoodat hij daarover hetzelfde oordeel velde, als zijn leerling Aristoteles, wiens woorden wij op blz. 211 hebben aangehaald. Dit zijn gevoelen duidt Plato hier en daar aan, onder anderen in de met geweld bijgesleepte episode van den wijsgeer (zie blz. 101 volgg.), in zijne aanmerkingen over de begrippen, waarin de waarheid huisvest (zie blz. 144), in zijne aanmerkingen over de toevalligheid der ware meening (zie blz. 204). Hij had dus deze leer reeds voor zich zelven ontwikkeld, toen hij den Theaetetus schreef, en dat hij ze hier niet heeft uiteengezet, is met voordacht geschied. Daar nu deze aanmerkingen tegen het einde menigvuldiger worden, en daar in dit werk in de gemelde episode de ware wijsgeer geschilderd wordt, meen ik het er voor te mogen houden, dat Plato met den Theaetetus op het oog had, eene inleiding in de wijsbegeerte te geven, en zoowel den weg te wijzen en het pad te banen, waarop de wijsbegeerte zich moest voortbewegen, als den lust tot hare beoefening op te wekken. Hoe hij daarin geslaagd is, willen wij verder zien, en daartoe de tweede vraag beantwoorden.
2. Plato heeft a. zoeken aan te wijzen, dat de wijsgeerige kennis niet van buiten komt, maar uit den geest zelven moet ontwikkeld worden, en noch in zinnelijke waarneming, noch in meening, al is die ook waar en naauwkeurig, maar in de noodzakelijke en algemeene redewaarheden moet gezocht worden. b. Om dit te bereiken, heeft hij het begrip van kennis, van de eerste beginselen tot op het standpunt der redewaarheden, trapsgewijze zoeken te ontwikkelen. c. Hij heeft het verheven standpunt van den waren wijsgeer geschetst, en aangetoond, dat opregte waarheidsliefde en geregeld redeneren voldoende is, om dat standpunt te bereiken.
a. Wij zullen hier de bewijzen niet herhalen, die Plato zoo voor het een als voor het ander gegeven heeft, maar alleen aanmerken, dat zoowel zijne opmerking, dat de theorie, die alle kennis uit de zinnen afleidt, en beweert, dat alle meening subjectief waar is, zich zelve vernietigt, als die, dat de zinnen niet alle begrippen, die wij hebben, opleveren, en dat de eenheid, die hare verscheidenheid beheerscht, het bestaan van den geest waarborgt; benevens zijn oordeel over de ware meening en de ware meening met bepaling, dat zij het kenmerk der noodzakelijkheid missen, van blijvende waarde zijn; en dat hij geen beter bewijs van de mogelijkheid der ontwikkeling van de wijsbegeerte uit den geest kon geven, dan de Socratische vroedkunst, die door geregeld ondervragen de wijsgeerige denkbeelden als van zelve doet opkomen, waaruit de gelijkheid der denkwetten bij alle menschen en de algemeenheid harer toepassing op alle voorwerpen blijkt; terwijl het aanwijzen van begrippen in den geest, die niet uit de zinnen ontleend zijn, den geest zelven als de bron der ware wijsbegeerte doet kennen. Verder heeft hij op de reeds in 1 aangehaalde plaatsen in de eeuwige redewaarheden juist die eigenschappen laten opmerken, wier ontbreken het gebrekkige der zinnelijke waarneming en der ware meening uitmaakt, zoodat de gevolgtrekking, dat daarin de kennis moet gezocht worden, zich als van zelfs voordoet.
b. De ontwikkeling van de redekaveling in den Theaetetus is allezins opmerkelijk. Wij behoeven dit slechts aan te wijzen, daar het uit ons overzigt genoegzaam blijken kan. Dat de kennis gevoel is, ligt het meest voor de hand, en dit antwoord zou waarschijnlijk door velen gegeven worden. Daarom moet het weêrlegd worden, en wordt door Plato alzoo weêrlegd, dat hij het laatst de tegenwerping bezigt, dat de algemeene redewaarheden voor de zinnen onbereikbaar zijn, waaruit van zelfs het volgende standpunt voor den dag komt, op hetwelk de geest als eigenaar der kennis erkend wordt. Nu wordt het gebied, waarop de kennis zich voordoet, naar het op dit standpunt het meest voor de hand liggende oordeel, als meening bepaald, doch, hetgeen ook door ieder zal erkend worden, de waarheid wordt als hare noodzakelijke hoedanigheid aangewezen. Daar nu echter in het vorige reeds veel over ware en valsche meening gesproken is, neemt Plato hieruit aanleiding, om de valsche meening te beschouwen, en de gevolgtrekking uit die beschouwing, namelijk, dat het gebrekkig denken of waarnemen de oorzaak der valsche meening is, baant den weg om de bepaling als vereischte der kennis te erkennen, terwijl de drie verklaringen dier bepaling: als uitdrukking der gedachten door woorden, hetgeen een blijk van helder bewustzijn van het gedachte is; als opgave der grondbestanddeelen, dat ons van zelfs op de eeuwige redewaarheden heenwijst; en als de opgave van het kenmerkend onderscheid, hetgeen in een geregeld stelsel van wijsbegeerte zulk een voornaam vereischte is; benevens de herhaalde aanmerking, dat hier nog de noodzakelijkheid, die bij de kennis gevorderd wordt, ontbreekt, ons duidelijk heenwijst op het eigenlijke gebied der kennis, waar de algemeene noodzakelijke redebegrippen den scepter voeren.
c. Om dit doel te zekerder te bereiken, en tevens den lust tot de beoefening der wijsbegeerte op te wekken, heeft hij in de episode blz. 101 volgg. den waren wijsgeer geschetst, als bezitter van zuivere kennis, als verheven boven aardsche rampen, als toenemend in gelijkvormigheid aan God, als bezitter van gegronde verwachting der ware gelukzaligheid na den dood; en opdat niemand zou wanhopen, dit verheven standpunt te bereiken, heeft hij aan Socrates tot medespreker eenen knaap gegeven, die, hoewel niets bezittende dan een helder verstand en zuivere waarheidsliefde, door Socrates trapsgewijze, langs eenen weg, dien ieder volgen kan, tot aan de poort van den tempel der waarheid wordt voortgeleid.
Na deze opmerkingen twijfel ik niet, of ieder zal met Brandis (Handbuch der Geschichte der Griechisch-Römischen Philosophie, II. 1. blz. 192) erkennen, dat de Theaetetus als een van de meest volkomene Platonische gesprekken verdient beschouwd te worden.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis.
[2] Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag van Corinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en de Lacedaemoniers en hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadat Agesilaus reeds uit Azie was wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van te Amphipolis ontving.
[3] Theaetetus was, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon.
[4] δῆτα behoort bij ἀνεμνήσθην en ἐθαύμασα.
[5] φύσις beteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder.