Theaetetus

Part 3

Chapter 34,056 wordsPublic domain

So. Ik zal u een klein voorbeeld geven [107], en gij zult alles weten, wat ik bedoel. Immers zoo gij met zes dobbelsteenen, vier vergelijkt, zeggen wij, dat de zes meer zijn dan de vier en [wel] anderhalf [maal zooveel], maar, zoo gij er twaalf [mede vergelijkt], minder en de helft; en het is niet toe te laten, dat men het anders zegt; of zoudt gij het toelaten?

Theaet. Wel neen.

So. Wat nu? zoo Protagoras of iemand anders u vroeg: Theaetetus! is het mogelijk, dat iets op eene andere wijs grooter of meer wordt, dan door vermeerdering [108]? wat zoudt gij antwoorden?

Theaet. Wanneer ik, Socrates! op het nu gevraagde moet antwoorden, wat mij voorkomt, [dan zou ik antwoorden], dat het niet mogelijk is, maar wegens de vorige vraag, zal ik, om mij niet tegen te spreken, zeggen, dat het wel mogelijk is [109].

So. Mooi, bij Hera! mijn vriend, en goddelijk; maar, waarschijnlijk zal er, zoo gij antwoordt, dat het mogelijk is, iets als het door Euripides [110] vermelde plaats hebben; want onze tong zal de tegenstrijdigheid vermeden hebben, maar onze geest niet [111].

Theaet. Dat is waar.

So. Dus wanneer ik en gij knap [112] en wijs waren, dan zouden wij de zaak, voor zoo ver zij onzen geest raakt, als voldoende onderzocht beschouwende, verder voor tijdverdrijf elkanders krachten beproeven en als Sophisten zulk eenen strijd ondernemen, en met redeneringen elkanders redeneringen verslaan; maar nu, daar wij maar gewone menschen zijn, willen wij eerst eens stuk voor stuk onderzoeken, wat het is, wat wij denken, en of wij er tegenstrijdigheid in merken of niet [113].

Theaet. Dat zou ik zeer gaarne willen.

XI. So. En ik niet minder. Wanneer het er nu zoo meê staat, willen wij dan wel iets anders doen dan bedaard, daar wij zeer veel tijd hebben, nog eens van voren af aan nasporen; zonder ons moeijelijk te maken, maar waarlijk ons zelve onderzoekende, wat die verschijnsels [114] in ons te beduiden hebben. Dit ons onderzoek, denk ik, zullen wij beginnen met vast te stellen, dat niets ooit, hetzij in omvang, hetzij in aantal, grooter of kleiner wordt, zoolang het aan zich zelf gelijk is. Is het niet zoo?

Theaet. Ja.

So. Verder, dat waar niets bij of af gaat, dat dit meer noch minder wordt, maar altijd gelijk is.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Kunnen wij ook niet ten derde vaststellen, dat hetgeen vroeger niet was, later niet zijn kan zonder te worden [115]?

Theaet. Het komt mij althans zoo voor.

So. Deze drie toegestemde stellingen nu strijden in onzen geest met elkander, wanneer wij het voorbeeld der dobbelsteenen bezigen, of wanneer wij zeggen, dat, nu ik van deze lengte ben, ik in een jaar nu grooter ben dan gij, die jong zijt, en later kleiner, terwijl er niets van mijne grootte wordt afgenomen, maar gij groeit. Want ik ben later wat ik vroeger niet was, zonder dat ik het geworden ben; want zonder worden, is geworden zijn niet mogelijk, en zonder iets van mijne grootte te verliezen, zou ik nooit kleiner worden. En zoo wij dit aannemen, zijn oneindig vele andere dingen eveneens gesteld [116], want, Theaetetus! ik geloof, dat gij hierin niet onbedreven zijt.

Theaet. En bij de Goden, Socrates! ik verwacht met verwondering, wat dat toch is, en somtijds word ik waarlijk, als ik hierop zie, duizelig.

So. Theodorus, mijn vriend! schijnt niet kwaad omtrent uwen aard te gissen. Deze aandoening toch, de verwondering, is vooral [117] aan den wijsgeer eigen; want er is geen ander begin [118] van de wijsbegeerte dan dit, en hij, die Iris de dochter van Thaumas noemde, schijnt niet kwaad hare afkomst op te geven [119]. Maar begrijpt gij dan nu, waarom dit zoodanig is, volgens hetgeen wij zeggen dat Protagoras leert, of nog niet [120]?

Theaet. Ik geloof nog niet.

So. Zult gij het mij dan dank weten, zoo ik met u de verborgene waarheid der gedachte van een, of liever van verscheidene beroemde mannen uitvind [121]?

Theaet. Hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten?

XII. So. Zie dan nu eens goed in de rondte, of niemand van de oningewijden ons beluistert. Zij nu zijn diegenen, die niets voor wezenlijk houden, dan hetgeen zij vast met de handen kunnen grijpen, maar die handelingen en wordingen en al het onzigtbare niet als wezenlijk erkennen [122].

Theaet. Waarlijk, Socrates! gij noemt daar al zeer drooge en weêrbarstige menschen.

So. Ja, jongen! zij zijn zeer onbeschaafd. Maar er zijn andere veel geestiger lieden, wier geheimenissen ik u zal mededeelen. Hun beginsel nu, waaruit ook al hetgeen wij daareven [123] reeds zeiden is afgeleid, is dit, dat alles beweging is [124] en verder niets, en dat er twee soorten van beweging zijn, die ieder oneindig vele onderdeelen hebben, maar de eene de kracht van doen, de andere van lijden hebben [125]. Uit haar onderling verkeer en hare wrijving tegen elkander ontstaan voortbrengsels, die wel oneindig in getal zijn, maar in twee hoofdsoorten kunnen verdeeld worden, namelijk het voelbare en het gevoel, dat steeds tegelijk met het voelbare vergaat en ontstaat. De aandoeningen nu des gevoels worden door ons benoemd met de namen van: gezigt, gehoor, reukaandoeningen, koude, hitte, vermaken, smarten, begeerten, vrees [126] en andere, waarvan eene oneindige menigte nog onbenoemd is, maar toch de benoemde zeer veel in getal zijn; en de voelbare soort komt met ieder van dezen overeen [127], met al de verschillende gezigtsaandoeningen, de verschillende kleuren, en zoo ook de klanken met de gehoorsaandoeningen, en de overige voelbare dingen, die met de overige aandoeningen des gevoels van dezelfde soort worden. Wat wil nu dit gezegde ten opzigte van het vorige, Theaetetus? begrijpt gij het?

Theaet. Niet bijzonder, Socrates!

So. Maar zie, of gij het op eenigerlei wijze begrijpt, wanneer [128] het voluit gezegd is. Want het wil zeggen [129], dat dit alles, zooals wij zeggen, bewogen wordt, en dat in hunne beweging snelheid en traagheid is. Wat nu traag is, heeft de beweging op dezelfde [130] plaats en naar het digtbijzijnde, en brengt alzóó [eene gevoelsaandoening] voort, en het alzoo voortgebragte is trager; en wat snel is, heeft de beweging naar het meer verwijderde en brengt aldus voort, en het voortgebragte is alzoo sneller. Want het beweegt zich in de ruimte, en de beweging is beweging in de ruimte [131]. Wanneer nu een oog en iets anders van de dingen, die daarmede overeenstemmen [132], tot elkander genaderd zijnde, de witheid en eene gevoelsaandoening, die daarmede overeenstemt, doet ontstaan, hetgeen nooit zou plaats hebben, wanneer een hunner bij iets anders gekomen was, dan pleegt, terwijl zich tusschen [het oog en het zigtbare] het gezigt van den kant der oogen en de witheid van dien der mede-oorzaak van de kleur beweegt, het oog vol te worden met gezigt, en dan ziet het, en wordt niet gezigt, maar een oog dat ziet; en hetgeen mede de kleur verwekt heeft, wordt rondom met witheid gevuld [133] en wordt niet witheid, maar wit, hetzij een stok of een steen, of welk ding ook met zoodanige kleur gekleurd is. En het andere, het harde, warme, enz. moet men even zoo opvatten, dat het op zich zelf niets is, wat wij ook daareven zeiden, maar dat bij het onderlinge verkeer alles wordt en allerlei eigenschappen bekomt door de beweging, daar het niet geoorloofd is [134] eens vooral, zoo als men zegt, het bedrijvende en het lijdende onder een vast begrip te brengen. Want niets is bedrijvend voordat het met het lijdende zamenkomt, noch lijdend voordat [het] met het bedrijvende [zamenkomt]; en wat, met het eene zamenkomend, bedrijvend is, vertoont zich, in verband met iets anders, als lijdend. Zoodat volgens dit alles, hetgeen wij van den beginne zeiden, niets van eene onveranderlijke hoedanigheid is, maar [alle dingen] [135] steeds in eenig opzigt worden, doch het zijn overal moet uitgesloten worden, alhoewel [136] wij nog daarzoo door ongewoonte en onbekwaamheid dikwijls genoopt werden, die uitdrukking te gebruiken. Dit is echter, gelijk de wijzen zeggen, niet geoorloofd, en evenmin iets te bevestigen, of van iemand, of van mij, of dit of dat, of eenig ander woord, dat eenen blijvenden toestand uitdrukt; maar men moet [137], zoo als de natuur vordert, spreken van ontstaan, en gemaakt worden, en vergaan, en veranderd worden; daar hij, die beweert, dat iets bestendig is, gemakkelijk kan weêrlegd worden. En men moet zoo van ieder afzonderlijk [138] spreken en van velen te zamen, die vereenigd den naam van mensch, steen, dier, enz. bekomen. Bevalt u dit, Theaetetus! en smaakt het u, zoodat gij er van eten wilt?

Theaet. Ik weet het niet, Socrates! want ik kan ook aan u niet merken [139], of gij zegt, wat gij meent, dan of gij mij beproeft.

So. Herinnert gij u dan niet, mijn vriend! dat ik geen van die dingen weet, noch mij toeëigen, maar dat ik daarin onvruchtbaar ben, doch u help verlossen, en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de wijzen laat proeven, totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb; en wanneer die aan het licht gebragt is, dan zal ik zien, of het wind of een gezond kind zal blijken te zijn. Maar houd moed, en verman u, en antwoord fiks en ronduit, wat u dunkt van hetgeen ik u vraag.

Theaet. Vraag op!

XIII. So. Zeg dan nu nog eens, of het u behaagt, dat niets is, maar dat het goede en schoone [140] en al wat wij daareven doorliepen, steeds wordt.

Theaet. Maar wanneer gij het zóó uiteenzet, dan schijnt het mij bijzonder veel vóór zich te hebben, gelijk gij het hebt uiteengezet, en te moeten aangenomen worden.

So. Laten wij dan niet weglaten, wat ik nog heb overgeslagen. Nu blijft nog over te spreken van de droomen en ziekten, inzonderheid [141] van de krankzinnigheid, en waar verder verkeerd hooren of verkeerd zien, of eenige andere verkeerde [142] waarneming genoemd wordt. Want gij weet waarschijnlijk wel, dat door die alle, volgens het algemeene gevoelen, het daareven gezegde schijnt weêrlegd te worden, daar wij zeer zeker in die alle valsche waarnemingen hebben, en het veel scheelt, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ook is, maar integendeel niets is van hetgeen schijnt.

Theaet. Gij zegt volkomen de waarheid, Socrates!

So. Wat blijft er dan nu nog te zeggen [143] over, jongen! voor hem, die het gevoel als kennis stelt, en dat hetgeen aan ieder voorkomt, dit ook is voor dien, aan wien het voorkomt?

Theaet. Socrates! ik durf eigenlijk niet te zeggen, dat ik nog niet weet wat ik zeggen moet, daar gij mij daareven beknord hebt, toen ik dat zeide, en [ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen,] daar ik waarlijk niet kan betwijfelen, dat de krankzinnigen en de droomenden eene valsche meening hebben, wanneer sommige hunner zich Goden wanen, andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken.

So. Denkt gij ook niet om de volgende twijfeling over deze [toestanden], vooral over droomen en waken [144]?

Theaet. Welke meent gij?

So. Wat ik geloof, dat gij sommigen dikwijls hebt hooren vragen [145], [namelijk], welk bewijs iemand zou kunnen aanvoeren, zoo men hem nu zoo in eens vroeg, of wij slapen en alles wat wij denken droomen, dan of wij wakker zijn, en in wakenden toestand met elkander spreken.

Theaet. Ja waarlijk, Socrates! het is ondenkbaar, dat men daarvoor een bewijs zou kunnen aanvoeren; want [voor beide gevallen] volgt alles volkomen op dezelfde wijze. Niets toch belet ons in den droom [146] te meenen, dat wij met elkander spreken over het daareven verhandelde; en wanneer wij in den droom ons verbeelden droomen te verhalen, dan is de gelijkenis van dit met dat [147], allervreemdst.

So. Gij ziet dus, dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te vinden, wanneer er zelfs getwijfeld wordt, of wij in wakenden of slapenden toestand zijn, en waarlijk, terwijl de tijd, waarin wij slapen, gelijk is aan dien, waarin wij wakker zijn, beweert onze ziel in beiden, dat de meeningen, die zij dan koestert, ongetwijfeld waar zijn, zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor werkelijk bestaand verklaren, en dit eveneens van beiden beweren.

Theaet. Dat is ongetwijfeld waar.

So. Geldt niet dezelfde bewering van krankzinnigheid en ziekte, behalve dat de tijd niet gelijk is [148]?

Theaet. Ja.

So. Wat dan? zal het ware door lengte of kortheid van tijd bepaald worden [149]?

Theaet. Dat zou waarlijk allergekst wezen.

So. Maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen, welke dier meeningen waar is?

Theaet. Ik geloof van neen.

XIV. So. Hoor dan nu eens van mij, wat zij hierover zouden zeggen, die beweren, dat telkens, hetgeen aan iemand toeschijnt, waar is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt [150]. Zij nu spreken naar mijn inzien aldus, vragende: Theaetetus! wat in alle opzigten verschillend is, zal dat wel in eenige kracht, die het heeft, overeenkomen met hetgeen, waarvan het verschilt? en moeten wij niet oordeelen, dat hetgeen wij vragen, niet in één opzigt hetzelfde, in een ander anders is, maar integendeel in alle opzigten anders is?

Theaet. Het is inderdaad onmogelijk, dat het óf in kracht, óf in eenig ander opzigt, iets hetzelfde heeft, wanneer het volkomen anders is.

So. Maar moeten wij dan ook niet toestemmen, dat het zoodanige ongelijk is?

Theaet. Ik geloof van ja.

So. Zoo het dus gebeurt, dat iets aan zich zelf of aan iets anders gelijk of ongelijk wordt, zullen wij dan niet, zoo het gelijk wordt, zeggen, dat het hetzelfde wordt, en zoo het ongelijk wordt, anders?

Theaet. Noodzakelijk.

So. Zeiden wij niet te voren [151], dat het bedrijvende veel, ja [152] oneindig is, en evenzoo het lijdende?

Theaet. Ja.

So. En immers ook, dat, wanneer iets anders met iets anders en weder met iets anders vereenigd wordt, het niet hetzelfde, maar wat anders zal voortbrengen?

Theaet. Zeer zeker.

So. Laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en van al het andere spreken, b. v. van den gezonden en den zieken Socrates. Zullen wij zeggen, dat dit laatste aan het eerste gelijk of ongelijk is?

Theaet. Meent gij den zieken Socrates in zijn geheel, aan den gezonden Socrates in zijn geheel?

So. Goed begrepen! juist dat meen ik.

Theaet. Zeker ongelijk.

So. En dat hij dus, voor zoo verre hij ongelijk is, een ander is?

Theaet. Noodzakelijk [153].

So. En zult gij van den slapenden en van al wat wij verder gezegd hebben, hetzelfde zeggen [154]?

Theaet. Dat zal ik.

So. Elk dus van die dingen, welke de eigenschap hebben, dat zij op een ander werken, zullen, wanneer zij den gezonden Socrates aantreffen, op mij als op een’ ander werken, dan wanneer zij den zieken aantreffen.

Theaet. Waarom zou dat niet?

So. Dus zullen in beide gevallen, ik, die lijdend ben, en dat, hetwelk bedrijvend is, [te zamen] iets anders voortbrengen?

Theaet. Natuurlijk.

So. Wanneer ik nu gezond zijnde, wijn drink, schijnt die mij aangenaam en zoet.

Theaet. Ja.

So. Want volgens het te voren toegestemde bragt het bedrijvende en lijdende, zoetheid en gevoelsaandoening voort, die beiden te gelijk in beweging zijn; en de gevoelsaandoening, die haren oorsprong neemt van den lijdende, maakt [155] de tong voelend; en de zoetheid, die, van den wijn ontstaande, zich rond denzelven beweegt, doet den wijn voor de gezonde tong zoet zijn en schijnen.

Theaet. Wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd.

So. Maar wanneer [de wijn mij] ziek [aantreft], dan treft hij immers [156], vooreerst in waarheid, niet denzelfden aan, want hij komt bij iemand, die niet gelijk is?

Theaet. Ja.

So. Dus brengen ook die Socrates en het drinken van den wijn wat anders voort, [namelijk] aan de tong gevoel van bitterheid, en aan den wijn wordende en zich bewegende [157] bitterheid; en maken hèm niet bitterheid, maar bitter, en mij niet gevoel, maar voelend?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. [158] Dus zal ik nooit in dien toestand komen bij het voelen van iets anders, want ieder ding heeft zijne eigenaardige gevoelsaandoening, en wijzigt den toestand van den voelende op eene eigenaardige wijs; en dat, hetwelk mij aandoet [159], zal nooit met een ander zamenkomend, hetzelfde voortbrengen en zoodanig worden, want door ieder, waarmeê het zamenkomt, zal het iets eigenaardigs voortbrengen, en eene eigenaardige wijziging ondergaan.

Theaet. Dat is waar.

So. En ik voor mij [alleen] zal zoodanig niet worden, en dat voor zich [alleen] evenmin.

Theaet. Waarlijk niet.

So. Maar het is dan toch noodig, dat ik iets voel wanneer ik voelend wordt, want voelend te worden en niet te voelen, is onmogelijk; en even noodig is het, dat dat voor iemand worde, wanneer het zoet, of bitter, of iets dergelijks wordt: want het is onmogelijk, zoet, en niet voor iemand zoet te worden [160].

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Dus blijft, geloof ik, over, dat wij [161] voor elkander, zoo wij zijn, zijn, of, zoo wij worden, worden; daar de noodzakelijkheid onze wezenheid wel verbindt, maar met niets anders, zelfs niet met ons zelven [162]. Dus blijft dan over, dat zij met elkander verbonden zijn; zoodat, zoo iemand van iets zegt, dat het is [of wordt], hij zeggen moet, dat het voor iemand, of van iemand, of met betrekking tot iets [163] is, of wordt; maar, dat iets op zich zelf is of wordt, moet hij zelf niet zeggen noch van een ander aannemen, zooals de redekaveling, die wij zoo even doorloopen hebben, aantoont.

Theaet. Zeer zeker, Socrates!

So. Wanneer dus hetgeen mij aandoet, voor mij is, en niet voor een ander, dan voel ik het ook, maar een ander niet?

Theaet. Natuurlijk.

So. Edoch mijn gevoel is voor mij waar, want het behoort altijd tot mijne wezenheid. En ik heb, volgens Protagoras, regt om te oordeelen over hetgeen voor mij is, dat het is, en over hetgeen [voor mij] niet is, dat het niet is.

Theaet. Dat schijnt zoo.

XV. So. Hoe zou ik dan nu, daar ik mij niet bedrieg of vergis in mijne meening ten opzigte van het zijnde of wordende, hetgeen ik gevoel, niet kennen [164]?

Theaet. Dat kan niet anders.

So. Dus hebt gij uitmuntend gezegd, dat kennis niets anders is dan gevoel, en het komt op één uit, dat, volgens Homerus and Heracliet en al hunne aanhangers, alles als een stroom in beweging is, en dat volgens den diep geleerden Protagoras, de mensch de maat is van alle dingen, en dat volgens Theaetetus, als dit zoo is, het gevoel kennis wordt [165]; want, niet waar, Theaetetus! wij moeten zeggen, dat dit uw jonggeboren kind is, waarvan gij door mij verlost zijt? of hoe zegt gij?

Theaet. Noodzakelijk zóó, Socrates!

So. Dit hebben wij dan nu, naar het schijnt, met moeite aan het licht gebragt, wat het ook wezen moge. Na de geboorte nu moeten wij er in waarheid in de redekaveling meê rondloopen [166], onderzoekende of het welligt winderig en valsch, en dus de opvoeding niet waard is. Of meent gij, dat het uwe volstrekt opgevoed en niet te vondeling gelegd moet worden [167]? Of zult gij het dulden, wanneer gij ziet, dat het wordt afgekeurd, en men het eerste, dat gij gebaard hebt, van u wegneemt?

Theod. Theaetetus zal het dulden, Socrates! want hij is volstrekt niet kwalijk nemend. Maar zeg mij in ’s hemels naam! is het dan zoo niet?

So. Waarlijk, Theodorus! gij houdt van redekavelen en zijt wel heel goed met te denken, dat ik een zak vol redekavelingen heb [168], waaruit ik er met gemak eene nemen kan, om te bewijzen, dat het gezegde zoo niet is. Gij let echter niet op, hoe het gaat; [namelijk], dat geene der redekavelingen van mij komt, maar altijd van hem, die met mij spreekt, daar ik niets weet, dan ééne kleinigheid, namelijk, om hetgeen een ander, die het weet, zegt, te ontvangen [169] en behoorlijk op te nemen. En nu zal ik dit bij hem beproeven, maar niet, zelf te spreken.

Theaet. Wat gij zegt, Socrates! is beter; doe zoo.

XVI. So. Weet gij nu, Theodorus! waarover ik mij bij uwen vriend Protagoras verwonder?

Theod. Wat meent gij?

So. Overigens heeft hij zeer naar mijnen smaak aangetoond, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ook is; maar ik heb mij verwonderd over het begin der redekaveling, dat hij niet in het begin der Waarheid [170] gezegd heeft, dat een zwijn of aap of een nog nietiger gevoelend wezen, de maat van alle dingen is; om alzoo, met grootschheid en verachting [van allen spot], ons dadelijk in het begin te toonen, dat wij hem als een God om zijne wijsheid bewonderden [171], maar dat hij in wijsheid niet boven eenen kikvorsch, laat staan boven eenig ander [172] mensch, uitmunt. Of hoe moeten wij zeggen, Theodorus? Want zoo voor ieder waar is [173], wat hij op grond van het gevoel meent, en niemand eens anders aandoening beter onderscheidt, noch geschikter is om te onderzoeken, of de meening van een ander waar of valsch is, [dan die andere zelf]; maar, gelijk vaak gezegd is, ieder alleen over het zijne kan oordeelen, en dat oordeel geheel in den haak [174] en waar is; hoe is dan toch, mijn vriend! Protagoras zoo geleerd, dat hij zelfs verdient als de leermeester van anderen veel loon te ontvangen, maar wij minder geleerd, zoodat wij tot hem gaan [175] moeten, terwijl toch ieder de maatstaf is voor zijne eigene kennis? Wat moeten wij zeggen, dat Protagoras met die geestigheid bedoelt? Ik spreek nu niet van mij en mijne vroedkunst, hoe bespottelijk wij worden, maar ik geloof, dat dit plaats heeft met alle bemoeijing omtrent het redekavelen. Want is dan het onderzoeken en trachten te weêrleggen van eens anders gevoelen [176] en meeningen, daar die van ieder waar zijn, niet eene zeer groote [177] ijdelheid, zoo althans de waarheid van Protagoras waar is, maar hij niet van achter de schermen een grap gezegd heeft?

Theod. Socrates! de man was mijn vriend, gelijk gij daareven gezegd hebt. Daarom zou ik niet verlangen, dat Protagoras weêrlegd werd door mijn toestemmen [der tegen zijne leer gemaakte bedenkingen], en evenmin [zou ik] u, tegen mijn gevoelen, [willen] tegenspreken [178]. Neem daarom Theaetetus weder. Hij scheen u toch ook daareven met allen mogelijken ijver te volgen.

So. Theodorus! zoudt gij ook, te Lacedaemon in de scholen der gymnastiek komende, wanneer gij anderen, waaronder sommige zwakken, naakt zaagt, verlangen, om niet zelf insgelijks uwe kleederen af te leggen en uwe gedaante te toonen [179]?

Theod. Waarom niet, zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te laten? gelijk ik nu hoop heb u te overreden, dat gij mij zult vergunnen toe te kijken, zonder mij, die reeds stijf ben, tot het mededoen der gymnastische oefeningen te noodzaken, en dat gij zult worstelen met hem, die jonger en leniger is.

XVII. So. Nu, als gij het zoo goed vindt, Theodorus! vind ik het niet kwaad, zegt het spreekwoord. Dus moet ik mij weder tot [onzen] knappen Theaetetus vervoegen. Theaetetus! zeg dan nu vooreerst, wat wij daareven uiteenzetten [180], of gij u niet insgelijks verwondert, dat gij zoo op eens blijkt volstrekt niet minder in wijsheid te zijn, dan eenig mensch of god? of gelooft gij, dat het maat zijn van Protagoras eenigzins minder van de goden, dan van de menschen gezegd wordt?

Theaet. Wel neen. En ik verwonder mij zeer over hetgeen gij vraagt. Want terwijl wij bezig waren met uiteen te zetten, hoe men zeide, dat hetgeen aan ieder toeschijnt, ook is voor hem, aan wien het toeschijnt, scheen mij dat zeer goed gezegd te worden. Nu echter is het op eens tot [181] het tegenovergestelde omgeslagen.

So. [Dat is geen wonder], want gij zijt jong, jongelief! daarom stemt gij het gezegde spoedig toe en geeft spoedig gewonnen aan de redekaveling [182]. Want hierop zou Protagoras of een ander in zijne plaats zeggen: Mijne waarde kinderen en grijsaards, gij spreekt daar bij elkander zittend, en brengt daar Goden bij, die ik uitsluit van het spreken of schrijven over hun bestaan of niet bestaan; en wat de menigte, het hoorende, zou aannemen, dat zegt gij [183], [namelijk] dat het erg zou zijn, zoo geen mensch in wijsheid iets voor had boven eenig beest; doch een noodzakelijk bewijs geeft gij in het geheel niet; maar gij bedient u van de waarschijnlijkheid, waarvan Theodorus of een ander meetkunstenaar zich niet kan bedienen, zonder gevaar te loopen van nietswaardig te zijn. Onderzoek gij dan eens met Theodorus, of gij redekavelingen over zulke dingen, die zich op overreding [184] en waarschijnlijkheid steunen, kunt aannemen.