Theaetetus

Part 12

Chapter 123,486 wordsPublic domain

[206] πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken, altijd hun geldelijk voordeel op het oog hadden. Overigens meene men niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een bewijs is, dat Plato de leer van Protagoras goedkeurde. Integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk kon weêrleggen.

[207] ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt van ἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden van Socrates hier moet bijgedacht worden.

[208] αὐτῷ is een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kind Socrates uitstekend te stade kwam.

[209] De constructie is: ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ.

[210] Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen. προορᾶν beteekent eigenlijk vooruitzien. Wat moest nu Theaetetus vooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer van Protagoras zou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben.

[211] γέλωτα τὸν ἐμὲ. Dat γέλωτα voor γέλοιον staat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord echter voor ἐμὲ heeft meer zwarigheid. Stallbaum komt mij voor, de waarheid vrij goed gevoeld te hebben. Plato laat Protagoras zich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was.

[212] De constructie is: δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε, παρεῖναι τῷ μηκέτι πάσχοντι.

[213] γιγνομένους. Zeer juist heeft Plato hier γιγνομένους, niet ὄντας gebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is.

[214] ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uit ἐξέλεγξον hetzij ἀποδεικνύων of een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden.

[215] καὶ λέγω σοφόν. Dit καὶ is moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v. ὀνομάζω of iets dergelijks. Misschien echter is na καὶ ἐγώ uitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgende λέγω kan veroorzaakt wezen.

[216] κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, want κατηγορέω beteekent eigenlijk beschuldigen, maar is later gebezigd van het toekennen eener eigenschap in het algemeen, vanwaar in de Aristotelische wijsbegeerte het woord κατηγορία, praedicamentum, gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend, begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk, want dan zegt Plato hier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die van beschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, dat Plato bij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid tot domheid. Zie Matthiae, Ausf. Gr. Gr. 634., 3, 6.

[217] ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk óf ἑτέρας kan vertalen: de andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, dat Plato begonnen is, als had hij willen schrijven: ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar, omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden, in plaats van ἑτέραν, ἀμείνω geschreven heeft.

[218] Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is, hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken, dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die daarmede overeenkomen.

[219] τοιαῦτα staat hier voor συγγενῆ αὐτῆς en ziet op χρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als de kwade met den kwaden.

[220] φαντάσματα hoort eigenlijk in den vorigen zin. Zie Buttm., Gr. Gr. § 143. 4.

[221] Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden, maar zoo Plato eens gezegd had: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit, volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven, daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een gebrek in Plato’s stijl te dezer plaatse te moeten aanmerken.

[222] Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed of kwaad zijnde beschouwd wordt.

[223] Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragende methode, welke laatste door Socrates gewoonlijk werd toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bij Plato steeds tegen elkander over, maar Protagoras had, zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt.

[224] ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordert ὡς óf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden.

[225] καὶ. Ik heb καὶ door daar vertaald, dewijl wij, omdat de periode na καὶ slechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier het voegwoord daar zouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig door en te verbinden, en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat.

[226] παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hier περιεκέκρουστο te moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid, niet om gelijk hebben te doen is.

[227] ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gebezigd.

[228] Dit laatste is duidelijk een paskwil op Protagoras zelven, wiens tegenwoordige leerling Theodorus de wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen. Over het geheel is, hetgeen Socrates hier uit naam van Protagoras aan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegen Socrates gerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid te doen was. Men vergelijke hier de door Aristoteles van eenen sophist gegevene bepaling: ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή. καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης. (Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken.

[229] Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen. Zie Theod. Waitz, Grundlegung der Psychologie, p. 1–8.

[230] De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks onnoodig is, en dat de beteekenis van beginnen hier uitstekend op hare plaats is. Socrates geeft te kennen, dat hij begonnen is Protagoras te verdedigen, daarmede Theodorus zijdelings aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij begonnen had, verder te voltooijen.

[231] λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar de woorden λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου op hetzelfde neerkomen, alsof er stond: ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας.

[232] Merkwaardig is de aardige wijs, waarop Socrates Theodorus in het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wil Plato waarschijnlijk te kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert.

[233] μέχρι τούτου αὐτοῦ. Dit αὐτοῦ kan het best verklaard worden, door achter ὀλίγον ἐπίσπου de woorden τῷ λόγῳ in de gedachte in te voegen.

[234] Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hier Ἀνταῖον te moeten lezen, daar Sciron in dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, en Plato in het volgende, niet Sciron, maar Antaeus vermeldt, welke laatste hier met regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70 (1).

[235] ἐκείνων. Dit ἐκείνων zou doen vermoeden, dat Sciron in het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding van Theseus, die met Sciron gevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komt Sciron in het vorige niet te pas, waarom ik liever ἐκείνων op Antaeus en zijns gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding van Theseus beschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel van Plato, die Hercules noemende, den grooten Atheenschen held niet kon voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorige Sciron door een afschrijver ten onpas is ingevoegd.

[236] Die mannen zijn de sophisten, die, gelijk bekend is, aanhoudend met Socrates in twist waren, daar Socrates zich juist ten doel had gesteld, hunnen verderfelijken invloed te weren.

[237] Theodorus zou Socrates van dienst zijn, doordien hij hem genoegen zou geven; en zich zelven, doordien hij zijnen vriend zou verdedigen.

[238] Namelijk: tot aan het eindoordeel over de leer van Protagoras.

[239] Woordelijk: eene spelende soort van redekaveling maken.

[240] De zin is woordelijk: nu zou iemand ons ligt zonder magt over de toestemming in zijnen naam stellen.

[241] δι’ ἄλλων. Hier zal wel λόγων onder verstaan worden. De zin is dan deze: niet door algemeene redeneringen, buiten het stelsel van Protagoras om, maar uit dat stelsel zelf, moeten wij zijn gevoelen opmaken.

[242] χειμάζωνται ziet alleen op θαλάττῃ, maar uit dat verbum moeten de met στρατείαις en νόσοις overeenkomende werkwoorden bij die woorden worden ingevoegd. Zie over eene dergelijke plaats bij Aristoteles, mijne aanteekeningen op de Anima II. cap. VIII. § 10, voorkomende in het 8e nommer der Symbolae literariae.

[243] αὐτοὺς beteekent in dezen zin: niet het oordeel van anderen, maar van de menschen over zich zelve.

[244] Woordelijk: edoch het gezegde, dat den mensch de maat van alle dingen noemt, is tot dat der noodzakelijkheid gekomen. τοῦτο ἀνάγκης is genitivus partitivus en beteekent dan: dit bepaalde punt in de rij der noodzakelijk elkander opvolgende dingen. Zie Buttm., Gr. Gr. § 132. 2. b.) Anm. 3.

[245] οἵ γέ μοι τὰ ἐξ ἀνθρώπων πράγματα παρέχουσιν. Woordelijk: die mij de moeite berokkenen, welke uit menschen ontstaat; hetgeen in dezen zin moeijelijk iets anders beteekenen kan, dan: die mij al de moeite berokkenen, welke de eene mensch den anderen kan aandoen.

[246] ἀμφισβητέω is hier twijfelen en wordt door eene sterkere ontkenning verbeterd, welke uitgedrukt wordt door ὁμολογήσεται met een negatief praedicaat.

[247] τότε καὶ ὁ Πρωταγόρας αὐτὸς ξυγχωρήσεται. Ik heb deze woorden in de vertaling weggelaten, omdat zij geheel overtollig zijn. Zij behooren tot de vaak al te groote omslagtigheid van Plato’s stijl, die gegrond is in zijn pogen, om den vrijen loop van een dagelijksch gesprek na te bootsen.

[248] Woordelijk: ons zelven gebruiken, hoedanig wij ook zijn.

[249] πάντα ὅσα τοῦ τύπου τούτου. Deze woorden komen hier volmaakt overeen met κ. τ. λ.; men zou ze kunnen vertalen: al wat tot deze soort (tot dit rubriek) behoort; doch deze omslagtige uitdrukking zou althans in het Hollandsch de rondheid der periode belemmeren. Ik houd het voor een vereischte in eenen goeden stijl, althans in wijsgeerige werken, dat men alle stopwoorden zoo kort mogelijk maakt, om de opmerkzaamheid van den lezer niet af te leiden.

[250] ἑκάστῃ ziet natuurlijk op ἑκάστη vóór πόλις, zoodat hier wordt gezegd, dat voor iederen staat, datgene regtvaardig, enz., is, wat die staat als zoodanig wil beschouwen. Deze aanmerking diene dus om het misverstand te voorkomen, als werd hier geleerd, dat hetgeen iedere staat bepaalt, een algemeene regel wordt, die voor iederen staat geldig is. Dit kon welligt uit de woorden gehaald worden, maar strijdt regelregt tegen de leer van Protagoras, die juist van het algemeene niet hooren wilde, maar ieder enkel wezen op zich zelf nam, en de volkomene subjectiviteit en subjective waarheid der verschillende meeningen voorstond.

[251] Deze leer toch is, zoo als ieder ligtelijk inziet, een gewijzigd Protagorismus, als het ware de uitlegging zijner leer door de Protagoristen van de regterzijde.

[252] Het is opmerkelijk de verandering van beteekenis na te gaan, die met dit woord heeft plaats gehad. σχολὴ beteekent oorspronkelijk ledigen tijd. Daar nu oudtijds de studie liefhebberij was, en alleen, hetgeen tot levensonderhoud dienen moest, als werk beschouwd werd, is σχολὴ in gebruik gekomen voor liefhebberij-studie. Vandaar is het van alle studie gebezigd, en eindelijk ook van die studie der jeugd, die alles behalve uit liefhebberij plaats heeft.

[253] καὶ wordt hier door vooral vertaald, hoezeer het eenvoudig en beteekent. De oorzaak is, dat door eene constructie als de hier plaats hebbende, het woord, waar καὶ bijstaat, bijzonder op den voorgrond komt, daar het daardoor uitgedrukte denkbeeld uit eene menigte andere alleen wordt genoemd. Dit drukken wij uit door vooral, zonder daarom te beweren, dat καὶ ooit vooral kan beteekenen.

[254] φιλοσοφίαι beteekent wijsgeerige studiën, verschillende vakken van wijsbegeerte, gelijk virtutes in het Latijn van goede hoedanigheden, van verschillende onderdeelen der ééne deugd wordt gebezigd.

[255] κυλινδούμενοι. In dit woord ligt eene beteekenis van verachtelijkheid, die hier in Socrates mond zeer goed geplaatst is. Het komt omtrent op hetzelfde neêr, als wanneer wij spreken van zich rondwentelen in zingenot.

[256] τοῦ προκειμένου. Eigenlijk de vóór hem liggende, vandaar die, welke hem tegenwoordig bezig houdt. Zoo beteekent het dan juist het tegenovergestelde van voorgesteld, in de verte aangewezen. Wij zeggen ook: voor de handliggend in denzelfden zin. Evenzoo moet dit woord, naar mijn inzien, opgevat worden: Hebr. XII. 2.

[257] ὕδωρ ῥέον. Hiermede wordt de κλεψύδρα bedoeld, namelijk een wateruurwerk, waardoor de tijd naauwkeurig bepaald werd, die men voor eene geregtelijke redevoering besteden mogt.

[258] ὑπογραφὴ παραγιγνωσκομένη. Stallbaum merkt zeer juist aan, dat hiermede waarschijnlijk eene korte opgaaf van de punten der beschuldiging, die moesten weêrlegd worden, bedoeld wordt. Hoezeer ik geenszins geloof, dat, althans bij alle soorten van processen, eene bepaalde wet den verdediger aan die opgave bond, zoo spreekt het echter van zelf, dat de wijze, waarop de beschuldiging was ingerigt, de verdediging moest wijzigen, daar zij alleen tot afwending van die beschuldiging werd aangewend. Immers, die zich niet aan de punten der beschuldiging hield, liep daardoor veeltijds gevaar, eene onvolledige verdediging te leveren.

[259] De woorden ἣν ἀντωμοσίαν καλοῦσιν worden teregt door Stallbaum, op het voetspoor van Abresch, uitgeworpen, daar zij geheel den vorm van eene randteekening hebben, die bij vergissing in den tekst is opgenomen.

[260] δρόμος wordt eigenlijk van den wedstrijd in het loopen gezegd, maar hier komt het voor in de algemeene beteekenis van strijd.

[261] Het is bekend, dat in Athene de gedaagden allerlei kunsten aanwendden, om de regters in hun voordeel te stemmen, en dat het verwaarloozen dier kunsten juist de oorzaak der veroordeeling van Socrates is geweest. Zie Apolog. cap. XXIII en XXIV.

[262] τὸ ἐλεύθερον, woordelijk: het vrije, dat is, die gezindheid, die vrije menschen past. Men ziet hier den invloed van de inrigting der maatschappij op de taal, daar eene spreekwijs als deze slechts in eenen staat, waarin slavernij bestond, ontstaan kon.

[263] ἀληθοῦς is hier subjectief genomen, dat is, het beteekent niet zoo zeer de waarheid op zich zelve, als wel die gezindheid, die het ware doet spreken en in daden aan den dag leggen. Daarom heb ik gemeend hier opregtheid te mogen vertalen.

[264] Woordelijk: dat wij de mannen van onze rij doorgegaan of voorbijgegaan zijnde, ons weder tot de redekaveling wenden. Dus stond het terugkeeren tot de redekaveling vast, en het was alleen de vraag, of zulks dan eerst zou geschieden, nadat ook de ware wijsgeeren beschreven waren, of met voorbijgaan van die beschrijving.

[265] οἱ ἐν τῷ τοιῷδε χορεύοντες. χορός is eigenlijk een rei zangers op het tooneel, doch het is bekend, dat in het Attische treurspel zulke reien dikwijls gesplitst werden, zoodat de twee halve reien dan tegen elkander overstonden. Van hier is deze uitdrukking voor partijschappen gebezigd. Dit is weder een voorbeeld van den invloed der zeden op de taal.

[266] ὥσπερ ποιηταῖς. Hoewel ook de waarde der tooneelstukken door regters beoordeeld werd, ziet dit echter vooral op θεατής, daar δικαστὴς meer tot het vorige, voornamelijk tot de processen behoort. De vermelding der dichters is hier veroorzaakt door de van de reien in de treurspelen ontleende uitdrukking.

[267] λεγόμενα—ἀκούουσι. λεγόμενα wordt, geloof ik, gezegd van de wetten en besluiten, die op het oogenblik behandeld worden, γεγραμμένα van zoodanige, die vroeger vastgesteld zijn, en nu als bewijs voor of tegen worden aangehaald. Verder ziet ὁρῶσι natuurlijk op de geschrevene, ἀκούουσι op de hangende wetten en besluiten.

[268] πράττειν kan verklaard worden, gelijk onze Hollandsche uitdrukking: om te doen, terwijl dan σπουδαὶ enz. subjecten zijn van προσίσταται, dat in singulari gezet wordt, omdat die subjecten, van verschillend geslacht en levenlooze dingen zijnde, als neutra beschouwd worden.

[269] Dat is: hij wendt geene verachting der wereldsche dingen voor, om daardoor den schijn aan te nemen, als ware hij boven het gewone peil der menschelijkheid verheven.

[270] οὐρανοῦ τε ὕπερ. Woordelijk: wat boven den hemel is, namelijk de spheer der vaste sterren. Men kan echter welligt οὐρανοῦ ook van het uitgelatene τάτε laten afhangen en ὕπερ meer als bijwoord beschouwen.

[271] καὶ πᾶσαν—ὅλου. Woordelijk: en overal elke natuur onderzoekend van ieder geheel der bestaande dingen. ὅλου zal hier wel het genus beteekenen, zoodat dan deze woorden aldus moeten uitgelegd worden, dat de ziel van alle geslachten van bestaande dingen het algemeene onderzoekt, zonder zich tot de individu’s af te laten.

[272] ὅπερ ἀρχόμευος ἔλεγον. Men merke het gebruik der deelwoorden en bijvoegelijke naamwoorden in het Grieksch op, daar in die taal deze woorden veelvuldig gebezigd worden, waar wij bijwoorden of voorzetsels met hunnen naamval (hetgeen op hetzelfde neêrkomt) bezigen.

[273] ἀπειρία beteekent bepaaldelijk: gebrek aan oefening. Zoo zegt Aristoteles: „De ἐμπειρία ontstaat bij de menschen uit de herinnering. Want vele herinneringen aan dezelfde zaak brengen eene ἐμπειρία tot stand,” enz. Metaph. I. 1., waar herinnering, bekwaamheid door oefening, theoretische kennis, als de drie trappen der ontwikkeling van den geest worden opgegeven.

[274] Bij de oneindige processen te Athene was het van veel belang, zooveel mogelijk kwaad van anderen te weten, om, zoo men beschuldigd werd, den aanklager zijne gebreken te kunnen verwijten, en daardoor zijne aanklagt te ontzenuwen.

[275] ληρώδης is eigenlijk iemand, die vol grillen is.

[276] γῆς δὲ ὅταν κ. τ. λ. Men ziet hier het voordeel der declinatie, waardoor de ouden veel beter dan wij in staat waren, de woorden zoo te rangschikken, dat het hoofddenkbeeld op den voorgrond kwam. Natuurlijk staat hier γῆς (in den genitivus partitivus) scherp tegenover ἅπασαν τὴν γῆν.

[277] Dit moet hier ingevoegd worden, hoewel het in het Grieksch niet noodig is, daar de bovenaangestipte vrijheid der Grieksche taal Plato hier in staat stelde, met den genitivus, die van ἔπαινον afhangt, te beginnen, hetgeen voor ons onmogelijk is.

[278] ἀπαιδευσία is eigenlijk: gebrek aan opvoeding, doch hier wordt niet zoo zeer dat gebrek zelf, maar de onwetenheid, die daaruit volgt, bedoeld.

[279] Hier begaat Plato eene fout, die zeer gewoon is. Volgens de gewone berekening heeft het menschelijk geslacht ongeveer 6000 jaar op aarde gewoond. Een geslacht wordt gerekend op 30 jaar. Dit geeft 200 geslachten. Al geeft men nu toe, dat de berekening van de tegenwoordige oudheid des menschdoms zeer gebrekkig is, zoo is het toch alleronwaarschijnlijkst, dat de fout dier berekening groot genoeg is, om reeds in Plato’s tijd zulk eene groote menigte voorouders aan iemand te kunnen toeschrijven.

[280] Woordelijk: van het: wat beleedig ik u, of gij mij? Met deze woorden worden de klagten over onregt als werkelijk plaats hebbende geschilderd.

[281] De koninklijke magt werd toen ter tijde als het hoogste toppunt van aardsche zaligheid geschilderd. Deze rigting openbaarde zich reeds bij Euripides, hetgeen hem door Plato verweten werd. Zie Rep. VIII. cap. XVIII.

[282] φύσις, natura, natuur lijden allen aan de dubbelzinnigheid, dat zij dan eens de natuur in het algemeen, dan eens de wezenheid van een bepaald wezen beteekenen.

[283] ἀνεμέσητος is eigenlijk hij, die niets van de straf der goddelijke geregtigheid te vreezen heeft.