Part 8
En van lieverlede kwam het Bauwke voor of een complot van dien aard onder de vrouwen tegen hem beraamd werd. Het was, achter zijn rug, een voortdurend gefluister, en een gesmoord gelach, en bedekte zinspelingen, terwijl hij ze hoorde hijgen van haast en inspanning, om hem te achterhalen. Na elken pikslag hoorde hij het druk geschuifel harer naderende voetstappen over de stoppels; en de "stuiken", in overijling opgebouwd, wierpen soms, tot vóór zijn voeten, hun meer en meer vooruitdringende schaduw-silhouette. Toen spande hij, in uiterste wilskracht, al zijn vermogen in, en druipend van 't zweet, het hoofd duizelig en de oogen beneveld, rukte hij door de blonde golving der aren voorwaarts, als een die vlucht om 't leven door een woud, waar hij met de bijl zijn weg moet banen. Hij wilde geen "vrije koewachter gemoakt worden", en evenmin wilde hij zijn zwakheid erkennen door den arbeid te staken. Hij wilde zegepralen, de twintig frank per maand verdienen die hij beloofd had aan zijn moeder; en hij voelde dat hij zegepralen zou, als hij 't nog maar enkele dagen vol kon houden.
De zondag kwam, een rust van vier en twintig uren. Want per uren, per minuten soms rekende hij den rusttijd, in tegenstelling met den arbeidstijd, dien hij per dagen en per weken telde. En zóó vreeselijk had die eerste week hem reeds afgemat, dat zijn moeder van hem schrikte, toen zij hem terug zag.
- O, kind, ze doen ou boven ou macht wirken!" riep zij angstig uit. En, door een plotselingen argwaan aangegrepen:
- Willen z'ou meschien vrije koewachter moa-ken?" vroeg ze dringend.
Een hevig rood kleurde bij die onverwachte vraag Bauwke's bleeke, ingezakte wangen; maar hij staalde zich met wilskracht, en antwoordde trotsch-minachtend.
- Nie, zulle, doar 'n ben ik nie schouw 1) van!
1) Bang.
Heel even slechts gerustgesteld, drong zij er nog eens op aan, dat hij bij haar terug zou komen. Die plaats in de fabriek viel nu bepaald met September open, en reeds van stonden af kon hij er worden aangenomen, om het werk te leeren. Waarom zou hij ten minste niet probeeren? Hij kon toch altijd bij den boer terugkeeren als het hem niet beviel.
- Moeder," antwoordde hij na een oogenblik treurig nadenken, "'k en zegge niet da 'k nie en wille probeeren, 'k en zegge moar da 'k et nou nie en kan doen. Den boer het op mij gerekend veur den oest**, en 'k 'n mag 'em in de steek nie loaten."
Zuchtend liet zij hem vertrekken, het hart benauwd onder een onheilspellend voorgevoel.
* * * * *
Den volgenden morgen, met den dageraad, begon opnieuw, op een wijd uitgestrekt roggeveld, de wreedaardige, geniepige strijd.
Het was de laatste rogge die zij moesten "afpikken". Als hij het nog drie dagen kon uithouden, was hij gewonnen. En door de zondagsrust versterkt, de sikkel scherp geslepen en de hand vaster, ging hij met versche kracht en moed te werk, zich zonder zwakheid houdend naast de anderen, ver achter zich latend de "bindsters" die hem vruchteloos poogden in te halen.
Hij hield het op die wijze vol tot ongeveer drie ure, onder een brandend-heete zon. Toen kreeg hij eensklaps een soort duizeling, op het oogenblik dat hij zich even oprichtte om te verademen. Een rossige nevelgloed kwam voor zijn oogen, terwijl een reusachtig gedruisch in zijn oogen gonsde. Hij waggelde even, pikhaak en sikkel loslatend, de beide handen uitgestrekt als om zich aan iets vast te houden, en slaakte dof een kreet, die in zijn keel bleef hokken. Maar 't duurde slechts een oogenblik, de benauwende nevel verzwond, het bruisen hield op, hij kreeg weer vastheid in zijn beenen en raapte zijn gereedschap op, terwijl alleen nog zijn adem wat bevangen bleef, en 't zweet in dikke, lauwe stralen langs zijn slapen stroomde.
- Wa hêtte dan? wa gebeurt er?" vroeg de maaier die aan zijn rechterzijde stond en die alles gezien had.
- O, niets, 'k 'n weet-e 'k ik niet; de woarmte, zeker!" antwoordde hij machinaal, met nog iets verwilderds in de oogen. En spoedig hernam hij zijn arbeid.
Maar, na verloop van enkele minuten, moest hij zichzelf bekennen, dat het hem niets goed meer ging. Opnieuw voelde hij zich gedrukt onder een immense vermoeidheid, zooals hij er nog nooit van zijn leven gevoeld had, een vermoeidheid die zijn gefolterde ledematen als met lood verloomde en verstramde. Geen tien minuten waren verloopen toen de andere maaiers hem reeds ruim vooruit waren, terwijl de vrouwen hem nu weer met reuzenschreden achterhaalden, in 't schuifelend geritsel der steeds vlugger en vlugger opgegaarde aren.
- Bauwke!" riep lachend-waarschuwend een der pikkers, "opgepast, zulle! Ze komen op ou hielen!
Hij gaf geen antwoord, het lichaam in tweeën gebukt, den mond hijgend open, uit al zijn macht door-sikkelend, vooruitgezweept door het steeds naderend geritsel van de aren, welke de vrouwen, met gesmoord gefluister en gelach, nu bijna tot onder zijn voeten opraapten. Er kwam iets dofs in hem, iets wat hem tijdelijk nog de kracht gaf door te sjouwen, zonder haast te beseffen wat hij leed. En zijn eenig duidelijk gevoel was dat van overvloedig zweeten, een zweet zoo lauw en dun als water, dat hij voortdurend, voortdurend langs zijn slapen en zijn wangen voelde drijven, opborrelend uit zijn lichaam, opborrelend zonder eind, tot allerlaatste uitputting.
- Bauwke! Bauwke!" riepen nu al de pikkers te gelijk den arbeid stakend. "Aie! aie! ze zitten hoast in zijn kloefen!"
En plotseling slaakten de vrouwen een gillenden triomfkreet, terwijl zij hare leege handen in de hoogte staken; zij hadden geen aren meer om te binden, en, met het wild gejuich: "Vrije koewachter! Vrije koewachter!" vlogen zij allen samen af op Bauwke, die eensklaps, op het oogenblik zelf dat zij hem zouden vastgrijpen, met zijn pikhaak en zijn sikkel, als verpletterd ten gronde stortte.
Verschrikt deinsden de vrouwen achteruit, terwijl de mannen ijlings kwamen aansnellen.
Bauwke, op de rechterzij gevallen met de sikkel onder zich, gaf geen teeken meer van leven. Zijn pijnlijk verwrongen gezicht, met dichte oogen, was groenbleek geworden, in strakke folter-onbewegelijkheid; en alleen het lauwe, dunne zweet bleef overvloedig langs zijn slapen en zijn holle wangen drijven, in scheeve pareltjes afdruppelend van de kin, over den open kraag van het doorweekte hemd.
Twee mannen tilden hem onder de schouders op, schudden hem, poogden hem overeind te doen zitten:
- Alo, toe Bauw, stoa op! Wa schilt er dan? Wa hêtte?
Voor alle antwoord opende hij zwakjes een bleek, triestig oog, en slaakte diep een zucht.
- Oarme sukkel! 't es amoal onz' schuld!" weeklaagden nu de vrouwen.
Opnieuw poogden de mannen hem overeind te doen zitten; maar alles bleek te vergeefs. Er was geer ziertje kracht meer in hem. Zij tilden hem bij de schouders en de beenen op, en droegen hem, over het stoppelveld naar de schaduwzijde var den elzenkant, terwijl een derde ijlings naar de hoeve om een kruiwagen liep.
Na een oogenblik was hij terug, gevolgd van den boer, die hem naholde.
Men strooide zachte korenaren over de harde plank van den kruiwagen, en daarop werd Bauwke neergezet, het hoofd geleund tegen een garf**. Een vrouw, aan elke zijde, hield hem bij den schouder vast; de beenen, te lang voor den kruiwagen, sleepten over 't gras. Toen tilde de man de draagboomen op, en langzaam trok de triestige stoet naar de hoeve, het scheef gezakte hoofd van den rampzalige machteloos heen en weer knikkend, zijn krachteloos-slepende voeten hobbelend en dansend over den ruwen weg....
* * * * *
De nacht was slecht. Tot twee uur 's morgens bleef hij gedompeld in een staat van als het ware levenlooze bedwelming, maar toen begon hij in zijn bed te woelen, dof klagend over onuitstaanbare pijn in den buik. De boerin, door zijn kreunen gewekt, kwam op het zolderkamertje waar hij sliep, en vroeg hem of hij iets verlangde.
Neen,.... neen,.... hij wilde niets,... maar hij leed.... hij leed afgrijselijk. En, kruipend in zijn bed, drukte hij de beide handen op zijn buik, die dik gezwollen was en hard als steen.
- 'k Zal d'r lijzemeelpap** op moaken," zei de vrouw. "Doarmee zal 't wel beteren.** Tegen den ochtend, afgemat van lijden en vermoeidheid, sliep hij in. Weer lag hij in een staat van roerlooze prostratie**, als een doode.
De boer en zijn vrouw raadpleegden elkaar. De boer wilde den dokter laten halen; zijn vrouw was er tegen.
- 't En es nie anders of deud-moe zijn, mee ienige doagen ruste zal hij genezen zijn," meende zij.
- En zijn moeder? Moete we zijn moeder nie loaten hoalen?
- Nie, nie, nou nog niet. Loat ons 'n beetse wachten; 'k ben zeker dat hij van zijn eigen zal genezen.
En zij wachtten, hem trouwens omringend mei al de zorgen die in hun bereik waren, want zij waren beiden zeer op hem gesteld.
* * * * *
De dag ging voorbij zonder verandering ir zijn toestand te brengen. De perioden van bedwelming en van woeling wisselden elkander af, deze laatste zeer hevig, kronkelend den zieke op zijn bed, met kreten en zuchten van smart. En hij weigerde alle voedsel; hij nam niets anders dar een beetje water, gemengd met suiker en citroen; die men in 't dorp was gaan halen.
Maar plotseling, 's avonds van den tweeden dag, verergerde zijn toestand onheilspellend. Hij werd aangetast door een hevige koorts, die hem deed huiveren en klappertanden in de stikkende hitte van het zolderkamertje; en eensklaps sprong hij gillend uit zijn bed, ineengekrompen van de foltering, de beide, krampachtig gesloten vuisten op zijn buik, smeekend om hulp of om dood, met knarsende tanden en stampende voeten, als in een aanval van dolle razernij.
Bleek van schrik kwamen de boer en zijn vrouw aansnellen.
- Gauw! gauw om den dokteur en om de moeder!" riep de boer. En terwijl zijn vrouw ijlings de trappen afholde om het bevel te geven, greep hij met geweld den lijdende vast en duwde hem weer in het bed, alwaar hij vruchteloos poogde hem akelig gillen te doen staken.
* * * * *
- Ziek! och Hiere! Es't dan zeu irg!" riep Blanche, bevend van angst, toen de paardenknecht der hoeve, buiten adem, met hortende stem, haar het droevig nieuws verteld had. "Och God! Och God!".... En snikkend liep zij hare muts opzetten en haar schoenen aantrekken.
- Wel niet zéú irg, meschien, hijgde de jonge man," moar 'k moe toch den dokteur goan haolen.
- O joa, och God! en leupt toch ziere! toch ziere!" smeekte zij, met gevouwen handen.
Zij zelve was in een oogwenk klaar; en zonder te luisteren naar de troostende woorden, waarmee de beide oude vrijsters, bij wie ze steeds inwoonde, haar trachtten op te beuren, vloog zij naar buiten, zuchtend en snikkend, in den reeds donkeren nacht.
* * * * *
Zij vloog, zij rende, de borst hijgend, en 't zweet op het voorhoofd, alleen in den heerlijk-zachten, kalmen zomernacht, alleen in 't rustend, eenzaam veld, waar de maan, laag en dof op den gezichtseinder, haar wazig, droomerig schijnsel zond over de lange, stille rijen der als smeekende gestalten in elkaar gestrengelde korengarven. Zij zuchtte halfluid: "O! had hij toch mijne road gevolgd! O! was hij toch weere bij mij gekomen!".... Zij smeekte: "O! mijne God, mijne God! loat mij toch nog bij tijds komen! Loat mij hem toch nog keune redden!" En onder 't wilde hollen vouwde zij bevend haar handen om het van Hem af te smeeken; om Hem te smeeken, dat Hij die alles kon, Hij, die zóóveel verleende aan ontelbare gelukkigen op aarde, haar niet het eenig, het uniek geluk dat Hij aan háár verleend had, zou ontnemen.
Eindelijk kwam zij aan de verre hoeve, welk honden zwaar-luguber aanblaften. Zij rende over den boomgaard, kwam aan de huisdeur, duwde die open, zag niemand in de keuken, vloog de zoldertrap op.
De boer, die haar had hooren komen, liep haar te gemoet, den vinger op de lippen, om haar 't stilzwijgen te bevelen.
Bauwke, door de vreeselijke crisis uitgeput, lag weer, schijnbaar kalm, en roerloos, in zijn bed, de oogen toe, alsof hij sliep. De boerin, over hem gebogen, legde een versche pleister op zijn buik.
Bevend, haar adem en tranen inhoudend, naderde Blanche 't ledikant. Maar toen zij hem zag in 't zwakke schijnsel van het lampje, 't gelaat verwrongen en zoo uitgemergeld geel en mager, toen voelde zij in zich iets breken en scheuren; en, met ineengekrompen handen zonk zij snikkend op haar knieën, huilend in stilte de bitterste tranen van haar leven, terwijl ze zich tot bloedens toe de lippen beet, om het niet hardop van gruwel uit te gillen.
Met gefluisterde troostwoorden keerde de boerin zich tot haar om: - Zwijgt, zwijgt, all'** hoop en es nog nie verloren! hij zal d'r nog wel deure scharten**!
- Moar woa hêt hij? Hoe es da toch gekomen! Waarom hêtte mij zeu loate geroopen**?" vermenigvuldigde Blanche snikkend haar wanhopige vragen.
- Kom alhier, kom liever alhier," zei de boer haar bij de hand nemend, "schiedt er uit mee schriemen, den dokteur zal goan komen en hij zal em helpen. Ala toe, kom, me zillen hier op ons gemak keune klappen, binst da w' em in 't eug hoûen."
En, bijna met geweld, trok hij haar uit het zolderkamertje, waarvan de deur bleef open staan.
* * * * *
Acht dagen lang doorleefde Blanche, die de bedstee van haar zoon haast geen oogenblik verliet, alle de folteringen van den uitersten moederangst. Acht dagen bad en smeekte zij met bevende gevouwen handen, dat de Almachtige Heer haar zoon zou redden. Er kwamen uren van zalige hoop en verlichting, momenten van opperste vroomheid en illuzie, waarin ze zich, met de stugge hardnekkigheid van een die het fatale eind niet _wil_ aanschouwen, aan 't leven, aan zijn leven weêr vastklampte; er kwamen uren en dagen van absolute vertwijfeling, waarin ze zelve reeds als dood was, vernield in ziel en lichaam, door het overweldigende van haar lijden.
En zoo kwam eindelijk ook het oogenblik, waarop zij, in stomme neerslachtigheid, begreep dat alles onherroepelijk verloren was?...
Den negenden dag, met den avond, na het vertrek van den dokter en van den pastoor, die hem de laatste sacramenten had toegediend, kreeg zij in eens 't afgrijselijk, acuut bewustzijn, dat niets meer hem kon redden. Stokstijf, met op elkaar geklemde tanden, zonder een kreet, zonder een traan, woonde zij den doodsstrijd bij. Haar triestige zieke oogen, haast blind geworden door het huilen, sperden zich voor het laatst wijd open, als om niets te verliezen van dat gruwelijk tafereel: de doodsstrijd van haar aangebeden zoon, de sombere vernieling van haar eenig goed op aarde! Zij zag zijn ontvleesde gelaatstrekken wasgeel en strak worden, in een laatste, gelouterde uitdrukking van nobele schoonheid; zij zag zijn mooie, zachte, helderblauwe oogen in hun holten omdraaien en breken; zij zag zijn gestalte, zeer lang, zich uitrekken en onbewegelijk worden, in hiëratische** lijnen van onverstoorbare rust, zonder dat zij, in haar stompe bewusteloosheid, iets anders voelde dan lange, vreeselijke rillingen, van haar hals tot haar voeten. Hij was reeds dood, en stijf en koud, toen ze daar nog altijd stom en roerloos op dezelfde plek stond, als versteend in haar afgrijzen van het Niets. En toen ze zich eindelijk wilde bewegen, waggelde zij half om, als dronken, de handen tastend uitgestrekt, als was er, in plaats van atmosfeer en vastheid, niets meer dan duisternis en afgrond om haar heen.
Zij hoorde niet de troostwoorden waarmede de boer en zijn vrouw haar trachten op te beuren en toen zij haar bij den arm wilden nemen om haar te doen zitten, in eens, licht als een schaduw was ze weg, de trappen af, den huize uit....
* * * * *
Zij holde door de duisternis, alleen, verdwaald, bewusteloos, in den zacht-zwoelen, geurigen nacht...
Zij meende stemmen te hooren, die naar haar riepen, en ze rende harder, om ze te ontvluchten. Maar ze wist hoe langer hoe minder waar ze heen rende, noch waar ze was; er bestond niets meer, er was niets meer in haar noch om haar heen. Zij zweefde, als een ijl, levenloos lichaam, in een ijle, onbekende ruimte, zonder atmosfeer.....
En ze zag dingen die ze niet meer kende, die ze niet meer begreep....
Zij zag de stille manesikkel, wazig oranjekleurig, laag op den gezichtseinder rijzen, over de donkere korenvelden; en 't kwam haar voor als zag zij een oud, mysterieus, droevig oog, dof-starend in bespiegeling naar de vernieling van een arm, lijdend schepsel....
Zij dwaalde over naakte stoppelvelden, waarvan de scherpe punten in haar enkels beten zonder dat ze 't voelde; en suf stond ze te staren op de lange rijen "stuiken," welke haar voorkwamen als smeekend-omarmde gestalten, die allen haar gruwelijk geheim kenden, en dit, in 't droomerig gezang der krekels, als een gefluisterde weeklacht aan elkander mededeelden....
Zij dwaalde in een bosch, onder hooge, inktzwarte kruinen; en 't kwam haar voor als was zij in een afgrond, waar 't laatst atoompje van haar zwakke leven ook in 't Niets verzwond....
Want er was niets meer, niets meer, niets meer! Want ieder harer waggelende schreden scheen struikelend te vallen in een ijle leege ruimte; want iedere trilling harer wild-zoekende handen bevoelde 't afgrijselijk Niets! En toch zocht zij! Dit enkele bewustzijn bleef in haar: dat zij iets zocht, zij wist niet wat, iets dat aldoor, aldoor scheen te vluchten.
En, van lieverlede, in den angst van dat vruchteloos zoeken, werd zij door een wilde gejaagdheid voortgezweept. Zij rende al harder en harder, rechts, links, de handen sidderend uitgestrekt, de keel droog-hikkend, de stem schor, huilend, snikkend. Zij strompelde, viel, sprong weer op, holde verder, viel opnieuw, zich vastklampend aan alles wat zij voelde, en alles dadelijk weer loslatend, zonder ooit het halsstarrig gezochte te vinden.
Toen vlamde plotseling in haar als een groot, vervaarlijk licht op....
Plotseling, in een bleeke klaarte, zwak-schijnend in een diepte, erkende zij het zoolang te vergeefs gezochte!....
Het was de Dood dien zij zocht! De Dood die haar kind, haar eenigen schat, haar eenig geluk, haar leven, haar àlles in zijn klauwer hield!.... De Dood die niet teruggeeft wat hij eenmaal genomen heeft, maar die toelaat het verlorene bij Hem, in Hem, terug te vinden!...
Zij had geen oogenblik van aarzeling.... Zij zag hem dáár, haar zoon, haar leven, in een afgrijselijke hallucinatie; en met een wilden kreet van vernieling en van liefde sprong zij in de diepte, in den bleek-glimmende poel.
Hoog spatte 't stille water op, in een ruischend gebobbeld. Zij slaakte nog een laatsten kreet, den smacht-kreet eener uiterste omarming, en weer werd alles stil in de bespiegeling van den heerlijk-zachten zomernacht.
Zij had het eenige geluk haars levens teruggevonden.
DE WRAAK VAN PERMENTIER.
Toen Permentier dien morgen in de duisternis van 't kleine slaapvertrek ontwaakte, zich in zijn ledikant uitrekkend met een van die lange rustzuchten die een einde stellen aan den slaap, herinnerde hij zich even dat hij den vorigen avond, met zonsondergang, in het rapenveld tusschen zijn woninkje en de herberg van den jachtopziener Spiessens, een haas had zien zitten.
Hij bleef enkele oogenblikken, roerloos op den rug gestrekt, daarover nadenken, den nog weifelenden blik gevestigd op het grijzend licht-randje, waarmee de dageraad 't gesloten luik van het eenig venster omlijstte, terwijl zijn vrouw, 't gezicht naar den muur gekeerd, door bleef slapen. Toen kroop hij langzaam, stilletjes uit zijn bed, trok broek en wambuis aan, kwam barrevoets, den rug gekromd, in de nog pikdonkere keuken. Hij nam er zijn pet, die aan een spijker hing, deed zijn klompen aan, die naast den haard stonden te drogen, ging naar de buitendeur en trok die zachtjes open.
Het sloeg vijf ure op den niet ver afgelegen kerktoren. De dag brak aan, in grijzen nevel.
Roerloos, met een gevoel van verkwikking de frissche morgenlucht inademend, bleef hij een poosje op den drempel zijner woning staan, de deur achter zich op een kiertje latend, den loozen blik recht vóór zich uit op 't grijze rapenveld gevestigd, geduldig wachtend dat de nevel wat zou opklaren.
Het was een man van ongeveer vijftig jaar, middelmatig van gestalte, met nog ravezwarte, dichtgeplante, borstelige haren, en scherpe, diep achter dikke wenkbrauwen verscholen, zwarte oogen in een baardeloos, geelgerimpeld gezicht. Zijn plunje, aardkleurig en overal gelapt en versteld, was van die stof welke de Vlaamsche boeren "mollevel" noemen; zijn klompen, zonder trekleeren, waren hoog en zwaar, te groot voor zijn magere, vereelte voeten. Den nek tusschen de schouders ingedrongen, het lijf voortdurend in loerende houding een weinig naar voren gebogen, en den blik halsstarrig op het rapenveld gevestigd, had hij uit zijn zak een tabakspruim gehaald, welke hij langzaam knauwde, om den tijd te slijten.
Langzamerhand was de mist een weinig opgeklaard. Hij werd doorschijnend onder de eerste stralen der Septemberzon, rafelde zich uit in licht drijvende sluiers, telkens ontblootend en opnieuw omnevelend kleine gedeelten van het veld, onduidelijk afstompend de boomen en de elzenstruiken langs den rand der slooten, na zich latend, op gras en gebladerte, een effen-grijzen, killen pareldauw. Aan de overzijde van het rapenveld, op een paar geweerschoten afstands, verscheen het herbergje van Spiessens eventjes heel helder, klein, net en popperig als een stukje kinder-speelgoed, om het oogenblik daarna in den zwevenden dampsluier weer weg te smelten.
En plotseling, terwijl Permentier met nog hardnekkiger inspanning van den blik het rapenveld doorpeilde, ontdekte hij weer den haas op dezelfde plaats als den vorigen avond. Het waren slechts de punten van twee gespitste, vaalrosse ooren tusschen de grijsgroene blaren, doch zijn bedreven oog kon er zich niet in vergissen. Langzaam keerde hij met zijn tong de tabakspruim om, spuwde links een straal koffiekleurig sap, spijkerde, met een nog snijdender flikkering der kleine zwarte oogen, zijn aandacht op de puntig in het rapenloof gespitste ooren.
En wat hij schier op 't zelfde oogenblik ontwaarde, hield hem van emotie als het ware aan den grond genageld.
Dáár, op een zestigtal meters afstand, langzamerhand meer en meer duidelijk uit den grijzen mist te voorschijn komend, naderde, in 't midden van het rapenveld, een gluipende, omzichtige gestalte. Kleine, ineengedrongene gestalte, opgetrokken schouders, zakkende knieën, grauw-vilten hoedje met breeden, vóór de oogen neergeslagen rand. In de rechterhand twee stokken; de eene lang, de andere kort, beiden horizontaal, kniehoogte gedragen. Een kleine huivering doorrilde Permentier; hij had den kerel herkend: Buck, den onversaagden, onverbeterlijken wilddief.
Terstond bevatte Permetier** wat er gebeuren zou. Buck, dien hij sinds een paar dagen rond zijn woning zag sluipen, had, evenals hij zelf, den haas in zijn leger ontdekt en kwam hem nu dooden. Permentier zelf deed niet aan wildstrooperij. Hij durfde niet. Maar hij had met de wilddieven die instinctmatige sympathie, die indirect-begunstigende medeplichtigheid aan bijna alle boerenlieden eigen. Hij had de liefde en den haat van 't wild; de hevige begeerte het te dooden en te stelen, gedempt door den schrik voor de gendarmen en de wettelijke overheden. En een zijner grootste genoegens was, een haas of wild konijntje te zien vangen, zonder zichzelf tot de daaraan verbonden vervolgingen bloot te stellen.
* * * * *
In het nog licht beneveld rapenveld, had Buck, al zijn aandacht op zijn prooi gevestigd, schielijk stil gehouden. Het lijf sterk voorovergebogen, den hals uitgerekt, herkende hij den haas, wiens spitse ooren steeds onbewegelijk als twee bruine stipjes boven de grijsgroene bladeren uitstaken. Toen wierp hij een gluipenden blik op Spiessens' gesloten, vaag omneveld herbergje, en, zich omkeerend, legde hij den langste zijner twee stokken in het rapenloof neer, en kwam, breed-schrijdend, met den anderen uit het veld, in de richting van Permentier's huisje.