Part 2
So. Dat is de gewoonte van Theodorus niet. Maar ontwijk het toegestemde niet, door voor te geven, dat hij schertsend sprak, opdat hij niet gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen; want niemand zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen. Maar houdt gij vol moed het toegestemde vast.
Theaet. Dat moet ik doen, zoo gij het goedvindt.
So. Zeg mij dan nu: leert gij van Theodorus het een en ander van de meetkunst?
Theaet. Ja.
So. En van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen betreft?
Theaet. Ik hoop er meê te beginnen.
So. Jongelief! ik zou het ook wel willen leeren, zoo van hem, als van anderen, die ik meen dat iets van die dingen verstaan [33]. Maar echter ben ik overigens met mijnen toestand in dezen nog [34] al tevreden, doch ik heb ééne zwarigheid, die ik met u en met hen moet onderzoeken. Zeg mij daarom eens: is niet leeren hetzelfde als kundiger [35] worden in hetgeen iemand leert?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. En de kundigen zijn kundig door kunde?
Theaet. Ja.
So. Maar verschilt dit nu van kennis?
Theaet. Wat?
So. De kunde. Of hebben wij niet kennis van datgeen, waarin wij kundig zijn?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Dus is kennis en kunde hetzelfde?
Theaet. Ja.
So. Juist dit nu is het, wat ik niet begrijp [36] en niet behoorlijk bij mij zelven kan bevatten [37], wat toch eigenlijk de kennis is. Kunnen wij het niet zeggen? Wat zegt gij [38]? Wie onzer zal het het eerste zeggen? en die fout gezegd heeft, en telkens [39] ieder die fout zegt, moet, zoo als de jongens zeggen, die met den bal spelen, voor ezel zitten; maar die er doorkomt zonder fouten te maken, zal onze koning zijn en voorschrijven wat hij wil [40]. Waarom zwijgt gij? Theodorus! ik wordt toch niet onbeleefd door mijne praatzucht? want ik verlang onder ons een vriendschappelijk gesprek aan te knoopen.
Theo. Socrates! zoo iets kan nooit onbeleefd zijn, maar laat een der knapen u antwoorden; want ik ben niet gewoon aan die soort van gesprek [41], en ik heb den leeftijd niet om er aan te gewennen; maar dit zou hun passen, en zij zouden veel meer vorderen; want waarlijk, de jeugd is voor alle vorderingen geschikt. Doch laat, zoo als gij begonnen zijt, Theaetetus niet los, maar vraag hem.
So. Gij hoort, Theaetetus! wat Theodorus zegt, wien toch ook gij wel zult willen gelooven, te meer, daar het in zulke dingen een jonger persoon niet vrij staat, aan een kundig man ongehoorzaam te zijn, wanneer hij ons iets beveelt; [talm dus niet], maar zeg mij fiks en ronduit: wat gelooft gij dat de kennis is?
Theaet. Het moet wel, Socrates! wanneer gij het beveelt; want, wanneer ik eenige fouten maak, zult gij die stellig wel verbeteren.
IV. So. Wel zeker, als wij maar kunnen.
Theaet. Ik geloof dan, dat hetgeen iemand van Theodorus zou kunnen leeren, kennis is, namelijk meetkunst en de andere, die gij genoemd hebt, en ook het schoenmaken, en al de andere, kunsten, die door de ambachtslieden worden uitgeoefend; die allen en iedere daarvan houd ik voor niets anders dan kennis [42].
So. Roijaal en mild, mijn beste! geeft gij om één gevraagd zijnde veel en allerlei in plaats van één.
Theaet. Wat zegt gij daar, Socrates?
So. Misschien niets: maar wat ik bedoel, zal ik zeggen. Wanneer gij van schoenmakerskunst spreekt, dan meent gij toch niet anders dan de kennis van het maken van schoenen?
Theaet. Niets anders.
So. Maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt, meent gij dan wel iets anders, dan de kennis van het maken van houten huisraad?
Theaet. Neen [43].
So. Dus bepaalt gij bij beiden, datgene, waarvan ieder de kennis is?
Theaet. Ja.
So. Maar het gevraagde, Theaetetus! was niet, welke de voorwerpen der kennis zijn, of hoeveel soorten van kennis er zijn. Want wij vroegen het niet, omdat wij ze wilden tellen, maar [omdat wij wilden] weten [44], wat de kennis zelve is [45]. Niet waar?
Theaet. Juist.
So. Onderzoek dan nu ook eens dit. Zoo iemand ons vroeg aangaande die dingen van weinig waarde, die voor de hand liggen, b. v. wat klei is, zoo wij dan antwoordden: de klei van de pottenbakkers, en de klei van de steenbakkers, enz., zouden wij ons dan niet bespottelijk maken?
Theaet. Waarschijnlijk.
So. Vooral denkelijk, omdat wij meenden, dat hij, die het vroeg, ons antwoord begrijpen zou, wanneer wij zeiden: klei, en er bijvoegden van pottenbakkers of van eenige andere fabrijkanten. Of meent gij, dat [46] iemand den naam begrijpt van een ding, waarvan hij niet weet wat het is?
Theaet. Wel neen.
So. Dus begrijpt iemand, die niet weet, wat kennis is, ook [de uitdrukking]: kennis van het maken van schoenen niet [47]?
Theaet. Neen.
So. Dus begrijpt iemand het woord: schoenmakerskunst niet, noch den naam van eenige andere kunst, zoo hij niet weet, wat kennis is [48].
Theaet. Juist zoo.
So. Dus is het een bespottelijk antwoord, wanneer men, gevraagd zijnde, wat kennis is, den naam van eenige kunst antwoordt. Want dan antwoordt men, wat het voorwerp der kennis is, maar hiernaar werd men niet gevraagd.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Terwijl het verder geoorloofd was [49], gemakkelijk en kort te antwoorden, maakt men eenen oneindigen omweg. Zoo als het bij de vraag naar de klei gemakkelijk en eenvoudig was te zeggen: klei is eene soort van aarde, met water gekneed, en het waarvan [50] te laten rusten.
V. Theaet. Socrates! dit ziet er oppervlakkig vrij gemakkelijk uit; maar [51] gij schijnt iets te vragen, zoo als hetgeen ons onlangs bij een gesprek voorkwam, namelijk mij en dezen uwen naamgenoot, Socrates.
So. Wat meent gij, Theaetetus?
Theaet. Theodorus, die hier staat, helderde ons de leer der inhouden met figuren op, en toonde van de vlakteinhoud van drie en van vijf vierkante voeten, dat zij in de lengte niet door éénen vierkanten voet deelbaar zijn, en alzoo doorliep hij ze één voor één, tot aan de vlakte van zeventien vierkante voeten; en daar hield hij op. Wij nu kregen zoodanig iets in onze gedachte, [namelijk] om, daar die inhouden oneindig in menigte schenen, te pogen ze onder éénen naam te brengen, waarmede wij ze allen zouden kunnen benoemen [52].
So. En hebt gij zoodanig iets gevonden?
Theaet. Ik geloof van ja. Zie gij het ook eens.
So. Zeg op.
Theaet. Wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld. De getallen, die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, vergeleken wij, wat de figuur betreft, bij het vierkant, en noemden ze gelijkzijdig.
So. Goed zoo.
Theaet. De getallen, die tusschen deze inliggen, waartoe 3 en 5 behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, maar óf meer lengte dan breedte, óf meer breedte dan lengte hebben, zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit, die vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige getallen.
So. Opperbest: maar wat nu verder?
Theaet. Aan al de lijnen, die dienen om de gelijkzijdige getallen in de vlakte als een vierkant af te beelden, gaven wij den naam van lengte, en die dienen, om dit met de langwerpige getallen te doen, den naam van inhoudsmaten, daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen hebben, maar wel in de vierkanten, waarvan zij den inhoud uitdrukken. En met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld.
So. Uitmuntend, jongens! zoodat ik geloof, dat Theodorus niet van valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden.
Theaet. Edoch, Socrates! wat gij aangaande de kennis vraagt, zou ik niet even goed kunnen beantwoorden, als de vraag over de lengte en de inhoudsmaat; indien ik ten minste goed inzie, dat gij iets dergelijks zoekt; zoodat Theodorus nu weder een leugenaar schijnt.
So. Hoe dat? zoo hij u, ten opzigte van het loopen prijzende, zeide, dat hij nooit eenen knaap ontmoet had, die zoo goed loopen kon, en gij vervolgens in eenen wedloop wijken moest voor eenen [53], die zijne volle krachten had en uitmuntte in snelheid, zoudt gij dan gelooven, dat hij u eenigzins minder naar waarheid geprezen had?
Theaet. Wel neen.
So. Maar houdt gij het dan voor eene kleine en niet voor eene van de allerzwaarste zaken, om, zoo als ik zeide, uit te vinden, wat de kennis is [54]?
Theaet. Waarlijk, bij Zeus, ik houd het voor eene van de allerzwaarste.
So. Houd maar moed over u zelven, en geloof, dat Theodorus iets van gewigt [55] gezegd heeft en bevlijtig u op allerlei wijs, zoo omtrent de andere dingen, als omtrent de kennis, om rekenschap te bekomen, wat het toch is.
Theaet. Voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt, Socrates! zal het blijken.
VI. So. Komaan dan; want daareven zijt gij goed voorgegaan; beproef eens, het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende, even als gij die, hoe vele zij ook waren, met één geslacht omvat hebt, alzoo ook de vele soorten van kennis met ééne bepaling te beschrijven.
Theaet. Maar wees verzekerd, Socrates! dat ik dikwijls beproefd heb dit te onderzoeken, wanneer ik de door u voorgestelde vragen hoorde verhalen; maar [weinig heeft het mij geholpen,] daar ik mij zelven niet kan overtuigen, dat ik iets zeg, dat voldoende is, en het, evenmin zóó van een’ ander kan hooren als gij verlangt; hoewel ik aan den anderen kant mijn voornemen niet kan laten varen [56].
So. [Dat is geen wonder], mijn beste Theaetetus! want gij zijt in barensnood, daar gij niet ledig, maar zwanger zijt.
Theaet. Ik weet het niet, Socrates! maar ik zeg u den toestand, waarin ik ben [57].
So. Maar, mijn gekje! [58] hebt gij dan niet gehoord, dat ik een zoon ben van eene zeer voortreffelijke en eerwaardige vroedvrouw, van Phaenabete?
Theaet. Dat heb ik reeds gehoord.
So. Maar hebt gij ook gehoord, dat ik dezelfde kunst uitoefen?
Theaet. Wel neen!
So. Maar wees toch verzekerd, dat het zoo is [59]. Verklap mij echter niet bij de anderen. Want, mijn vriend! het is niet bekend, dat ik die kunst heb, en daar [60] zij [61] dit dus niet weten, zeggen zij dit niet van mij, maar wel, dat ik allerzotst ben en de menschen in de war breng [62]. Dat hebt gij toch wel gehoord?
Theo. Wel zeker.
So. Wil ik u dan de reden eens zeggen?
Theaet. Gaarne.
So. Bedenk dan eens, hoe al, wat eene vroedvrouw aangaat, gesteld is, en gij zult gemakkelijker begrijpen, wat ik wil. Want gij weet, dat geene derzelve, zoo lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart, andere vrouwen helpt verlossen, maar dat zij dit doen die niet meer in staat zijn te baren.
Theaet. Wel zeker.
So. Men zegt, dat Artemis daarvan de oorzaak is, daar zij, zonder zelve te baren, het opzigt over het baren [der kraamvrouwen] gekregen heeft [63]. Aan onvruchtbare vrouwen nu pleegt zij de vroedkunst niet te verleenen [64], wijl de menschelijke natuur te zwak is, om de theorie te vatten van iets, waarvan zij geene ondervinding heeft; maar aan de vrouwen, die door haren ouderdom niet meer baren, heeft zij dit opgedragen en ze daardoor, wijl zij aan haar gelijk zijn, eervol onderscheiden.
Theaet. Waarschijnlijk [65].
So. Is dan ook dit niet waarschijnlijk en noodzakelijk, dat de zwangere en niet zwangere vrouwen beter door de vroedvrouwen, dan door andere onderscheiden [66] worden?
Theaet. Wel zeker.
So. Verder kunnen de vroedvrouwen ook door dranken te geven en tooverformulieren [67] te zingen, de weeën opwekken, en, zoo zij willen, verzachten, en de vrouwen, die moeijelijk baren, laten baren, en zoo het haar noodig schijnt de vrucht af te wenden, die afwenden.
Theaet. Dat is zoo.
So. Hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt, dat zij ook zeer goede aanbindsters van het huwelijk zijn, daar zij zeer bekwaam zijn, om te beslissen, hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan voortbrengen?
Theaet. Dat weet [68] ik nog niet regt.
So. Maar weet dan, dat zij zich meer daarop verheffen, dan op het navelsnijden; want denk eens: gelooft gij, dat het kweeken en inzamelen der aardvruchten dezelfde of eene andere kunst [69] is, dan het beoordeelen, in hoedanige aarde hoedanige planten en zaden moeten gelegd worden?
Theaet. Neen, maar van dezelfde.
So. Maar mijn beste! gelooft gij dan, dat, ten opzigte eener vrouw, eene andere de kennis is van het laatste, eene andere van het inzamelen [70]?
Theaet. Dat is niet waarschijnlijk.
So. Neen zeker niet. Maar om het onregtmatige en onkundige bijeenbrengen van man en vrouw, dat koppelen genoemd wordt, ontwijken de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken, daar zij eerwaardig zijn, en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen, terwijl het toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt, een huwelijk goed aan te binden.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Dit nu is het werk der vroedvrouwen, dat geringer is dan het mijne. Want het gebeurt aan vrouwen niet, somtijds schimmen, en dan weer [71] waarachtige kinderen te baren, die niet gemakkelijk te onderkennen zijn, want zoo dat er bij was, dan zou het voor de vroedvrouwen het schoonste werk zijn, het ware en niet ware te onderscheiden, of meent gij dit niet?
Theaet. Ja!
VII. So. Mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij [72], maar verschilt daarin, dat zij mannen en geen vrouwen verlost, en dat zij de zielen als zij baren in het oog houdt, maar niet de ligchamen. Maar dit is het voornaamste in onze kunst, in staat te zijn op allerlei wijs te onderzoeken, of het verstand van den jongeling eene schim en leugen baart, of iets dat echt en waar is. Verder heb ik ook dit, dat aan de vroedvrouwen eigen is: ik baar zelf geene wijsheid, en wat reeds velen mij verweten hebben, dat ik de anderen vraag, maar zelf over niets eenig antwoord geef, daar ik volstrekt geene wijsheid heb, dat verwijten zij mij met regt [73]. De oorzaak nu hiervan is deze, dat de godheid mij dwingt om de vroedkunst uit te oefenen, maar mij belet heeft te baren [74]. Ik nu ben zelf wel niet bijzonder wijs, en heb geene zoodanige [75] uitvinding gedaan, die het kind is van mijnen geest; doch zij, die met mij omgaan, schijnen in het eerst, sommigen zelfs bijzonder dom, maar bij voortgaanden omgang schijnen allen, wien God dit toestaat, naar hun eigen oordeel en dat van anderen, verwonderlijk toe te nemen; en het is duidelijk, dat zij [dit doen] zonder ooit iets van mij te leeren, maar door zelve uit zich zelve vele schoone dingen te vinden en vast te houden; de verlossing echter is dan door mij met Gods hulp bewerkt. Dit nu blijkt aldus. Reeds velen, die dit niet begrepen en zich zelve de oorzaak noemden, maar mij niet telden, zijn, hetzij vrijwillig, hetzij door anderen overgehaald, vroeger dan behoorde heengegaan, en nadat zij heengegaan waren, hebben zij verder miskramen gehad door de slechte behandeling, en hebben, hetgeen door mij verlost was, met slecht voedsel verdorven, daar zij leugens en schimmen hooger stelden dan de waarheid, en eindelijk [76] schenen zij aan zich zelve en aan anderen bijzonder onwetend. Hiertoe behoort Aristides, de zoon van Lysimachus, en vele anderen. En wanneer die wederkomen, en om mijnen omgang verzoeken, en allerlei vreemde dingen doen [77], dan belet het goddelijke [78] [teeken], dat mij verleend wordt, mij om met sommigen om te gaan, en met anderen vergunt het zulks; en die nemen dan weder toe. Zij nu, die met mij omgaan, hebben ook dit met de kraamvrouwen gemeen, dat zij zelfs vrij wat meer weeën hebben en nacht en dag met benaauwdheid vervuld worden. Die weeën kan mijne kunst opwekken en tot bedaren brengen. Zoo nu gaat het met hen [79]. Maar somtijds, Theaetetus! zoo er zijn, die mij niet zwanger schijnen, en waarvan ik inzie, dat zij mij geenszins behoeven, ben ik zoo goed ze aan den man te helpen, en (menschelijker wijs gesproken [80],) kan ik al zeer goed gissen, van wiens omgang zij nut kunnen trekken. Vele hunner heb ik aan Prodicus of aan andere wijze en uitstekende mannen overgegeven.
Dit, mijn beste! heb ik u daarom zoo uitvoerig verteld, omdat [81] ik giste, dat gij, zoo als gij ook zelf meent, weeën hebt, daar gij zwanger zijt. Gedraag u dus jegens mij als jegens den zoon eener vroedvrouw, die zelf de vroedkunst verstaat, en bevlijtig u mijne vragen zoo goed gij kunt te beantwoorden [82]. En zoo ik dan, iets onderzoekende van hetgeen gij zegt, dat voor eene schim en voor niet waarachtig houd, [en] het vervolgens opneem en wegwerp, wees dan niet boos op mij, zoo als de voor het eerst barende ten opzigte der kinderen. Want velen, mijn waardste! waren zóó jegens mij gesteld, dat zij waarlijk op het punt waren mij te bijten, wanneer ik hun eenige beuzelarij ontrukte, en niet geloofden, dat ik dit uit welwillendheid deed, daar zij ver waren van het inzigt, dat geen god jegens de menschen kwaadgezind [83] is, en ik niets van dien aard uit kwaadwilligheid doe, maar dat het mij geenszins vrij staat een leugen toe te stemmen, en iets waars te verduisteren. VIII. Beproef dan nog eens van voren af aan, Theaetetus! te zeggen, wat kennis is; maar zeg nooit, dat gij er niet toe in staat zijt, want, zoo God wil en gij u mannelijk gedraagt, zult gij er toe in staat zijn.
Theaet. Maar [84] waarlijk, Socrates! daar gij mij aldus aanspoort, zou het schandelijk wezen, niet in alle opzigten zijn best te doen, om alles te zeggen, wat men kan. Ik geloof dan, dat hij, die iets kent, dat, wat bij kent, voelt, en, naar mij nu voorkomt, is de kennis niets anders dan gevoel [85].
So. Goed zoo, mijn jongen! want zoo moet men vrijuit spreken. Maar kom aan! laten wij dit te zamen onderzoeken, of het goed of ijdel [86] is. Gij zegt: kennis is gevoel [87]?
Theaet. Ja.
So. Gij schijnt daar waarlijk eene niet onbelangrijke uitspraak over de kennis te doen, maar dezelfde bepaling te geven als Protagoras. Hij toch zeide volkomen hetzelfde [88], met eenigzins andere woorden. Want hij zegt, als ik wel heb [89], dat de mensch de maat van alle dingen is, van de dingen die zijn, dat zij zijn, en van de dingen die niet zijn, dat zij niet zijn. Hebt gij dat niet wel eens gelezen?
Theaet. Ja, dikwijls.
So. Zegt hij dan niet ongeveer dit? Dat, gelijk alle dingen aan mij toeschijnen, zij alzoo ook voor mij zijn, en gelijk zij aan u toeschijnen, voor u; edoch dat gij en ik menschen zijn?
Theaet. Ja: dat zegt hij.
So. Het is waarlijk niet te denken, dat een verstandig man onzin praat: laten wij hem dus volgen. Is niet somtijds, terwijl dezelfde wind waait, de een onzer koud, de ander niet? en de een een weinig, de ander zeer?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen? of zullen wij Protagoras gelooven, dat hij voor hem, die het koud heeft, koud is, en voor den anderen niet?
Theaet. Het laatste [90].
So. Edoch het komt aan ieder alzoo voor.
Theaet. Ja.
So. Dat is: ieder voelt het zoo.
Theaet. Juist.
So. Dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle dergelijken op hetzelfde neêr. Want wat ieder voelt, dat schijnt voor ieder ook te zijn.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Derhalve heeft het gevoel altijd het wezenlijke en de waarheid tot voorwerp [91], daar het kennis is.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Maar, bij de Gratiën! was dan Protagoras een doorgeleerd man, die voor ons als den grooten hoop zich zoo duister uitdrukte, maar aan zijne leerlingen in het verborgen de waarheid zeide [92]?
Theaet. Hoe meent gij dat, Socrates?
So. Ik zal u die waarlijk niet verwerpelijke redenering mededeelen [93], namelijk, dat niets op zich zelf bestaat, en dat gij aan niets met regt deze of die hoedanigheid of eigenschap [94] kunt toeschrijven, maar, zoo gij het groot noemt, zal het ook klein schijnen, en, zoo gij het zwaar noemt, ligt, enz. daar niets één, of dit, of zoodanig is; maar alles, wat wij verkeerdelijk zeggen te bestaan, eigenlijk ontstaat uit beweging en onderlinge vermenging; want nooit is er iets, maar steeds wordt het. En daarover is de geheele rij der wijzen, behalve Parmenides [95], het eens, [namelijk] Protagoras en Heracliet en Empedocles, en de eerste dichters van beide dichtsoorten, Epicharmus van de Comedie, en Homerus van de Tragedie; want, toen de laatste sprak van den Oceaan, den vader der goden, en hunne moeder Tethys, leerde hij, dat alles uit vloeijing en verandering ontstaan is; of dunkt u niet, dat hij dat bedoelt?
Theaet. Ongetwijfeld.
IX. So. Wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger, aangevoerd door eenen veldheer als Homerus, weêrstand te bieden, zonder zich schande te berokkenen?
Theaet. Dat is niet gemakkelijk, Socrates!
So. Zekerlijk niet, Theaetetus! te meer, daar de [waarheid dezer] leer ook voldoende daardoor wordt aangeduid, dat verandering de bron is van den schijn van bestaan en van het worden, maar rust van het niet bestaan en het vergaan [96]; want de warmte en het vuur, dat de andere dingen doet ontstaan, en in stand houdt, wordt zelf voortgebragt door beweging [97] en wrijving, en die twee door verandering. Of is dat niet de oorsprong van het vuur?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. En ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde.
Theaet. Zeer zeker.
So. Wordt verder [98] de toestand der ligchamen niet door rust en ledigheid bedorven, maar door oefening en beweging over het geheel bewaard?
Theaet. Ja.
So. En is het niet door studie en oefening, dat is door beweging, dat de [99] ziel kennis verkrijgt en die voor zich bewaart en beter wordt, terwijl zij door rust, dat is door verwaarloozing en gebrek aan studie, niet alleen niet leert, maar ook nog daarenboven hetgeen zij geleerd heeft, vergeet [100]?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Dus is het goede voor ziel en ligchaam beweging, het kwade daarentegen het tegenovergestelde [101]?
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Moet ik nu nog stilte van wind en water, enz. noemen [en zeggen] dat rust rotting en verderf veroorzaakt, maar het tegenovergestelde bewaart? en moet ik daarop nu nog de kroon zetten [102], daarbij bewerende, dat Homerus met de gouden keten niets anders meent dan de zon, en te kennen geeft, dat, zoo lang als het omwentelen en de zon in beweging blijft, alles onder de Goden en de menschen bestaat en behouden blijft; maar dat, zoo die als gebonden bleef staan, alles bedorven en, naar het spreekwoord zegt, te onderste boven gekeerd zou worden [103]?
Theaet. Ik geloof, Socrates! dat dit te kennen geeft, wat gij zegt.
X. So. Vat het dan nu aldus op, mijn beste! Vooreerst wat betreft de oogen, dat, hetgeen gij witte kleur noemt, niets op zich zelf is buiten de oogen noch in de oogen; en dat er geene vaste plaats aan kan toegewezen worden. Want [zoodra gij dat deedt], was hetgeen bestaat, ergens in eenen vastgestelden toestand, en zou blijven en niet meer aanhoudend worden.
Theaet. Maar hoe dan?
So. Laat ons, het daareven gezegde volgende, niets als op zich zelf bestaand beschouwen; en het zal alzoo blijken, dat zwart en wit en elke andere kleur voor ons ontstaat uit het stuiten der oogen op de daarmede overeenstemmende [104] beweging; en al wat wij kleur noemen, zal noch het stuitende noch hetgeen, waarop gestuit wordt, zijn, maar voor ieder iets bijzonders, dat daartusschen wordt; of zoudt gij durven beweren, dat, zoo als iedere kleur u voorkomt, zij eveneens voorkomt aan eenen hond en aan elk ander dier?
Theaet. Neen, waarlijk niet.
So. Maar verder: komt iets eveneens voor aan een ander en aan u? zijt gij daar zeker van, of veel meer, dat ook aan u hetzelfde niet [eveneens voorkomt], daar gij nooit in denzelfden toestand zijt [als vroeger]?
Theaet. Het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste.
So. Zoo dus, hetgeen wij met iets anders meten of hetgeen wij aanraken, groot of wit of warm was, dan zou het nooit met een ander in aanraking komende, wat anders geworden zijn, zonder dat het zelf veranderde; en zoo het gemetene of aangeraakte ieder van die dingen [105] was, dan zou het niet, wanneer iets anders er bij kwam, of iets onderging, zonder zelf iets ondergaan te hebben, anders geworden zijn [106], daar wij nu, mijn vriend! [zoo wij dit beweren] gedwongen worden iets vreemds en bespottelijks te zeggen, zoo als Protagoras en ieder, die hem poogt te volgen, zou aanmerken.
Theaet. Hoe en wat meent gij?