Part 5
So. Maar, mijn vriend! het is onzeker, of wij misschien het regte punt voorbijloopen. Het is althans waarschijnlijk, dat hij, ouder zijnde, wijzer is dan wij; en zoo hij nu op het oogenblik hier tot aan den nek uit den grond opkeek, zou hij denkelijk, na mij om mijn doorslaan, en u om uw toestemmen, met verwijtingen overladen te hebben, weêr onderduiken en eensklaps op den loop gaan. Maar wij moeten, geloof ik, ons bedienen van onze krachten, hoe die ook zijn [248], en steeds datgene zeggen, wat ons waar voorkomt. En kunnen wij waarlijk nu wel iets anders zeggen, dan dat ieder toestemt, dat de een wijzer is dan de andere, of soms ook dommer?
Theod. Zoo komt het mij althans voor.
XXIII. So. En dat de leer [van Protagoras] vooral tot staan gebragt wordt in het punt, dat wij, toen wij hem beschermden, geschetst hebben, namelijk dat de meeste dingen, gelijk zij schijnen, zoo ook voor ieder warm, droog, zoet, enz. [249] zijn, en dat, zoo men in het geheel toestemt, dat in eenig opzigt de een van den ander verschilt, dat men dan aangaande het gezonde en zieke wil erkennen, dat niet ieder vrouwtje, of kindje, of diertje, in staat is, om zich zelven te genezen, dewijl het weet, wat voor hetzelve gezond is; maar dat daar, zoo ergens, de een van den ander verschilt?
Theod. Zoo komt het mij althans voor.
So. Dus ook in het staatkundige, dat het schoone, leelijke, regtvaardige of onregtvaardige, heilige of onheilige, wat iedere staat als zoodanig beschouwende, voor zich zelven vaststelt, zulks voor hem [250] ook in waarheid is, en dat daarin geen enkel mensch of staat wijzer dan een ander mensch of staat is; maar hij zal toestemmen, dat, zoo ergens, in het vaststellen van het voor zich nuttige of niet, de eene raadsman van den andere en de eene meening van den staat van de andere ten opzigte der waarheid verschilt, en hij zou niet stellig durven beweren, dat hetgeen een staat, omdat hij het nuttig voor zich waant, bepaalt, ongetwijfeld ook nuttig zal wezen. Maar daar, waar ik zeg, in het regtvaardige en onregtvaardige, en heilige en onheilige, wil men staande houden, dat geen van die dingen zijne eigene wezenheid heeft, maar dat hetgeen aan de menigte zoo toeschijnt, waar wordt, wanneer het toeschijnt en zoo lang als het toeschijnt. En zoo velen als niet geheel en al Protagoras napraten, verkondigen ongeveer deze leer [251]. Maar Theodorus! de eene redekaveling na de andere, en wel telkens grootere, houden ons bezig.
Theod. Maar wij hebben immers ledigen tijd [252], Socrates!
So. Dat schijnt zoo. En bij vele andere gelegenheden, mijn vriend! maar vooral [253] nu, heb ik opgemerkt, dat natuurlijk zij, die in wijsgeerige studiën [254] veel tijd hebben doorgebragt, zoo zij in de regthuizen komen, zich als redenaars bespottelijk voordoen.
Theod. Hoe meent gij dat dan?
So. Zij, die van hunne jeugd af aan zich in regthuizen en dergelijke dingen ophouden [255], schijnen in vergelijking van hen, die in de wijsbegeerte en dergelijke bezigheid opgevoed zijn, als slaven in vergelijking van vrijen opgevoed te wezen.
Theod. Hoe zoo?
So. Daar aan de eersten de ledige tijd, waarvan gij spreekt, nooit ontbreekt, en zij hunne redekavelingen in vrede en ledigen tijd opstellen, en gelijk wij nu reeds de derde opvolgende redekaveling opvatten, zoo ook zij, indien hun eene nieuwe redekaveling meer dan de behandeld wordende [256] bevalt, zoo als dat met ons het geval is, [de laatste verkiezen], en het hun om het even is, of zij lange of korte redeneringen bezigen, zoo zij maar het wezenlijke vatten. De anderen echter spreken altijd in haast, want het stroomende water [257] drijft ze voort, en laat hun niet toe, te spreken waarover zij willen, maar de tegenpartij staat tegenover hen, een dwangmiddel hebbende en een boekje, dat er bij gelezen wordt [258], waarbuiten niet mag gesproken worden [259], en de rede wordt altijd over eenen mededienstknecht gehouden in tegenwoordigheid van den heer, die daar zit en het regt in zijne hand heeft, en de strijd is nooit vrij, maar steeds over een bepaald onderwerp, ja dikwijls is het een gevecht [260] op leven of dood. Zoodat zij door dit alles scherp en slim worden en leeren hunnen heer met woorden te vleijen en met daden te believen [261], daar zij kleingeestig en niet opregt van gezindheid zijn. Want het dienen van kindsbeen af, vernietigt de verheffing [van ziel], de opregtheid en de edelaardigheid [262], daar zij dwingt om slinksch te handelen, en de nog teedere zielen in groote gevaren en angsten stort, die zij niet met billijkheid en opregtheid [263] kunnen doorstaan, en daarom zich terstond naar het liegen en elkander benadeelen wendende, zich zeer buigen en wringen, zoodat zij van knapen eindelijk mannen worden, zonder iets gezonds in hunne ziel te hebben, terwijl zij zich verbeelden, knap en wijs geworden te zijn.
Zoo zijn zij, Theodorus! en wilt gij nu, dat wij de mannen van onze partij beschrijven, of dat wij ze voorbijgaan en ons terstond weder tot onze redekaveling wenden [264], ten einde niet, gelijk wij daareven zeiden, wat veel misbruik te maken van de vrijheid om het voorwerp der redekaveling te veranderen?
Theod. Wel neen, Socrates! maar wij moeten ze beschrijven. Want gij hebt zeer juist aangemerkt, dat wij niet zulke dienaars der redekaveling zijn als de menschen van die partij [265], maar de redekavelingen zijd ons als het ware dienstbaar, en elke daarvan wacht om voleindigd te worden tot het ons goeddunkt, want bij ons is geen regter of toeschouwer (als bij de dichters) [266], om ons te berispen en te besturen.
XXIV. So. Laat ons dan, zoo als betamelijk is, daar gij het goedvindt, over de aanvoerders spreken; want waarom zou iemand spreken van hen, die zich flaauw op de wijsbegeerte toeleggen? Zij nu weten van hunne jeugd af aan, vooreerst den weg niet naar de markt, noch waar de regtbank of het raadhuis of eenige andere vergaderplaats van den staat is; en wetten of besluiten, die verhandeld worden of vroeger geschreven zijn, zien zij niet in, noch hooren er naar [267]. Het streven naar vereenigingen tot het bekomen van posten en het houden van staatkundige bijeenkomsten en maaltijden en feesten met fluitspeelsters komt hen in den droom niet op [268]. En of iemand in de stad van aanzienlijke of geringe afkomst is, of er aan iemand van zijne voorouders, van vaders- of moeders- kant eenige smet kleeft, dat weet hij nog minder, dan hoeveel emmers water in de zee gaan. En hij weet niet eens, dat hij dat alles niet weet, want hij onthoudt er zich niet van uit eerzucht [269], maar in waarheid is alleen zijn ligchaam in den staat aanwezig en woont daar, maar zijn geest, die dit alles voor weinig, ja voor niets acht, veracht het en zweeft volgens Pindarus overal heen, hetgeen onder de aarde en op dezelve is, berekenend, en de bovenste streken des hemels [270] aan sterrekundig onderzoek onderwerpend, en de algemeene wezenheid, al wat ergens bestaat, onderzoekend [271], zonder zich tot een der nabijgelegene dingen af te laten.
Theod. Hoe meent gij dat, Socrates?
So. Eveneens, Theodorus! als toen, naar men verhaalt, eene geestige en aardige Thracische slavin Thales, die de sterren bestudeerde en naar boven keek en in een’ put viel, bespotte, omdat hij begeerde te weten, wat in den hemel was, maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was, niet wist. Want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman onbekend, niet alleen in hetgeen hij doet, maar bijna of hij een mensch is of eenig ander wezen; maar wat toch de mensch is, en wat zulk een wezen meer dan andere moet doen en lijden, dat onderzoekt hij en legt er zich op toe, om dat uit te vorschen. Gij begrijpt toch [wat ik meen], niet waar, Theodorus?
Theod. Ja zeker, en gij zegt de waarheid.
So. Daarom, mijn vriend! wanneer zoo iemand, met wien dan ook, in het bijzondere of openbare leven te doen krijgt, zoo als ik in den beginne [272] zeide, wanneer hij in het regthuis of elders over hetgeen voor de voeten en voor oogen ligt moet spreken, dan verwekt hij gelach, niet slechts bij: Thracische slavinnen, maar ook bij de andere menigte, daar hij door gebrek aan oefening [273] in putten en allerlei verlegenheid valt, en een gek figuur maakt, waardoor hij voor onbeschaafd wordt gehouden. Want bij het doen van verwijtingen kan hij niemand zijne bijzondere gebreken verwijten, daar hij van niemand eenig kwaad weet, omdat bij daarvan geen werk gemaakt heeft [274]; weshalve hij door zijne verlegenheid bespottelijk schijnt; en bij de loftuitingen en de pralerijen van anderen, blijkt het, dat hij daarover niet uiterlijk, maar in zijnen geest lacht, waardoor hij een dwaas [275] schijnt te wezen. Want wanneer hij eenen vorst of koning hoort gelukkig noemen, meent hij eenen herder, b. v. een zwijnendrijver, schapenhoeder of koeboer, die dapper melkt, gelukkig te hooren noemen, behalve dat zij een lastiger en weêrspanniger dier hoeden en melken, maar [hij oordeelt], dat zoodanig iemand door gebrek aan tijd niet minder boersch en onbeschaafd moet worden, dan de herders, terwijl hij zich, als in eene schaapskooi op een’ berg, in zijnen burg opsluit. En wanneer hij tienduizend bunders of nog meer eene verwonderlijk groote bezitting hoort noemen [276], dan meent hij zeer weinig te hooren, daar hij gewoon is, de geheele aarde te beschouwen. En de loftuiting van hen, die de aanzienlijke geslachten prijzen, [zeggende], dat iemand welgeboren is, die zeven rijke voorvaders kan aanwijzen, houdt hij voor [de taal] [277] van menschen, die stomp en bekrompen van gezigt zijn, daar zij door onkunde [278] niet in staat zijn, steeds het geheel in het oog te vatten, en te beredeneren, dat ieder ontelbaar vele duizenden [279] van voorouders heeft, waaronder voor ieder vele duizenden rijken en armen, koningen en slaven, Barbaren en Grieken zijn; en zoo sommigen zich op een lijn van 21 voorouders verheffen en hun geslacht uitrekenen tot op Hercules, den zoon van Amphitryon, schijnt hem dat eene ongerijmde kleingeestigheid, en hij lacht, omdat zij niet inzien, dat de 25e van Amphitryon opwaarts zoo was als het toeval meêbragt, en evenzoo de 50e van dezen opwaarts gerekend, en omdat zij de opgeblazenheid hunner dwaze ziel niet kunnen afleggen. In al deze punten nu wordt zoo iemand door de menigte uitgelagchen, daar hij deels zich trotschelijk schijnt aan te stellen, deels hetgeen voor de voeten ligt niet te kennen, en telkens in de war te wezen.
Theod. Gij zegt het juist zoo als het gebeurt, Socrates!
XXV. So. Maar, mijn vriend! wanneer hij nu zelf iemand naar boven trekt, en wil, dat die van het klagen over aangedaan onregt [280] zich wende tot het beschouwen van de regtvaardigheid en onregtvaardigheid zelve, wat ieder derzelve is, en waarin zij van andere dingen of van elkaar verschillen, of van het gelukkig prijzen der koningen [281] en rijken tot het beschouwen van het koningrijk en van het menschelijk geluk en ongeluk in het algemeen, wat zij zijn en hoe het met de natuur [282] van den mensch overeenkomt, het eene na te jagen, het andere te ontvlugten: wanneer die kleingeestige, scherpe, twistgierige mensch van dat alles rekenschap moet geven, dan is het zijne beurt, en daar hij duizelend, van de hoogte waarop hij geplaatst is, naar beneden ziet en door ongewoonte geen raad weet, en in benaauwdheid zit, en onzin spreekt, verwekt hij gelach, niet bij Thracische slavinnen en andere ongeleerde menschen, die het niet eens merken; maar bij allen, die anders dan slaven zijn opgevoed. Dit is beider levenswijs, Theodorus! de ééne van iemand, die waarlijk in vrijheid en ledigen tijd is opgevoed, wien gij den naam geeft van wijsgeer, die geen verwijt verdient [283], omdat hij dom en nietswaardig schijnt, wanneer hij met slaafsche werkzaamheden in aanraking komt, en b. v. geen reiskoffer pakken, of taarten bakken, of pluimstrijken kan: de andere van iemand, die dat alles glad en spoedig kan uitvoeren, maar niet in staat is, zich behoorlijk voor te doen, of met betamelijke woorden de Goden en het ware levensgeluk der menschen te bezingen.
Theod. Socrates! wanneer gij allen, evenzeer als mij, overtuigdet van hetgeen gij zegt, dan zou er meer vrede en minder ellende onder de menschen zijn.
So. Maar het is onmogelijk, dat het kwaad verga, Theodorus! daar er steeds een tegenhanger van het goed moet wezen; of dat het in de Godheid gegrond is: maar naar de wet der noodzakelijkheid kleeft het aan de menschelijke natuur en aan dezelfde plaats [284]. Daarom moet men ook pogen, zoo spoedig mogelijk van hier derwaarts [285] te vlugten. Deze vlugt bestaat in het zooveel mogelijk gelijk worden aan God [286], en die gelijkheid bestaat in regtvaardig en heilig en wijs te worden. Doch, mijn beste! daar [287] het niet zeer gemakkelijk is [de menschen] te overtuigen, dat men niet om de reden, die de menigte voor het ontvlugten der zonde en het najagen der deugd opgeeft, namelijk om niet kwaad maar goed te schijnen, de eene moet beoefenen en de andere niet, dewijl dit, naar mijn inzien, oudewijvenpraat is; zoo willen wij de waarheid op deze wijs in het licht stellen. God is volstrekt in geen opzigt onregtvaardig, maar zoo regtvaardig mogelijk; en niemand is meer aan hem gelijk, dan wie onder ons het regtvaardigste wordt. Hieraan [288] moet de waarachtige voortreffelijkheid, nietswaardigheid en flaauwheid van een mensch gemeten worden [289]. De kennis toch hiervan is waarachtige wijsheid en deugd, en de onkunde klaarblijkelijke onwetendheid en slechtheid [290]; maar de andere schijnbare voortreffelijkheid en wijsheid is op staatkundig en wetenschappelijk gebied slechts laag en zonder waarde. Dus is het voor hem, die onregt doet en met woord of daad heiligschennis pleegt, verre het beste, hem niet toe te laten zich door onregt te laten gelden [291]. Want zij verheffen zich op de schande en meenen van zich te hooren zeggen, dat zij geen beuzelaars en ballasten der aarde zijn, maar mannen zooals het behoort; die zich in de maatschappij [292] weten te handhaven. Dus moet men de waarheid zeggen, [namelijk], dat zij meer zijn wat zij meenen niet te zijn, naarmate zij dit minder meenen, daar zij die straf der onregtvaardigheid niet kennen, die het minst onbekend mag blijven. Want het is niet die, welke zij meenen, geeselslagen en dood, waarvan soms ook volkomen onschuldigen hun deel krijgen [293], maar eene straf, die niet kan ontweken worden.
Theod. Welke meent gij dan?
So. Deze, mijn vriend! dat, terwijl er in de denkbeeldige wereld [294] twee toonbeelden zijn, het eene van den aan God gelijkvormigen en tevens zeer gelukkigen, het andere van den goddeloozen en tevens zeer ongelukkigen, zij, deze waarheid niet inziende, door hunne domheid en uiterste onkunde niet merken, dat zij aan het tweede door hunne onregtvaardige daden gelijk worden, en ongelijk aan het eerste, waarvoor zij dan boeten door het leiden van een leven, overeenkomstig met het toonbeeld, waarop zij gelijken. En [295] zoo wij zeggen, dat, zoo zij hunne bedrevenheid niet afleggen, ook na hunnen dood die van alle kwaad zuivere plaats [296] hen niet zal opnemen, maar dat zij in het andere leven steeds [een lot] zullen hebben, aan hunne handelwijze gelijk [297], daar zij, zelve boos zijnde, alleen met boozen zullen omgaan, dan zullen zij in hunne hooge wijsheid zeker meenen de taal van krankzinnigen te hooren.
Theod. Ongetwijfeld, Socrates!
So. Ik ben er zeker van overtuigd, mijn vriend! Één ding echter gebeurt hun zeker [298], [namelijk,] dat, zoo zij in een gesprek [299] rekenschap moeten geven en ontvangen over hetgeen zij berispen, en dit moedig een geruimen tijd willen volhouden, en niet laf op den loop gaan, eindelijk, mijn vriend! hetgeen zij zeggen hunzelven niet meer voldoet, en hunne beroemde welsprekendheid zoo zeer verwelkt, dat zij niet van kinderen schijnen te verschillen. Laat ons nu hierover, daar wij het slechts als bijzaak behandelen, uitscheiden; [want] zoo [wij dat] niet [doen], zal er steeds meer bijkomen en onze oorspronkelijke redekaveling verstikken; maar laat ons tot het vorige terugkeeren, zoo het ook u goeddunkt.
Theod. Socrates! ik hoor zulke dingen niet minder gaarne; want het is voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen; zoo gij het echter verlangt, laat ons dan [tot ons onderwerp] terugkeeren.
XXVI. So. Wij waren dan in onze redekaveling gekomen tot het punt, waarop wij oordeelden [300], dat de voorstanders der aanhoudende beweging van het zijnde [301], en der waarheid van iedere meening voor den meenenden, in andere dingen, vooral in regt en onregt, willen staande houden, dat ongetwijfeld, wat een staat als zijn oordeel vaststelt, ook voor hem, zoolang het vastgesteld blijft, regt is; maar dat niemand nog moedig genoeg is, om van het goede te durven beweren, dat, wat een staat nuttig meenende, voor zich vaststelt, ook nuttig is, zoolang als het vastgesteld blijft, behalve zoo men den naam meende; maar dat zou spotten zijn met hetgeen wij zeggen [302].
Theod. Dat zou het.
So. Men moet niet spreken van den naam, maar van de zaak in questie, die door dien naam wordt aangeduid.
Theod. Natuurlijk.
So. Maar zoo nu de staat iets nuttig [303] noemt, en dit door eene wet vaststelt, dan streeft hij daarbij naar het nuttige, en maakt alle wetten, naar zijn beste weten en vermogen, zoo nuttig mogelijk voor zich zelven. Of maakt hij wel wetten met eenig ander doel?
Theod. Wel neen.
So. En bereikt elke staat dat doel telkens, of wordt het dikwijls gemist?
Theod. Ik geloof, dat het ook wel gemist wordt.
So. Nu zouden allen ditzelfde nog eerder uit dit oogpunt toestemmen, zoo men het vroeg van het geheele geslacht, waartoe ook het nuttige behoort, [namelijk], van het gebied der toekomst [304]. Want wanneer wij wetten maken, dan stellen wij die vast, opdat zij voor den volgenden tijd nuttig mogen zijn; en dit kunnen wij met regt het gebied der toekomst heeten.
Theod. Ongetwijfeld.
So. Komaan! laten wij dan Protagoras of eenen anderen uit degenen, die met hem instemmen, aldus ondervragen. Protagoras! de mensch is immers, volgens uwe leer, de maat van alle dingen, van het witte, zware, ligte, ja van al wat van die soort is? Want daarvan het kenmerk in zich hebbende, daar hij oordeelt zooals hij gevoelt, oordeelt hij zooals het voor hem waar en werkelijk is, niet waar?
Theod. Ja.
So. Maar, Protagoras! zullen wij zeggen, heeft hij dan ook het kenmerk van de toekomst in zich, en, zooals hij meent dat het wezen zal, is het ook alzoo voor den meenenden? b. v. wat het heete betreft, wanneer een ongeleerde meent, dat hij de koorts zal krijgen, en dat dus die hitte zal plaats hebben; en een ander, een arts, het tegenovergestelde meent, naar wiens meening moeten wij dan zeggen, dat het toekomstige zal uitvallen? toch niet naar die van beiden, zoodat hij voor den geneesheer niet heet noch koortsig zal worden, maar voor zich zelven beide?
Theod. Dat zou inderdaad bespottelijk zijn.
So. [En hierbij blijft het niet] [305], maar ik meen, dat [ook] over de toekomstige zoetheid of zuurte van wijn, de meening van den landman en niet die van den harpspeler de baas is.
Theod. Natuurlijk.
So. En over hetgeen goed of kwaad zal klinken, zou een schoolmeester niet beter kunnen oordeelen, dan een musicus, zelfs over hetgeen de schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden.
Theod. Wel neen!
So. Dus is ook het oordeel van eenen, die smullen zal, maar geene kookkunst verstaat, bij het bereiden van het feest, ten opzigte van den toekomstigen lekkeren smaak, van minder belang dan dat van den pasteibakker. Want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten, maar, of ieder voor zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen en zijn. Zoudt gij, Protagoras! niet beter dan eenig ongeleerde te voren kunnen oordeelen, wat in eene geregtelijke redevoering ieder onzer geloofwaardig zal voorkomen?
Theod. Wel zeker, Socrates! juist hierin beweerde hij ver boven allen uit te munten.
So. Bij Zeus, mijn waardste! niemand zou zijn onderwijs voor veel geld gezocht hebben, zoo hij zijne leerlingen had overtuigd, dat ook hetgeen zou wezen en schijnen, door geen wigchelaar of iemand anders beter zou kunnen beoordeeld worden, dan door ieder voor zich zelven [306].
Theod. Dat is zeer waar.
So. Dus stellen de wetgevingen zich het nut in de toekomst voor, en ieder moet toestemmen [307], dat een staat, die wetten maakt, noodzakelijk dikwijls het nuttigste niet treffen kan.
Theod. Ongetwijfeld.
So. Dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te stemmen, dat de een wijzer dan de ander is, en dat de zoodanige maat is; maar dat ik, die onkundig ben, volstrekt niet in de noodzakelijkheid ben van maat te worden, hoewel in de daareven voor hem gehoudene pleitrede beweerd werd, dat ik zulks willens of onwillens wezen moest.
Theod. Ik geloof, Socrates! dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat, en tevens daarin, dat het ook de gevoelens der anderen, die zijne meeningen, zoo als wij zagen, verwerpen, als waar moet erkennen.
So. Zulk een stelsel, Theodorus! gaat nog in vele andere punten mank, [daar het telkens blijkt,] dat niet alle meeningen, die ieder koestert, waar zijn; maar van de uit ieders tegenwoordigen toestand [308] ontspruitende gevoelsaandoeningen en de daaraan zich hechtende meeningen is het moeijelijker te bewijzen, dat zij niet waar [309] zijn. Misschien echter zeg ik niets [310], daar zij welligt onwederlegbaar zijn, en degenen, die ze voor klaarblijkelijke kennis houden, misschien de waarheid zeggen, en onze Theaetetus niet mis geoordeeld heeft, toen hij gevoel en kennis hetzelfde noemde. Dus moeten wij naderbij komen, gelijk de verdedigingsrede van Protagoras voorschreef, en die leer der eeuwige beweging onderzoeken, daartegen kloppende, [om te hooren] of zij eenen zuiveren of eenen zieken klank geeft [311]. En de strijd hierover is niet gering en niet tegen weinigen.
XXVII. Theod. Het is er ver van af, dat de strijd tegen die meening gering is, daar zij integendeel in de streken van Jonie zeer bloeit, want de navolgers van Heracliet staan dezelve krachtig voor.
So. Daarom, mijn waarde Theodorus! moeten wij haar des te meer beschouwen en wel van voren af aan, gelijk zij voorgaan.
Theod. Dat is opperbest. Want, Socrates! wat die navolgers van Heracliet, of, zoo als gij zegt, van Homerus [312] en van nog ouderen aangaat, met die te Ephesus, welke voorwenden deze leer te verstaan, is het niet méér mogelijk te spreken dan met razenden. Want zij zijn in waarheid even bewegelijk als zij schrijven, en bij eene stelling of een vraagstuk te blijven en kalm op hunne beurt te antwoorden en te vragen, wordt onder hen in het minst niet gevonden; ja, rust is in hen nog minder dan in het geheel niet, maar, zoo gij iemand [hunner] iets vraagt, haalt hij als uit een’ pijlkoker korte raadselachtige gezegden en schiet die af, en zoo gij hem rekenschap vraagt, wat hij gezegd heeft, dan wordt gij getroffen [313] met een ander van vreemde beteekenis, maar gij zult met niemand hunner ooit iets vorderen, en ook zij met elkander niet; maar zij zorgen wel, noch in hunne woorden, noch in hunne zielen iets bestendigs te laten, daar zij dat, geloof ik, voor stilstand houden, waartegen zij met geweld strijden en dien zij zoo veel mogelijk overal uitwerpen.
So. Misschien, Theodorus! hebt gij die menschen al strijdend bijgewoond, maar ze niet in vrede gevonden; want zij zijn uwe vrienden niet [314]. Maar ik geloof, dat zij die dingen aan hunne leerlingen, die zij aan zich gelijk willen maken, op hun gemak uitleggen.
Theod. Wat leerlingen! mijn vriend! Bij hen is niemand leerling van een ander, maar zij komen van zelfs op, naarmate ieder hunner den geest krijgt, en de een houdt den ander voor een weetniet. Van hen nu, zoo als ik zeide, zoudt gij nooit goedschiks of kwaadschiks [315] rekenschap krijgen; maar men moet hen zelven als vraagstuk nemen [316] en onderzoeken.