Te Lande

Part 7

Chapter 73,866 wordsPublic domain

Tot in den nek, tot in haar witte haren, werd de ellendige plotseling rood, terwijl ze schichtig, in stom-onthutste roerloosheid, een schuinen blik van hare scheele, ziekelijke oogen op de oudere werkvrouw vestigde.

- Doar en es toch zeker nie gebeurd da nie 'n mag?" drong deze aan, bij 't enkele zicht van Blanche's ontsteltenis reeds van de juistheid van haar argwaan overtuigd.

En eensklaps, in plaats van te antwoorden, barstte de ongelukkige in overstelpend snikken los, terwijl de andere vrouwen, stom van verbazing, in een opwalmend meeldampje, dat uit de zakken stoof, het werk uit hare handen lieten vallen.

- Moar Blanche toch! moar Blanche toch! Hoe es 't Gods meugelijk!" sprak langzaam de oude, met wijd uitgezette donkere oogen, en als van schrik gevouwen handen.

- Van wie es't?" riep plotseling een der jongere?

Maar, steeds sprakeloos, deed Blanche niets dan hoe langer hoe wanhopiger snikken, krachteloos neergezakt op een stoel, de beide handen met haar schort voor de oogen.

- Wel! wel! wel! wie zoe da oeit gepeisd hên!" weeklaagde, op onheilspellenden toon, de oude.

- Moar van wie es't? van wie es't? riepen de jongere, nu met twee, drieën te gelijk.

En toen zei ze 't, door haar snikken heen, in een kreet van smart, dien ze niet langer kon bedwingen, terwijl de vrouwen het van verbazing uitgilden, haast niet gelooven kunnend wat zij hoorden, zoo vreeselijk geschokt door 't onverwachte van de openbaring, dat ze zich een oogenblik afvroegen of Blanche soms krankzinnig werd.

* * * * *

Als een loopvuur vloog 't ontzettend nieuwtje nog dienzelfden middag rondom de fabriek. Onder den "vierboterham" ondervroegen de andere arbeiders hun gezel den molenaar, die categorisch zijn schuld loochende. De vrouwen, van haren kant, gaven wild af op Blanche, die schijnheilige, dat monster van bedrog en leelijkheid, die ze allen om den tuin had geleid. En allen ook voorspelden zij wat nu onfeilbaar zou gebeuren: zoodra mijnheer en mevrouw, die erg gesteld waren op de zedelijkheid hunner werklieden, het schandaal vernamen, (en lang kon dat niet duren) zou Blanche onverbiddelijk worden weggejaagd.

Eenige dagen verliepen; voor Blanche dagen van afgrijselijk lijden.

Van 't oogenblik dat het geheim aan den dag was gekomen, had de molenaar niet meer naar haar omgezien; en nu ontweek hij haar stelselmatig, van den zolder naar beneden komend zoodra zij er verscheen, moedwillig weigerend haar te groeten, wanneer hij haar toevallig in de gangen der fabriek ontmoette. En die gedragslijn, dadelijk door de anderen vrouwen opgemerkt, verergerde nog den hoon, den spot en de minachting waarmede zij Blanche overlaadden. Het waren onophoudelijk vinnige toespelingen, geheime lachjes en gegrinnik, wreedaardige speldeprikken en gewaagde schuinheden, waarvan de arme Blanche in haar goedige naïefheid, de helft zelfs niet begreep. Geen leelijke streek, geen kwetsende vernedering werd haar gespaard. Er mengde zich een soort jaloersche wrok in; men benijdde haar, het leelijke monster, 't bezit, hoe weinig ook benijdenswaard, van dien mooien, knappen man, dien meer dan eene graag tot minnaar en tot echtgenoot zoude gewild hebben. Men kon 't niet uitstaan noch begrijpen dat hij zich met haar had willen bezighouden; men verontwaardigde er zich over en men walgde er voor; en alleen dit herstelde hem eenigszins in zijn eer: dat hij haar dadelijk den rug had gekeerd, en zijn schuld krachtdadig loochende. Er zou waarachtig maar aan ontbreken dat de knappe molenaar trouwde met de monsterlijke Blanche!

Op al dien laster, op al die scherpe aanvallen en boosaardige toespelingen, gaf Blanche, het bleeke hoofd triestig over haar werk gebogen, nooit een antwoord. Vooraf onderworpen aan 't idee dat de verleider haar verlaten zou, droeg zij, beter dan zij had gedacht, den hoon en de schande; maar de blinddoek, die haar een tijd lang het gewicht van den misstap verborg, was plotseling met ruw geweld van voor haar oogen weggerukt, en in angstige helderheid beschouwde zij nu haar materiëelen toestand, en de nijpende armoede, die het onmiddellijk gevolg zou zijn harer onvermijdelijke wegzending uit de fabriek.

Elk oogenblik verwachtte zij den slag, en zij begreep maar niet dat het zoo lang bleef duren.

Elk oogenblik verwachtte zij de komst van mijnheer, die haar, met kort bevel en uigestrekten arm, de deur zou wijzen. Maar de dagen verliepen, zonder dat er iets gebeurde, en zij begon zich bijna tijdelijk weer gerust te stellen, toen zij hem op een zaterdag, tegen avond, voorbij de vensters der werkplaats zag komen, traag loopend met een soort van slentergang, heel anders dan gewoonte.

Een gruwelijke angst greep haar plotseling aan. En, evenals zij zelve, kregen ook de andere vrouwen 't intuïtief besef dat er iets buitengewoons op handen was, want zij gingen druk onder elkaar aan 't fluisteren, met schuinsche blikken door de vensterramen.

Blanche, de keel droog en hijgend, zag mijnheer langzaam tot het einde van de binnenplaats loopen, hooggekleurd en zwaarlijvig, in linnen vest en gelen stroohoed; eventjes trappen op een omvergevallen, houten kist; eventjes opkijken naar de kroonlijst van 't dak, waar een paar musschen druk aan 't tjilpen en aan 't fladderen waren; eventjes voelen in de zakken van zijn linnenvest, of hij iets zocht. Dan keerde hij zich om, en zijn blik, langzaam dalend, vestigde zich op de ramen der werkplaats. En plotseling kwam hij terug, ging naar de deur, duwde die open.

Een benauwende stilte viel over de witte, gebogene rij vrouwengestalten.

- Mietje, hêtte nog zakken genoeg om veurt te wirken?" vroeg hij aan de oudste, met haar geel gelaat en hare groote zwarte oogen.

En, terwijl Mietje, ootmoedig, met gedempte stem, antwoordde, voelde Blanche, het hoofd gebukt en rood tot in den nek, 's meesters vorschenden blik op haar drukken.

Trouwens, hij drong niet aan. Hij ging langzaam weer heen, zeggend dat hij een nieuwen voorraad zou laten zenden.

Maar hij was nog geen vijf minuten weg, en de vrouwen waren nog niet half van haar ontsteltenis weer bijgekomen, toen de deur nogmaals openging en een der huismeiden verscheen, even bedeesd, met aarzelende stem berichtend:

- Blanche, medam zoe ou 'ne kier wille spreken. Ze wacht op ou in de serre.

- Op mij!" riep Blanche instinctmatig, terwijl ze hevig opschrikte.

- Joa, op ou," herhaalde nog eens de meid. En ze vertrok.

Plotseling doodsbleek stond Blanche op, terwijl de andere vrouwen doffe kreten slaakten.

- Blanche, jong, nou goat de kat op de keurde," sprak de oude.

- 'k Geleuve 't euk," antwoordde werktuigelijk de rampzalige, met stokkende stem.

Koortsachtig schudde zij 't witte stof van haar voorschoot, en op haar beurt verliet zij de werkplaats, waar achter haar rug een dof geraas van stemmen opging.

* * * * *

Mevrouw, slank en mager, iets verlepts en vroeg-ouds in haar uiterlijk, stond wachtend in de serre, met verstrooide hand eenige droge bladeren uit de rijpe wingerds plukkend.

Zij staakte dadelijk die bezigheid, zoodra zij Blanche zag te voorschijn komen, en, met een strengen blik, haar ditmaal bij den eigen voornaam, en niet, als naar gewoonte, bij den toenaam noemend:

- Es 't woar, wa da 'k hê heuren zeggen, Pharaïlde?

De ongelukkige, die sidderend op een drietal passen afstands was blijven staan, brak plotseling in tranen uit, tot spreken onbekwaam.

- Zeu 't es dan toch de waarheid! G'hêt ou dan toch aan de schand overgeleverd!" voer mevrouw voort, met vluggen, verontwaardigd-gedegouteerde blik het reeds zware figuur der arbeidster opnemend.

Blanche, 't gezicht onder haar voorschoot verborgen, snikte stotterend eenige onduidelijke woorden.

Mevrouw, ten diepste geërgerd, diende haar een heftige berisping toe, met bitterheid uitvarend tegen haar schandelijk wangedrag, haar scherp verwijtend dat zij de goede faam gekrenkt had van het huis waar zij haar dagelijksch brood en leven kreeg. Toen eischte ze den naam van den medeplichtige.

Blanche, steeds wanhopig-snikkend noemde hem.

- Woar, hoe en wannier es 't gebeurd?" drong mevrouw aan.

En Blanche vertelde haar alles, bevend, zuchtend, in hijgende, gehorte, voortdurend door tranen en gesnik onderbroken woorden.

Er was een kort stilzwijgen. Mevrouw, voelend dat de ongelukkige de waarheid zei, stond even roerloos, de lippen op elkaar geknepen, den blik strak gevestigd op Blanche, welke, diep vernederd, de oogen ten gronde hield, haar vingers zenuwachtig-trillend om een hoek van haar voorschoot. Mevrouw was niet kwaadaardig, en in den grond van haar hart voelde zij medelijden voor het arm bedrogen schepsel.

- En hij leugent z'n schuld, niewoar?" vroeg ze eindelijk.

- Joa hij, medam.

Zij haatte de leugen, en 't laffe bedrog van den verleider kon ze, vooral in dit treurig geval, niet uitstaan.

- Hawel, hij zal mee ou treiwen, of hij zal hier wiggejoagd worden!" riep ze bitsig.

- En ik medam?" smeekte de rampzalige, met haast onverneembare stem.

- Mee ou,..., mee ou zal ik nog veur deze kier compassie hên..... Ge meugt hier nog nen tijd blijven, en noar ou bevallijnge weere komen. Moar onthaud 't goed! as 't nog iene kier moest gebeuren, dan es 't veur altijd uit!

- O, medam, medam! wa zijt-e gij toch braove!" snikte Blanche. En zij greep naar de witte hand van hare meesteres, die zij met tranen en kussen bedekte.

- Goa nou, en onthoudt mijn woorden," besloot mevrouw.

* * * * *

Zooals wel te voorzien was, bleef de molenaar zijn schuld hardnekkig loochenen, en weigerde hij categorisch met Blanche te trouwen.

Hij werd uit de fabriek weggezonden. Blanche, integendeel, door mevrouw beschermd, bleef er tot den laatsten dag. Zij had ook nog gevreesd dat zij niet zou mogen blijven bij de menschen, (twee oude dweepzuchtige vrijsters) waar zij, mits een allerschraalst maandgeld, haar onderkomen had; maar die hadden zich insgelijks, na een eerste opwelling van toorn en verontwaardiging, over haar ontfermd, omdat zij anders zoo goed en zacht, en zoo behulpzaam was, en dat zij medelijden met haar hadden.

's Avonds van den dag waarop zij voor het laatst haar werk volbracht, werd het kind geboren: een flinke, sterke jongen, waar de twee oude vrijsters dadelijk verrukt van waren, en die reeds den volgenden morgen in de kerk met den voornaam van Bauwke*) werd gedoopt.

*) Boudewijn.

* * * * *

En jaren vervlogen....

Blanche, getroost, verzoend met het leven, deed, als vroeger, haar dagelijksch eentonig werk in de fabriek. Van den molenaar, kort na haar bevalling vertrokken naar den vreemde, had zij niets meer gehoord; maar, wat eerst haar schande en haar wanhoop was: 't onwettig kind, was langzamerhand, na lange smart en jaren, de eenige hoop en illuzie, de zachtheid, de bekoring, de liefde van haar gansche zoo lang kleurloos en ellendig leven geworden. Zij zelve was niets meer, zij bestond niet meer; zij leefde alleen nog voor hem en door hem, in stugge zelfopoffering voor dat bloed van haar bloed, in trotsche bewondering voor die mooie, flinke levensvrucht van kracht en gezondheid, zoo heerlijk gesproten uit de monsterlijk-leelijke, triestige, ziekelijke menschenstof, welke zij zelve was.

Hij was nu negen jaar oud en ging naar de dorpschool, waar hij buitengewoon goed leerde. Nu juist op de laatste prijsuitdeeling, was hij een der eerste van zijn klas geweest, en toen zij hem beladen met prijzen terug had zien komen, toen had ze langdurig gehuild, van vreugde en ontroering, zooals ze nu trouwens zoo dikwijls deed, over alles wat hem aanging. En zij had maar één groote spijt, o, een oneindige spijt: dat hij weldra de school zou moeten verlaten om in zijn eigen onderhoud te voorzien.

O! had het maar gekund, hoe graag had zij hem zich willen zien verheffen, boven zijn en haar eigen ellendigen stand! Hoe graag had zij hem later willen zien, netjes gekleed, in een goede, stille betrekking, waar hij niet door ruwen handenarbeid zijn mager dagelijksch brood zou moeten verdienen!

Maar het kon niet, het kon niet! Hij werd groot, hij kostte meer en meer van onderhoud, en ondanks al haar inspanning en de steeds hardere opofferingen die ze zichzelve getroostte, soms halve nachten doorwerkend, kón ze niet langer 't bestaan voor hun beiden verdienen. Haar droeve zieke oogen werden al flauwer en flauwer, haar gezondheid verzwakte, reeds tweemaal had zij een dag te bed moeten liggen, tot werken onbekwaam. Wat zou er met hem gebeuren, indien zij heel en al moest ziek worden...

En, het gemoed zwaar van droefheid, gaf zij zich eindelijk aan 't onvermijdelijke over. Toen de vacantie kwam nam zij hem van school en zijn lot werd dat van meestal alle arme kinderen te lande: koewachter op een hoeve.

* * * * *

O, wat een schrijnend harteleed op dien heerlijk-kalmen, glanzenden September-zondagmorgen, toen zij zelve hem naar de groote, verre hoeve bracht, het pakje, waar zijn plunje in zat, onder den arm!....

En toch waren het zulke brave lieden, waar hij wonen ging, de boer en zijn vrouw, bejaard reeds, zonder kinderen! Zij ontvingen hen beiden gulhartig, glimlachend 't blonde hoofd van 't knaapje streelend, hun dadelijk voordisschend een mooie, dikke plak ham op roggebrood, die Blanche, het hart verkropt van wee, vruchteloos poogde te gebruiken. Elk oogenblik kwamen haar tranen in de oogen en hikken in de keel; en een soort schaamte belette haar te vragen wat haar telkens weer met trillingen en zuchten op de lippen kwam: dat zij toch goed en zacht voor hem zouden zijn, omdat hij zelf zoo goed, zoo zacht, zoo teeder was. Hem alleen drukte zij nog eens op 't hart, dat hij steeds braaf, beleefd, gehoorzaam zoude zijn; en zonder hem te omhelzen, trouw aan de touchante gewoonte, die nog altijd in Vlaanderen heerscht, gaf zij hem haar zegen, het kruisje op 't voorhoofd, met bevende vingers geschetst, terwijl haar dof-trillende stem van vroomheid zei:

- God bewoare ou, mijn jongen.

Dan stopte haar de boer acht franken, 't vooraf betaalde loon der eerste maand, in de hand; en, met krampachtig verwrongen gezicht, verliet zij de hoeve, zonder nog eenmaal om te durven kijken, opdat Bauwke geen getuige wezen zou der overweldigende uitbarsting van smart, die zij niet langer kon bedwingen.

* * * * *

En weer verliepen jaren....

Zij werd oud en zwak, versleten vóór haar tijd, het triestig gestel ondermijnd door te veel arbeid en ontberingen. Maar _hij_ was groot en sterk geworden, stralend van gezondheid. Iederen zondag kwam hij haar bezoeken en met haar den dag doorbrengen. Hij zei dat hij gelukkig was in zijn bediening, en sprak nooit anders dan met grooten lof en genegenheid over zijn meesters. En ook Blanche was er tevreden en gelukkig om, doch niet zonder een zweem van spijt en droefheid. Het wekte in haar een soort jaloezie op, die zij soms moeite had te overwinnen. Het was haar soms te moede of hun goedheid hem van haar verwijderde, en of hij niet geheel en al gelukkig meer zou kunnen zijn, met haar alleen, zonder hen. Zelfs de spoedige verandering, die zij in zijn uiterlijk waarnam, kwam haar voor als een werk van de meesters, iets waarvan zij uitgesloten was, en dat de afstand tusschen haar en hem nog grooter maakte. En haar groote spijt was en bleef dat hij nu niets meer leerde, en zelfs geen tijd meer had, om, wat hij kende, bij te houden; dat hij meer en meer werd en worden zou een arbeider, een werkslaaf, in plaats van eenmaal te genieten het gemakkelijk, nette leven, dat zij vroeger voor hem gedroomd had, en soms nog durfde te droomen.

Maar _hij_ voelde de leemte niet, waaronder zij leed. Hij dacht niet meer aan leeren en had geen andere toekomstplannen dan de voortzetting en de ontwikkeling van zijn tegenwoordig leven. Hij was nu zestien jaar geworden, maar zoo groot en zoo forsch voor zijn leeftijd, dat men er hem gemakkelijk achttien of twintig had kunnen geven. En zijn bezigheid bestond nu ook niet alleen meer in 't koeien wachten: hij was van lieverlede in bediening gestegen, af en toe behulpzaam in de stalling en op den akker, bekwaam reeds met een paard te rijden, lijnzaad en graan te zaaien, gras en klaver af te maaien. Dit jaar, eindelijk, zou hij helpen oogsten, gelijk de grooteren, gelijk een echte veldarbeider. En dat vooruitzicht was zijn geluk en zijn trots, een illuzie, een genot, waar hij over sprak met een geestdrift die Blanche stilzwijgend aanhoorde, met heimelijke smart van afkeuring.

Sinds eenigen tijd streelde zij andere plannen voor hem. Zij hoopte hem eene betrekking te bezorgen in de fabriek waar zij zelve werkzaam was. Een plaats zou er weldra beschikbaar worden, een plaats aan de molens, daar boven, op den zolder,.... dáár,.... dat zelfde werk, dat eertijds de molenaar, haar verleider, zijn vader, vervulde....

In vreemde emotie had ze van die aanstaande verandering gehoord, er lang aan gedacht, geaarzeld, haar plan opgemaakt. Zij had er van gesproken aan mevrouw, die het gevraagd had aan haar man; en deze, eerst niet erg met het voorstel ingenomen, omdat de knaap nog zoo jong was, had toch eindelijk gezegd, dat hij 't wel wou probeeren.

Zonderling, ontroerend toeval! Zij zou hem daar elken dag zien, op den graanzolder, als ze 't bed ging opmaken, evenals ze jaren geleden, er zijn vader zag. Het zou een telkens weer herlevende kwelling zijn, een telkens weer herlevende zachtheid ook, een soort vergiffenis en loutering van het verledene, iets teer-weemoedigs als de gedachte van iets dat herleeft uit iets dat dood is. En hare groote hoop was dat hij dan van lieverlede op zou klimmen, dat hij met zijn goede geleerdheid tot op 't bureau zou komen, eerst als hulp, later alleen, in vervanging van den ouden commies, die er nu al zooveel jaren was.

En, op een zondagavond, een paar weken vóór den aanvang van den oogst, deelde zij hem eindelijk haar eigen plannen voor zijn toekomst mede.

Hij luisterde stilzwijgend, blijkbaar niets met het voorstel ingenomen. Een teleurgestelde uitdrukking kwam over zijn gelaat, de benauwdheid van een gevangene greep hem aan het hart en bracht hem tranen in de oogen.

- O, moeder, nou toch nog niet," sprak hij zacht.

En eensklaps begon hij te huilen.

Daartegen was zij niet bestand. In een pijnlijken zucht viel haar alle wilskracht als een pak van 't hart.

- Laat mij ten minste nog 'n joarke blijven," smeekte hij. En hij zei haar wat zijn meester hem beloofd had: de volle daghuur, twintig frank in de maand van met September, indien men over zijn werk tijdens den oogst tevreden was. Twintig frank en de kost! het was een schat voor haar, want alles, tot den laatsten cent, zou hij haar, als vroeger, blijven geven! Maanden, jaren misschien, zou het duren, alvorens hij in de fabriek zooveel verdiende!...

Toen overwon zij hare smart en drong niet verder aan, niet dat ze zijn illuziën deelde, maar omdat zij voelde dat hij zulk een grooten afkeer had van 't werk in de fabriek.

* * * * *

Nu was men met den oogst begonnen....

Van 's ochtends half vijf, na een vlug ontbijt dat bestond uit een dikken tarweboterham en een groote kop slappe koffie, waren de arbeiders op den akker aan 't werk. Slechts gekleed met een broek en een hemd, blootshoofds en barrevoets in hun klompen, den "pikhaak" in de linkerhand en de "pik" in de rechter, zoo gingen zij geleidelijk op ééne rij vooruit, het lichaam naar den grond gebukt, vellend in rythmische slagen de schuifelende blonde aren, welke de vrouwen, die op enkele passen afstands volgden, in schoven bonden en tot "stuiken"* opbouwden. Zij waren met hun zessen, de vrouwen niet meebegrepen, en in het rythmisch geschuifel der glinsterende sikkels ont¬blootte 't uitgestrekte veld zich van zijn gelen rijkdom, niets achterlatend, tusschen de lange rijen "stuiken"** dan de dorre naaktheid van de scherpe stoppels, waarvan de punten in de enkels prikten.

Zoo gingen zij, eentonig-gelijkmatig, in de van lieverlede brandend-heet wordende zon van den stralenden Augustus-morgen, tot acht ure. Toen kwam de meid der hoeve, met een reusachtigen korf, waarin hun tweede ontbijt zat; en dadelijk hield de arbeid op, en gingen zij eten, plat uitgestrekt ten gronde in de schaduw van den elzenkant, de traditioneele hard gekookte eieren met roggesmouterhammen, en weer de dun slappe koffie, blond van melk. Zij toefden er een kort half uurtje, en dan begon het werk opnieuw, zonder onderbreking in de toenemende hitte, tot 's middags. Dan riep het klokje van de boerderij hen tot het "noenmaal," dat onveranderlijk bestond uit karnemelkpap en aardappels met speksaus. Daarop volgde de "noenstond"** het loome rustuur in het boomgaardgras, in de schaduw der fruitboomen, wier rijpe vruchten soms aan hun zijde neerploften, zonder dat zij er, in hun oververmoeidheid, naar omzagen of er de hand naar uitstrekten. Om twee uur waren zij op den akker terug, en daar hernam, in de verzengende namiddagszon, 't uitputtend zwoegen tot acht ure 's avonds, met enkel een kwartiertje rust er tusschen in, om den "vierboterham" te eten. Dan gebruikten zij, nog eens op de hoeve, het avondmaal van pap en roggesmouterhammen; en zóó moe, zóó afgetobd dat zij haast niet meer voort geraakten, sleepten zij zich te bed om den volgenden morgen opnieuw te beginnen.

* * * * *

De drie eerste dagen ging het Bauwke vrij wel en flink af. Hij volbracht zijn deel van 't harde werk even goed als de vijf anderen, die allen veel sterker en ouder waren dan hij. Eerst midden op den vierden dag begon hij teekens te geven van verzwakking. Een enorme vermoeidheid, die door rust noch voedsel te herstellen was, verloomde** en verstramde zijn afgejaagde ledematen. De voortdurend gebogen houding die hij nemen moest om te werken, veroorzaakte een soort ankylose** der lendenen, zoo vreeselijk pijnlijk, dat het hem voorkwam of zijn ruggegraat zou breken, telkens als hij zich, om even te verademen, met hoe langer hoe meer inspanning weer oprichtte. Weldra ontnam de onvermoeidheid hem insgelijks slaap en eetlust, en hij had enkel nog dorst, een wilden, onleschbaren dorst, die hem met droogplakkende lippen van graagte deed aanvliegen op de water- of koffiekan, zoodra de meid er mee verscheen. En zijn konen, onlangs nog zoo vol en zoo rozig, waren geslonken tot niets, bruin verschroeid door de zon en ingevallen tot een magerheid die de juksbeenderen hoekig deed uitspringen, terwijl zijn mooie blauwe oogen schenen in te krimpen en te verkleuren, dof-triestig starend onder de neerzakkende oogleden.

Het kostte hem weldra ontzaglijke inspanning om de anderen bij te houden. Het duurde niet lang of zij raakten hem ietwat vooruit, en, tot driemaal toe, staakten zij even den arbeid, om hem den tijd te geven het verlorene weer in te halen. En, half ernstig, half spottend, riepen zij hem toe:

- Bauwke, niet in sloap vallen, zulle? As 't vrauwevolk in ou kloefen 1) bindt, wordt-e vrije koewachter gemoakt! dat weet-e, niewoar?

1) Klompen.

- Ho, ho! dóár en es toch zeker nog gien prijkel 2) van!" anwoordde** hij dan, zich geweld doende, om, evenals de anderen, te lachen, terwijl de smart van den arbeid zijn gelaatsspieren krampachtig vertrok.

2) Gevaar.

- Wie weet? wie weet?" schertsten de ouderen, in 't sissend geschuifel der sikkels.

Dat "vrije koewachter gemoakt worden" was een vreeselijk iets, de schrik van alle jonge boerenknechts, die voor het eerst mee hielpen oogsten. Dat gebeurde wanneer de maaier er niet meer in slaagde de vrouwen, die hem op de hielen volgen, een voldoenden voorraad afgemaaide aren te bezorgen. Zoodra het haar gelukte "te binden in zijn kloefen", m.a.w. de aren van onder zijn voeten op te rapen, vlogen zij allen op hem af, wierpen hem omver in 't koren, trokken hem met geweld de broek uit, en joegen hem zoo, onder wild gelach en geschreeuw, naar de hoeve. Dat heette "vrije koewachter gemoakt worden," de grootste hoon, die aan een boerenknecht te beurt kan vallen.