Theaetetus

Part 7

Chapter 74,152 wordsPublic domain

Theaet. Nu geloof ik, dat gij het opperbest gezegd hebt. Want zoo iemand iets dat schoon is voor leelijk, of iets dat leelijk is voor schoon houdt [383], dan koestert hij in waarheid valsche meening.

So. Ik merk, Theaetetus! dat gij niet schroomt mij voor den gek te houden.

Theaet. Hoe dat?

So. Gij denkt, geloof ik, dat ik niet vallen zal over die in waarheid valsche meening, u vragende, of het mogelijk is, dat het snelle traag, of het ligte zwaar, of eenig ander lid eener tegenstelling niet naar zijnen aard, maar naar dien van het andere, het tegenovergestelde van zich zelf wordt [384]. Doch hier wil ik over heen stappen om u niet te ontmoedigen. Het is dus, zoo als gij zegt, uwe meening, dat het koesteren van valsche meening verwisselen van meening is?

Theaet. Ja.

So. Dus is het naar uw gevoelen mogelijk [385], iets als [386] iets anders en niet als dat [wat het is] in de gedachte te stellen.

Theaet. Dat is zoo.

So. Wanneer dus iemand dit in de gedachte doet, is het dan niet noodig, dat hij beide of althans het ééne denkt?

Theaet. Wel zeker.

So. En wel tegelijk of beurtelings [387]?

Theaet. Opperbest.

So. Maar vat gij nu het denken even zoo op als ik [388]?

Theaet. Hoe vat gij het op?

So. Als een gesprek, dat de ziel met zich zelve houdt over hetgeen zij onderzoekt. Ik geef u echter deze verklaring voor hetgeen zij is [389]. Want ik geloof, dat de ziel, wanneer zij denkt, niets anders doet dan een gesprek voeren, zich zelve vragende en antwoordende, en toestemmende en ontkennende [390]. Wanneer zij nu, hetzij met veel, hetzij met weinig moeite, eene bepaling gegeven hebbende, zich bij hetzelfde houdt en niet twijfelt, dan noemen wij dat hare meening. Zoo noem ik dan het meenen spreken, en meening [de slotsom van] [391] een gesprek, dat niet met een ander en door middel der stem, maar in stilte door de ziel met zich zelve gehouden wordt. En hoe doet gij?

Theaet. Even zóó.

So. Wanneer dan nu iemand het ééne voor iets anders houdt, dan zegt hij ook, naar het schijnt, tot zich zelven, dat het ééne het andere is.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Herinner u dan nu eens, of gij ooit tot u zelven gezegd hebt, dat stellig het schoone leelijk is, of het onregtvaardige regtvaardig, of, om het in eens [392] te zeggen, onderzoek eens, of gij ooit u zelven hebt zoeken te overreden, dat stellig het ééne het andere is; en of gij niet integendeel zelfs in den slaap nooit tot u zelven hebt durven zeggen, dat het onevene stellig even is, of iets anders dergelijks.

Theaet. Gij zegt de waarheid.

So. Of gelooft gij, dat iemand anders, hetzij hij bij zijne zinnen is of niet, in ernst tot zich zelven zou durven [393] zeggen, en zich wijsmaken, dat noodzakelijk een os een paard is, of twee één.

Theaet. Wel neen ik.

So. Wanneer dus het spreken tot zich zelf meenen [394] is, dan zou niemand, beiden zeggende en meenende en met de ziel aanrakende, zeggen en meenen, dat het ééne het andere is. Dus moet gij van het ééne die uitdrukking niet meer bezigen [395]. Want ik beweer, dat niemand meent, dat het leelijke schoon is, of iets anders dergelijks [396].

Theaet. Dat zal ik dan maar niet meer doen, Socrates! want ik ben het met u eens.

So. Dus is het onmogelijk, wanneer men beiden voor den geest heeft, te meenen, dat het ééne het andere is.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar iemand, die alleen het ééne voor den geest heeft en het andere volstrekt niet, zal nooit meenen, dat het ééne het andere is.

Theaet. Gij zegt de waarheid; want hij zou gedwongen worden, datgene voor den geest te hebben, wat hij niet voor den geest heeft.

So. Dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk, wanneer men beiden; en ook niet, wanneer men één van beiden voor den geest heeft; weshalve iemand, die de valsche meening als het verwisselen van begrippen bepaalde, niets zou zeggen. Want noch aldus, noch volgens het vorige, schijnt er valsche meening in ons te bestaan.

Theaet. Het schijnt van neen.

XXXIII. So. Maar waarlijk, Theaetetus! zoo dat [397] niet schijnt te bestaan, dan zullen wij in de noodzakelijkheid zijn, vele dwaze dingen toe te stemmen.

Theaet. Welke dan?

So. Ik zal het u niet zeggen, voordat ik het van alle kanten beschouwd en onderzocht heb. Want ik zou mij over ons schamen, zoo wij ten opzigte van het voor ons duistere punt gedwongen werden, wat ik bedoel, toe te stemmen [398]. Maar zoo wij het vinden en vrij worden, dan zullen wij, zelve voor bespotting veilig, over de anderen spreken, die in dien toestand zijn [399]; en zoo wij er volstrekt geen raad op weten, dan zullen wij, denk ik, vernederd zijnde, ons door de redekaveling, als zeereizigers [in eenen storm, door de matrozen] laten met voeten treden en naar willekeur behandelen [400]. Hoor dan nu eens, hoe ik nog eenigen raad voor ons onderzoek meen te vinden.

Theaet. Zeg maar op.

So. Ik zal ontkennen, dat wij teregt hebben toegestemd, toen wij toestemden, dat het onmogelijk is, dat iemand hetgeen hij kent houdt voor hetgeen hij niet kent, en zich daarin vergist; maar [zal beweren], dat zulks in sommige opzigten mogelijk is.

Theaet. Meent ge welligt, dat het zoo is, als ik, toen wij dat zeiden, reeds vermoedde, [namelijk] dat ik somtijds, [hoewel] Socrates kennende, wanneer ik van verre iemand anders zie, dien ik niet ken, dien voor Socrates aanzie, dien ik wel ken. Want in zulk een geval gebeurt hetgeen gij zegt.

So. Hebben wij dat niet laten varen, omdat het, wat wij kennen, hoewel wij het kennen, niet [401] deed kennen?

Theaet. Juist.

So. Laat ons het dan niet zóó stellen, maar op deze wijs; en misschien zal het ons gunstig, misschien ongunstig zijn. Maar wij zijn in zulk eenen toestand, waarin het noodig is alle redekaveling van alle kanten [402] te onderzoeken. Zie dan [eens], of ik iets zeg. Is het mogelijk iets, dat men niet weet, later te leeren?

Theaet. Wel zeker

So. Dus ook even zoo wat anders en weer wat anders?

Theaet. Waarom niet?

So. Stel dan nu eens om der wille van de redekaveling, dat in onze ziel een stuk was [403] is, bij den eenen grooter, bij den anderen kleiner; en bij den eenen van zuiverder was, bij den anderen van onzuiverder en harder, en bij sommigen vochtiger [dan bij anderen], bij eenigen [404] van de behoorlijke maat.

Theaet. Ik stel het.

So. Laat ons dan zeggen, dat dit een geschenk is van Mnemosyne, de moeder der Muzen, en dat wij, hetgeen wij gehoord of zelve bedacht hebben en willen onthouden, in hetzelve afbeelden, door het onder de zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen, als of wij er zegels in afdrukten. En dat wij wat er in afgedrukt is, onthouden en weten, zoo lang als zijn beeld er in is, maar, wanneer het is uitgewischt of er niet in kon afgedrukt worden, vergeten zijn en niet weten.

Theaet. Het zij zoo.

So. Zie dan nu eens, of iemand, wanneer hij iets, dat hij kent, uit de dingen, die hij ziet of hoort, beschouwt, ook op deze wijs valsche meening zou kunnen koesteren [405].

Theaet. Op welke wijs?

So. Wanneer hij, hetgeen hij kent, dan eens houdt voor hetgeen hij kent, dan eens voor hetgeen hij niet kent. Dit toch hebben wij in het vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard.

Theaet. Maar hoe zegt gij dan nu?

So. Wij moeten het van voren af aan alzoo uiteenzetten, dat het niet mogelijk is, wat men kent, en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt, te houden voor iets anders van hetgeen men insgelijks kent en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt. Noch ook wat men kent te houden voor hetgeen men niet kent en niet heeft afgedrukt; noch wat men niet kent voor hetgeen men niet kent; noch wat men niet kent voor hetgeen men kent; noch wat men waarneemt voor iets anders van hetgeen men waarneemt; noch wat men waarneemt voor iets anders, dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets, dat men waarneemt. En schier [406] nog onmogelijker is het, datgene wat men kent en waarneemt en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, te houden voor iets anders, dat men kent en waarneemt, en insgelijks overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt. En het is ook onmogelijk, wat men kent en waarneemt en goed [407] heeft afgedrukt, te houden voor hetgeen men kent; en wat men kent en waarneemt, en evenzoo [408] heeft voor hetgeen men waarneemt: en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent noch waarneemt; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet waarneemt. Dit alles onderscheidt zich door de onmogelijkheid om daarin valsche meening te koesteren. Na blijft echter nog over, dat het, zoo ergens, dan hierin plaats heeft.

Theaet. Waarin dan? [misschien zal ik er vrede meê hebben] zoo ik er wat meer van geleerd heb; want nu kan ik het niet volgen.

So. In hetgeen men kent, maar voor iets anders houdt van hetgeen men kent en waarneemt, of van hetgeen men niet kent, maar waarneemt; of in hetgeen men kent en waarneemt, maar voor iets anders houdt, dat men ook kent en waarneemt [409].

XXXIV. Theaet. Nu kan ik u nog veel minder volgen dan vroeger.

So. Hoor het dan nu nog eens op deze wijs. Wanneer ik Theodorus ken en mij herinner, hoe hij is, en Theaetetus even zoo, dan zie ik ze immers somtijds en somtijds niet, en betast ze somtijds en somtijds niet, en neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar, terwijl ik somtijds van u volstrekt geene waarneming heb, en mij u niettemin herinner en u bij mij zelven ken?

Theaet. Dat is waar.

So. Begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken, vooreerst dit, dat het mogelijk is, wat men kent, niet waar te nemen, en ook het wel waar te nemen.

Theaet. Dat is zoo.

So. En het gebeurt immers ook dikwijls, dat, wat men niet kent, tevens niet wordt waargenomen, en ook dikwijls, dat het alleen wordt waargenomen.

Theaet. Ja.

So. Zie dan eens, of gij het nu meer volgen kunt. Socrates kent Theodorus en Theaetetus, maar ziet ze geen van beiden, en heeft van hen ook geene andere waarneming. [In dat geval] zou hij nooit bij zich zelven meenen, dat Theaetetus Theodorus is. Zeg ik iets of niets?

Theaet. Gij zegt de waarheid.

So. Dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide.

Theaet. Dat was het.

So. En het tweede, dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet, en geen van beiden waarnemende, nooit zou meenen, dat hij, dien ik ken, degeen is, dien ik niet ken.

Theaet. Juist.

So. En het derde, dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende, niet meenen zou, dat hij, dien ik ken, een ander is, dien ik niet ken. En houd nu al die vorige [gevallen] maar voor gehoord, waarin ik nooit over u en Theodorus valsche meening zal koesteren, hetzij ik beiden ken, of niet ken, of den eenen wel, den anderen niet. En evenzoo over de zinnelijke waarnemingen, zoo gij het volgen kunt.

Theaet. Ik kan het volgen.

So. Dus blijft dan het koesteren van valsche meening nog hierin, wanneer ik u en Theodorus kennende, en in dat stuk was, van u beiden als van zegels de afdrukken hebbende, u beiden op eenen afstand en niet behoorlijk ziende, ieders eigen beeld met zijne gedaante [410] begeerde [411] zamen te brengen, door haar als in hare [vroeger achtergelatene] sporen te doen gaan, opdat er herkenning plaats hebbe; en nu daarin mistast, en als zij, die de schoenen om en om dragen, de gedaante van den eenen met die van den anderen verwissel en bij het beeld van die andere breng, of ook in hetzelfde geval verkeerende als het gezigt bij de spiegels, dat van regts en links wordt [412], [daardoor] tot dwaling kom: in dat geval is het verwisselen der meeningen en het koesteren van valsche meening mogelijk.

Theaet. Hetgeen met de meening gebeurt, Socrates! gelijkt bijzonder veel op hetgeen gij zegt.

So. En ook, wanneer ik beiden kennende, den eenen nog daarenboven waarneem, en den anderen niet, maar de kennis van den eenen niet overeenkomstig met de waarneming heb, zooals ik in het vorige zeide, toen gij mij niet hebt begrepen.

Theaet. Ja, dat begreep ik niet.

So. Dit nu zeide ik, dat hij, die iemand kent en waarneemt, en de kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft, nooit meenen zal, dat hij een ander is dan degeen, dien hij kent en waarneemt en wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft. Dit was het immers?

Theaet. Ja.

So. Er toen bleef nog over wat wij nu zeggen, namelijk, dat de valsche meening ontstaat, wanneer men beiden kent en beiden ziet, of er eenige andere waarneming van heeft, doch beider beelden niet ieder overeenkomstig met zijne waarneming heeft, maar als een slechte boogschutter in het schieten voorbij het doel treft en mist, hetgeen toch den naam draagt van valschheid [413].

Theaet. Het schijnt althans zoo.

So. En wanneer nu bij het een der beelden de waarneming aanwezig is, bij het andere niet, en de ziel het beeld der afwezige waarneming bij de aanwezige brengt, in al die opzigten bedriegt zij zich. En met één woord, hetgeen iemand niet kent, noch ooit heeft waargenomen, daaromtrent kan, naar het schijnt, geene valschheid of valsche meening bestaan, zoo wij [ten minste] nu iets goeds [414] zeggen; maar wat betreft hetgeen wij kennen en waarnemen, daarin wendt en keert zich de meening en wordt valsch en waar; waar, zoo zij de afbeeldsels en het afgebeelde regelregt en in hun behoorlijk verband te zamen brengt; valsch, zoo zij dit schuins en scheef doet [415].

Theaet. Zegt men dat dan niet met regt, Socrates?

So. Gij zult nog meer in dier voege spreken, wanneer gij het volgende gehoord hebt. Ware meening te koesteren is immers schoon, en valsche leelijk?

Theaet. Natuurlijk.

So. Dit nu zegt men, dat daardoor geschiedt. Wanneer het was in iemands ziel diep, en overvloedig, en glad, en behoorlijk gekneed is [416], [dan wordt] hetgeen door de zinnen gaande wordt afgebeeld in dat was in de ziel, hetwelk reeds in duistere bewoordingen door Homerus is aangeduid [417], dan worden ook bij hen de afdrukken, die zuiver en van behoorlijke diepte gemaakt worden, voor langen duur geschikt, en zulke personen zijn vooreerst vlug van bevatting, ten andere vast van geheugen, ten derde verwisselen zij de afdrukken der waarnemingen niet, maar hebben ware meening. Want daar die afdrukken duidelijk en in genoegzame ruimte zijn, rigten zij ze spoedig ieder op zijn origineel, dat het zijnde genoemd wordt; en [om die bekwaamheid] worden zij wijzen genoemd. Of dunkt u dit niet?

Theaet. Wel zeker.

So. Wanneer nu het was bij iemand ruig is, hetgeen de in alles bedrevene dichter geprezen heeft [418], of wanneer het vuil en van niet gezuiverde stof is, of zeer vochtig of hard [419], [dan zijn zij], wier [was] vochtig is, wel bevattelijk maar vergeetachtig, en zij, wier was hard is, het tegendeel. En zij, die het ruig en ruw en steenachtig hebben, doordien er aarde of vuiligheid onder vermengd is, hebben onduidelijke afdruksels. Dit is ook het geval met hen, die harde was hebben [420], daar er geene diepte in de afdruksels is, en met hem, die vochtige was hebben, daar de afdruksels spoedig zamenvloeijen en onduidelijk worden. Maar zoo nu [die afdruksels] bovendien in een klein zieltje door gebrek aan plaats op elkander vallen, dan wordt hunne onduidelijkheid nog erger. Deze allen nu zijn vatbaar voor valsche meening; want wanneer zij iets zien, of hooren, of bedenken, kunnen zij niet aanstonds iederen [afdruk] op zijn (origineel) te huis brengen, maar uit domheid daarin mistastende, zien, hooren en denken zij meestal verkeerd, en worden bij gevolg dwalend en onwetend genoemd.

Theaet. Gij zegt opperbest, Socrates!

So. Moeten wij dus zeggen, dat in ons valsche meening bestaat?

Theaet. Ongetwijfeld,

So. En ware toch ook?

Theaet. Ook ware.

So. Hebben wij dan nu niet met regt toegestemd, dat beide soorten van meening zekerlijk bestaan?

Theaet. Met volkomen regt.

XXXV. So. Een praatziek mensch, Theaetetus! is toch waarlijk iets ergs en onaangenaams.

Theaet. Hoe zoo? Waarop doelt gij hiermede?

So. Ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht. Welken anderen naam toch kan men er aan geven, wanneer iemand door onbevattelijkheid zich niet laat overtuigen, maar iedere redekaveling heen en weêr trekt en er maar niet van scheiden kan?

Theaet. Waarom zijt gij dan boos?

So. Ik ben niet alleen boos, maar ook bevreesd, [dat ik niet zal weten], wat ik zeggen moet, wanneer iemand mij vraagt: Socrates! gij hebt immers gevonden, dat valsche meening noch in de onderlinge betrekking van de waarnemingen der zinnen, noch in de gedachte aanwezig is, maar wel in de verbinding van zinnelijke waarneming en gedachte? Ik zal dan, meen ik, ja zeggen, en mij er nog op verheffen [421], dat wij zulk eene schoone ontdekking gedaan hebben.

Theaet. Maar, Socrates! ik vind het nu bewezene dan toch ook niet leelijk.

So. Dus beweert gij dan, zal hij zeggen, dat wij eenen mensch, dien wij ons alleen voorstellen, maar niet zien, nooit voor een paard kunnen houden, dat wij ook niet zien, noch betasten, maar ons alleen voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen?

Theaet. En te regt.

So. Maar, zal hij zeggen, zou dan iemand volgens die redenering nooit een getal, b. v. elf, wanneer hij het zich alleen voorstelt, voor een ander getal, dat hij zich ook alleen voorstelt, b. v. twaalf houden? Komaan! antwoord gij eens.

Theaet. Dan zal ik antwoorden, dat iemand, elf ziende of betastende, ze voor twaalf zou kunnen houden, maar dat, voor zoo ver hij ze zich alleen voorstelt, hij er nooit zoo iets van zal meenen.

So. Wat nu? gelooft gij, dat, wanneer iemand zich heeft voorgenomen vijf en zeven te beschouwen (ik spreek nu niet van vijf en zeven menschen of iets anders dergelijks, maar van de getallen vijf en zeven zelve, die wij daareven voor afdruksels in het was verklaarden, waarbij het niet mogelijk was valsche meening te hebben), zoo nu eenig mensch deze beschouwt en tot zich zelven de vraag rigt, hoeveel zij te zamen zijn, en de een elf zegt en de ander twaalf, of zeggen en meenen allen, dat zij te zamen twaalf zijn [422]?

Theaet. Wel neen zij: maar velen elf. En zoo iemand dit onderzoek bij een grooter getal tot stand brengt, maakt hij nog meer fouten. Want ik geloof, dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt.

So. Daar hebt gij gelijk in. En bedenk dan nu eens, of er wel iets anders gebeurt, dan dat de twaalf zelf, die in het was zijn afgedrukt, voor elf gehouden worden?

Theaet. Dat schijnt zoo.

So. Dus zijn wij weder tot het daareven gezegde gekomen [423]. Hij toch, met wien dat gebeurd is, houdt hetgeen hij weet, voor iets anders van hetgeen hij weet, hetgeen wij voor onmogelijk hielden en waaruit wij zelfs hebben willen bewijzen, dat er geene valsche meening bestaat, om de noodzakelijkheid te vermijden, dat dezelfde hetzelfde tegelijk niet en wel zou kennen.

Theaet. Dat is zeer waar.

So. Dus moeten wij eene andere bepaling van de valsche meening geven, dan dat zij bestaat in het verkeerd te huis brengen van gedachten op zinnelijke waarnemingen [424]. Want zoo het dit was, dan zouden wij nooit dwalen in de bloote gedachten [425]; maar nu is er óf geen valsche meening, óf het is mogelijk, datgene niet te kennen wat men wel kent; welke van die twee verkiest gij?

Theaet. Gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor, Socrates!

So. Maar het schijnt toch, dat de redekaveling niet beiden zal toelaten. Doch, want wij moeten alles beproeven, wat zoudt gij er van zeggen, zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen?

Theaet. Hoe meent gij [426]?

So. Zoo wij ons verstoutten te zeggen, wat kennen is?

Theaet. En wat is daarin voor onbeschaamdheid?

So. Gij schijnt u niet te herinneren, dat onze geheele redekaveling van den beginne af een onderzoek naar de kennis is, daar wij niet wisten, waarin zij eigenlijk bestaat.

Theaet. Ja, dat herinner ik mij wel.

So. Maar vindt gij het dan [427] niet onbeschaamd, dat wij, niet wetende, waarin de kennis eigenlijk bestaat, [zoeken] aan te toonen, wat kennis is? Maar, Theaetetus! wij hebben reeds veelmalen verkeerd gesproken. Want wij hebben duizend maal gesproken van kennen en niet kennen, en weten en niet weten, even als of wij elkander konden verstaan, zonder te weten wat kennis is. Ja, zoo gij wilt, hebben wij op het oogenblik nog gesproken van niet weten en verstaan, even als of wij, zonder kennis te hebben, die woorden mogten gebruiken [428].

Theaet. Maar hoe zult gij dan spreken, Socrates! zoo gij u daarvan onthoudt?

So. Ik voor mij zie er geen middel op. Maar zoo ik een twistredenaar was [429], [zou het wel gaan], en zoo zulk een man hier was, zou hij beweren, zich daarvan te onthouden, en ons hevige verwijten doen over hetgeen ik zeg. Doch daar wij slechts gewone menschen zijn, wil ik mij nu maar verstouten te zeggen, wat kennen is; want ik geloof, dat wij er eenigen baat bij zullen hebben.

Theaet. Verstout er u dan maar toe, bij Zeus! En zoo gij u van die woorden niet onthoudt, zal het u niet kwalijk genomen worden.

XXXVI. So. Hebt gij dan ook gehoord, wat men tegenwoordig zegt, dat het kennen is? [430]

Theaet. Misschien wel, maar op het oogenblik herinner ik het mij niet.

So. Men zegt, dat het is: het hebben [431] van kennis.

Theaet. Dat is waar.

So. Laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen: het bezitten van kennis.

Theaet. Maar welk onderscheid zegt gij dan, dat tusschen die twee bestaat?

So. Misschien geen; maar onderzoek eens met mij het onderscheid, dat ik er in meen te vinden.

Theaet. Zoo ik daartoe ten minste in staat ben.

So. Ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde. Bij voorbeeld, wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had, maar het niet droeg, dan zouden wij zeggen, dat hij het wel bezat, maar het niet had.

Theaet. En te regt.

So. Zie dan nu eens, of het mogelijk is, aldus kennis te bezitten, maar niet te hebben [432]; gelijk wanneer iemand, wilde vogels, duiven bij voorbeeld, gevangen hebbende, dezelve voedde in eene kooi, die hij in zijn huis had laten maken. In zekeren zin toch zouden wij zeggen, dat hij ze altijd had, omdat hij ze bezat, niet waar?

Theaet. Ja.

So. In een anderen zin echter [zouden wij zeggen], dat hij er geen een’ had, maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was, daar hij ze in zijn huis had opgesloten, om ze te vatten en te hebben wanneer hij wilde, daar hij naar willekeur ieder derzelve, zoo vaak hem goeddacht, kon vangen en weder loslaten.

Theaet. Dat is zoo.

So. Laat ons dan, zooals wij in het vorige eene figuur van was in de zielen gemaakt hebben, nu integendeel [433] in iedere ziel eene kooi maken met allerlei vogels, die deels bij afgezonderde troepen, deels met weinigen te zamen zijn, deels ieder voor zich door al de anderen, naar het uitkomt, heenvliegen.

Theaet. Zij is gemaakt. Maar wat nu?

So. Nu moet men zeggen, dat in onze jeugd die kooi nog ledig is, namelijk van kundigheden, die men hier in plaats van vogels moet denken; en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi opgesloten, dan zegge men, dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd of uitgevonden heeft, en dat dit kennen is.

Theaet. Het zij zoo.

So. Zie dan nu eens, welke namen voor het naar verkiezing weder vangen, en vatten, en hebben, en weêr loslaten van die kundigheden noodig zijn, hetzij dezelfde als vroeger, toen men ze verwierf, of andere. Maar gij zult hieruit duidelijker inzien, wat ik zeg. Gij erkent immers de rekenkunst voor eene kundigheid [434]?

Theaet. Ja.

So. Beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het evene en onevene.

Theaet. Ik beschouw haar aldus.

So. Door die kundigheid nu heeft, geloof ik, [hij die haar bezit] [435] de kundigheden der getallen in zijne magt, en deelt ze aan anderen mede.

Theaet. Juist.

So. En wij noemen [436] het mededeelen onderwijzen, het aannemen leeren, het bezitten, doordien men ze in die kooi heeft opgesloten, kennen.

Theaet. Ongetwijfeld.