Part 6
Verwilderd, verbluft door zijn eigen geweld, bleef Van Alleijnes een oogenblik roerloos in het midden van de keuken staan, stom luisterend naar de in den nacht uitstervende angstkreten van zijn vrouw en dochter. Dan keerde hij zich om, als zelve bang, sloop weer in 't kamertje en kroop er in 't bed, met zijn bokkevel aan.
* * * * *
Uren verliepen....
Buiten was het een heerlijke Julinacht, een nacht van plechtige stilte en zachte geuren, met een ongeëvenaard prachtigen starrenhemel en een reusachtige ronde maan, die in wazig-rossen gloed over de blonde korenvelden oprees.
De meeste bewoners van het eenzaam gehucht waren nog op, en af en toe weergalmde in de verte een verdofd geraas van een menigte: de met stokken en vorken gewapende benden, welke den "duvel" achterna zaten.
En sidderend onder zijn bokkevel lag Van Alleijnes met verwrongen gezicht naar dat akelig lawaai te luisteren. En telkens als een bende onder oorverdoovend geschreeuw zijn huis voorbij rende, ging hij aan 't rillen, dat heel zijn bed er van schudde, terwijl zijn loensche, op het gesloten blind gespijkerde oogen een uitdrukking van gruwelijken schrik kregen. Maar hij gilde niet meer, als vroeger, op het geluid terug; zijn op elkaar geklemde tanden lieten geen klank meer door.
Omtrent middernacht, toen alles stil geworden was, kwamen twee schuwe schaduwen in huis geslopen: zijn vrouw, zijn dochter.
Bevend kwamen zij op de teenen naar het slaapvertrekje, en, half verscholen achter den binnenmuur, staken zij 't hoofd in 't somber gat der openstaande deur.
* * * * *
Bij het zwakke schijnsel van het op de kleerkast staande lampje, zagen zij Van Alleijnes, steeds in zijn bokkenhuid gewikkeld, onbewegelijk in 't lage bed liggen.
Zij dachten dat hij sliep, en, ondanks haar onnoemelijken schrik, traden zij nog een stap naar voren.
Plotseling, dan, keerde hij zijn hoofd om, en keek haar aan met zijn strakke loensche oogen, die fonkelden als karbonkels onder het ruige haar der bokkenhuid.
Met een snerpend angstgegil vlogen zij weer buiten.
* * * * *
Dáár was het steeds de heerlijk zachte en sereene nacht. Heel hoog was de maan gerezen in den opalen hemel, en haar ronde schijf, kleiner nu en helderder schitterend, strooide haar schijnsel, wit als sneeuw, over de met parelen bedauwde, blonde korenvelden. De nabijgelegen sparrebosschen** waren daarentegen zwart als inkt, en in 't verschiet verscheen de heide als een maanlandschap, met geelwitte heuveltjes van naakt zand en diepten van donkere heesters. Twee uren sloeg het in de verte op den kerktoren, twee zwakke, gescandeerde zilverslagen, in de plechtige stilte van den heerlijken nacht.
Toen keerden de beide vrouwen voor de tweede maal weer huiswaarts. Huilend, met snikken in de keel, hare gestalten scheef vooruitglijdend als zwarte spoken over den wit beschenen weg, kwamen zij aan 't achterdeurtje.
In doodsche stilte duwden zij het open, slopen in 't keukentje, naderden de openstaande kamerdeur, en keken.....
Het lampje smeulde en stoomde, bijna uitgedoofd. Het kolend lontje verspreidde een benauwde lucht en gaf nog slechts een flauw, dofrood schijnsel, maar dwars door 't hartenaas van het gesloten blind dolkte een straaltje der maan gelijk een zilverschicht op Van Alleijnes' gelaat.
- Hij sloapt," fluisterde de vrouw, haar adem inhoudend.
Het meisje greep haar moeder bij de hand, en sidderend tegen elkaar gedrongen staken zij eventjes 't hoofd uit, om hem beter te zien.
In 't bleeke schijnsel van den manestraal leek 't weinige dat zij van zijn puntig, half onder de zwarte huid verborgen gezicht konden ontwaren, geelwit en hard, gelijk ivoor. De oogen en de mond schenen gesloten, en daar omheen hadden de folterrimpels zich verwrongen als tot zwarte groeven, waaruit de neus, wasgeel, scherp als de snavel van een roofvogel vooruitpuntte. Het lichaam, in elkaar gekrompen, lag onbewegelijk met opgetrokken knieën, terwijl de dwars over de borst gekruiste handen met al de kracht van hun hakige, in 't ruige haar geklauwde vingers, het bokkevel over zijn schouders schenen dicht te sluiten.
En roerloos, met hamerend hart, op den drempel van het kamertje, woonden de beide vrouwen een vreemd, schrikwekkend schouwspel bij:
Langzaam zich van links naar rechts bewegend, glansde de bleeke lichtstraal peilend over de eene helft van het gelaat, de andere helft in trapsgewijze toenemende duisternis verbergend.
Langzaam rijzend in een scheeve lijn, liet hij eerst zien, tusschen het grauwe der half open lippen, die witte rictusschittering der tanden; dan één vóór één de zwarte rimpels om den mond en om den neus, dan eindelijk het diep-gegroefde, donker gat van 't oog. En plotseling, van uit de donkerste diepte van dat gat, scheen een loensch weerlicht de twee vrouwen aan te grijnzen. En in die vizie van weerlicht, welke den schijn gaf van leven, kregen zij beiden, op 't zelfde oogenblik, in één en zelfden kreet van schrik en medelijden, de overweldigende intuïtie dat hij dood was.
- Man! man!" gilde de vrouw met een krijschende stem.
Noch antwoord, noch beweging.
- Man! man!" herhaalde zij met een schreeuw, die in een wilden snik ontaardde.
En zij sprong naar het ledikant toe.
Maar stom van schrik vloog zij weer achteruit:
Haar hand had zijn gezicht geraakt. 't Was koud als ijs....
Van Alleijnes was een lijk.
* * * * *
Er moest voor de begrafenis gezorgd worden.
Reeds den volgenden morgen in de vroegte, ging zijn vrouw, op het dorpsgemeentehuis, de verklaring van overlijden afleggen.
De gebeurtenis, die er al gekend was, verwekte groote opschudding. De bewoners stonden op hun dorpels, elkaar toeschreeuwend, dat de "duvel" dood was. En een vraag was op aller lippen: "waar zou men hem begraven en wie zou hem naar zijn laatste rustplaats brengen?...."
Natuurlijk kon hij niet in gewijde aarde begraven worden. Zijn plaats was in den "hondshoek" achter de kerk, den hoek van brandnetels en vuilnis. Maar wie zou er hem brengen, zelfs dáár? En 't antwoord op de vraag was onveranderlijk 't zelfde:
- Ik niet, woarachtig! Noch ik! Noch ik!..."
* * * * *
Niemand wilde. En toen de vrouw, volgens gewoonte, bij haar naaste buren in 't gehucht een hulp ging vragen, die anders nooit geweigerd wordt, werd haar de deur voor het gezicht geslagen en riep men haar toe:
- Goa wig! goa wig! We 'n hên mee den duvel niets te moaken!"
In wanhoop wendde zij zich tot den pastoor.
Ernstig dacht hij even na, toen antwoordde hij:
- Van Alleijnes was 'n greute zondoare, moar hij hé hem gebeterd veurdat hij stierf, en noar d' Helle 'n zal hij nie goan. Ik geef ou de permissie hem in gewijde eirde te begroaven, percies en zeu goed as den iesten den besten mijner prochioanen; moar wa kan ik er aan doen, as er hem niemand 'n wil droagen? 'K 'n kan 'k hem toch zelve nie goan hoalen!". . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Zij wendde zich tot Velghe en vroeg hem het lijk met zijn paard en wagen naar het kerkhof te willen vervoeren.
- Beste vrauwken," antwoordde Velghe, haar zoo spoedig mogelijk uit zijn huis leidend, "ik 'n zoe nie beter vroagen as ou dien dienst te meugen bewijzen, moar 't es onmeugelijk; 'k zoe mij de vijandschap van de heule gebuurt op den hals joagen; 'k 'n zoe hier nie mier keune leven."
En in het ledikant bleef het lijk liggen, grijnzend in zijn bokkenhuid gewikkeld....
Zij hadden het vel er niet af kunnen krijgen, zij hadden den doode niet kunnen afleggen!.... Zóó wild-krampachtig hadden zijn hakige vingers zich in het bokkevel vastgeklauwd, dat ze zijn armen zouden moeten breken, om hem er uit te krijgen. En die bijzonderheid, in het gehucht gekend, waar de twee vrouwen het in haar gruwel hadden uitgegild, versterkte nog de bewoners in hun overtuiging dat het de duivel zelf was, die daar nu nog "over eirde" lag. Bij den schrijnwerker der buurt had vrouw Van Alleijnes de doodkist besteld, en die had er wel in toegestemd ze te maken, maar geweigerd ze aan huis te leveren. Hij zou ze 's avonds vóór zijn deur zetten, waar de twee vrouwen, na betaling, ze maar zelve moesten komen halen.
* * * * *
Voor de tweede maal, dan, ging vrouw Van Alleijnes, door haar dochter vergezeld, bij den pastoor aanbellen.
De meid berichtte haar, dat hij voor enkele dagen op reis was, en de zijn plaats vervangende coadjutor zei haar, dat hij niets anders doen kon dan de, hem door zijn overste nagelaten instructiën, te volgen.
Dan ging ze naar het kasteel bij den baron, die ook de burgemeester van het dorpje was. Maar de baron was insgelijks op reis, ergens heel verre, vertelde een der knechts, en zou vóór weken niet terug zijn.
- Hawel, 't es goed!" riep de vrouw eensklaps woedend. "We zillen hem zelve begroaven, zonder d' hulpe van al die lafoards!"
En vastberaden keerden zij weer naar het verre gehucht.
* * * * *
De nacht was gevallen. Zij liepen haastig door het eenzaam veld, tusschen de hooge, rijpe korenakkers, over welks zwaargebogen aren geruischloos-fladderende vledermuizen zweefden.
De lucht was zwoel, met laag-drijvende wolken, broeiend van onweer.
- Ge moet mij helpen," sprak de vrouw, gebiedend, tot haar dochter.
- Woaraan?" vroeg het meisje, die in stilte weende.
- Da zilt-e wel goan zien."
En nog gejaagder snelde zij vooruit.
* * * * *
Zij kwamen aan het huisje. Vrouw Van Alleijnes opende de voordeur met den sleutel en zij traden binnen.
In een hoek der keuken stond de den vorigen avond gehaalde doodkist van ruw, ongeverfd hout, spookachtig wit langs den muur als een liggend lijk. In 't kamertje, waar een klein lampje brandde, lag Van Alleijnes, steeds in zijn bokkenhuid gewikkeld, in het lage bed.
De vrouw ging naar het achterhuis en nam er uit een hoek twee spaden. Zij gaf er een van aan haar dochter.
- Kom mee," sprak zij.
- Moar, moeder, wa goa-je toch doen?"
- Kom mee, zeg ik ou, ge zilt 't zien."
En weer verlieten zij het huisje.
De zoele nacht was zwart als kool. Geen star aan het ondoordringbaar uitspansel; geen boom of staak zichtbaar den weg afbakenend. Alleen van tijd tot tijd een blauwachtig weerlicht, in breeden gloed opflikkerend, en na een poos, heel in de verte, een dof-rollend geroffel van donder.
- Moeder! moeder! woar goan we toch noar toe?" vroeg angstig het meisje.
- Noar d' heije**," antwoordde zij.
* * * * *
Zij kwamen op de heide....
- Wacht 'n beetsen," zei de vrouw. En zij bleef even stilstaan.
Aan den gezichtseinder vlamde een weerlicht op. De breede blauwe gloed verlichtte even de hobbelige vlakte, omlijnend scherper als bij daglicht, een eenzaam groepje kromme sparretjes, een rozig-bloeiend plekje heidekruid, een goudgelen, naakten zandheuvel.
- Nog veuder," sprak de vrouw.
En, in het hol geroffel van den verwijderden donder, liepen zij strompelend verder.
- Hau stille," sprak zij voor de tweede maal, haar dochter bij de mouw grijpend.
En bij een nieuw, fel-glinsterend weerlicht, zagen zij zich in 't midden eener dorre vlakte staan, tusschen twee gele zandheuvels.
- Hier!" sprak de moeder.
- Wat hier?" vroeg het meisje.
- Voader begraoven....."
- O moeder!"
- Doe wa da 'k ou zegge," beval de vrouw. En zij begon te delven.
* * * * *
In enkele minuten tijds, bij het reusachtig opflikkeren der weerlichten en het dof-somber-rollen van den verren donder, hadden zij den kuil gegraven. Toen keerden zij weer huiswaarts.
Vrouw Van Alleijnes stak in het keukentje de lamp aan, en met haar dochter droeg zij de doodkist in 't kamertje, en trok die open. Dan kwam het vreeselijk moment. Haar angst en gruwel overwinnend, sloegen zij snikkend de armen om de monsterachtige gedaante van den overledene, en gaven hem een afscheidskus op de in foltering verwrongen lippen. En zonder nog te pogen hem uit het akelig, om zijn lijf geknelde bokkevel te krijgen, tilden zij hem op bij schouders en beenen, en legden hem in de doodkist.
Met spijkers werd het deksel er op vast geslagen; met andere spijkers, voor en achter, werden twee draagriemen, waarmee Van Alleijnes vroeger in den kruiwagen reed, aan de kist bevestigd. En zoo hieven moeder en dochter de doodkist op en gingen zij er schreiend mee naar buiten.
* * * * *
Dreigender kwam 't onweer op. Met kortere tusschenpoozen flitsten verblindend violette weerlichten, dapper gevolgd door luider en luider bulderende donderslagen. Soms was de gloed zóó schel, dat zij in 't blonde koren waar de kist schommelend langs schoof, de roode en blauwe bloemen zagen schitteren; het oogenblik daarna was alles zóó pikdonker, dat zij zelfs elkaar 's gebogene gestalte niet meer zagen. Het angstzweet brak haar uit, en bij elk weerlicht sloegen zij sidderend een kruis, onder den last der doodkist door haar weifelende beenen zakkend.
Uitgeput kwamen zij eindelijk aan de groeve. Zij zetten de kist op den rand, en knielend, met gevouwen handen, zegden zij een bede op. Heete tranen rolden over haar wangen, en groote regendroppels begonnen te vallen, hard openspattend op het hout der kist.
Toen lieten zij die in de groeve neer. Met een ruk trokken zij de riemen los, en hol-bonzend in het hol gebulder van den donder, vielen de aardkluiten op de doodkist.
Harder, in breede, rechte stralen, stortte de regen neer. Zijn aanhoudend gedruisch verdofde het dreunend geluid van den donder, en de bliksemvlammen smolten weg in wazig blauwgrijs.
De groeve was gevuld. Druipnat trapten de vrouwen de laatste zoden vast. En, met een laatste, snikkend vaarwel, verlieten zij ijlings de heide.
Het onweer trok af. Alleen de regen bleef aanhoudend vallen, in breede, lauwe stralen van eentonig ruischen.
Uit de gedrenkte aarde wasemde zacht een geuren-atmosfeer van frischheid en herleving....
BLANCHE
Zij was arm, triestig, leelijk....
Arm, want toen haar oude vader en haar jarenlang zieke moeder kort na elkaar gestorven waren, had zij niet eens genoeg om nog een maand te leven; triestig, omdat ook alles om haar heen altijd zoo triestig en zoo smartvol was; leelijk, omdat zij inderdaad volkomen van alle gratie ontbloot was: gebogen van rug en geelwit van haren en wenkbrauwen, met kleine, ziekelijke, roodrandige oogjes, die daarbij nog loensden: het albinostype in al zijn onsierlijkheid.
Zij werkte in de groote meelfabriek van 't dorp met nog enkele andere vrouwen, wier bezigheid bestond in het verstellen van gescheurde en versleten zakken. Dàt, en, boven, op den zolder der fabriek, het bed opmaken van den nachtwaker, was haar eenige occupatie, van 's morgens tot 's avonds, van het begin tot 't einde van het jaar. En 't fijne witte stof, dat opvloog uit de omgekeerde meelzakken, bedekte ook, als met een laag van kalk, haar kleeren, haar gezicht en hare handen, in een zóó schelle, algeheele witheid, dat men haar soms, wijl ze daar onbewegelijk zat te werken, had kunnen nemen voor een sneeuwpop.
Haar naam was Pharaïlde; maar om haar witte haren, en om al het witte dat aan haar was, werd zij door de anderen "Blanche" geheeten.
Er waren er jonge en mooie, onder die andere vrouwen, welke met haar werkten; en, in de lichte stofwolk, die met wit de bruine of de zwarte haren poeïerde**, kregen de jeugdige oogen een lachenden glans, terwijl 't gesprek, in opgewekte vroolijkheid, over minnaars en liefde handelde. De liefde! de minnaars! dat was 't nooit uitgepraatte, altijd weer terugkomende thema, dat de lange, eentonige werkuren minder treurig en vervelend heen deed vlieden; een lichtstraal van herinnering en hoop, die, dwars over de kleurlooze saaiheid der arbeidsweek, 't genoegen en de vrijheid van den eenen zondag aan 't genoegen en de vrijheid van den anderen verbond.
Slechts Blanche, zacht en nederig, sprak nooit in zulke dingen meê, maar hoorde die verhalen aan met inwendige trillingen van graagte, zooals men luistert naar diep-wonderbare, onwaarschijnlijke, en toch gebeurde avonturen.
Voor haarzelf bestonden al die dingen niet. Zij was zich al te sterk harer afgrijselijke leelijkheid bewust, om aan liefde te denken. Een man in 't gezicht te aanschouwen, o, neen, dat had ze nooit gedurfd. En zij wist ook wel dat geen man haar zou opmerken, tenzij om den spot met haar te drijven.
En toch,... er was er een, in de groote fabriek, wiens knappe, mannelijke trekken, wiens flinke, krachtige gestalte zij helder in beeld voor haar geest kon verwekken, ofschoon zij hem nooit vrij en frank in het gezicht had aangekeken.
Het was dáár omhoog, op den zolder, waar zij elken middag het bed van den nachtwaker ging opmaken, de jonge, knappe molenaar, die aan den reusachtigen trechter van de molens stond.
Haast altijd was hij daar, blootshoofds, met opgestroopte hemdsmouwen, zijn lastige taak verrichtend, als was het louter kinderspel. De honderd-kilos-zware-zakken rolden van den hoogen stapel in zijn sterk-gespierde armen, hij sneed den knoop door met zijn mes, tilde ze op, gooide ze om, ledigde ze in een oogwenk in den kolossalen houten trechter.
Zoo gauw als hij haar zag begroette hij haar met een gullen "goên dag," de oogen lachend in zijn vroolijk aangezicht met fijn zwart snorretje, en van verre riep hij haar 't een of ander toe, grapje of ondeugendheid, met zijn helder-klinkende stem het dof-dreunend geruisch der fabriek overschetterend.
Zij kreeg een kleur, antwoordde schuchter een paar woorden, te nauwernood vlugjes een schuwen blik in zijne richting wagend; en met koortsige haast en snel jagend hart, als onder de duistere benauwdheid eener vage vrees, begon zij het bed op te maken.
Beneden, onder de dreunende zoldering, gonsde en bruisde de fabriek aanhoudend-eentonig, met vlug gefladder hier en daar van schuifelende, leeren riemen; en, in haar haastige bewegingen, de beenen zwak en den adem bevangen, nam zij hem af en toe van verre nog eens schuchter op, in onbewuste graagte van bewondering.
Hij, weer aan zijn werk, scheen zich om haar niet langer te bekommeren. Zij zag hem ter sluiks, in toenemende drukte, de zware zakken in zijn armen opvangen, ze open snijden, ze optillen en omgooien, als waren het veertjes zoo licht. Zij kreeg er een soort duizeling van, het scheen haar toe of hij expres daarvoor geschapen was: om zware dingen op te tillen en ze om te gooien, dwars alle tegenstand en hinderpalen, met eindeloos gemak. Het scheen haar toe of hij haar zelve zoo zou kunnen nemen, zonder een aarzeling noch een woord, en of zij dadelijk in zijn armen zwak en slap zou worden, geheel tot weerstand onbekwaam.
Na enkele minuten was zij met haar arbeid klaar en keerde terug naar de trap. En telkens dan, op het juiste oogenblik dat zij zou weggaan, kwam hij op haar af, de schitteroogen lachend, haar even als het ware ter plaatse ketenend door de enkele magnetische kracht zijner aanwezigheid. En terwijl hij haar nogmaals een grapje of ondeugendheidje voorhield, ontwaarde zij vluchtig zijn mooi, knap gezicht, zijn schitterlachende oogen, zijn zwarte haren en zijn zwarte snor, zijn flinke soepele gestalte van onweerstaanbare kracht. Zij werd vuurrood en stotterde van schaamte, wijl hij, in de bewustheid van zijn algeheele macht, er vermaak scheen in te vinden haar nog dieper te ontroeren; en telkens ook, als zij dan eindelijk weer beneden was, onderging zij den overweldigenden indruk, dat zij slechts met de grootste moeite aan een vreeselijke ramp ontsnapt was, een ramp die voorzeker zou gebeurd zijn, die gebeuren zou, den dag als hij aldus bij haar zou komen, vooraleer zij 't bed geheel zou hebben opgemaakt.
* * * * *
Zoo kwam hij eens bij haar alvorens zij het bed geheel had opgemaakt....
Zoo kwam hij eens, gewoon glimlachend als altijd, zoo vrij en onbevangen als altijd in zijn bewegingen, met zijn gewone air of hij haar zou een grapje of ondeugendheidje zeggen, terwijl zij zelve, bevend van emotie, de wangen gloeiend en de oogen troebel, met handen, die sidderden van haast, haar werk poogde te voleinden....
En, zonder een woord, wijl zij, met een zwakken angstgil, 't bewustzijn verloor, tilde hij haar plotseling in zijn armen op, juist zooals ze zich had voorgesteld dat het gebeuren zou, juist zooals hij, licht als veertjes, de zware zakken van den stapel tilde, en ze, met een enkelen zwaai, in den reusachtigen trechter omgooide....
* * * * *
De eerste dagen liep zij als versuft onder 't gebeurde...
Hield hij dan wel van haar? En had zij hem ook werkelijk lief? Was dàt nu de liefde? Of was het er toch geen? Was dàt nu 't onbekend en zalig iets, waarover hare gezellinnen altijd fluisterden, met verrukten glimlach en stralende oogen? Of was er nog iets anders, iets zachter en verhevener, dat zij nog niet kende? Zij wist het niet, zij kon er niet helder aan denken, zij kon haar eigene gevoelens niet ontleden. Het werd haar telkens weer zoo verward en duister in den geest; zij voelde telkens weer niets anders dan de ruwheid van den aanval, den brusken, overweldigenden aanval zonder woorden, in het reusachtig dreunen der dof-gonzende fabriek. Zij had alleen het duidelijk besef, dat, wat zij vreesde, dan toch eindelijk gebeurd was, precies zooals het onvermijdelijk gebeuren moest, precies zooals het nog gebeuren zou, door een fatale macht, waaraan geen wilskracht haar onttrekken zou. En slechts één enkel iets was ze zich instinctmatig, met rillingen van angst, bewust: dat ze nooit, nooit met iemand over het gebeurde spreken mocht, omdat er, als het moest gekend zijn, zulk een gruwelijken hoon en spot op haar zou vallen, dat haar leven niet meer dragelijk zou zijn....
* * * * *
Hij kwam opnieuw, hij kwam nog dikwijls....
Hij kwam zoo dikwijls als het hem maar lustte, zonder dat zij er ooit een enkel oogenblik aan dacht hem tegenstand te bieden, zonder dat zij zich ooit een enkele maal afvroeg of ze niet erg verkeerd handelde. Zij had geen eigen wil noch eigen leven meer; zij was zijn iets, zijn voorwerp, waar hij mee handelde naar goeddunken; zij had niet meer verdedigingskracht in zich dan een dier levenlooze graanzakken, die hij in een oogwenk in den trechter van den molen omgooide...
Ook, toen ze zich, na verloop van drie maanden, in bedenkelijken toestand bevond, gaf ze zich eerst niets geen rekenschap der voor haar allervreeselijkste gevolgen. Zij kon zichzelve in de moederschap niet indenken, zij, Blanche, de monsterachtig-leelijke, de van alle gratie verstokene. De moederschap, o, dat kwam haar voor als iets heel anders, iets moois en zacht-ontroerends, waar veel meer reine genegenheid bij was, waar iets bij kwam van innig-teere, onderlinge hoop en bescherming, dat zij met hem toch niet kon voelen. Doch van lieverlede, naarmate het haar moeielijker** werd om haar toestand te verbergen, ontwikkelde zich, in haar gedeprimeerden geest, het akelig bewustzijn van haar werkelijken toestand. De haast onvermijdelijke gevolgen van haar misstap: 't verlaten worden door den vader, de wreedaardige hoon en spotternij van allen die haar kenden, het weggejaagd worden uit de fabriek, met de nijpendste armoede als onmiddellijk gevolg, dat alles dwarrelde weldra folterend door haar geheele wezen, in wreede weerlichten van openbaring, die haar de diepte van den afgrond lieten peilen.
Reeds begonnen de andere werkvrouwen haar met verwonderde oogen aan te kijken. Zij merkten iets abnormaals in haar op, en hadden soms een argwaan, dien zij nog bestreden, omdat 't idee van Blanche met een minnaar haar ook àl te bespottelijk voorkwam. Alleen een oude, met groote zwarte oogen in een gerimpeld, geel gelaat, vond de veronderstelling veel minder gek dan de andere; en, op een middag van niet langer meer te bedwingen nieuwsgierigheid, het oogenblik te baat nemend waarop Blanche even opstond om een vracht zakken te halen, flapte ze 't er eensklaps uit:
- Moar, Blanche, woa worde gij toch streusch!*) Woa schilt er dan mee ou?
*) Zwaar.