Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 7
De inwoners van onze drie zuidelijke gewesten, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, zijn almede niet rijkelijk bedeeld met spotnamen. Ik ken slechts de Schavotbranders en Maanblusschers van Middelburg, de Flesschedieven van Vlissingen, de Ganzekoppen van ter Goes, de Koedieven, Steenkoopers en Torenkruiers van Zierikzee, de Aardappelkappers van Axel, de Strooplikkers van Zaamslag, de Peren van Cadzand, de Windmakers van Sluis. Dan de Wieldraaiers van Heusden, de Dubbeltjessnijders van Os, de Brijbroeken van Werkendam, de Mosterdpotten van Woudrichem, de Hopbellen van Schijndel, de Kaaieschijters van Uden, en de Papbuiken van Sint-Oeden-Rode. Eindelijk nog in Limburg de Rogstekers van Weert en de Wannevliegers van Venloo, Kuusj (Varkens) van Helden, en Laammeèker (Lammakers) van Sittard. Aangaande de spotnamen der Venlooërs en der Sittarders meldt het Limburgsche tijdschrift ’t Daghet in den Oosten, (Jaargang IV, bladzijde 104) het volgende: „Een snaak uit Venloo had doen uitroepen, dat hij met behulp van twee wannen, aan zijne schouders bevestigd, zoude van den walmuur vliegen. Toen het volk in menigte was verzameld, vroeg hij, of ze al ooit eenen mensch hadden zien vliegen? Neen, riep het volk. Nu, dan zult ge het heden ook niet zien, zei de snaak, en maakte zich uit de voeten, met de voorop ingehaalde gelden. Van daar is de spotnaam aan de burgers van Venloo gebleven.—Het is een Lammaker, zegt men van die van Sittard. Door lammaken verstaan de Sittarder burgers (en in ’t algemeen alle Limburgers), zich op hunne manier ten koste van anderen vermaken.”
De Maneblusschers van Middelburg heeten zoo uit de zelfde bekende oorzaak die ook den Mechelaars hunnen gelijken spotnaam heeft gegeven; namelijk het schijnen van de maan op den torentop, ’t welk door de burgerij voor brand werd aangezien, en getracht werd te blusschen. Even als te Franeker, te Leiden en elders het geval is, zoo zijn ook uit de wapenschilden van Vlissingen, Goes en Heusden, die met eene flesch, met eene gans, en met een wiel beladen zijn, de spotnamen van de ingezetenen dier steden ontstaan.
Zonderling is de oorsprong van den spotnaam (Peren) der Cadzanders. Met de bekende boomvrucht heeft die naam niets te maken. Te Cadzand spreekt men elkanderen veelvuldig aan (tijdgenooten of evenouders namelijk, en die op vertrouwelijken, vriendschappelijken voet met elkanderen omgaan) met de woorden „Pere! m’n ouwen!” (Pere is hier het Fransche woord père, vader.) Juist zoo spreken de Friezen, in de zelfde omstandigheden, elkanderen onderling wel aan met ’t woord Heite. Dit is het Friesche woord heit, vader. Zelfs knapen en jongelingen noemen elkanderen wel Heite, b.v. Kom Heite! giest’ mei? Kom, mijn vriend! gaat gij mede? Ook onder het volk aan de zeekust in Holland spreekt men op die wijze; onder anderen te Zandvoort. Als jongeling te Haarlem studeerende, liep ik daar menig maal over de Vischmarkt, zoowel om de verschillende mooie visschen te zien, die daar uitgestald waren, als om het ongekunstelde volksleven gade te slaan, en de volkstaal te hooren spreken uit den mond der Zandvoorder visscherliên en der Haarlemsche burgerluidjes. Dan gebeurde het wel, dat deze of gene Zandvoorder vischvrouw („Dirkie, Maintje of Mæærtje”—ik kende ze al bij namen) mij toeriep: „Vædertje! mot je gien moaie pooanen kooape?” of „Kaik’ris vædertje! watte grooate pooanen!” Poonen toch, die schoone visschen, met hunne fraaie, roode vinnen en groote als gepantserde koppen, trokken steeds bijzonder mijne aandacht. Als ik dan glimlachte, omdat ik, de achttien-jarige, als vædertje werd toegesproken, riep zoo’n vrouw wel: „Kaik! de borst [14] lacht!” Opmerkelijk is het toch, dat het Friesche heite, het Hollandsche vædertje en het Vlaamsche (eigenlijk Fransche) père, zoo geheel in den zelfden zin bij drie verschillende stammen van ons Nederlandsche volk in gebruik is.
Ook de vertrouwelijk vriendelijke aanspraak der Cadzanders onderling, „m’n ouwen!” vindt in Friesland hare weêrga. Immers de Friezen, en onder dezen de Dokkumers nog het meest, spreken elkanderen wel toe met „âlde!” als ze hunne eigene taal, of met „oude!” als ze de basterdtaal der stedelingen gebruiken—al zijn dan spreker en toegesprokene ook jonge lieden, in ’t algemeen zonder dat er op den leeftijd van den toegesprokene gelet wordt.
Heite! of Vædertje! of Pere, m’n ouwen! hoe vertrouwelijk en vriendelijk, hoe echt volkseigen en volksaardig klinkt dat!
De ingezetenen van het Limburgsche stedeke Weert heeten Rogstekers, en dit om nagenoeg de zelfde reden die den Dokkumers hunnen spotnaam Garnaten heeft bezorgd. Men verhaalt namelijk dat er oudtijds eens eene vrachtkar, die onder anderen ook met eene mand rog (zeevisch) beladen was, van Antwerpen, over de heide bij Weert, naar Roermond reed. Bij ongeluk gleed er een van die glibberige visschen uit de mand en van de kar, en bleef, door den voerman onbemerkt, in het breede wagenspoor op de zandige heide liggen. Korten tijd daarna kwam een Weertenaar langs dien weg, en zag den rog. Nog nooit had hij zulk een vervaarlijk schijnend schepsel gezien. Hij schrikte er van: „wat is dat?” De zaak scheen hem lang niet pluis. Hij ijlde naar ’t stadje terug, riep alle buren en vrienden bij elkanderen, en na kort beraad trok men met man en maag er op uit, onder zijn geleide, heidewaarts, om het vreeselijke monster te zien. Naderbij gekomen werden allen met ontzetting aangegrepen. Maar een paar van de dapperste mannen schepten moed. Zij hadden in de gauwigheid ieder eene spiets meêgenomen van het raadhuis, waar op den zolder nog zulk middeleeuwsch wapentuig werd bewaard, en staken nu, vol doodsverachting, hun verroest wapen in het lichaam van den visch, dien ze, nadat ze zich van zijnen dood goed en wel overtuigd hadden, als een oorlogsbuit in zegepraal mee terug namen naar hun stadje. Sedert heeten die van Weert Rogstekers, en ze moeten het zich te Eindhoven, te Roermond, te Hasselt, op straat of in de herberg, of waar ze zich maar vertoonen, laten welgevallen dat de lieden hun naroepen, uitjouwen, zingen:
De burgerij van Weert Was van een dooden rog verveerd!
In Zuid-Nederland, waar we enkel de Vlaamsche, de Dietsche gewesten in aanmerking nemen, zijn de spotnamen weer rijk vertegenwoordigd. De levendige, opgewekte, luidruchtige gemoedsaard, die den Vlaming en den Brabander bijzonder onderscheidt van den Hollander en den Fries, heeft zekerlijk wel aandeel aan den oorsprong en aan het voortbestaan dezer talrijke spotnamen, die immers wel aanleiding geven tot scherts en vroolijkheid, maar ook evenzeer wel tot twist en tweedracht, en bij de onbeschaafden tot schelden, kijven, vechten.
Reeds vroeg hebben de Zuid-Nederlandsche spotnamen de opmerkzaamheid getrokken. Omstreeks het midden der jaren 1500, en zekerlijk veel vroeger ook, waren ze daar reeds algemeen bekend en in gebruik; immers ten jare 1560 werden ze daar reeds door eenen volksaardigen Vlaming verzameld en in verzen te zamen gesteld. En nog in dezen onzen tijd werden de Zuid-Nederlandsche spotnamen in de verschillende jaargangen van Ons Volksleven, een Zuid-Nederlandsch tijdschrift, opgesomd, en in hunnen oorsprong en hunne beteekenis nagespoord. Daarheen, en naar andere bronnen, allen achter dit opstel vermeld, verwijs ik dan ook den lezer die er meer van weten wil.
Over ’t algemeen genomen stemmen de Zuid-Nederlandsche spotnamen in al hunne bijzondere kenmerkende eigenschappen geheel overeen met de Noord-Nederlandsche. Sommigen van deze namen zijn aan beide landsdeelen gemeen—’t is te zeggen: ze zijn zoowel eigen aan eene Noord- als aan eene Zuid-Nederlandsche plaats. Dat zijn bij voorbeeld: de Muggeblusschers van Turnhout en van Peer, die overeenstemmen met de Muggespuiters van Meppel, ook wat aangaat het verhaaltje, dat den oorsprong van dezen naam vermeldt. Verder de Maneblusschers van Mechelen en die van Middelburg; de Wortels van Ninove en die van Hoorn; de Toovenaars van Schiedam, met de Tsjoensters van Molkwerum en de Tooverheksen van Onkerzeele; de Turken van Glabbeek en die van Opperdoes, enz.
In beide landsdeelen komen de spotnamen ook veelvuldig, ja zelfs in den regel voor in de gewestelijke of plaatselijke volkseigene spreektaal, en kunnen soms moeilijk in de algemeene boeketaal worden omgezet. In al te platte, soms zelfs onkiesche namen staan de zuidelijke gewesten ook niet boven de noordelijke: Azijnzeekers van Temseke, Oliezeekers van Sint-Nicolaas, Schijters van Gierle en Mosterdschijters van Diest. Het bedrijf dat hoofdzaak is of van ouds was in de eene of andere plaats heeft ook in ’t Zuiden menigvuldige aanleiding gegeven tot het ontstaan van spotnamen: Wolspinners van Desschel, Bessembinders van Maxenzeele, Tegelbakkers van Stekene, Pelsmakers van Meenen, Potatenboeren van Esschene, Plattekèèsboeren van Opdorp, Saaiwevers van Hondschoten, Visschers van Mariakerke. En niet minder in ’t Zuiden als in ’t Noorden de bijzondere liefhebberij in de eene of andere spijze of lekkernij, aan de ingezetenen van deze of gene plaats eigen. In deze zaak staan boven aan de Kiekenvreters van Brussel. Inderdaad is een Brusselsch feestmaal niet volledig, als er geen gebraden „kieken” op tafel is, nog heden ten dage als van ouds; geen Nederlandsche stad waar zoo vele kippen het leven moeten laten, als Brussel. De Brusselaars worden in hunne liefhebberij ter zijde gestaan door de Kapoeneters van Meessen. Verder de Pastei-eters van Kortrijk, de Smeerkoeketers van Moerbeke, de Papeters van Denterghem, de Scheewei-eters van Winkel-Sint-Kruis, de Gorteters van Arendonk, en nog vele anderen. Ten slotte nog in ’t algemeen de Eters van Hingene, en de zeer bijzondere en zonderlinge Zandeters van Grimbergen. Dan komen ook nog in ’t algemeen de Drinkers van St-Winoks-Bergen en de Roodbierdrinkers van Harelbeke.
Zie hier eene lijst van de Zuid-Nederlandsche spotnamen, mij bekend, en die allen in den tegenwoordigen tijd nog in zwang zijn.
Sinjoren van Antwerpen. In dezen naam schuilt nog eene herinnering aan den Spaanschen tijd (16e eeuw), toen Antwerpen in grooten bloei, in macht en rijkdom was—toen Spaansche zeden daar „in de mode” waren (als ook elders in de zuidelijke Nederlanden—men denke aan den bekenden Spaenschen Brabander) en de aanzienlijke, voorname en rijke Antwerpenaren den Spaanschen titel Senor droegen. De Antwerpsche Sinjoren zijn in aardige tegenstelling met de Heeren van Gent, die, zoo als deze benaming schijnt aan te duiden, volkseigener in hunne taal en zeden gebleven waren dan de Antwerpsche heeren.
Kiekenvreters van Brussel, op blz. 71 reeds besproken. Maneblusschers van Mechelen, ook reeds nader aangeduid op bladz. 71. Heeren, en ook Stroppedragers van Gent, Zotten van Brugge, Petermannen en Koeischieters van Leuven. Dit zijn de bekendsten. Verder nog de Schapekoppen van Lier, de Brekken van Beersel, de Kortooren van Rethy, de Karleespoorders van West-Meerbeek, de Poteerddabbers van Ramsel, de Eters van Hingene, de Katten en Knikkers van Meerhout, de Soepweikers van Mol, de Gorteters, Tjokkers en Pinnekenmakers van Arendonk, de Wolspinners van Desschel, de Janhagelmannen van Poppel, de Muggeblusschers van Turnhout, de Pieren van Liezele, de Koutermollen van Kieldrecht, de Meutes (dat zijn nuchteren kalven) van Breendonk, de Strontboeren en Mestblusschers van Hoboken, de Kraaien van Tisselt, de Geitekoppen van Wilrijk, de Kruiers van Balen, de Boschkrabbers van Bornhem, de Schijters van Gierle, de Kèèskoppen (Kaaskoppen) van Hove, de Pezerikken en Moeszakken van Loenhout, de Kneuters van Meir, de Joden van Oost-Malle, de Kaballen van Ruisbroek, de Gipsheeren van St. Amands, de Rakkers van St. Anthonius, de Slijkneuzen van Weert in Klein-Brabant, de Smousen van West-Malle, de Vaartkapoenen van Willebroek, de Speelzakken van Hoogstraten, de Struiven, Halfhouten en Mastendoppen van Brecht, de Pieren van Halle, de Drijvers en Kluppelaars van Zoersel.
In Belgisch Limburg vinden we de Torenblusschers van Neerpelt, en de Muggeblusschers van Peer.
In Zuid-Brabant nog: de Ezels van Schaarbeek, de Turken van Glabbeek, de Kwèkers van Tienen, de Mosterdschijters van Diest, de Barbaren en Stroobranders van Sint-Quintens-Lennik, de Waterheeren van Zout-Leeuw, de Pootenvreters van Haasrode, de Soepzakken van Hever, de Heeren van Malderen, de Klotboeren van Steenuffel, de Boschuilen van Dworp, de Telloorlekkers van Goyck, de Hondeknagers van Elsene, de Botermelkzakken van Etterbeek, de Kolenkappers van Sint-Gilles bij Brussel, de Heeren van Huisingen, de Potatenboeren van Esschene, de Zotten van Hekelghem, de Heeren van Meldert, de Bessembinders van Maxenzeele, de Koeien van Molhem, de Zandeters van Grimbergen.
Uit Oost-Vlaanderen zijn de Heeren van Gent, de Makeleters en Knaptanden van Dendermonde, de Kalefaters van Baasrode, de Boschuilen van Buggenhout, de Visschers van Mariakerke, de Plattekèèsboeren van Opdorp, de Varinkdorschers van Baardeghem, de Kloklappers van Belcele, de Wuitens van Hamme, de Kloddemannen en Sergiewevers van Zele, de Wortels van Ninove, de Zotten, Vliegenvangers en Slekkentrekkers van Ronse, de Boonenknoopers van Oudenaarde, de Bergkruipers van Geeraartsbergen, de Tooverheksen van Onkerzeele, de Scheewei-eters van Winkel-Sint-Kruis, de Palingstroopers van Mendonk, de Trotters van Desteldonk, de Zotten van Wachtebeke, de Smeerkoeketers van Moerbeke, de Schinketers van Sinaai, de Blauwbuiken van Exaarde, de Peerdenprossers en Oliezeekers van Sint-Nicolaas, de Hottentotten van Daknam, de Azijnzeekers van Temseke, de Sikken van Moerzeke, de Witvoeten, Draaiers en Ajuinen van Aalst, de Koolkappers van Akkergem.
En dezen zijn van West-Vlaanderen: De Zotten van Brugge, de Pastei-eters van Kortrijk, de Boterkoppen van Diksmuiden, de Taartebakkers en Wagenwielvangers van Meenen, de Keikoppen van Poperingen, de Kinders van Yperen, de Keuns (Konijnen) van Heist-op-Zee, de Geernaarts van Blankenberge (zie bladz. 21 en 27), de Schapen van Nieuwkerke, de Ezels en Langooren van Kuren (Curen, Cuern, Cuerne), enz.
Zie hier eene lange reeks van spotnamen, waaronder er zeker velen zijn, merkwaardig in een geschied- en taalkundig opzicht of uit het oogpunt der beschavings-geschiedenis. Mogen al deze namen nog eens uitvoerig beschreven en verklaard worden in hunnen oorsprong en beteekenis, op de wijze als ik het, in het begin van dit opstel, met de Friesche namen heb trachten te doen.
Van den eersten van alle in deze opsomming genoemde Zuid-Nederlandsche spotnamen, van dien der Antwerpsche Sinjoren heb ik (op bladzijde 72) den oorsprong vermeld. De oorsprong van den laatstgenoemden dezer spotnamen, die van de Ezels of Langooren van Kuren, moge als tegenhanger hier ook vermeld worden. In de Gazette van Kortrijk, en daaruit overgenomen in het Brugsche weekblad Rond den Heerd, in het nummer van 12 April, 1888, staat dienaangaande het volgende te lezen:
„’t Was over jaren en jaren, ’k en wete niet hoevele. De pastor van Cuerne was een allerbraafste oude man. De koster was ook allerbraafst, maar eenvoudig en oud. En zoo doof derbij, dat hadt gij hem eenen schip onder..... onder zijne sleppen gegeven, hij het nog niet en zou..... gehoord hebben.
„Asschen-oensdag was gekomen en de menschen moesten om een asschenkruisken gaan. Ja maar, als de pastor te wege was te beginnen, wierd hij onpasselijk.
„Wat nu gedaan?
„Een bitje gewacht! Maar ’t en beterde niet met Mijnheer Pastor, en de menschen wierden ongeduldig!
„De pastor kreeg een gedacht. Koster! riep hij, ’k en kan ik volstrekt in de kerke niet gaan, ge zult gij moeten de kruiskes geven.
„De koster, die zijnen pastor gewend was, verstond dat nog al wel.
„Zegt de pastor toen:
„Ge weet wat ge moet zeggen, binst dat ge de kruiskes geeft: Memento, homo! quia pulvis es et in pulverum reverteris (Herinner, mensch! dat gij stof zijt en in stof zult wederkeeren).
„Wat belieft er u? zei de koster.
„De pastor herhaalde ’t latijn, maar de koster en verstond het nog niet.
„Na drie of vier keeren wierd de pastor ongeduldig:
„Ge zijt ezel geboren, schreeuwde de pastor, en ge zult ezel sterven!
„Ja, Mijnheer Pastor, zei de koster, en hij trok de kerke binnen, peinzende in zijn eigen dat ze toch aardige dingen zeggen aan de menschen in ’t latijn.
„En hij begon maar kruiskes te geven en te herhalen dat hij schuimde:
„Ge zijt ezel geboren, en ge zult ezel sterven!
„De menschen keken wat aardig en dat wierd beklapt en besproken als zij buiten de kerke kwamen.
„En de historie en bleef in de prochie niet; ze wierd wijd en breed verspreid in ’t omliggende en verder, en zoo kwam het dat de lieden van Cuerne den name van ezels kregen.
„Onverdiend!”
Hier voren (op bladzijde 70) heb ik reeds met een enkel woord vermeld de verzen van eenen Vlaming uit den ouden tijd, waarin al de spotnamen van Vlaamsche steden en dorpen zijn opgenoemd. Op dat hoogst merkwaardige stuk wil ik hier nader terug komen.
In het midden der zestiende eeuw leefde te Brugge een procureur, namens Eduwaert de Dene, Lymans zone; die „Factor” was van de rederijkerskamer „De drie Sanctinnen” aldaar. Deze man bracht de Vlaamsche spotnamen in rijm te zamen, en smeedde daar lange verzen van, die hij den naam gaf van Den langhen Adieu (het lange Vaarwel). Eduwaert de Dene stelt het voor alsof hij allen Vlamingen, de inwoners van allerlei Vlaamsche steden en dorpen, die hij allen afzonderlijk bij hunne spotnamen noemt, vaarwel zegt, eer hij sterven gaat. Immers zóó moet men den telkens herhaalden slotregel der verzen verstaan: „Adieu, eer ick reyse naer Adams moer.” Adam, de eerste mensch, was uit de aarde voortgekomen; „Ende de HEERE Godt hadde den mensche geformeert uyt het stof der aerden”, zoo lezen we in den Bijbel. Dus, in overdrachtelijken zin genomen, was de aarde de moeder van Adam. Zoo iemand gestorven is, wordt zijn doode lichaam in de aarde begraven. Men kan hiervan zeggen: hij reist naar (of in) de aarde; met andere woorden: hij reist maar de moeder van Adam, naar „Adams moer.”
De bedoelde verzen nu luiden als volgt:
Den langhen Adieu Niet oudgestich In tjaer ghemaect nieu 1500 ende tzestich.
Adieu, Poorters van Brugge, adieu Heeren van Ghendt, Adieu, Kindren van Ipre, wijdt verre bekent, Adieu, Daryncbarners van den Vryen mede, Adieu, Schotters van Douay, ende daer omtrent, Adieu, Speerebrekers der Rysselsche stede, Notecraeckers van Orchies, naer doude zede, Ledichghanghers van Oudenaerde ghepresen. Adieu insghelijcx, oock zoo ick dandere dede, Pasteyeters van Curtrijcke mits desen; Adieu, Cupers van Damme: adieu, moet wesen, Witvoeten van Aelst, Beenhauwers van Male, Hudevetters van Gheerdsberghe hooghe geresen, Voorvechters van Cassele int speciale, Vachtpluckers van Poperynghe tprincipale: Slaepers van Vuerne, hebt oock huwen toer. Raepeters van Waes, elck end int generale, Adieu, eer ick reyse naer Adams moer.
Adieu, van Dermonde Mackeleters daer, Pelsnaeyers van Nieneven openbaar, Drynckers van Winnoxberghe, Zoutzieders van Biervliedt, Rocheters van Muenickeree der naer. Adieu, Mostaerteters die men t’ Oosthende ziet, Buetereters van Dixmude en vergheet ick niet; Adieu, metten Conijneters van Dunkercke goet; Adieu, Drapeniers van Comene, mijn jonste biedt; Adieu, oock an de Vulders van Caprijcke vroedt, En den Schipgaernemaeckers van Oudenburgh, tmoet Oock adieu gheseyt sijn, ken cans my bedwynghen, Cabeljaueters van Nieupoort, zijt oock ghegroet! Saeywevers van Hondscote, Ghistelsche Hovelynghen, Drooghaerts van Werveke int ommerynghen, Caerdemaeckers van Deynse op heurlieder vloer; Ghy, Saudeniers van Grevelynghe, laet hu niet besprynghen Adieu, eer ick reyse naar Adams moer.
Adieu oock, Grootsprekers van Thorout, ghy Lueghenaers van Ardenburch, den Wiltjaghers by Van Maldeghem, Candeeleters van Meenen voort, Ketelboeters van Middelburch; adieu van my Crudeniers van Oostburch; insghelijcx adieu (hoort!) Lijnwadiers van Thielt, twelck menich oorboort; Oock mede Rootbierdrynckers van Haerlebeke: Ghy Peperloocketers van Eecloo verstoort; Keermeshouders van Ruusselare meniche weke, Cappoeneters van Meessene, waert nood ’tbleke Met menich smetsere ende goet gheselle: An de Wynzupers van Hulst ick adieu spreke, Snoucketers van Acxele, Caesemaeckers van Belle, De Teghelbackers van Stekene oock mede telle; Roometers van Moerbeke, ghy sonder poer, Ende Waermoeseters van Coolkercke snelle, Adieu, eer ick reyse naer Adams moer.
Adieu, Hoppewinders van Okeghem sterck, Adieu, Overmoedighe van Ronsse int werck, Papeters van Denterghem, daer in onverzaet, Ganssedrijvers van Laerne, scherp int bemerck; Te Zele daer vyndt men de Vlasbooters, jaet; Adieu, Stiermans van Wendune, elck met zijn maet. Ende ghy, Musseleters van Bouchoute reyn, Visschers van Blanckeberghe oock adieu ontfaet; Adieu, Putooreters van Waestene int pleyn, Adieu, Dienaers van Sint Anna ter Mude certeyn, Verzeylders van Heyst ten Zeeusschen gronde. Cokermaeckers van Ruurle, van Vlaeters tgreyn; Die van Sint Jans Steene oock adieu tallen stonde, Compoosteters van Loo, Thoolnaers van Reppelmonde, Adieu, Eillynghen tsaemen met den Ackerboer, Adieu, dus namelicke Vlaandren int ronde, Adieu, eer ick reyse naer Adams moer. Adieu, voorts noch, ende wederom oorlof, adieu, Al dat oud was, en zichtens [15] gheworden nieu!
Ook al deze oude Vlaamsche spotnamen vertoonen weêr ten duidelijksten de bijzondere kenmerken van zulke Nederlandsche namen in ’t algemeen. Ook dezen zijn grootendeels meer bijnamen in schertsenden zin, dan smaad- of hoonnamen en scheldnamen van krenkenden aard. Zoo treffen we hier weêr de namen aan die ontleend zijn aan allerlei nering en bedrijf in ’t bijzonder eigen aan deze of gene plaats; b.v. Hudevetters van Geeraartsberge en de Pelsnaaiers van Ninove, de Saeywevers van Hondschoten en de Crudeniers van Oostburg, de Kaasmakers van Belle en de Stuurlieden van Wenduine. Verder ook de namen ontleend aan de eene of andere spijze of lekkernij, die hier of daar bijzonder gaarne of bijzonder menigvuldig door de lieden werd gegeten; b.v. de Pastei-eters van Kortrijk en de Raap-eters van Waas, de Rog-eters van Munnikereede en de Konijn-eters van Duinkerke, de Kabeljauw-eters van Nieuwpoort en de Snoek-eters van Aksel. Als rechtstreeksche spotnamen merken we op de Lediggangers van Oudenaarden, de Witvoeten van Aalst, de Voorvechters van Kassel en de Slapers van Veurne; de Grootsprekers van Thorhout en de Kermishouders van Rousselare. Onder deze laatste soort van namen zijn er zeker velen, die aan het een of ander geschiedkundig voorval hunnen oorsprong te danken hebben.
Toen deze verzen berijmd werden was Vlaanderen nog in zijn geheel, nog één en onverdeeld. Sedert is de westelijkste gouw van Vlaanderen bij Frankrijk gevoegd, en de noordelijkste bij Noord-Nederland. Maar Eduwaert de Dene noemt, zeer te recht zoo wel de spotnamen op van de inwoners van Biervliet, Aardenburg, Oostburg, Hulst, Aksel, Sint-Anna-ter-Muiden en Sint-Jans-Steen (allen thans tot Noord-Nederland behoorende—Zeeuwsch Vlaanderen), als die van Douay, Rijssel, Orchies, Kassei, Sint-Winoks-Bergen, Duinkerke, Hondschoten, Grevelingen, Belle, tegenwoordig deel uitmakende van Frankrijk—Fransch-Vlaanderen. Ja, in één versregel vinden we de Snoeketers van Aksel vermeld naast de Kaasmakers van Belle; die van Aksel zoo wel als die van Belle zijn oorspronkelijk goede Vlamingen, maar thans, en reeds sedert twee of drie eeuwen als Noord-Nederlanders en als Franschen geheel van elkanderen vervreemd.