Part 11
[108] In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 123. (1).
[109] Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan.
[110] Euripides werd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt. Aristophanes echter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, en Plato bestrijdt van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs. 612. waar wij lezen:
„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.”
[111] Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst.
[112] δεινὸς wordt door Plato vooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten.
[113] Deze periode verklaar ik aldus: Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότες ziet op het vorige: ἡ δὲ φρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectum ἐξητακότες beteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus niet meer naar onderzocht wordt. βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is eigentlijk voluit: βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder is ἡμῖν de dativus ethicus, en ἀλλήλοις behoort niet bij ἡμῖν, maar ziet op ἃ διανοούμεθα en hangt af van ξυμφωνεῖ.
[114] Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig vervallen zijn.
[115] Het komt mij voor, dat alleen γενέσθαι of γίγνεσθαι is goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijk γενέσθαι) in sommige handschriften in γίγνεσθαι veranderd was, beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en door καὶ verbonden. Nu verkies ik γενέσθαι boven γίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt.
[116] Eigentlijk moest Socrates gezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van dezelve.
[117] μάλα moet bij het uitgelatene werkwoord ἐστι gevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer.
[118] Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen hier bedoeld wordt. Zie Aristot. Metaph. I. cap. II.
[119] Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter door Plato slechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt. Iris is de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De woordspeling met Θαύμας en θαυμάζω valt genoeg in het oog. Het is, als zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde.
[120] Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. Zie Nieuwenhuis, Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366.
[121] αὐτῶν staat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. Zie Matthiae, Ausf. Gr. Gr. § 472. 1. b.
[122] Hier wordt waarschijnlijk de school van Leucippus en Democritus bedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren. (Zie Brandis, Handbuch. I. § LX. blz. 294. volgg.). Plato behandelt deze leer overal met veel verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij zijne ergste vijandin was. (Zie Hermann, Gesch. u. Syst. der Platon. Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne weêrlegging van Protagoras eigentlijk te gelijk eene weêrlegging van Democriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen. Daarom was, zooals Krause zeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz. 264. volgg.), Democriet door zijn redekavelen over oorzaken en beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn, eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen.
[123] Hoofdst. VIII–X.
[124] ἦν schijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaande ἐλέγομεν gezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook bij Cicero dikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de woorden ὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦν geene historische zaak, maar eene uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt uitgedrukt.
[125] Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden.
[126] κεκλημέναι staat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt door Plato gebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten.
[127] ὁμόγονον scil. ἐστι.
[128] In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achter πως, ἐπειδὰν moet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden.
[129] Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal gemeen heeft.
[130] ἐν τῷ αὐτῷ scil. τόπῳ.
[131] Zie blz. 42, (1)
[132] Iets zigtbaars.
[133] Van het oog is ἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak περιεπλήσθη gezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haar van buiten omgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt. Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn, daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken.
[134] εἶναι staat voor ἐξεῖναι, welke infinitivus van ὑποληπτέον afhangt. Verder moet het adverbium παγίως met νοῆσαι verbonden worden.
[135] ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι. Stallbaum merkt te regt aan, dat achter ἀλλὰ uit het voorgaande οὐδὲν, πάντα of ἑκάστου in de gedachte moet ingevoegd worden.
[136] Van οὐχ ὅτι zegt Matthiae, Ausf. Gr. Gr. § 624. 4: „Ook staat οὐχ ὅτι bij Plato vaak, om aan te toonen, dat men wel iets vermeldt, maar toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijn quamquam na den hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent het: alhoewel; zie Protag. p. 336. D.”
[137] Hier moet uit het vorige οὐ δεῖ alleen δεῖ worden bijgedacht.
[138] κατὰ μέρος beteekent hier niet gedeeltelijk, maar: naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegen πολλῶν ἀθροισθέντων en de aangehaalde voorbeelden, dat met dat κατὰ μέρος de atomen of de elementen bedoeld worden.
[139] Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van de objectiviteit van Socrates, die de gaaf had, de zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam.
[140] Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, door Plato als boven de verandering en het worden verheven, beschouwd werden.
[141] τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukking τῶν τε ἄλλων begrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der leer van Protagoras meer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid.
[142] παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik van παρὰ is, meen ik, ontleend van boogschutters, die niet in, maar naast het doel raken. Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen is.
[143] λόγος is een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis: gezegde te kunnen afgeleid worden. De Oostersch Grieksche beteekenis van het woord λόγος, waarin het bij voorbeeld door Philo Judaeus genomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bij Plato voor. Zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende.
[144] ὄναρ en ὕπαρ staan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]: in den droom, en in wakenden toestand.” Overigens is het bekend, dat Plato τὸ τοιόνδε zegt, wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen.
[145] ὅ hangt van ἐρωτώντων, dit laatste van ἀκηκοέναι af.
[146] ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing: ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdat slaap eenen algemeenen toestand uitdrukt, maar ἐνύπνιον meer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen.
[147] τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, dat τούτων op ὄναρ, ἐκείνοις op ὕπαρ ziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaande ὀνείρατα in plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.)
[148] Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand.
[149] Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen?
[150] τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordt δοκέω te gelijk in de beteekenis van schijnen en van meenen genomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het geheel is Plato niet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woorden εἶδος en ἰδέα in hoofdst. XL en XLI.
[151] Zie hoofdst. XII.
[152] καὶ wordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. Zie Matth., Ausf. Gr. Gr. § 620. 1. e.
[153] Ἀνάγκη staat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voor ἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι.
[154] Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand.
[155] ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling.
[156] ἄλλο τι staat per ellipsin voor ἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit: Is het iets anders dan? waarop het antwoord verwacht wordt: Wel neen! maar juist dit.
[157] γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένην is zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat is φερομένην? Ik geloof, dat het te kennen geeft, dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande aandoening.
[158] Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. Men leze door eenvoudige transpositie: Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het plaatsen van οὕτως alleen achter γενήσομαι, dan blijft nog over alles te laten zoo als het is, en alleen achter ἄλλο, αἰσθανόμενος te schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt.
[159] Stallbaum zegt naar waarheid, dat τὸ ἐμὲ ποιοῦν beteekent: hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoek ze daarin, dat hier αἰσθανόμενον in de gedachte moet ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uit ἐγεννησάτην bij καὶ τὸν μέν—αἰσθανόμενον in de gedachte ποιεῖτον moet ingevoegd worden.
[160] Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn.
[161] Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het gevoelde.
[162] Voelend is iemand door iets te voelen; gevoeld is iets door iemand gevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd.
[163] πρός τι. Het verband vordert hier: πρός τινα, tenzij men aanneme, dat Plato hier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den voelende, te kennen geeft.
[164] D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kennis aangemerkt te worden.
[165] D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is eene zoogenaamde conversio per accidens. Zie Nieuwenhuis, Initia Philosophiae Logicae. p. 184. 13.
[166] In Athene werd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen.
[167] De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene uitzondering.
[168] ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voor εἶναι ἔχειν gelezen. De gissing van Stallbaum, die voor με μοι wil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar dan de accusativus ἐξελόντα bezwaarlijk te verklaren is.
[169] λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daar λόγος ook rekenschap beteekent, en zij, die met Socrates redekavelden, er meest ongelukkig afkwamen.
[170] Een zeer beroemd geschrift van Protagoras, doch hetgeen hem en zijne leer te Athene deed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding.
[171] ἐθαυμάζομεν is zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer.
[172] ἄλλου του beteekent natuurlijk een ander dan Protagoras zelf.
[173] ἔσται—διακρινεῖ enz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstige redekaveling afhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig.
[174] ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in den haak, want haak beteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of de gegevene hoeken regt zijn.
[175] φοιτητέον, φοιτᾶν en φοιτήτης wordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnsche audire en auditor. Zie Plato, Rep. VIII. p. 563. A.
[176] φαντασία beteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene of andere meening (Zie Plato Sophist. p. 264. A.).
[177] Eigenlijk: eene lange en breede ijdelheid.
[178] ἀντιτείνειν hangt af van δεξαίμην, dat bij οὐδ’ αὖ uit het vorige moet bijgedacht worden.
[179] De zin is deze: te Lacedaemon moest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen toegepast. Socrates laat Theodorus voelen, dat het niet billijk zou wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling van Solon, dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen.
[180] διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμι worden bij Plato gebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen.
[181] τοὐναντίον. Ik geloof, dat hier εἰς τοὐναντίον moet gelezen worden.
[182] Ik vind hier geene bijzondere kracht in δημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvan Zschokke in zijn Leven, denken en werken zich zelven beschuldigt, namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft.
[183] Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag brengen.
[184] πιθανολογία kan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen van argumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de kracht der waarheid, maar door het voortbouwen op iemands bijzondere denkwijs, overreding zoeken te weeg te brengen.
[185] τῇδε: aldus als nu volgt. Wanneer Plato τῇδε bezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling.
[186] Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel.
[187] ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorige οὐ φήσομεν eenvoudig φήσομεν worden aangevuld, waaruit blijkt, dat οὐ φημὶ geenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruik οὐ en φημὶ als twee afzonderlijke woorden beschouwden. Omtrent het gebruik van οὐ φημὶ meen ik te moeten aanmerken, dat οὐ óf als bijwoord bij φημὶ kan gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf dat οὐ als het object van φημὶ kan aangemerkt worden, wanneer het beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken.
[188] Namelijk: ἃ οἱ βάρβαροι λέγουσι.
[189] σωζόμενον is hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B.
[190] αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woorden ἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦ is uitgedrukt. Dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat het dezelfde zaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden.
[191] Wanneer Plato zelf het vorige te omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg.
[192] δεινὸς schijnt oorspronkelijk zeer groot te beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde, als wanneer wij zeggen: zulk eene bewering is wat al te sterk.
[193] δεῖ heeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt.
[194] ὑποπτεύω komt van ὑπόπτης, eigenlijk onderkijkend, dat is: die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar; ergdenkend, wantrouwend.
[195] οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard worden, tenzij men de lezing ὁρῶν verkieze, die in sommige handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst met ἐπιστήμων de voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende: ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων γεγονὼς bevestigd.
[196] ἑκάτερον ziet op τὸ ὁρᾷν en τὸ ἐπίστασθαι. ἄλλο beteekent hier wat anders, namelijk, dat τὸ ὁρᾷν wat anders is dan τὸ ἐπίστασθαι en omgekeerd.
[197] De constructie is: Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γε δὴ περὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor. δηλῶσαι duidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft.
[198] τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτο schijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo met εἶναι te zijn, als wel het object van ἀπεδείξαμεν, waarbij εἶναι ter nadere verklaring gevoegd is. Vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden.
[199] Dit was altijd een waagstuk, daar Socrates, dat is Plato, door alles wat voor de leer van Protagoras kon gezegd worden, op te zoeken, eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmede Plato te werk ging. Men vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek van Emile Saisset tegen de stellige wijsbegeerte, in de Revue des deux mondes van Julij 1846.
[200] Callias was een groot voorstander van Protagoras, zooals uit de zamenspraak van Plato, die den naam van Protagoras draagt, blijken kan.
[201] θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden.
[202] τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordt ᾗ als bijwoord gebruikt, en ziet tevens op ῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het Hollandsche waarmede voor met welke.
[203] Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, dat Socrates het weêrleggen van Protagoras standpunt afkeurt, omdat de feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd.
[204] ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven.
[205] φαίνει is hier Attisch voor φαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen.