Part 4
Theaet. Dat mag niet, Socrates! zouden gij en wij zeggen.
So. Dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken, zoo als gij en Theodorus zegt.
Theaet. Ja zeker: op eene andere wijs.
So. Laten wij dan aldus [185] onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde of iets anders zijn. Want onze geheele redekaveling liep toch daarop uit [186], en daarom hebben wij vele dwaze dingen geopperd. Niet waar?
Theaet. Wel zeker.
So. Zullen wij dan nu toestemmen, dat wij al, wat wij door het gezigt of het gehoor waarnemen, tevens kennen? b. v., zullen wij zeggen, dat wij de taal der Barbaren, voordat wij die geleerd hebben, wanneer zij spreken, niet hooren, of [187] dat wij die hooren en hunne meening kennen? en zullen wij beweren, dat wij letters, die wij niet kennen, wanneer wij er de oogen op vestigen, niet zien, of dat wij ze verstaan, wanneer wij ze zien?
Theaet. Wij zullen zeggen, Socrates! dat wij juist dat, wat wij er van zien en hooren, kennen; want dat wij van de laatsten de gedaante en de kleur zien en kennen, en van de eersten [188] den hoogen en lagen klank hooren en tevens kennen; maar wat de schoolmeesters en de tolken daarvan leeren, dat wij dit door het gehoor en het gezigt niet waarnemen, noch kennen.
So. Mooi! Theaetetus, en het is niet goed, u dit te betwisten, opdat gij moed moogt scheppen. XVIII. Maar zie nu ook eens wat er verder bijkomt, en bezie eens, hoe wij dat zullen redden.
Theaet. Wat toch?
So. Dit: zoo iemand vroeg, of het mogelijk is, hetgeen men eens geweten heeft, terwijl men de herinnering daarvan nog heeft en voor zich bewaart [189], dan, wanneer men het zich herinnert, niettegenstaande dat herinneren [190], toch niet te kennen. Maar ik schijn meer woorden dan noodig is te bezigen, daar ik vragen wil, of iemand, wat hij geleerd heeft en zich herinnert, niet weet [191].
Theaet. Hoe dat, Socrates? Hetgeen gij zegt, zou een wonder zijn.
So. Raaskal ik dan misschien? bezie het eens. Noemt gij het zien niet eene soort van voelen, en het gezigt eene soort van gevoel?
Theaet. Ja zeker.
So. Heeft niet hij, die iets gezien heeft, volgens het daareven gezegde, kennis bekomen van hetgeen, dat hij gezien heeft?
Theaet. Ja.
So. Hoe dan nu? Er is toch iets, dat geheugen genoemd wordt.
Theaet. Ja.
So. Is dat een geheugen van niets of van iets?
Theaet. Zekerlijk van iets.
So. Immers van zoodanige dingen, die men geleerd en gevoeld heeft?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Wat nu iemand gezien heeft, herinnert hij zich somwijlen?
Theaet. Wel zeker.
So. Ook wanneer hij de oogen gesloten heeft? of is hij het dan vergeten?
Theaet. Het zou ongerijmd [192] wezen, Socrates! dit te beweren.
So. En toch kan het niet anders [193], zoo wij het vroeger beweerde willen redden; maar zoo [wij deze bewering] niet [willen vasthouden], gaat [dat vroeger beweerde] verloren.
Theaet. Waarlijk! ik vermoed [194] het ook al, doch ik zie het echter niet behoorlijk in; maar zeg waarom?
So. Daarom. Die ziet, kent, zeggen wij, datgene wat [195] hij ziet; want wij zijn overeengekomen, dat gezigt en gevoel en kennis hetzelfde is.
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Maar zoo hij, die zag en hetgeen hij zag kende, de oogen sluit, dan herinnert hij het zich wel, maar ziet het niet. Niet waar?
Theaet. Ja.
So. Maar zoo zien kennen is, dan is niet zien niet kennen.
Theaet. Dat is waar.
So. Dus volgt, dat iemand, wat hij heeft leeren kennen, terwijl hij het zich nog herinnert, niet kent, daar hij het niet ziet; hetgeen wij zeiden, dat een wonder zijn zou.
Theaet. Dat zegt gij zeer naar waarheid.
So. Dus schijnt het, dat er iets onmogelijks volgt, wanneer iemand zegt, dat kennis en gevoel hetzelfde is.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Dus moeten wij die twee voor onderscheiden verklaren [196].
Theaet. Ik geloof van ja.
So. Wat zou dan nu de kennis wezen? Het schijnt, dat wij dit weder van voren af aan moeten zeggen. Maar, Theaetetus! wat gaan wij doen?
Theaet. Hoe zoo?
So. Wij schijnen, als een haan van onedel ras, voordat wij overwonnen hebben, van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen.
Theaet. Hoe dat?
So. Wij schijnen als liefhebbers van disputeren, volgens de door ons bepaalde overeenkomst van woorden, ons oordeel te hebben ingerigt, en ons te verheugen, dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven gekomen, en terwijl wij beweren, geen redetwisters, maar wijsgeeren te zijn, merken wij zelve niet, dat wij volkomen hetzelfde als die knappe menschen verrigten.
Theaet. Ik begrijp nog niet, hoe gij dat bedoelt.
So. Maar ik zal trachten duidelijk te maken, wat ik hieromtrent in den zin heb [197]. Want wij vroegen, of iemand iets, wanneer hij het geleerd heeft, en zich herinnert, niet kent, en toen wij hadden aangetoond, dat hij, die gezien en de oogen gesloten heeft, zich wel herinnert, maar niet ziet, toonden wij aan, dat hij het te gelijk niet kende en zich herinnerde, en zeiden, dat dit onmogelijk is [198]. En alzoo werd de leer van Protagoras doodgepraat en tevens de uwe, dat kennis en gevoel hetzelfde is.
Theaet. Dat schijnt zoo.
So. Nog zoo gaauw niet, geloof ik, mijn beste! zoo de vader van de eerste leer nog leefde, maar hij zou veel tot verdediging bijbrengen; nu echter verstooten wij ze smadelijk, als eene wees. Want ook de voogden, die Protagoras achterliet, waaronder deze Theodorus, willen niet helpen. Doch dan zullen wij zelf om der billijkheid wille het wagen [199] haar bij te staan.
Theod. [Dat moet mij niet verweten worden], want Socrates! niet ik, maar veel meer Callias, de zoon van Hipponicus [200] is de voogd van hetgeen Protagoras achterliet. Wij echter zijn te spoedig [201] uit die haarkloverijen naar de meetkunst geweken. Wij zullen u echter dankbaar zijn, wanneer gij hem bijstaat.
So. Gij zegt goed, Theodorus! let dan nu eens naauwkeurig op mijne hulp. Want erger dingen, dan het daareven gezegde, zou iemand toestemmen, die niet lette op de woorden, waarmede [202] wij gewoonlijk bevestigen of ontkennen. Wil ik aan Theaetetus of aan u zeggen, hoe dat is?
Theod. Zeg het aan ons beiden, maar laat den jongste antwoorden. Want zoo hij verkeerd zegt, zal het hem minder schande wezen.
XIX. So. Ik spreek nu van de allerlastigste vraag. Zij is, meen ik, ongeveer van dezen inhoud. Is het mogelijk, dat één en dezelfde, iets kennende, dat, wat hij kent, niet kent?
Theod. Wat zullen wij antwoorden, Theaetetus?
Theaet. Het is volstrekt onmogelijk, geloof ik.
So. [Dat is het] niet, zoo gij het zien als kennen beschouwt [203]. Want hoe zult gij het maken met die onvermijdelijke vraag, wanneer gij, om zoo te spreken, in den put zit [204], doordien een man, die zich niet ligt laat overbluffen, met zijne hand uw ééne oog bedekt, er u vraagt, of gij met het andere zijn kleed ziet?
Theaet. Ik zal, meen ik, zeggen: met het ééne niet, maar wel met het andere.
So. Dus ziet gij hetzelfde, wel en niet te gelijk.
Theaet. In zooverre, ja.
So. Dat: in hoe verre, zal hij zeggen, neem ik niet in aanmerking, want ik vroeg er niet naar, maar [eenvoudig], of gij hetgeen gij kent, te gelijk niet kent. Nu blijkt [205] het echter, dat gij, wat gij niet ziet, wel ziet. Edoch, gij hebt toegestemd, dat het zien, kennen, en het niet zien, niet kennen is. Beredeneer nu eens, wat daaruit voor u volgt.
Theaet. Het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had.
So. Misschien, mijn waarde! zou u datzelfde nog meer zijn overgekomen, zoo iemand u daarbij vroeg, of het mogelijk is, scherp of dof te kennen, en van nabij wel, maar niet van verre, en hetzelfde veel en weinig te gelijk, en duizend andere dingen, die een ligtgewapend huurkrijgsknecht [206] in het redeneren en u lagen leggende, zou kunnen vragen, wanneer gij kennis en gevoel als hetzelfde gesteld hadt; daar hij, eenen aanval op het hooren en rieken en andere dergelijke zinnelijke waarnemingen gedaan hebbende, u zou weêrleggen en vasthouden en niet loslaten, voordat gij, zijne begeerlijke wijsheid bewonderend, door hem waart vastgezet, waarop hij u zou grijpen en vastbinden en vervolgens zou loslaten voor zoo veel geld als gij onder elkander kondt overeenkomen. Wat zou dan nu Protagoras, zoudt gij welligt zeggen, kunnen bijbrengen, om zijne stellingen te verdedigen? Willen wij het pogen te zeggen?
Theaet. Zeer gaarne.
XX. Dit alles [207] [zal hij bijbrengen], wat wij nu tot zijne verdediging gaan zeggen, en hij zal, geloof ik, op ons aandringen, ons verachtende en zeggende: die beste Socrates heeft daar, toen een kind, op zijne [208] vraag, of dezelfde hetzelfde te gelijk in het geheugen bewaren en niet kennen kan, bevreesd werd, [209] en dit uit vrees en gebrek aan inzigt [210] ontkende, mij in zijne redekaveling bespottelijk [211] gemaakt. Zóó is echter het geval, o ligtzinnige Socrates! Wanneer gij door vragen en antwoorden eene mijner stellingen onderzoekt, indien dan de ondervraagde hetzelfde antwoordt, wat ik zou geantwoord hebben en daarna wordt weêrlegd, dan word ik weêrlegd; maar zoo hij wat anders antwoordt, dan wordt de gevraagde zelf weêrlegd. Want gelooft gij, dat iemand u zoo terstond zal toegeven, dat de herinnering, welke iemand ook na het ondergaan van het ondergane bijblijft, dezelfde aandoening is, als toen hij onderging [212]? Het scheelt veel. Of dat hij aarzelen zal, de mogelijkheid toe te geven, dat dezelfde hetzelfde kent en niet kent? of, zoo hij dáárvoor vreest, dat hij ooit zal toegeven, dat hij, die ongelijk wordt, dezelfde is, die hij was, vóór hij ongelijk werd? of liever, dat iemand één persoon en niet veel meer verscheidene personen is, die oneindig in menigte worden [213], wanneer het ongelijk worden plaats grijpt, zoo wij althans van elkander woordenvitterijen te duchten hebben? Maar, mijn beste! zal hij zeggen, pak hetgeen ik zeg ridderlijker aan, en weêrleg het, zoo gij kunt, [aantoonende] [214] dat niet ieder onzer zijne eigene gevoelsaandoeningen heeft, of dat, nu zij aan ieder in het bijzonder eigen zijn, daarom geen zier meer, hetgeen schijnt, alleen voor hem schijnt, of, zoo dit zijn moet heeten, [voor hem] is, aan wien het schijnt. Maar door er zwijnen en apen bij te slepen, handelt gij niet alleen zelf als een zwijn, maar overreedt ook de hoorders, om dit tegen mijne geschriften te doen, waaraan gij niet mooi handelt. Want ik zeg, dat het waar is, zoo als ik geschreven heb, en dat ieder onzer de maat is van het zijnde en niet zijnde, doch dat de een van den ander duizendvoudig juist daardoor verschilt, dat voor den een het ééne schijnt, en voor den ander wat anders. En ik ben er ver van af te zeggen, dat wijsheid en wijze mannen niet bestaan, maar juist dien noem ik wijs [215], die bij eenen onzer, voor wien kwaad schijnt en is, dit verandert en maakt dat het goed schijnt en is. En bestrijd mijne redekaveling niet op den klank af, maar leer aldus nog duidelijker inzien, wat ik zeg. Want herinner u, hoe in het vorige gezegd werd, dat voor den zieken, hetgeen hij eet, bitter schijnt en is, maar voor den gezonden het tegenovergestelde schijnt en is. Nu moet men wel geen’ hunner wijzer maken, want dat is niet eens mogelijk, en men moet ook den zieken niet van domheid beschuldigen [216], omdat hij zulke meeningen koestert, noch den gezonden wijs [noemen], omdat [hij] andere [denkbeelden heeft], maar men moet [den eersten] tot het andere doen overgaan; want de tweede toestand is beter. Even zoo moet men ook bij het onderwijs van den eenen toestand tot den beteren [217] doen overgaan. Maar de arts bewerkt dien overgang door geneesmiddelen, doch de sophist door woorden, zoodat geenszins iemand eenen anderen, die valsche denkbeelden heeft, later ware meeningen doet koesteren; want het is niet mogelijk, wat niet is, in zijne meening op te nemen [218], noch iets anders dan men gevoelt, en dat is altijd waar. Maar, meen ik, de goede meening doet hen, die, door eenen slechten toestand van ziel, daarmede overeenkomstige meeningen koesteren, andere [219] zulke meeningen [220] koesteren, welke sommigen door hunne onbedrevenheid waar noemen, doch ik noem wel de eene beter dan de andere, maar geen zier meer waar. En ik ben er ver af, mijn beste Socrates! om de wijzen kikvorschen te noemen, maar voor zoo ver [hunne wijsheid betrekking heeft] op de ligchamen, noem ik ze artsen, en voor zoo ver [die betrekking heeft] op de planten, noem ik ze landbouwers [221]. Want ik beweer, dat ook deze bij de planten, in plaats van slechte gevoelsaandoeningen, wanneer eene harer ziek is, goede en gezonde gevoelsaandoeningen en waarheden doen ontstaan, maar dat de wijze en goede redenaars [222] het goede, in plaats van het slechte, aan de staten regtvaardig laten schijnen; want dat, hetgeen aan elken staat regtvaardig en schoon toeschijnt, dit ook voor hem is, zoo lang hij het daarvoor houdt: doch de wijze laat voor hen, in plaats dan alles wat kwaad is, het goede zijn en schijnen; en volgens diezelfde redenering is de sophist, die in staat is zijne leerlingen aldus te onderwijzen, wijs en voor zijne kweekelingen veel geld waard. En alzoo is de een wijzer dan de ander, en toch heeft niemand eene valsche meening, en gij moet, of gij wilt of niet, er genoegen in nemen, een maat te zijn; want deze redenering wordt in dit opzigt gered; en zoo gij tegen het beginsel, waarop zij steunt, iets hebt in het midden te brengen, doe dat dan in eene [doorloopende] redekaveling, of, zoo gij [het liever] met vragen wilt doen, met vragen; want ook dat moet niet ontweken, maar door den verstandigen bijzonder gezocht worden [223]. Doe echter alzoo. Bezig bij het vragen geene kwade trouw; want het is bijster ongerijmd, dat iemand, die beweert zich op de deugd toe te leggen, voortdurend met kwade trouw in het redekavelen te werk gaat. Kwade trouw nu, komt in dergelijke dingen voor, wanneer men niet anders redekavelt bij het disputeren tot oefening, dan bij het wetenschappelijk gesprek [224]; daar [225] men in het eerste speelt en fopt zoo veel als men kan, bij het wetenschappelijk gesprek daarentegen met ernst te werk gaat en zijne tegenpartij teregt brengt, door hem eenvoudig de struikelingen te doen opmerken, waarin hij door eigen toedoen en vroegere bijeenkomsten gestort is [226]. Want wanneer gij alzoo doet, dan zullen zij, die met u omgaan, hunne verwarring en radeloosheid aan zich zelven wijten, maar niet aan u, en zij zullen u naloopen en liefhebben, maar zich zelven haten, en van zich zelven naar de wijsbegeerte vlugten, opdat zij, andere menschen geworden zijnde, verlost worden van hetgeen zij vroeger waren; maar zoo gij, gelijk de meesten, het tegenovergestelde hiervan doet, dan zal u het tegenovergestelde gebeuren, en gij zult uwe toehoorders, in plaats van tot wijsgeeren, tot vijanden van dit werk maken [227], wanneer zij wat ouder worden [228]. Zoo gij dus mijnen raad volgt, zult gij niet kwaadaardig en twistgierig, maar met een kalm gemoed u tot ons aflatende, in waarheid onderzoeken, wat wij toch zeggen, wanneer wij aantoonen, dat alles in beweging is, en dat, hetgeen aan ieder voorkomt, ook is, zoowel voor een op zich zelf staand mensch, als voor eenen staat; en naar aanleiding hiervan zult gij [dan] onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde, of iets anders is, maar [gij zult dit niet doen] naar aanleiding van bekende woorden en namen, welke de gewone menschen naar alle kanten heentrekken, waardoor zij aan elkander allerlei onzekerheid berokkenen [229].
Hiermede, Theodorus! ben ik begonnen [230] uwen vriend te helpen, zoo goed ik kon, hoewel het weinig beduidt door mijne geringe krachten; maar zoo hij zelf leefde, zou hij het zijne vrij wat uitstekender beschermd hebben.
XXI. Theod. Gij schertst, Socrates! want gij hebt hem fiks bijgestaan.
So. Gij zijt wel goed, mijn vriend! Zeg mij dan nu eens, of gij daareven op de woorden van Protagoras gelet hebt, toen hij ons verweet, dat wij, met een kind redekavelende, ons bij het bestrijden zijner leer van de vrees van dat kind bedienden, en hoe hij dat eene zotheid noemde, en de leer van den maat aller dingen aanprees, ons vermanende, zijn stelsel ernstig te overwegen [231].
Theod. Wel zeker heb ik daarop gelet, Socrates!
So. Wat dan? staat gij er op, dat wij hem gehoor geven?
Theod. Zeker.
So. Gij ziet dan, dat deze allen buiten u kinderen zijn. Zoo wij hem dus zullen gehoor geven, dan moeten ik en gij, elkander vragende en antwoordende, zijn stelsel ernstig overwegen, opdat hij niet zou kunnen klagen, dat wij dat stelsel al spelende met knaapjes onderzocht hebben [232].
Theod. Wat! Zou dan Theaetetus niet beter dan vele personen met groote baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen?
So. [Dat wel], Theodorus! maar toch niet beter dan gij. Meen dan niet, dat ik uwen gestorven vriend op allerlei wijs moet helpen, en gij op geenerlei; maar, kom aan, mijn beste! volg [de redekaveling] een weinig, tot [wij] op dat punt derzelve [233] [gekomen zijn], waar wij kunnen zien, of gij de maatstaf moet wezen [bij het beoordeelen] der meetkunstige figuren, dan wel of allen, even als gij, voor zich zelven genoeg zijn, ten opzigte van de sterrekunde en de andere dingen, waarin gij met regt voor uitstekend gehouden wordt.
Theod. Het is niet gemakkelijk, Socrates! bij u te zitten, zonder rekenschap te geven, en ik heb daareven geraaskald, toen ik beweerde, dat gij mij zoudt veroorlooven mijne kleederen aan te houden, en mij niet, gelijk de Lacedaemoniers, zoudt dwingen; maar ik vind, dat gij meer naar Antaeus [234] overhelt. De Lacedaemoniers toch bevelen heen te gaan of zich uit te kleeden, maar ik vind, dat gij doet als Antaeus; want die tot u komt, laat gij niet los, voor gij hem gedwongen hebt zich uit te kleeden, en in het redekavelen met u te worstelen.
So. Theodorus! gij hebt daar eene opperbeste vergelijking voor mijne kwaal gevonden, maar ik ben nog sterker dan zij [235]. Want reeds bij de duizend mannen als Hercules en Theseus [236] zijn mij ontmoet, en daar zij sterk waren in het redetwisten, hebben zij mij deerlijk gebeukt, maar toch scheid ik er niet uit; zulk eene geweldige liefhebberij voor die oefening is in mij gevaren. Laat dan niet na, door met mij te worstelen, u zelven en mij tevens van dienst te zijn [237].
Theod. Ik spreek niet langer tegen, maar ga gij voort, zoo als gij wilt; want ik moet toch in dit punt het noodlot, dat gij mij toespint, verduren en mij laten weêrleggen. Ik zal mij echter niet verder tot uwe dienst kunnen stellen, dat tot aan het punt, dat gij opgeeft [238].
So. Zoo ver is ook genoeg. En pas nu vooral daarop, dat wij niet onbedacht ons aan spelen met woorden schuldig maken [239], en iemand ons dat later weder verwijt.
Theod. Ik zal het beproeven, zooveel ik kan.
XXII. So. Wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten, en overwegen, of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk werden, omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt, en [of] Protagoras ons [teregt of ten onregte] heeft toegestemd, dat sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade, en dat zij wijzen zijn. Niet waar?
Theod. Ja.
So. Zoo hij nu zelf ons hier toestemde, en niet wij, hem verdedigend, in zijnen naam hadden toegestemd, dan was het geenszins noodig dit nog eens van voren af aan vast te stellen; maar nu zou ligt iemand ons het regt van zulk toestemmen in zijnen naam betwisten [240]. Daarom is het beter, met meer naauwkeurigheid onze toestemming in dit opzigt te behandelen; want het is geen klein verschil, of het zóó is of anders.
Theod. Gij zegt de waarheid.
So. Laat ons dan niet door andere [241], maar uit zijne eigene woorden zoo kort mogelijk vaststellen, wat wij kunnen toestemmen.
Theod. Hoe?
So. Aldus. Hij zegt immers, dat hetgeen aan ieder zoo toeschijnt, ook zoo is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt?
Theod. Ja, dat zegt hij.
So. Derhalve, Protagoras! spreken wij van de meening van sommige, ja, van alle menschen, en beweren, dat geen sterveling niet in eenige dingen zich zelven wijzer beschouwt dan anderen, en in andere dingen, anderen dan hem, en dat zij in de grootste gevaren, bij voorbeeld wanneer zij in veldtogten, ziekten of zeereizen aan ongelukken blootstaan [242], schier goddelijken eerbied hebben voor hen, die daarbij het bewind voeren, en hunne redding verwachten van menschen, die slechts door meerdere kennis van hen verschillen. En overal onder de menschen worden er gevonden, die leermeesters en overheden, zoo voor zich, als voor de andere dieren en werkzaamheden zoeken, en tevens, die zich beschouwen als geschikt, om te onderwijzen of te regeren. En wat kunnen wij in al die gevallen anders zeggen, dan dat de menschen zelve [243] meenen, dat onder hen kennis en onkunde is?
Theod. Niets anders.
So. Houden zij niet de kennis voor ware meening, en de onkunde voor valsche?
Theod. Ongetwijfeld.
So. Hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling, Protagoras? Moeten wij zeggen, dat de menschen altijd eene ware meening koesteren, of dan eens ware, dan eens valsche? Want uit beiden volgt, dat zij niet altijd ware, maar beiderlei meening koesteren. Want zie eens, Theodorus! of het iemand der aanhangers van Protagoras, of u zelven, ernst wezen kan met de bewering, dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche meening koesterend aanziet.
Theod. Dat is ondenkbaar, Socrates!
So. En toch is die bewering onvermijdelijk geworden voor de leer, dat de mensch de maat is van alle dingen. [244]
Theod. Hoe dat?
So. Wanneer gij, bij u zelven een oordeel geveld hebbende, uw gevoelen over iets aan mij kenbaar maakt, dan moge dat, volgens zijne leer, voor u waar wezen, maar staat het nu ons anderen niet vrij, over uw oordeel te oordeelen? of oordeelen wij altijd, dat uwe meening waar is? of strijden niet telkens velen tegen u, die eene tegenstrijdige meening koesteren, maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden?
Theod. In waarheid Socrates! er zijn vele duizenden, zooals Homerus zegt, die mij allerlei tegenstand doen ondervinden [245].
So. Wat nu? wilt gij, dat wij zeggen, dat gij alsdan voor u zelven eene ware meening koestert, maar voor die duizenden eene valsche?
Theod. Zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen.
So. En hoe is het nu met Protagoras zelven? Is het niet noodig, dat, zoo hij eens evenmin als de menigte, den mensch voor de maat aller dingen hield, die waarheid, welke hij geschreven heeft, voor niemand bestond? En zoo hij zelf haar wel voor waar hield, maar de menigte die meening niet deelt, weet gij wel, dat zij dan, naarmate meerderen haar verwerpen, meer niet dan wel waar is?
Theod. Noodzakelijk, indien zij althans, naar iedere meening, zijn en niet zijn zal.
So. Verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap. Hij erkent de meening zijner tegenstrevers, waarmede zij zijne leer voor valsch houden, als waar, wanneer hij toestemt, dat allen ware meeningen koesteren.
Theod. Ongetwijfeld.
So. Maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe, wanneer hij erkent, dat die van hen, die hem van leugen betichten, waar is?
Theod. Noodzakelijk.
So. Maar de anderen geven niet toe, dat zij het mis hebben?
Theod. Wel neen!
So. Hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor waar.
Theod. Het schijnt zoo.
So. Dus zullen allen, met Protagoras voorop, betwijfelen [246], of liever, wanneer hij erkent, dat degeen die hem tegenspreekt, eene ware meening koestert, [247] ronduit ontkennen, dat een hond of een zoo maar opgeraapt mensch de maat is in eenig vak, dat hij niet geleerd heeft. Niet waar?
Theod. Ja.
So. Daar zij dus door allen betwijfeld wordt, zou de waarheid van Protagoras voor niemand waar zijn, noch voor iemand anders, noch voor hem zelven.
Theod. Socrates, wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf.