Part 12
En dan, met den avondtrein, de terugkeer naar het dorp en de aankomst op de hoeve van den bruidegom. De jeugd van het gehucht met haar broeders en zusters vergaderd om die plechtige intrede te vieren, 't kanon bulderend, de pikton fantastisch brandend op den boomgaard, gezangen, dans en drank, in de oorverdoovende drukte van al die menschen welke zij te nauwernood kende. En dan van lieverlede het vertrek der gasten en de stilte. Alleen eindelijk, met toegegrendelde deuren, in dat onbekend huis, waar zij plotseling den indruk kreeg in een gevangenis te zijn..........
Hij kwam tot haar en sloot haar wild in zijne sterk gespierde armen, haar op den mond zijn lippen drukkend. Het was een in-bezitneming. Zij zwijmelde er onder. Toen drukte hij haar zóó ruw-hartstochtelijk tegen zich aan, dat zij een smartkreet slaakte, terwijl het haar te moede werd of alles om haar heen in somberen angst wegduizelde, en er van haar zelve niets meer overbleef. Een koude voeling greep haar aan, de huiverige koude van een donkere kamer, de koude van een graf, waar hij haar met geweld in meesleepte.
En zonder kennis, met een schorren zucht, plofte zij neer op het hard krakend bed.
* * * * *
Nu leefde zij haar nieuwe leven....
Een leven, dag aan dag eentonig 't zelfde, en toch, vooral in de desoriënteering van 't begin, zóó druk, zóó gejaagd, dat zij zich van 's morgens tot 's avonds in een verbijsterde haast bewoog, zichzelve geen oogenblik meer toebehoorend, voortdurend in angst iets vergeten of verwaarloosd te hebben.
Het was ook alles zoo heel anders dan wat zij tot dus toe gedaan had. Het was in eens de rechtstreeksche, algeheele verantwoordelijkheid voor alles wat het huishouden betrof, 't gebrek aan raad en hulp, het permanent gevoel op haar eentje te moeten worstelen met den knellenden Plicht, in de aanhoudende vrees, dat zij in kracht en bekwaamheid zou te kort schieten. En ofschoon ze nog niet klaagde, en het zich zelve nog niet duidelijk bewust werd of haar tegenwoordige toestand een verbetering dan een verslechting van haar lot behelsde, toch voelde ze reeds sterk, dat, in haar leven, waar Plicht en Vreugd zich tot dus toe zoo vaak tot één en zelfde zacht gevoel hadden versmolten, de Plicht eensklaps ten nadeele der Vreugd een tyrannisch reuzenaandeel had veroverd.
En zij leerde kennen, met toenemende intensiteit, dit dubbel knellend gevoel: te moeten doen wat men liever zou laten, en te moeten laten wat men liever zou doen. Een gevoel of iets je vastbond aan handen en voeten, en deed draaien altijd in denzelfden cirkel, zonder verpoozing. Een gevoel of je de hond was aan zijn ketting, of de vogel in zijn kooi, in de wanhopige smart voor eeuwig je vrijheid te hebben verloren. En dit alles zonder de eenige vergoeding die zooveel loodzware banden dragelijk en zelfs zacht bekoorlijk maken kan: een ware liefde.
Zonder te weten wat een ware groote liefde was, voelde zij toch wel dat het heel iets anders moest zijn dan wat haar nu aan hem verbond. Zij voelde in haar hart een onpeilbare leege diepte, die _zijn_ beeld nooit kwam vullen. Er was in haar een eindeloos gevoel van heimwee, welk nooit door iets dat van _hem_ kwam, getroost kon worden. Zij leefde niet van 't tegenwoordige, maar wel van het verleden en van de toekomst, een duistere, onbegrijpelijke toekomst, waar in de verste verte van den horizon als het ware een vaag schijnsel schemerde, iets zwaks en weifelends, innig teer en schimmig als een symbool van nimmer te verwezenlijken hoop. Haar mooie oogen van ernst bleven soms uren lang in bespiegeling op die hersenschim staren, ze volgend, ze zoekend, vol angst toen ze verdween, vol liefde toen ze terug kwam. Het was als een band, als een aantrekkingsstraal, onmetelijk lang, en puur, en fijn, alleen voor haar zichtbaar, en die haar innig wezen met het onbevatbaar ideaal vereenigde.
* * * * *
Drie maanden na haar huwelijk werd zij zwanger. En in diepe ontroering onderging zij het vreemd-tegenstrijdig gevoel nog veel sterker dan vroeger door de materiëele banden van haar huwelijk ter plaatse vastgekneld te zijn, terwijl de starre lichtstraal, ginds verre in 't onzichtbaar onbestemde vastgehecht, zich scheen te spannen om haar tot zich te trekken, in het intenser opglinsteren van zijn ideaal, chimerisch** licht.
Dan openbaarde zich bij haar, gedurende die pijnlijke maanden welke de verlossing voorafgingen, het grillig humeur aan den toestand eigen, in overweldigende aanvallen van heimwee. Zij voelde dringender de behoefte weer in 't verledene te leven, en 't moederlijk huis en de bekenden van vroeger terug te zien. Zij schudde af en toe haar zwaar-knellende banden los, en trotseerde de misnoegdheid van haar man, om dikwijls weer naar haar geboorteplaats te komen. Daar sprak zij met oude vriendinnen over herinneringen uit haar jeugd, als over iets heerlijks, dat nu oneindig verre van haar af lag, en slechts door tranen van ontroering heen, uit de diepten haars gemoeds weer op kon stijgen. En zij zei aan haar moeder, dat, indien zij kwam te sterven, zij begraven wilde worden op het kerkhof van haar dorpje, en niet op de begraafplaats der vreemde gemeente waar zij nu woonde.
Toen kwamen de verschrikkelijke barenssmarten. Haar misvormd lichaam in folterende krampen de verlossing weigerend, het kind na lang lijden eindelijk met geweld gehaald, en zij als dood en van elkaar getrokken....
Het was een meisje. In een vloed van tranen drukte zij 't aan haar hart, verbaasd nog te leven, in eens gelukkig nu, alleen nog voelend de teederheid der moederliefde, in de zachtheid van den nieuwen band, die haar nu aan de wereld hechtte.
* * * * *
Physiek had die bevalling veel aan haar veranderd en verouderd. Zij had, in haar druk leven, noch den tijd noch de middelen behoorlijk voor haar herstelling te zorgen, en zoo verloor zij dadelijk veel van haar vroegere frischheid en schoonheid. Wellicht toch had zij die gauw weer herkregen, als het ongeluk niet gewild had, dat zij, kort na haar eerste bevalling, voor de tweede maal zwanger werd.
Het was een consternatie. De zalige vreugde, die zij met haar eerste kind genoten had, ging er grootendeels door verloren; en de man, stomverbaasd, mopperde, omdat ze heel wat geld kostten, die kinderen, en tijd innamen, en beslommeringen gaven! Zou hij dan een van die ellendig vruchtbare vrouwen hebben gehuwd, die ieder jaar hun echtgenoot een kind geven! En al deed hij haar nog geen direkt verwijt daarover, toch jammerde hij reeds over die vruchtbaarheid als over een gebrek, als over een hoogst onaangename verrassing, waarvan men wel zou moeten kunnen onderricht zijn, aleer een huwelijk aan te gaan.
Zij, in zachtheid onderworpen, kwam niet in opstand tegen die onhebbelijke insinuaties. Zij antwoordde gedwee dat het toch niet háre schuld was, en dat zij, nog véél minder dan hij, gewenscht had zoo gauw een tweede kind te hebben. Toen drong hij niet verder aan, maar bleef er toch voortdurend over zeuren, klagend dat de boerenstiel zoo slecht begon te gaan, dat hij dit jaar, in plaats van iets op zij te leggen zooals vroeger, er van 't zijne bij zou moeten doen, en dat men nu voortaan heel hard zou moeten sjouwen om ieder jaar rond te komen.
Hortense dacht: hij treurt over het geld, dat hij er voor moet uitkeeren, maar hij denkt niet eens aan wat ik er aan opoffer van mijn gezondheid, van mijn leven. Hij telt voor niets mijn vreeselijk lijden, en voor hem heeft mijn leven slechts waarde in zoover hij er nut en genoegen uit kan trekken. En weemoedig drong zij in zichzelf terug, beurtelings verdiept in haar zachttreurige jeugdsherinneringen** en haar langzaam weer opkomende moederliefde, met daartusschen in, van tijd tot tijd, een verren blik op de toekomst, waar, in de verwijdering van een chaotisch halfduister, voortdurend het stil-weifelend vlammetje van hoop bleef branden.
* * * * *
Tweelingen, ditmaal! En 't ergste nog: meisjes!....
De man vloekte. Hortense, wanhopig in haar bed gestrekt, leed nog meer van moreele, dan van physieke pijn. Was het dan een vloek die op haar drukte: drie meisjes in twee jaar tijds! En toen de man, zich niet meer inhoudend, razend uitbarstte, kon zij geen woord tot verdediging in 't midden brengen, zich haast onwaardig, zich haast schuldig voelend.
- Van nou af aan, as 'k kwam te stirven, 'n zoên die kinders hoast niemendalle mier bezitten," raasde hij. "Wa zal da zijn as d'r nog moete komen?"
- 'n Loat er giene mier komen, ik 'n vroage nie beter," antwoordde zij gelaten.
Hij zwoer het, knarsetandend. En hij sprak van nog hardnekkiger zwoegen en sjouwen, om die schrikkelijke schade in te halen.
* * * * *
Den derden dag na de bevalling zei hij:
- 'K hope dat-e zilt opstoan en d'achterwoarsterigge 1) loate goan. Verlede kier hên we ze tien doagen g'haûen; 't es veul te lank. We zillen moar beginnen mee dàt uit te spoaren."
1) Baker ,vroedvrouw Vl. Wdb.: achterwaorstrigge (oostelijk zvl.) waar = de stam van bewaren (= engels, beware) in de betekenis ‘zorgen voor’; achter heeft dezelfde betekenis als in eng.: to look after; -igge = suff. -ei van klappei
In stomme verslagenheid hield zij op hem een blik van schrik gevestigd. En in de hardkoude vlam zijner oogen zag zij plotseling het zinnebeeld van haren dood voorbij zweven. Ze wilde zeggen: "weet-e gij da 'k er van stirven kan?".... maar een roode gloed vlekte haar bleeke wangen, als met schaamte,.... met schaamte voor hem; en sidderend, een schorre trilling in de stem:
- 't Es goed,.... 'k zal probeeren," antwoordde zij.
* * * * *
Het lichaam gebogen, de beenen waggelend, en zóó bleek dat het was of ze geen bloed in zich meer had, en zóó zwak dat ze zich elk oogenblik met hijgenden mond en schemerende oogen aan tafels en stoelen vast moest houden, zoo sleepte zij zich toch, met den moed eener uiterste wilskracht, voort.
Honderd maal kwam het haar voor dat zij ineens zou neerstorten, om nooit meer op te staan; dat de laatste kracht uit haar zou vlieden, meesleepend naar het Niet, wat nu nog van haar overbleef. Maar telkens, op het oogenblik dat alles zou verdwijnen, ontstond er toch nog nieuwe kracht in haar, als een verlamde veer die weer opspringt, en weer ook sleepte ze zich verder, verwilderd nog te leven.
Dat duurde zoo verscheidene weken. Toen was ze gered. Maar haar lichamelijk verval, reeds zoo merkbaar na haar eerste kind, was ditmaal schrikwekkend. De rug bleef een weinig gekromd, de buik dik. De schouders puntten hoekig-mager op, de boezem zakte. En, in de plaats van de frisch-rozige tinten der jeugd, kwam over haar holle wangen als een aardkleurige verf met lichtbruine vlekken en sproeten, terwijl onder haar groote, met een soort van angstige verwildering starende oogen, zich diep-ingedrukte, zwartachtige kringen afteekenden.
* * * * *
Twee jaren verliepen. Toen zou ze derde maal moeder worden...
En woedend schreeuwde de man dat het van hem niet was. Dàt kon niet, dàt was niet mogelijk, schreeuwde hij. Er greep een vreeselijke twist plaats: vloeken, tranen, verwenschingen: zij voor het eerst in wilden opstand schietend, met verachtende woorden en fonkelende oogen, hem dreigend met haar kinderen te vluchten als hij nog een enkele maal zijn schandelijke beschuldiging durfde herhalen; hij als een gek, stampvoetend van ziedenden toorn, beschuldigend om te beschuldigen, niet wetend op wien zijn gruwelijke drift te wreken. Eerst toen hij uitgeput van razernij was, kwam hij weer tot bedaren; maar hij verwenschte, hij vermaledijdde als de pest 't ellendig noodlot, dat hem nog eenmaal vader zou maken. En op zijn beurt, schreide hij als een kind, jammerend dat het nu hun besliste ondergang was, een leven van voortdurenden dwangarbeid in gewisse ellende.
* * * * *
Een zoontje, ditmaal....zwakke troost, onvoldoende vergoeding voor zooveel stoornis en droefheid!.... Bleek lichtstraaltje, weifelend en bedriegelijk, in den duisteren nacht eener nieuwe ramp: Hortense, nog eens veel te vroeg opgestaan, werd, den vijfden dag na haar bevalling, door hevige koortsen aangetast; en gedurende zes weken was haar leven niets meer dan een ademtocht, elk oogenblik op 't punt om voor eeuwig uit te dooven.
Drie maanden lang bleef zij bedlegerig. En, in Mei bevallen, kwam zij voor het eerst de buitenlucht weer voelen, op een lauw-zonnigen dag van eind September. Het was een zondag. Haar man was na de vesper in het dorp gebleven, maar haar moeder en een harer zusters waren haar gezelschap komen houden. En alle drie op stoelen vóór de deur gezeten, met de spelende kinderen om zich heen, praatten zij langzaam over onverschillige dingen, geen van alle uitdrukkend wat in de diepte van hun harten lag.
In de stille, ijlblauwe lucht was iets van zacht-weemoedige bespiegeling. De bruine bladeren vielen zacht-ruischend neer, zacht-ritselend tusschen de naakte twijgen, het kort geschoren gras als met een bed van doode vlinders bedekkend. Hier en daar, in de hoogste takken der fruitboomen, blonk nog het goud eener vergeten vrucht, en door de luisterende stilte zweefde soms het fijn-klagend getjilp van ontzichtbare** benden trekvogels, die voor de naderende winterkoude vluchtten. En, in die stille pracht en zachtheid van genezing, kwam eensklaps weer een eindeloos gevoel van heimwee in Hortense's hart. Een plotselinge terugsprong in 't verleden, een wilde, onberedeneerde illuzie, met moeder en met zuster weer naar huis te gaan, en daar weer jong en mooi te worden, en weer gezellig en gelukkig met elkaar te leven, dáár, o dáár, in 't lieflijk oord van al haar jeugdsherinneringen!
- Moeder!... o, moeder!" smeekte zij, met angstig schitterende oogen.... En eensklaps vroeg ze 't:
- O, moeder, loat mij weere mee noar huis goan!"
En met wringende handen begon ze te snikken.
- Moar, kind, word t-e gij zot!" zei de moeder. En zij toonde haar hoe onuitvoerbaar en onzinnig haar verlangen was.
Een gefolterden trek om den mond, het hoofd in machtelooze wanhoop scheef geheld, en de krampachtig in elkaar gewrongen handen op haar knieën gedrukt gaf Hortense geen antwoord meer.
Zij wist het ook wel, dat 't niet mogelijk was.
* * * * *
En in haar hart kwam een gevoel van algeheel verlaten zijn. Niet meer hopend streed zij niet meer. Haar leven werd iets machinaals, dood voor 't verleden als voor 't tegenwoordige, dood voor illuziën en idealen. Zelfs het flauwe lichtstraaltje, jarenlang gekoesterd als een geheime hoop in de toekomst, verzwond met zijn verre vizioenen in de duisternis van het Niets.
Zij verwaarloosde haar bezigheden, verwaarloosde zichzelve en haar kinderen. Haar huis, tot dan toe gehouden met de zorg en netheid, die zij van haar moeder had geleerd, ging er langzamerhand slordig, vuil uitzien. Zij had geen tijd meer, zij had geen lust meer. Zij voelde zich moe, beu, suf. Een onoverwinbare verstramming verlamde hare ledematen en verstompte haren geest; een aanhoudend verlangen om niets meer te doen, om haar oogen te sluiten en te slapen, werd haar eenig verlangen.
En voor de vierde maal moest zij nu moeder worden....
Maar nu kon het haar niet meer schelen en zij maakte niets geen misbaar. Zij bleef verbazend kalm onder den vreeselijken slag. Zelfs toen haar man, gek van woede, vloekend 't huis verliet om in de herberg te gaan drinken, had zij geen woord van verontwaardiging, geen traan van smart.
Zij had zich bij den wil van 't noodlot neergelegd.
* * * * *
En toch, wijl de mensch nu eenmaal zonder hoop of ideaal niet _kan_ leven, zoo ontstond er nu langzamerhand iets in haar, vreemd en ziekelijk, haast kinderachtig voor een vrouw die reeds zooveel geleden had: de hoop op haar toekomstige verlossing!....
Niet de ongeduldige verwachting eens geluks,... alleen maar de verwachting eener hoogst belangrijke gebeurtenis. Het was haar te moede, en zij geloofde instinctmatig, in een superstitie** welke voortdurend in kracht toenam, dat _deze_ verlossing in haar leven een omwenteling te weeg zou brengen. Waarom ze dat geloofde wist ze niet; waarom dat nu gebeuren zou, en niet vroeger, of niet later, was haar onverklaarbaar. Maar zij voelde, zij geloofde. Zij voelde en geloofde zelfs, dat de vrucht, die zij nu droeg, een heel ander leven had dan die van vroeger.
Voortdurend, bij dag en nacht, was het haar eenige gedachte, haar uitsluitende bekommering. Het wendde haar van het reëele leven af, 't werd haar een vaststaand denkbeeld, een obcessie, iets zinsbegoochelends, een wonder vizioen, dat glansde in zijn glorieuze pracht, ginds heel heel verre aan den horizon, in de schielijke herleving van den idealen lichtstraal waarop ze zoo vaak, in de eerste jaren van haar ongelukkig huwelijk, als op een reddingsbaken had gestaard.
O! die straal! die mysterieuze, overheerlijke, een tijdlang niet meer geziene lichtstraal! hoe blonk hij nu weer troostend in 't verschiet! hoe scheen hij soms tot haar te komen om haar met zijn glans te overgieten! Hoe trok hij haar soms met zich mede, horizonnen van een nooit geziene schoonheid voor haar openend! En in dien glans van heerlijkheid zag ze zichzelve dan plechtig-langzaam gaan, zooals ze vroeger ging in de processie: jong en mooi, in wit en blauw gekleed, met van vrome extaze neergeslagen oogen, in den geur der bloemen en 't geluid der lofzangen het heilige Maria-beeld op hare schouders dragend....
* * * * *
's Nachts vóór haar bevalling had zij een droom....
Zij lag bewusteloos ingeslapen, toen zij eensklaps een stille gestalte over zich heen voelde buigen, en een zeer zachte stem meende te hooren, een stem waarvan zij vroeger nooit den klank gehoord had, die haar fluisterde:
"Sta op, en volg mij."
In machinale gehoorzaamheid, zonder een opmerking noch een vraag, voelde zij zich opstaan. En nauwelijks was ze met haast half aangekleed, toen de slanke gestalte, die vaag-grijzig bleek was, en, als een engel, vlerken scheen te dragen, haar stil een kindje in de armen lei, en nog eens met haar zachte stem herhaalde:
"Volg mij!!!"
Met snellen tred liepen zij door de sombere velden, de gestalte voorop, licht alsof hare voeten de aarde niet raakten; zij er achter, met inspanning haren geleider volgend, het kind in haar armen...!
Zij gingen in de richting van een bleeken lichtstraal, schitterend in de verte van den horizon. Het kind bewoog zich niet, klaagde niet, huilde niet. En alles was dood-sombere eenzaamheid en stilte om hen heen....
Maar eensklaps hoorde zij het luid geschreeuw van al haar andere kinderen. Zij hadden haar gevolgd en wilden met haar meegaan....
Even hield ze stil en liet ze meegaan. En ook de edele gestalte keerde zich even om en staarde roerloos het schouwspel aan, met een sereen-triestige hoogheid. Toen gingen zij allen weer verder....
De weg klom, werd steil en hobbelig. Zij hijgde, struikelde, viel. Haar afgematte kinderen konden weldra niet langer volgen. Het een na het ander verlieten zij haar in wanhopig geschrei; en ook zij weende overvloedig, terwijl zij ze voor 't laatst omhelsde. Maar zij bleef niet bij ze: altijd verder en verder volgde zij, met het onbewegelijk kind op haar armen, de slanke, fantastische gestalte, die haar tot den meer en meer heerlijk schitterenden stralenglans opleidde....
* * * * *
Met een angstkreet werd zij wakker. Een kramp verwrong haar lichaam, in de eerste barensweeën.
Brommend schrikte de man er van op. "Wa schilt er toch!" knorde hij. Maar toen hij 't begrepen had sprong hij uit 't bed, kleedde zich haastig aan, en ging dokter en baker halen.
Alle drie: de man, de dokter en de baker, omringden zij in 't laag, akelig-somber kamertje, het bed waarop Hortense lag, aan onnoemelijk lijden ter prooi. Niets ging vooruit; het duurde al meer dan achttien uren. Het slachtoffer was uitgeput, en tusschen de aanvallen der afgrijselijke smart, smeekte zij te mogen sterven. Toen besloot de dokter tot het uiterste. Haastig, in een benauwende stilte, slechts af en toe gestoord door het gillen der vrouw, werden de instrumenten, als foltertuigen, klaar gemaakt. Dan was het als een slachting, en het kind kwam ter wereld: doodgeboren.
Hortense staakte 't schreeuwen, de oogen gesloten en de handen lam, zelve als een lijk.
* * * * *
't Is nacht.....
De wijd-starend uitgezette oogen brandend van koorts, de huid boven de juksbeenderen** schel-roze gekleurd, het voorhoofd druipend van 't zweet en 't gansche lichaam huiverend en schuddend, ligt Hortense op den rug gestrekt, het doode kind met stuggen hartstocht tegen haar onvleesde** borst gedrukt.
Terstond heeft zij het zoo geëischt. Men heeft gepoogd haar het kind te ontnemen, maar zij heeft geschreeuwd, zij heeft gebruld als een leeuwin, klauwend en knarsetandend.....
Om haar heen zijn haar man en de baker, en ook haar drie oudste kinderen. Op een tafeltje, naast het bed, branden twee waskaarsen, die lichten der stervenden, aan beide zijden van een kruisbeeld. Doch zij schijnt ze niet te zien; ze schijnt niets en niemand meer te zien.
Het zweet plakt haar losse, zwarte haarvlechten op hare slapen, en haar oogen van verwildering en angst blijven halsstarrig gevestigd op de laaggebalkte zoldering, terwijl haar bibberende lippen een gebed schijnen te prevelen. En plotseling krijgen haar oogen iets haast bovennatuurlijks in hun uitdrukking, terwijl een schorre kreet uit haren mond stijgt.
- Wa es't er?" vraagt de man, angstig naderend.
- Ik zie hem! ik zie hem! O! ik zie hem komen!" lispelt zij met vreemde stem.
En, in haar brandende oogen, die nog wijder open staren, komt de extaze.
- Wa zie je? wa zie je?" vraagt hij dringend.
Zij sluit haar oogen, als plotseling verblind door een te schelle uitstraling van licht. Dan doet ze ze weer open, en over haar ontvleesde trekken komt een uitdrukking van hemelsche vreugd.
Zij glimlacht. En haar sidderend lichaam maakt een beweging alsof zij op wou staan, terwijl haar armen zich nog nauwer, met onuitsprekelijke liefde, over het doode kind omsluiten. En eensklaps roept ze, met een luide, heldere stem, die vervaarlijk weergalmt in de benauwde stilte van 't luguber kamertje:
- 'K kome! 'k kome! 'K hé mijn moagdeklieren aan! 'K droage 't kindeke Zjezus!"
Verwilderd schrikken zij allen op. De man en de baker vliegen naar het bed, terwijl de kinderen luide jammeren.
Maar voor de aangrijpende plechtigheid van 't schouwspel, blijven zij terstond weer allen stom en roerloos, den blik gevestigd op de jonge moeder...
Geen spier van haar lichaam beweegt zich meer. De schelle kleuren van de wangen bleeken weg, en zelfs het zweet, dat op het voorhoofd parelt, schijnt in een laatsten straal over de slapen uit te vloeien. Alleen de oogen leven....
Zij leven, en staren, in extaze, op de zwarte zoldering, waar zij een overheerlijk schouwspel schijnen bij te wonen. Een schouwspel van ideale pracht, een uitstraling die ze meesleept, die met ze weg gaat, die tot zich schijnt te trekken, uit de diepste diepten van haar wezen, haar allerlaatste levenskrachten. De oogappels zelven schijnen langzamerhand hun gloed te verliezen, zich te verkleinen, zich in een laatsten kern van vuur te concentreeren. Weldra zijn ze niets meer dan twee fijne straaltjes, scherp-schitterend in het midden der doffe holten, als twee naaldpunten.
Langzaam, met uitgestrekte hand, buigt de baker over de stervende neer. Zij ziet de fijne straaltjes verbleeken, zij ziet ze dun worden als zilveren haartjes, als twee met dauw bezilverde draadjes van een spinneweb. En altijd door blijven zij staren op 't extatisch vizioen....
Dan is er als een opschorsing. Een laatste zweetparel daalt langzaam van het voorhoofd, blijft even in de rechter wenkbrauw hangen. Dan valt hij in het oog en dooft er 't laatste stipje leven uit.
- Z'es deud," fluistert de vrouw, zich oprichtend.