Theaetetus

Part 13

Chapter 133,625 wordsPublic domain

[284] Hier heeft Plato zich door de tegenstelling tusschen kwaad en goed laten verleiden, om het kwaad noodzakelijk voor het bestaan van het goed te noemen; eene dwaling, die hij trouwens niet voor de laatste maal verkondigd heeft. Plato zelf echter was reeds op den weg om ze te verbeteren, daar hij beweerde, dat het kwaad niet in de Godheid kan gegrond zijn, hetgeen hij niet kan volhouden, zoo hij de Godheid goed noemt, en het goede zonder het kwade niet denken kan. Indien kwaad de positive tegenstelling van goed is, dan vorderen zij elkander, maar zoo kwaad slechts een ontkennend begrip is, dan laat het zich begrijpen, hoe men het bij eindige wezens onvermijdelijk kan noemen, en het toch aan de Godheid ontzeggen. Zie Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 46 (1).

[285] Namelijk: van het aardsche naar het goddelijke.

[286] Namelijk: daarin, dat men zijn heil zoekt in het eeuwige, onveranderlijke, goddelijke, en zich van het aardsche losmaakt; waarvan het gevolg is, dat de aardsche rampen ons minder treffen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

[287] ἀλλὰ γάρ. ἀλλὰ begint eenen zin, die dadelijk weêr wordt afgebroken, om met γὰρ en hetgeen daarop volgt, de reden van hetgeen daarin zou gezegd worden te geven, terwijl die afgebroken zin bij τὸ δὲ ἀληθὲς weder wordt opgevat.

[288] περὶ τούτου. Τούτου ziet geenszins op God, maar op het zooveel mogelijk regtvaardig worden.

[289] Woordelijk: ten opzigte van dit, is de ware voortreffelijkheid, nietswaardigheid, en onmannelijkheid van een man. De Grieken, vooral de Atheners, hielden de vrouwen buiten alle beschaving en spraken daarom steeds van mannen alleen, waar wij van menschen in het algemeen spreken. Ik heb echter gemeend hier mensch te mogen vertalen, zoo omdat de zaak zelve medebrengt, dat hier even zoo zeer aan vrouwen als aan mannen moet gedacht worden, als om de bekende uitspraak van Plato, dat de vrouwen van natuur voor dezelfde ontwikkeling vatbaar zijn als de mannen, en dat, zoo zij van vele dingen zijn uitgesloten, zulks alleen aan de verkeerde opvoeding te wijten is. Zie Rep. V. cap. IV–VI. Wanneer dus Plato van mannen spreekt, waar hij van menschen moest spreken, schikt hij zich naar het gewone spraakgebruik.

[290] Plato hield zich overtuigd, dat de oorzaak van het zedelijk kwaad onkunde is, daar niemand wetens en willens zijn waarachtig belang zal verwaarloozen. Aristoteles daarentegen hield kennis wel zeer noodig voor een deugdzaam leven, maar niet voldoende; daar er volgens hem nog oefening moet bijkomen.

[291] Zoo men de schijnbare voordeelen der misdaad daarvan kon wegnemen, zouden de misdadigers hun ware belang inzien en zich beteren.

[292] Eigenlijk: in den staat, hetgeen voor de Atheners, die in eene democratie leefden, waar elk zich met politiek bemoeide, hetzelfde beteekende, als wanneer wij van de maatschappij spreken.

[293] Terwijl velen door den tegenspoed der vromen in hun geloof aan een wijs en magtig wereldbestuur zijn aan het wankelen gebragt, meende Plato en later de Stoïcijnen in dien tegenspoed een bewijs te zien, dat de ware belooning der deugd niet buiten, maar in de deugd moet gezocht worden, en dat de uiterlijke omstandigheden weinig of geen invloed hebben op het waarachtig levensgeluk.

[294] ἐν τῷ ὄντι. Woordelijk: in het zijnde, maar daar Plato de wereld der ideën, of de denkbeeldige wereld, voor het ware zijnde hield, heb ik gemeend dit woord aldus te mogen vertalen. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57.

[295] ἐὰν δὲ. Hierin ligt de aanduiding, dat er wat nieuws komt, sterker dan het voorgaande.

[296] De denkbeeldige wereld, waar de reine zielen wonen en zich verheugen in het aanschouwen der eeuwige ideën. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 141–157.

[297] Woordelijk: maar dat zij dáár steeds de met hen overeenstemmende gelijkheid van levenswijs zullen hebben.

[298] Hiermede wil Socrates niet te kennen geven, dat het andere naar zijn inzien niet zeker was, maar alleen, dat zij het nog eerder konden ontkennen dan dit. Zie Luc. V. 23., waar niet bedoeld wordt, dat het eene zooveel moeijelijker dan het andere was om uit te spreken, maar dat de ééne uitspraak vrij wat beter dan de andere aan de uitkomst kon getoetst worden, en dus met vrij wat meer gevaar voor beschaming gepaard ging.

[299] ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen wordt.

[300] ἔφαμεν, eigenlijk: zeiden, maar zeggen is het gevolg van oordeelen.

[301] Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen.

[302] D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons onverschillig.

[303] τοῦτο namelijk ὠφέλιμον. ὃ is de eerste en ὠφέλιμον de tweede accusativus van ὀνομάζῃ.

[304] ἔστι δέ που καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort, wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staat καὶ hier geheel voor niet, terwijl het bij τὸ ὠφέλιμον zeer goed geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, dat καὶ in onzen tekst uit καὶ bij τὸ ὠφέλιμον ontstaan is, en meen in plaats daarvan τὰ te moeten lezen. τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον beteekent dan de dingen, die op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige.

[305] Dit toevoegsel was noodig om Ἀλλὰ te verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, met maar begint.

[306] Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging van Protagoras opgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus was Protagoras óf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks, maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgens Protagoras de beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echter Plato niet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo.

[307] καὶ πᾶς ἂν ὁμολογοῖ. Eigenlijk: en ieder zou toestemmen, namelijk, zoo het hem gevraagd werd.

[308] τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat in τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, zooals uit ἑκάστῳ blijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschen τὸ en παρὸν ἀεί moet ingevoegd worden.

[309] Daar ἀληθεῖς duidelijk op αἰσθήσεις ziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetsel van te moeten verbinden. Dat dit bij Plato geen plaats heeft, kan ik, met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen.

[310] D. i.: niets goeds.

[311] Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt.

[312] Zie Hoofdst. VIII. op het einde.

[313] πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vraag op zijn best is uitgesproken.

[314] Het is zeer karakteristiek, dat juist Theodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige oordeel moest vellen. Hiermede wil Plato te kennen geven, dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen.

[315] Socrates was beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen.

[316] παραλαβόντας hoort niet bij αὐτοὺς, maar is het subject van den infinitivus ἐπισκοπεῖσθαι.

[317] Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, of Plato schertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen.

[318] Wij zouden zeggen: jan en alle man.

[319] Zie over deze plaats van Parmenides, Karsten, Philosophorum veterum reliquiæ, III. p. 105.

[320] Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt van Plato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10, 11.

[321] Het is juist gezien van Plato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen) gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld.

[322] Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woorden ποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαι zijn te zamen het subject van het werkwoord δοκεῖ.

[323] De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht van Aristoteles getrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig. In het Ve boek, cap. 3, stelt hij drie soorten van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering, verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont, zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn, waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is.

[324] Hier staat in de handschriften περιφοράν, cirkelbeweging, maar Heindorf heeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voor περιφοράν liever φοράν moet gelezen worden.

[325] Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is, geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan, alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg door Plato wordt aangetoond.

[326] πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk: volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend heb, het aldus te mogen overzetten.

[327] Hoofdst. XII.

[328] Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voor Plato’s tijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hier Socrates zelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het woord ποιότης toen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22. (2).

[329] Woordelijk: hoor het dan bij stukken.

[330] τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoelde dingen, maar van het ontstaan der gevoelde dingen gesproken. De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet als gevoelde dingen.

[331] ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰ is het object van ἀποτίκτοντα. Het lidwoord voor ἀποτίκτοντα zal weggelaten zijn, om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar dadelijk nog τὰ μὲν—τὰ δὲ volgt.

[332] Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond van Theodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was.

[333] οὗ ἕνεκα. Eigenlijk waarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend, waarover te mogen vertalen.

[334] Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te bestempelen.

[335] Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden.

[336] Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt.

[337] Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer van Protagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde, weshalve ook in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is.

[338] Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten: kennis is gevoel.

[339] αὐτοὺς. Ik heb hier vroeger ἄττα willen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echter αὐτοὺς behouden, en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien, of αὑτοὺς lezen, wanneer het beteekenen zou: om ons zelven niet tot stilstand te nopen. Over αὑτοὺς bij den eersten persoon, zie Buttmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5.

[340] Ik heb δέ hier door want vertaald, zonder daarom te beweren, dat δὲ ooit want kan beteekenen. De woorden: δεῖ δὲ—λέγειν geven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche uitdrukking wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt.

[341] Zie hoofdst. XXI.

[342] Zie hoofdst. XXVII op het einde. Hoewel Socrates zelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeft Plato het daar aangeduide in den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit, volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen, dat hij hun standpunt niet door Socrates, maar door eenen Eleatischen vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden, dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren.

[343] Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne doet.

[344] Hier wordt de Parmenides reeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschen Socrates en Parmenides. Plato heeft in dat werk zijnen eerbied voor Parmenides doen blijken, door Socrates zelven, hoewel als een knaap, door Parmenides te laten weêrleggen.

[345] Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen.

[346] ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetsel ὑπὸ wordt achter ἄσκεπτον γένηται geplaatst, daar de zin dezer woorden is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt. Overigens wordt ἐπεισκωμάζω eigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen.

[347] πειρᾶσθαι hangt nog af van δεῖ δὲ. Bij οὐδέτερα kan men gevoegelijk ποιεῖν verstaan, tenzij men δεῖ als gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten, en οὐδέτερα als deszelfs subject beschouwen.

[348] ἔστι δὲ ὅτε beteekent hetzelfde als ons somtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen: maar er zijn gevallen, wanneer.

[349] ἐπιλαβέσθαι beteekent eigenlijk aanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening.

[350] ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier, ᾧ en δι’ οὗ van elkander onderscheiden worden, beteekent ᾧ datgene, wat naauwer verbonden is met den handelenden, terwijl δι’ οὗ een van hem onderscheiden werktuig beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zou ᾧ van de oogen, δι’ οὗ van den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor, dat Socrates in den Phaedo maakt tusschen de beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg.

[351] Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, die Troje hebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigt Cicero in eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat, gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school van Isocrates slechts groote redenaars opleverde. Zie Cic., de Orat. II. c. 22.

[352] Namelijk de zinnen.

[353] τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινι en τῷ αὐτῷ hoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht.

[354] ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, dat Plato zich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, dat βέλτιον op den geheelen zin ziet, van σὲ λέγειν tot πολυπραγμονεῖν, en dat het andere lid, dat met dezen zin door middel van βέλτιον vergeleken wordt, geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin, waar βέλτιον vóórstaat. Overigens is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode van Socrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de eigenschap der Socratische μαιευτική, dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt. Zie blz. 29 volgg.

[355] Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt.

[356] Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve vroegen?

[357] τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn deugt niet, want het werd in den tijd van Augustus zoo niet gesproken!” Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten van Augustus niet konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt: „het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen, daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden uitgedrukt.

[358] Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:

Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar.

Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken.

Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen.

Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wij ziel noemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wij Plato aanvullen) niet ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen, wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden.

[359] Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelfs de wijze Solon de schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. Zie Herod. I. Cap. 32.

[360] Socrates is hier beter over Theaetetus tevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen. Plato heeft echter in den Phaedo eene andere opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176. Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66.

[361] Stallbaum heeft zeer juist aangemerkt, dat οὐσία in dit hoofdstuk dan eens wezenheid en dan eens zijn beteekent.

[362] Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden: καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇ τὰ γεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα.