Part 11
Werktuigelijk was hij enkele schreden verder gegaan, langs den rand der donkere, in den toenemenden wind luider ruischende boschlaan. Na enkele oogenblikken hield hij nogmaals stil, het hoofd in somber nadenken gebukt, bruisend van folterende gewaarwordingen en gedachten. En eensklaps scheen hij een besluit te willen nemen. Eensklaps wendde hij zich om, keerde denzelfden weg terug, liep haastig voorbij het thans onzichtbaar, in den wind geschudde kruis, sloeg rechts een andere, nog donkerder boschlaan in.
IJlings, ijlings liep hij nu. Een wondere kracht stuwde hem onweerstaanbaar vooruit, naar een intuïtief doel, dat hij zelf nog niet kende. Hij volgde de laan tot het einde, sloeg een tweede in, links. En dwars door 't hart der wouden heen liep hij maar altijd verder, klein als een kabouter tusschen de reusachtige boomen, steeds sneller en sneller vooruitgestuwd door den wind die hem nu in den rug blies, die hem scheen te vergezellen, te leiden in het klagend geschommel der zwarte dennenkruinen. Zijn adem hijgde, het klamme zweet bedekte zijn gelaat. Koortsachtig peilden zijn oogen de duisternis van den onweersnacht.
Plotseling, op een hoek van het woud bleef hij palstil staan. Schuins vóór hem, op een paar honderd meters afstands, blonk een geel licht in den nacht. Een schorre zucht steeg uit zijn keel; hij aarzelde een oogenblik, de oogen fonkelend, 't gehoor gespitst. Toen liep hij dwars over de laan, en sloop, het lijf gebogen, als een panter, langs den somberen boschrand voort, in de richting van het licht.
Na enkele minuten, kwam hij op een breeden, ten allen kante door hooge boomen en donkere bosschen omlijsten kruisweg** terecht. Hij kroop links in een sloot, staarde naar het licht, dat nu vlak tegenover hem was. Zijn hart bleef een seconde stilstaan, terwijl hij, uit de sloot kruipend, onder het struikgewas van den boschrand verdween.
Vlak vóór hem, enkel van hem gescheiden door de breedte van de laan, stond het huisje van den jachtopziener waar hij 's morgens reeds geweest was, met de beide nog niet toegeblinde vensters van de keuken, helder verlicht door de lamp welke daar binnen brandde.
* * * * *
Permentier, onder de ruischende sparren ineengekrompen, verademde een oogenblik. Zijn hart was weer wild begonnen te jagen, zijn adem stokte in zijn toegeschroefde keel, die telkens, in een zenuwachtig hikken, droog slikte. Toen kroop hij een weinig over het mos naar voren, en, plat ten gronde uitgestrekt, onder de klagend-schommelende kruinen, staarde hij naar het tafereel.
Achter de heldere vensters, in het midden van de tamelijk ruime keuken met haar eiken zoldering en haar enkele schelgekleurde jachtchromolithografieën aan de witgekalkte wanden, zaten, aan een vierkant tafeltje, vier personen bij het schijnsel der op een kast geplaatste lamp, kaart te spelen.
Een van de vier, een man, keerde den rug naar het venster. Permentier herkende hem niet. Hij zag enkel van achter het hoofd, dat met een groote bonte muts bedekt was, en den rug, breed en hoekig, in zwarte omtrekken, met een iewat** scheef-hellenden linkerschouder, tegen het wit van den achterwand duidelijk afgeteekend.
Aan de linkerzijde van dien man, om den linker hoek der tafel, zat, zijlings, een jongeling van een twintigtal jaren, een frisch, blozend gezicht, met blond krullend haar. Die herkende hij. Het was de zoon van een der jachtopzieners van den burggraaf d'Hailly van Roosevelt, een eigenaar uit het omliggende.
Aan de rechterzijde, om den rechter hoek der tafel, en insgelijks zichtbaar van profiel, zat de vrouw van den huize, die Permentier 's morgens reeds gezien had, een jonge mooie vrouw, met een regelmatig, matbleek gezicht en groote zwarte oogen, onder een weelderigen, gitzwarten, van voren rechtopstaanden haarbos.
En eindelijk, aan den vierden hoek der tafel, recht tegenover 't venster, doch half aan Permentier's gezicht onttrokken, door den man met de bonte muts en breede schouders die naar hem den rug toekeerde, zat de jachtopziener zelf, zijn uniformpet met rood bandje achterover op het hoofd, zijn waaiervormigen rossen baard in het schijnsel der lamp als met goud begoten, zijn hooggekleurd gelaat uitstralend in een glimlach van vrede en genoegelijk welzijn.
Op een hoek der tafel stond een kruik met bier en glazen; tegen den achterwand, naast de eetkast, was een oude Vlaamsche klok met langzaam heen en weer zwaaienden slinger en moeilijk te ontcijferen zinken uurplaat.
* * * * *
Permentier's hart hamerde voordurend met korte, vlugge bonsjes, alsof er in zijn binnenste, met onverpoosde gejaagheid**, een folterend mechanisme aan het werk was.
Steeds roerloos uitgestrekt over het gladde mos onder de klagend-schommelende kruinen, den loop van zijn naast hem liggend geweer krampachtig in de rechterhand gekneld, en de oogen fonkelend in zijn ontsteld gelaat, ging hem geen enkele bijzonderheid van 't vreedzaam tafereel verloren. En, naarmate hij het aanstaarde, stegen, met toenemende kracht, al de onstuimige, in de vermoeidheid van zijn lichaam een oogenblik verzwakte gevoelens van haat en wraak, uit zijn binnenste weer op.
Dáár zat hij dus vóór hem, de vijand die stellig nu over zijn vrijheid en zijn leven reeds beschikt had; de verfoeide gegaloneerde, een der verwenschte steunpilaren der verwenschte dwingelandij, welke op duizenden en duizenden manieren den geringen man uitbuitte en verdrukte! Ongetwijfeld was hij zelf ter stad de klacht in handen van 't gerecht gaan indienen; dat was hem aan te zien in zijn plunje, aan zijn beste pak, dat blonk in 't licht der lamp, aan het wit hemdsboordje en het zwartzijden dasje, die nog boven op de eetkast lagen. Over Permentiers** lot was reeds onwederroepelijk beslist, en hij, die er de schuld van was, vermaakte zich nu vreedzaam in den schoot van zijn gezin, gelukkig en gerust dat hèm de straf niet wachtte die hij aan zijn evenmensch berokkend had, 't gemoed verhelderd, geklommen in zijn eigen achting, door het besef van zijn gestreng, maar rechtvaardig volbrachten plicht.
Een grijnslach van wreedheid zweefde op Permentier's lippen. Zijn mond, half open, ontblootte, in den donkeren onweersnacht, zijn witte tanden, terwijl zijn rechterhand nog krampachtiger den kouden loop van het geweer omknelde. En werktuigelijk, als onbewust, kroop hij voortdurend langzaam over 't mos weer naar voren, naar den woudrand.
Oh! die groote rosse reus, wat haatte hij hem! Hij zag hem drinken, lachen, rooken, de kaarten schudden; hij vernam soms het geluid zijner autoritaire stem; en telkens, in een woedesiddering van heel zijn lichaam, overweldigde hem weer feller en feller de herinnering der eenmaal uitgestane onrechtvaardigheid en de wilde begeerte zich te wreken; het wild, hartstochtelijk verlangen naar de nog nooit genotene voldoening eenmaal íets in de bestaande maatschappelijke orde om te werpen, eenmaal hoog en machtig op te heffen wat altijd zwak was en vernederd, eenmaal te vernederen en te verpletteren wat immer sterk en machtig en hoogmoedig was. En telkens en telkens kroop hij onbewust enkele centimeters verder, onweerstaanbaar voortgestuwd, onweerstaanbaar aangetrokken door iets vreeselijks, door een macht, een obcessie, een hallucinatie die hij in overweldigende rillingen uit de geheimste diepten van zijn wezen voelde opstijgen.
Plotseling zag hij, in de helder verlichte keuken, den man met de bonte muts, die hem den rug toekeerde, opstaan en zijn plaats verlaten.
Het was iets korts en vlugs, als een subiet weerlicht van openbaring.
In eens zag Permentier den rossen reus aan het uiteinde der tafel zitten, zonder iets dat tusschen hem en zijn vijand de vrije ruimte verhinderde. En, tegelijkertijd, als bij den flits van 't zelfde openbaringsweerlicht, zag hij zijn wraak, zijn onmiddellijk, onfeilbaar te volbrengen wraak.
In een werktuigelijken schok, zonder zelf te weten wat hij deed, richtte hij zich op zijn knieën, schouderde zijn Lefaucheux, mikte, dwars over den weg, dwars door het raam, op de volle, breede borst.
En op dat uiterst oogenblik was het, dat de afschuwelijke zinsverbijstering plaats greep....
Op dat uniek, afschuwelijk moment, op dat onbegrijpelijk moment der schier volbrachte wraak, deed iets almachtigs, iets monstrueus-almachtigs het wapen rechts afwijken....
Rechts... volop naar 't hoofd der jonge, zijlings zittende moeder. En te gelijk steeg weer, uit de sombere diepten van Permentier's gedesequilibreerde ziel, de eertijds reeds vlijmend gevoelde, thans, op dit schriklijk moment alles-overweldigende aandrift om ook eens een onrechtvaardigheid te plegen, om ook eens een monstrueuse, wraakroepende misdaad te begaan.
't Was een krankzinnigheid. Zijn oogen sloten zich; hij schudde woest zijn hoofd. En met een bovenmenschelijke inspanningskracht, als had hij een overmachtigend gewicht verplaatst, trokken zijn armen 't wapen weer naar links, naar de breede, kloeke borst. Hij opende weer zijn verwilderde oogen, mikte opnieuw....
En voor de tweede maal, ondanks zijn wil, ondanks den schorren afschuwkreet, die plotseling uit zijn boezem bruisde, trok de fatale macht het wapen nogeens rechts, naar 't hoofd der kloeke jonge moeder.
Toen bleef hij een halve seconde roerloos, als in steen veranderd. En toen... juist op het oogenblik, dat de man met de bonte muts terug kwam om zich neêr te zetten... toen trok de fatale macht, de macht welke niet meer de zijne was, den haan van het geweer over....
Als een donderslag, gemengd met een verward gedruisch van in scherven vliegende ruiten en van angstgehuil, knalde 't schot in 't loeien van den onweersnacht. Permentier zelf sprong huilend als een gek over de sloot, bleef eene wijl huilend in het midden der allee stilstaan, zijn uit hun holten gepuilde oogen op de dreunende, in plotselinge duisternis gedompelde keuken gevestigd. Toen nam hij de vlucht als een bezetene.
Hij rende niet verder dan een vijftigtal passen. Plots bleef hij stilstaan, rende een tiental schreden terug, hield nogmaals stil, opnieuw luidkeels schreeuwend, de vuisten op zijn slapen.
Men kwam uit het huisje gestormd.
Een man ijlde hem woest voorbij, hield plotseling stil, keerde zich om, schreeuwde hijgend, in de duisternis zijn geweer op Permentier mikkend:
- Wie zijë gij? Hêt-e gij mijn vrauwe vermeurd?"
- Joa ik, verdome! Het schot knalde, doch miste Permentier. Hij voelde enkel een paar hageltjes op zijn linkerwang, gelijk een korten zweepslag.
Hij maakte wild een zijsprong, kwam eensklaps, met een razende verwensching, op den koddebeier los:
- Ah, gij sloeber! gij sloeber!"
Het waren zijn laatste woorden. Een tweede schot knalde, de lading trof hem volop in 't gezicht.
Hij stortte neêr en slaakte een afgrijselijken vloek, met beide handen zijn vermorzeld, lauw-bloedend gelaat bedekkend. Een oogenblik voelde hij onuitsprekelijke pijn: de pijn als van een hagelslag, die hem dwars door het hoofd zou boren. En dan was 't als een laatste, reusachtige duizeling door zijn hersenen, een ruischend en dwarlend geluid van loeien, dat zich in het loeien van den onweersnacht versmolt.
Hij keerde zich nog eens half om op het mos, rekte zich uit, als moede, en maakte geen beweging meer.
Hij had zich gewroken!
DE VERLOSSING.
Het was de laatste maal dat de mooie Hortense het heilige Maria-beeld in de processie zou helpen dragen. Zij was op 't punt om te trouwen.
Zoodra haar gezellinnen van de congregatie, met een verbazing waarin zich toorn en minachting mengde, dit vernamen, waren zij het aan hun pastoor gaan mededoelen, en hadden zij hem dringend verzocht de ontrouw geworden dienares der Maagd uit haar midden te verbannen. Dit had de geestelijke niet gewild. "Een Lieve-Vrouw-meisje," had hij gezegd, "doet toch niet, als een non of een zuster-van-liefde, gelofte van levenslange kuischheid; en gij allen zoo wel als Hortense, hebt het recht een eerlijk en godvruchtig huwelijk aan te gaan."
- Moar hê z' euk nog 't recht mee ons, in de processie, 't heilige Maria-beeld te droagen?" had een der congreganisten gevraagd.
- Joa, z' hêt da recht, zeulang te minsten as de geboden nie afgekondigd 'n zijn," had de pastoor geantwoord.
En hoe misnoegd ook over dit besluit, hadden de Maria-meisjes het zich toch moeten laten welgevallen, nog een laatste maal, met de mooie Hortense, het beeld der Heilige Maagd in de processie te dragen.
* * * * *
Bij het plechtig galmen der klokken op den toren, bij het geluid der muziek en der heilige zangen, met glinsterend zilveren kruis en wapperende vanen, met maagdekens in 't wit en koorknapen in 't rood; en, onder den baldakijn van rood fluweel met gouden franjes, de pastoor blootshoofds, in goudgestikt kasuifel**, den gouden stralenkrans van 't Heilig-Sacrament in zijn gevouwen handen, zoo vorderde langzaam de bonte processie, traag slingerend door de bochtige straten van het dorpje, over het rijkkleurig-schitterend bloemenbed, door vrome handen als een pad van weelde en glorie op de gansche lengte van den doortocht gestrooid.
In 't midden van den stoet, voorafgegaan van een groep witte maagdekens, waarvan de eene mandjes droegen met gemaakte bloemen, en de andere witte of lichtblauwe vendeltjes, met lange wit-en-blauwe linten, kwam het beeld der Moeder Gods, plechtig op haar troon, gedragen op de schouders harer vier, in blauwe rokken en witte borstlijfjes gekleede, dienaressen. Het goddelijk hermelijn daalde in statige plooien van haar schouders tot haar voeten, van voren geopend op de lange, pure, hiëratische lijn van het blauw kleed bezaaid met sterren; en 't hoofd, gehuld in stralenkrans, glimlachte zacht, een weinig links vooroverhellend, met den glimlach van de roodgeverfde lippen, tegen 't kindje Jezus, dat Maria op den arm droeg.
De oogen neergeslagen, het lichaam trillend van mystische** spanning, schreden de vier meisjes langzaam vooruit, met over haar gelaatstrekken een uitdrukking van bijna extatische vroomheid, alsof het beeld zijn stroom van heiligheid over haar uitstrooide. Zij waren leelijk, de drie andere: de eene dik en rood, de tweede haast gebocheld, de derde met zieke knipoogjes. Maar hoe schoon was Hortense!....
De onuitsprekelijke emotie die zij voelde, scheen zóó hare gelaatstrekken te louteren en te verfijnen, dat zij zelve nu leek op een Heilige-Maagd, zeer zacht en zeer bekoorlijk, menschelijk schoon in haar rustieken eenvoud, teer-liefderijk ontroerd in de doorluchtige grootschheid, waarvan ze zich omstraald voelde.
Onder den witten bloemenkrans waarmeê haar hoofd getooid was, streken zich de zwarte haren in twee gladde vlechten over de slapen, puur omlijstend 't rechte blanke voorhoofd. De oogen, zoo ingetogen-zacht onder de donkere schaduw der lange oogharen, bezielden zich met stralen als zij den blik even opsloeg; de neus, ietwat scherp, gaf aan het rein gezicht een teere fierheid; de lippen, half open, verrieden door hun zwak-hijgende trilling, de versnelde jagingen van haar diep ontroerde hart. Over haar zachte wangen, door de zon een weinig bruingebrand, zweefden soms rozenkleuren. De schitterende weerkaatsing van al dat wit en al dat licht deed haar pijn aan de oogen, en de bewonderende, op haar gevestigde blikken, deden haar pijn aan 't hart. Soms voelde zij zich even als in duizeling wegzwijmen, en in een groote maagdelijke schaamte, mengde zich een groot gevoel van treurnis, die haar tranen in de oogen bracht.
Zij ging, als in een teeren en tevens smartvollen droom, heel vervreemd van haar vroegere gezellinnen, onder de drukkende impressie eener dierbare bedevaart, voor de laatste maal gedaan. Het was haar te moede of langzaam iets in haar stierf, dat nooit weer zou geboren worden. Het was haar te moede of deze laatste tocht haar leidde naar een fataal en pijnlijk doel, waaraan geen macht haar nog onttrekken kon; of iets waartegen zij geen weerstand bieden kon, haar stuwde naar een triestig altaar, waar alles wat goed, en zacht, en puur en edel was in haar, voor eeuwig zou geofferd worden.
Toen greep haar heviger de duizeling aan, en fijne zweetdroppels parelden op haar mat-blank voorhoofd. 't Geluid der klokken, der muziek, der gebeden en gezangen, alles dwarrelde duister door haar brein, gemengd met den opwalmenden geur van wierook en vertrapte bloemen, met 't vizioen der neergeknielde dorpelingen en der vlaggende huizen, met de verblindend-schitterende praal der processie, die als een bont-wemelend lint, voor haar heen slingerde.
En zij onderging den benauwenden indruk van alleen te loopen, heel triestig alleen, als een vreemde, midden in een foule** waar niemand haar meer kende, waar niemand haar meer liefhad. Zij voelde de bedekte vijandschap harer geërgerde gezellinnen, zij voelde zich misplaatst, heimlijk versmaad, en zwak onder den hoon, en hopeloos zonder verdediging. En als in scherpe vlijmsteken voelde zij zich met iets doorboren, dat haar tot in het diepste van haar levenskrachten raakte.
Van lieverlede werd de last van het goddelijk beeld te zwaar voor haar vermoeide lichaam, dat het toch zoo dikwijls zonder moeite had gedragen. Het was haar te moede of zij een overweldigende vracht te torsen had, of zij een loodzwaar kruis droeg, waarmede zij een berg moest opklimmen. De blauwe draagboomen haakten zich als wreede klauwen in haar teere schouders, haar lichaam boog, haar beenen waggelden; en gefolterd door schrijnende pijn, keek zij smeekend naar haar gezellinnen, die met inspanning het gevaarlijk schommelend beeld poogden recht op te houden, blikken van verontwaardigden toorn op haar werpend.
Toen zag zij hem staan op den hoek van een straat, hem, den verloofde!.... En plotseling, alsof dit gezicht haar den genadeslag gaf, zakte zij met een doffen kreet in elkaar, terwijl hij, toesnellend, haar met de beide handen den last op de schouders gedrukt hield.
Zij viel eerst zuchtend op haar knieën, en dan achterover ten gronde, de oogen dicht en het gelaat was-geel, in machtelooze zwijming....
* * * * *
Het was haar moeder die het haar had aangeraden, die het gewild had, die er op aangedrongen had, tot zij eindelijk haar jawoord gaf....
Zij waren negen kinderen, waaronder vijf dochters; en volstrekt geen vermogen. Het hoevetje was netjes onderhouden, en noeste vlijt gaf hun 't dagelijksch brood, doch daarmee was 't ook alles. De drie oudste zonen waren meer dan voldoende om den arbeid op het veld en in de stallen te verrichten; twee dochters, hoogstens drie, konden haar bezigheid vinden met huis- en binnenwerk; maar wat van de andere!
's Zomers, in wied- en oogsttijd, deden zij nog het werk der arbeidsters die men anders had moeten huren; maar 's winters dienden zij tot niets, tenzij om een beetje kantwerk te maken, wat haast zooveel is als niets.
Zij moesten er dus wel aan denken om zoo spoedig mogelijk heen te gaan, zij die er overbodig waren. Ook, toen pachter Boudewijn, die een naburig dorp bewoonde en heette rijk te zijn, Hortense 't hof begon te maken, en weldra zijn aanvraag deed, was de oude moeder er ten zeerste mee in haar schik. Zij kende hem als een ernstig, spaarzaam werker, en als een degelijk man, die na den dood van zijn ouders genoeg bewezen had, dat hij in staat was zijn zaken goed te roer te staan**. 't Is waar, hij was vijftien jaar ouder dan Hortense, maar was dàt een reden om hem van de hand te wijzen? Het was misschien een reden te meer om hem gretig te aanvaarden.
En lang, en ernstig, streng zelfs, had zij met Hortense gesproken.
* * * * *
Hortense had gehuild....
Zij was twee en twintig jaar oud, en kende noch begeerde een ander leven dan wat zij tot dus toe had gehad. 't Gezellige familieleven op het hoevetje, het ouderwetsch huisje, met schilderachtig stroodak, in de schaduw der suizende populieren, de bloemen langs den muur, en 't blond, kabbelend beekje achter de stalling; haar moeder, haar broeders en zusters; haar ruwen arbeid en eentonig leven, met soms een enkel uurtje uitspanning in gezelschap van vriendinnen, meer vroeg ze niet. Met minder zelfs had ze zich graag tevreden gehouden, en meer dan één berooving** zou ze zich hebben getroost, als ze maar dat ééne had behouden: in haar moeder's huis te mogen blijven.
En zij leerde die allergrootste droefheid kennen, zich te veel te voelen, dáár waar zij het meest aan alles was gehecht. Het werd haar wel niet openlijk gezegd, maar zij merkte 't dadelijk aan dat air van spijtige verbazing, waarmee de huisgenooten haar eerste, bedeesde weigering van het schitterend aanbod aanhoorden. 't Was of zich schielijk om haar heen iets afsloot, in een ongastvrije koelheid van verwijdering. 't Was of in 't huisgezin een schaduw van oneenigheid sloop, die zij er binnen had gebracht.
* * * * *
Toen deed de pachter, zeer verliefd, voor de tweede maal zijn aanvraag. Droogjes vroeg de moeder aan Hortense welk haar toekomst-plannen waren in geval zij niet trouwde. En koel legde zij haar de beide uitkomsten voor oogen: of trouwen met den rijken pachter en gelukkig zijn; of arme oude vrijster worden, haar familie ten laste.
Haar familie ten laste! Zij sprak die woorden uit, de oude moeder, en zij brandden Hortense als een gloeiend ijzer in het hart. Zij barstte uit in overweldigende tranen, zich zelve plotseling bewust harer individueele onmacht als alleenstaande vrouw in den strijd om het leven.
En, in een crisis van wanhoop, stemde zij toe, aan 't noodlot onderworpen.
* * * * *
Wijl ze nu toch _moest_ trouwen, dan zoo graag met hem als met een ander.
Zij voelde noch liefde, noch afkeer voor hem; hij was haar, wat liefde betreft, onverschillig. Het eenig gevoel, dat hij haar inboezemde, was dat van een ontzettende bedeesdheid, een schuchterheid, een schaamte die wel eens aan schrik grensde.
Was hij knap van uiterlijk, of leelijk? Zij wist het zelve niet. Haar moeder, haar broeders en zusters, al wie hem zagen vonden hem knap, heel knap; maar zij zelve, neen, zij wist het niet. Zij zag alleen van hem den grooten bruinen baard, die hem deed ouder schijnen dan hij was en zijn gezicht iets strengs gaf, en den vreemden glimlach zijner helderbruine oogen, waarvan zij nooit de raadselachtige beteekenis bevatten kon. Soms schenen zij goed-vriendelijk te lachen, en zij voelde zich niet bang meer; soms lachten zij bijna kwaadaardig, spottend en bijtend, scheen het haar, met, scherper er in stralend, het raadselachtig iets, dat haar instinctmatig schrik aanjaagde. Soms maakte hij op haar den indruk van een zachtaardig en zachtharig dier, dat zich gedwee laat aaien; soms dacht zij aan een beest van valschheid en van sluwheid, met verscheurende klauwen onder het fluweel der pooten, en verslindende tanden onder de zalvende lip. Maar zij wist het toch niet, zij durfde niet genoeg naar hem kijken. En alleen dit voelde zij, zeer sterk, zoo sterk als een fatale macht, waaraan geen worsteling haar onttrekken kon:
Dat hij haar meester zou zijn....
* * * * *
Het huwelijk werd voltrokken. Een korte ceremonie in 't gemeentehuis en in de kerk, het traditioneel ontbijt met chocolade en broodjes in het moederlijk huis, en dan het vertrek naar de stad, in gezelschap van een harer jongere zusters en een vriend van haar man.
Dáár, het vermoeiend slenteren door de straten, het verstompend-staan-kijken naar de uitstallingen der winkels, het gapen van honger en zich-weevoelen in de verbijstering van dien gedwongen dag reizen, dien men nooit weet waaraan te besteden.