Te Lande

Part 10

Chapter 103,804 wordsPublic domain

Nu, verscholen in zijn krot als een nagejaagd beest, meer dan twintig minuten van de naastgelegen boerderij verwijderd, vluchtte hij zijn evenmensch, als een natuurlijke vijand. Zelfs den minnaar van Clotilde had hij den toegang van zijn huis verboden; en telkens als hij in de verte iemand zag komen, verwijderde, verborg hij zich. Als het gebeurde dat die mensch een koddebeier of gendarm was, kwam er een doodsangst over hem, kwam er als een nevel van bedwelming vóór zijn oogen, liep hij, ineengekrompen, zich verschuilende achter een struik of in een sloot, waar hij soms uren lang roerloos, stom, als vernield bleef zitten. Al wie galon** of uniform droeg, al wie van ver of van nabij tot de besturende hiërarchie behoorde: tot de arme accijnsbedienden die zich afsloofden op hun lange tochten door de velden; tot de goedige brievenbesteller, die daar elken morgen voorbij kwam, de zwaar gevulde lederen tasch bochelend op zijn linker heup; allen, voor Permentier, waren lui die naar willekeur over zijn vrijheid beschikten, die de macht bezaten hem weer gevangen te nemen, niet enkel voor vier maanden, maar voor jaren, maar voor zijn leven lang, indien het hun aldus behaagde. In zijn onzinnigen afschuw voor de uitgestane onrechtvaardigheid waande hij bepaald de maatschappij verdeeld in twee categories van menschenklassen: zij die de macht bezaten alle kwaad te doen; zij die het slaafsch moesten verdragen. Hij was innig overtuigd, dat de eerste gegaloneerde de beste het recht bezat tot hem te komen, hem te gebieden: "stap op en volg mij," en hem zonder uitleggingen voor het overige van zijn leven in een kerker op te sluiten.

En, van lieverlede, uit al die overdreven angsten, uit al die opgekropte, van dag tot dag toenemende smarten, uit dien machteloozen wrok te hooren onder hen die onverdiend geleden hadden en nog zouden lijden, ontkiemde in de primitieve ziel van Permentier een duistere graagte naar opstand en naar wederwraak. Hij droomde in de bestaande wereldorde iets omver te werpen, zelf eenmaal tyran te zijn en een der tyrannen tot een slaaf te maken.

Deze gedachte werd aldra eene obcessie**, werd de unieke troost van zijn gefolterd leven, 't gedroomde ideaal, dat hij eenmaal hoopte te bereiken. Overdag op het veld, terwijl hij arbeidde, des nachts in zijn bed, als hij niet slapen kon, dacht hij er onverpoosd over na. 't Was in den afschuwnacht zijner ziel als een gretige hoop, als een groot helder licht, dat hem almachtig-verleidend aanlokte. In uren als de afkeer van het leven hem als een walging naar de keel steeg, troostte hij zich met de gedachte eenmaal kwaad te doen, gelijk anderen zich zouden getroost hebben met de hoop eens het goede te stichten.

En, wondere moreele aberratie, monstrueus uitwerksel der geleden onrechtvaardigheid op die simpele ziel: wat hij droomde was niet zich te wreken op hen, die hem mishandeld hadden en zijn wraak verdienden; neen, hij wenschte kwaad te doen aan iets dat goed en schuldeloos was, een onverdiend en nutteloos kwaad, zooals hij zelf had uitgestaan.

* * * * *

Misschien toch was deze moreele ziekelijkheid niet ongeneesbaar. Misschien, gelijk een vuur dat in zichzelf verteert, zou het te langdurig en te hevig smachten naar de wraak, de krachten om die wraak eens te bereiken in hem hebben uitgeput, had niet bij ongeluk een toeval, in zichzelf onbeduidend, gansch onverwacht de steeds bloedende wonden weer geopend.

Op zekeren morgen dat hij aan het spitten was op een stuk lands, dichtbij den boschkant, stond plotseling voor hem, met een korten "goên dag", een man, dien hij zien naderen noch hooren komen had. Het was een groote kloeke kerel van een veertigtal jaren, roodbruin van gelaatskleur, vierkant van schouders en gedecideerd van houding, met stout-peilende blauwe oogen en een dicht-kroezenden, rosbruinen, waaiervormig-openstaanden baard. Zijn lange, rechte, ietwat schrale beenen waren tot aan de knieën bedekt met spannende, aardkleurige slobkousen, en over zijn wijden blauwen kiel droeg hij een Lefaucheux** in bandelier**. Zijn pet was van glimmend-zwart wasdoek met een rood bandje, waarop, boven 't vizier, een verguld miniatuur-jachthorentje prijkte.

Sidderend had Permentier zijn werk gestaakt, terwijl hij, nog half op de spade geleund, met schuwe vlammetjes in de oogen den reusachtigen kerel aanstaarde. Hij herinnerde zich niet hem ooit gezien te hebben, maar aan zijn uiterlijk herkende hij terstond zijn betrekking: een koddebeier.

Trouwens de man gaf oogenblikkelijk, met het doel van zijn bezoek, zijn indentiteit** aan Permentier te kennen:

- 'K ben-e 'k ik hier de nieuwe garde-chasse** van menier den bron 1) de Villermont de Wilde. Ge zij gij hier onze noaste gebuur in de bosschen en menier den bron hoopt, dat hij over ou nie 'n zal te kloagen hen...."

1) Baron.

Hij sprak langzaam, duidelijk, met een air van hoogmoed, telkens door een soort nadruk zijn woorden bekrachtigend, terwijl hij, vaag glimlachend in zijn breeden baard, halsstarrig Permentier bekeek met zijn helderpeilende oogen, waar een zweem van wantrouwen in schitterde.

Er was een korte stilte. Permentier, steeds op zijn spadesteel gebogen, zei niets, knikte alleen werktuigelijk met het hoofd, 't gelaat zeer bleek, den blik ten gronde. Een groote ontroering scheen hem aan te grijpen; hij spuwde tweemaal, links, een straal speeksel, wit speeksel, sinds hij niet meer pruimde.

- Gij 'n zij toch giene pensejoager, e-woar?" vroeg de jachtopziener, uit de hoogte.

- Nien ik,.... nien, nien ik,.... noeit,..." antwoordde dof de oude.

Zijn stem stokte, hij wierp, links en rechts schuinsche blikken, als zocht hij een hol om te vluchten.

- G'n leupt euk in de bosschen niet, g'n goat er gien heit 1) raopen....?"

1) Hout.

- Nien ik,.... nie nien ik,.... noeit...."

Opnieuw er was** een kort stilzwijgen. Toen sprak de koddebeier eensklaps ruw, brutaal:

- Urkt 2), Permentier; w'n vraogen den oorlog niet, we verlangen de vrede. 'K'n kwam ou moar woarschuwen da menier den bron ou in 't eug haudt. Hij weet woaromme da ge tot zes moanden gevangenesse vereurdeeld hêt geweest, en hij hoopt da dat in 't vervolg nie mier 'n zal gebeuren; anders...."

2) Hoort.

Hij eindigde den volzin niet, hij vergenoegde zich er bij te voegen: „Ge verstoa wa da'k zeggen wil, e-woar, Permentier?" en vertrok met een brusken "goên dag" den boereman als verpletterd op zijn spade geleund latend.

* * * * *

't Was de genadeslag, de stormklok van den opstand.

Het nauwelijks ontkiemend werk van verzoening met de wereld werd in den knop gedood: al de herlevende goede instincten gingen bij Permentier weêr onder; al de slechte en boosaardige kwamen boven.

Hij voelde eensklaps dat hij geen uur rust in zijn leven meer zou hebben; dat het wantrouwend oog van den jachtopziener hem onophoudelijk en overal zou achtervolgen; dat de argwaan en de weerwraak op hem zouden drukken na ieder in de bosschen nieuw gepleegd jachtmisdrijf. 't Was het noodlot welk er hem toe gedreven had de rust te willen zoeken in een oord dat juist voor hem vol gevaren was. En in zijn puëriel-barbaarsch**, hem door de uitgestane onrechtvaardigheid ingeboezemd begrip der Wet, twijfelde hij niet meer of de gruwel van zijn leven zou zich nu verwezenlijken: op een gegeven oogenblik zou die rosse reus hem zonder uitleggingen bij den kraag grijpen, hem voor een tribunaal sleuren, voor dat zelfde tribunaal waar kerels in zwarten mantel en wit slabbetje in scheefgezakte dronkaards-houdingen op hunne zetels zaten, en waar, na een eentonig gemompel van onverstaanbare klanken, twee gendarmen hem de boeien om de handen zouden wringen, en hem, voor 't overige zijner dagen, in de gevangenis gooien.

En bij dat akelig visioen bruisde 't in hem van woesten, ontoombaren opstand. Zeker, onfeilbaar zeker dat de ramp op hem zou neerstorten, wilde hij ze ditmaal tenminste verdiend hebben.

Hij staakte den arbeid, keerde huiswaarts, kwam gedurende drie dagen niet meer buiten. Hij zat ineengedrongen in een hoekje van den haard, de starre oogen brandend, 't gelaat verkleurd, tot niemand van zijn huisgezin een woord richtend, in diepe, sombere gepeinzen weggezonken. En, op een morgen, stond hij reeds vóór den dageraad op, nam een roestig geweer dat aan de zwartgerookte zoldering hing, voorzag zich van hagel en kruit, verliet zijn woninkje en rende met stuggen moedwil de bosschen in.

Het was de eerste maal dat hij er een voet in zette, de eerste maal dat hij het oude wapen hanteerde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . .

In een geritsel door de braamstruiken sprong een wild konijntje vóór zijn voeten uit, vlug zigzageerend over 't mos, tusschen de gladde stammen. Bleek, de tanden op elkaar gesloten, schouderde Permentier zijn wapen,.... mikte,.... schoot. De knal klonk onheilspellend ver en luide door de weergalmende bosschen, terwijl Permentier, den mond door een wreedaardigen grijnslach verwrongen, het nog spartelende dier ging oprapen.

Het was de eerste maal zijns levens dat hij een stuk wild doodde.

En hij hield niet meer op. Hij leefde in de bosschen, gelijk een Corsikaansch bandiet in den makis**, doodend het wild, meer nog om het bitter genoegen van het te verdelgen, dan om het zich tot buit te maken; slapend onder een gewelf van dooreengestrengelde braamranken, op een bed van dorre bladeren, in den bodem van de droge sloten, zijn steeds geladen geweer aan zijn zijde. Nooit meer kwam hij in 't klare daglicht uit, nooit meer werkte hij op zijn akker: alleen des nachts sloop hij somtijds voor enkele uren in zijn hutje, weigerde alle uitlegging aangaande zijn onheilspellend leven aan zijn wanhopige vrouw en kinderen, en vertrok reeds vóór het krieken van den dag, voorzien van kruit en hagel, een linnen tasch met roggebrood en gerookt zwijnevleesch onder den arm.

En reeds op 't einde van den vierden dag had hij in 't bosch een ontmoeting gehad: Buck, den onverbeterlijken wilddief, sluipend langs den rand van een dennenwoud, waarin Permentier zich verborgen hield. Hij had hem stil bij zich geroepen en samen hadden zij den ganschen nacht doorgebracht, op de loer naar wild, halfluid van vele dingen sprekend, schielijk vrienden met elkaar geworden in die solidariteit van bestendig gevaar en opstand tegen de gehate Wet.

En, sinds dien avond, ontmoetten zij elkaar haast elken dag. Hun bijeenkomstplaats was, met de schemering, aan den oever van een eenzamen vijver, omringd van kubieke stapels doorgezaagd brandhout, die zich vaagbleek afteekenden tegen den zwarten nacht der diepe sparrebosschen. Zij waren daar in 't hart der wouden, op verren afstand van de menschen-woningen, in volle eenzaamheid en vrijheid. Zij raadpleegden elkaar een oogenblik, alleen gestoord door 't krassen van de raven in de hooge boomen, kozen hun richting, plaatsten samen hun vallen en strikken. Toen gingen zij op zoek naar een verblijfplaats voor den nacht.

Buck, die door en door de uitgestrekte bosschen kende, had er sinds lang een uitmuntende ontdekt. Het was, in 't diepste van het woud, een soort spelonk onder de wortels van een reusachtigen olm, die aan den rand van een nauwe, letterlijk met door elkaar gestrengelde braamranken en slingerplanten overdekte sloot stond. Buck had die schuilplaats gevonden eens toen hij door de koddebeiers van den baron duchtig werd nagejaagd, en ze zich naderhand tot een soort van logies ingericht. Hij had het hol aanzienlijk verbreed en verdiept, den bodem er van bedekt met mos en droge bladeren; er zelfs, met takkenbos, hooi en oude zakken, een echte brits in gemaakt, ruim genoeg om er zich met tweeën op uit te strekken. En aan de boomwortels, die het lage gewelf bekleedden en tevens stutten, had hij met touwen allerhande voorwerpen gehangen: levensmiddelen en gedood wild, geweer en kruit, tot zelfs kleedingstukken en enkele kaarsen, alles met één woord wat op den vochtigen bodem beschadigd of de prooi van ratten en veldmuizen had kunnen worden.

Dáár was hun gewone verblijfplaats, waar zij, in rustieke gezelligheid, soms lange uren fluisterend bleven praten. In hun verbitterde harten trilde geen snaar meer van zachte ontroeringen, was er geen plaats, zelfs geen verlangen meer voor een toekomst van verzoening en van hoop; er was niets meer dan solidaire haat en angst: de angst van 't rusteloos vervolgde dier; de haat tegen die welke hen najoegen, tegen de vervloekte macht die bestendig hun treurige vrijheid van outlaws bedreigde: de woeste haat der Wet.

De Wet...! Buck trotseerde die openlijk, met verachtend-uitdagende vermetelheid. Permentier beefde er voor, voelde zich als vernield onder haar geheim alvermogen. Buck dorst bij helder daglicht met zijn geweer de velden intrekken, zoowel bekwaam dit af te vuren op den gendarm of jachtopziener die hem zou durven aanhouden, als op den haas die vóór zijn voeten zou uitspringen. Permentier, na zijn eerste opwellingen van opstand, ging weder met voorzichtigheid te werk, voelde zich telkens weer door een gruwelijken angst bekropen.

Hij wist dat de jachtopziener van den baron reeds iets vermoedde. Op een nacht dat hij in zijn hutje terugkwam, waren zijn vrouw en kinderen schreiend vóór zijn voeten gevallen, hem smeekend zijn ellendig leven te veranderen, hem waarschuwend dat de lange rosse kerel daar onophoudend voorbijzwierf om hun huisje te bewaken. Doch verre van hun bede aan te hooren was Permentier, door de overmaat zelve van zijn angst weer dapper geworden, onmiddellijk naar de bosschen teruggetogen, en had aan Buck de dreigende nabijheid van 't gevaar bekend gemaakt.

Deze had er om gejuicht. De lange rosse! o, kon die maar eens op hen los komen! Zonder een oogenblik te aarzelen, alvorens de kerel het zich bewust zou worden wat er gebeurde, zou Buck, dat zwoer hij, hem met een schot in den buik neervellen.

Zooveel besliste onversaagdheid had Permentier van lieverlede weêr versterkt en opgebeurd; en, lange uren roerloos-stilzwijgend, luisterde hij bewonderend naar de woorden van zijn niets-vreezenden makker. Er bestond geen wet voor Buck, evenals er voor hem geen privaat eigendom bestond. Je moest maar doen wat je wilde, nemen wat je noodig had, doodslaan wie je in den weg stond. Hij kwam hem groot, rechtvaardig voor; hij minachtte zichzelf in vergelijking met hem om zijn opwellingen van schrik en wankelmoedigheid. En naarmate hij in nauwere gemeenschap met hem leefde, zijn moed en zijn haat stalend aan den moed en den haat van den roover, werd vlijmender en vlijmender in hem 't gevoel van de geleden onrechtvaardigheid, de folterende herinnering aan zijn vier maanden gevangenisschap. Dat raakte hem soms plotseling als een oorveeg, dat deed hem knarsetandend in zijn hol overeind springen, dat werd een toenemend verscherpende gruwel, die zich uitbreidde en vertakte, die werd als een reusachtig net van ontelbare, eindelooze onrechtvaardigheden, allen gepleegd door de machtigen en de rijken, die de wetten, _De Wet_ maakten; allen geleden door de armen en de zwakken, die geen erkend recht noch doelmatig verdedigingswapen bezaten. Toen stikte hem de adem in de keel, toen bonsde zijn hart schier hoorbaar onder zijn borst, toen stonden zijn handen krampachtig in de mulle aarde der spelonk geklauwd, terwijl zijn starre oogen in de duisternis fonkelden.

Zoo brachten zij gewoonlijk een groot deel van den nacht door. Maar gewoonlijk ook, lang vóór den dageraad, had Buck het hok verlaten, en liep hij door de zwarte bosschen, een zak met wild over den schouder, op weg naar de verafgelegen stad, waar hij aan een verheler** zijn buit zou verkoopen.

En Permentier, die nu haast nooit meer huiswaarts keerde, strekte zich op de brits van mos en droge blaren uit, op de terugkomst van zijn makker wachtend.

* * * * *

Op een morgen dat hij, uitgeput van vermoeidheid, aldus sliep, werd hij plotseling, door een ruwen stoot op zijn voeten wakker geschrikt.

Hij trok die instinctmatig in, voelde zich heel en al wakker worden, zette zich brusk in zijn hok overeind en staarde naar buiten, door een schielijk besef van gevaar overweldigd.

Hij slaakte dof een kreet en greep ijlings naar het aan zijn zijde liggend geweer, terwijl de bramen die zijn schuilplaats overdekten uit elkaar geslingerd werden en een woeste stem luide riep:

- Ala, keirel, komt uit ou hol, ge zij gevangen!"

En eensklaps, alvorens zelfs Permentier den tijd had zich om te keeren en zijn wapen te schouderen, stortte de reusachtige, rosse koddebeier in de spelonk op hem neer, en vatte hij hem met ruwe handen bij de keel, luid schreeuwend:

- Ah, sloeber, ge zoedt ou nog durven weiren, geleuf ik!"

Permentier, onverhoeds verrast, smoorde een kreet. Hij herkende zijn gehaten vijand, slaakte een vloek, wendde een razende poging aan om zich uit zijn klauwen los te spartelen.

Maar de andere was sterk als een herkuul. Hij trok met geweld Permentier het geweer uit de hand, gooide het over de sloot, wierp er twee, in de spelonk liggende doode hazen achter, die dof-dreunend op het mos neerploften. En dan, met één enkelen, machtigen ruk, haalde hij den wildstrooper zelf uit het hol, gooide hem bij het wapen en de hazen, sprong er zelf achter en greep hem opnieuw bij den kraag.

Toen poogde Permentier niet langer tegenstand te bieden. Ineengekrompen van schrik bleef hij even roerloos naast zijn verwoeste schuilplaats staan, terwijl de jachtopziener met zijn vrij gebleven hand, haastig het geweer en de hazen opraapte.

Zwijgend, beiden bleek en de tanden op elkaar geklemd, stapten zij snel vooruit. Zij volgden lange breede lanen, vol ontwakend vogelengezang in de prachtige boomenkruinen; zij kwamen na een twintigtal minuten loopens, in een ruime clairière**, waar vier alleeën** door elkander kruisten, en waar, op een hoek, het houten huisje van den jachtopziener stond.

De rosse reus duwde Permentier binnen. Schuw groette de boereman een jonge vrouw en kinderen; en op een kort bevel van zijn vijand trad hij in de woonkamer. Daar werd het proces-verbaal behoorlijk opgesteld en geweer en hazen als bewijsstukken der overtreding in beslag gehouden. Waarna, met een minachtende verwensching en de schimpende belofte dat zijn zaak ordentelijk verzorgd zou worden, Permentier met een tweeden duw aan de deur werd gezet.

* * * * *

Werktuigelijk, instinctmatig, gelijk het verjaagde beest dat tòch druipstaartend naar zijn schuilplaats weder komt, keerde Permentier, met waggelenden stap, naar de spelonk terug.

Ontsteld bij het gezicht van hun verwoeste hok, terstond begrijpend dat iets akeligs voorgevallen was, kwam Buck, reeds van de stad teruggekeerd, hem driftig in een zijlaan te gemoet.

- Nondedzju, ge moet ou wreken!" riep hij woest, toen Permentier, met ontdaan gelaat en zwoegende borst, hem de geschiedenis verteld had.

- Ge moet hem nondedzju! de boan "afliggen"** en hem omverreschieten, ier dat hij den tijd hêt zijn proces-verbaal noar 't gemientenhuis te brijngen; anders zit-e veurzeker 'n joar in den bak 1). Woar es hij nou, da ge peist?"

- In zijn huis, bezig mee 't proces-verbaal op te maoken," antwoordde Permentier doodsbleek, met zwarte oogen.

- Hawel, hoast ou, goa hem afwachten in de greute loane, tegen Veronika's Kruisse. Hij zal langs doar veurbij goan. Duikt 2) ou in nen dreuge gracht en mikt veural zjuust. Gedurende nen halve menuut zilt g' hem op ouë kogel 3) hên. Schiet hem vlak in den nekke, nondedzju! Hêt-e grof leud**?"

- De sloeber hê mijn geweire gestolen," antwoordde Permentier somber.

- Dat 'n doet er niet toe, pak 't mijne. 'K zal noar de stad om 'n ander goan.

1) Gevangenis. 2) Verbergt. 3) Op schotafstand.

Permentier had even een korte aarzeling. Zijn verkleurde lippen bibberden, zijn verwilderde oogen staarden strak ten gronde, als op een gruwelijk tafereel gevestigd. Maar eensklaps slaakte hij een woeste vermaledijding, en met een ruk zijn makker het geweer afnemend, verdween hij er mee onder de donkere sparren.

Buck, den rand van zijn hoed neergeslagen, verwijderde zich ijlings in de tegenovergestelde richting.

* * * * *

Verscholen onder braamstruiken in een droge sloot op den hoek van de laan, de keel droog, het hart bonzend, de van koorts gloeiende oogen strak vóór zich uitstarend, wachtte Permentier te vergeefs den ganschen dag de komst van zijn vijand af. Gedurende die eindelooze uren, in 't midden van die uitgestrekte, dood-eenzame bosschen, waar geen ander leven verneembaar was dan dat van insecten, gevogelte en wild, ontwaarde hij slechts een oud kreupel vrouwtje, dat kort na middaguur vóór het vermolmde Veronica's Kruis kwam bidden; en, een paar uren later, een oud ventje, dat op een krassenden kruiwagen een lading takkebos vervoerde. Hij zag ook twee hazen, spelend en rondspringend op een zonneplekje in het midden der allee, soms zoo héél dicht bij hem voorbijwippend, dat hij van uit zijn schuilplaats de kleur hunner rond-verwilderde oogen en de vaalrosse haartjes onderaan hun bruine gespitste ooren kon zien. Maar hij voelde niet den minsten lust ze te schieten, en toen Buck, die evenmin den jachtopziener ontmoet had, zich gluipend in de schemering met zijn nieuw geweer bij hem kwam vervoegen, slaakten zij beiden een kreet van woedende wanhoop:

- Nondedzju, we zijn verloren; de sloeber zal direkt noar de stad 'n klacht zijn goan indienen!"

Zij raadpleegden elkaar een oogenblik, als verslagen. Toen deed Buck een voorstel. Hij zou onverwijld naar Wangeren--het naast gelegen kleine station,--snellen, en daar pogen te vernemen of de jachtopziener dien middag met den trein stadwaarts gereden was. Intusschen zou Permentier een verkenningstocht rondom de wouden ondernemen, rusteloos zwerven langs lanen en paden, alles doen wat mogelijk was om den vijand te ontmoeten. Tusschen tien en elf uur zouden zij elkaar aan den voet van Veronica's Kruis terugvinden.

Met zijn schorre, sombere stem keurde Permentier het voorstel goed, en opnieuw namen zij afscheid.

* * * * *

De nacht was gansch gevallen, een kille noordwestenwind was na zonsondergang opgestoken, van lieverlede harder blazend in de klagend-buigende dennenkruinen. Men voelde de wolken zwaar en laag, schuinvlottend in chaotische gevaarten, welke soms de lucht als kool zoo donker maakten.

En Permentier, na het vertrek van zijn makker alleen gebleven in het midden der allee, wist niet meer langs welken kant zich te wenden. Hij voelde zich bepaald verloren, hij wanhoopte in de uitgestrektheid der sombere bosschen den vijand te ontmoeten, dien hij den ganschen dag vruchteloos had liggen te beloeren. Een ontzenuwende smart liet hem gansch moedeloos en zwak, de razende wraaklust, die hem acht of tien uren achtereen met hamerend hart en knarsende tanden in de sloot op wacht hield, had tijdelijk zijn krachten uitgeput: hij voelde zich zoo lam en zwak dat hij had kunnen huilen.

Wat zou er nu van hem worden....? In nare vizioenen ontstond in zijn brein het schrikbeeld van het onvermijdbare. Hij zag zich weer vóór de rechtbank zitten, op het bankje der beschuldigden ditmaal, met tegenover hem de vadsig op hun stoelen scheef-gezakte rechters, en achter zijn rug twee brutale gendarmen, de reusachtige haren muts tot op de oogen, 't geweer zijlings over den schouder. Hij vernam het eentonig, onbegrijpelijk woordengemompel van den voorzitter met zijn bleek, flets-opgezwollen gezicht en zijn puntigfletse bakkebaarden; hij voelde de gendarmen hem de boeien om de handen wringen en hem mee naar de gevangenis sleuren, wie weet voor hoelang nu...

Voor hoelang....! voor gansch zijn leven, zeker! De eenmaal uitgestane onrechtvaardigheid had onuitroeibaar deze meening in zijn brein gegrifd: nu hij weer naar de gevangenis moest, en wel voor een gepleegd misdrijf, zou hij er niet levend meer uit komen. Hij zou niet meer in vrije lucht de zon zien schijnen; hij zou zijn vrouw en kinderen niet meer wederzien. Hij zou daar sterven; dat wist hij, dat voelde hij.