Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 6
Molboonen of Booneters en Kluunkoppen van de stad Groningen. Een bijzonder soort van Groninger volks- en kindersnoeperij (trouwens ook in Friesland, althans te Leeuwarden, en in Oost-Friesland niet onbekend) bestaat uit duiveboonen, en ook wel uit paardeboonen, die op gloeiende kolen, of anders ook wel in den koffieboon-brander worden geroosterd—„gepiipt” zoo als ’t volk dat noemt. Die geroosterde boonen noemt men Molboonen, Molt- of Möltboonen, en ze maken eene harde, droge, weinig smakelijke en moeielijk verteerbare snoeperij uit, die evenwel van ouds her, bepaaldelijk bij de Groningers in de stad, altijd zeer in trek was, en nog is. De Groningers dragen daar hunnen spotnaam van. Hun andere spotnaam dragen de Groningers naar het bijzondere en eigenaardige bier, dat in hunne stad van ouds gebrouwen en veel gedronken werd, en dat ook buiten die stad in alle Friesche gewesten vermaard was—naar het zoogenoemde Kluun of Kluunbier. Die veel kluun drinkt wordt dikbloedig, zwaar van lichaam, opgezet en rood van hoofd—met andere woorden: hij krijgt een kluunkop. Dit is de oorsprong van den Groninger spotnaam. Die meer van kluunbier, van ’t kluunskip, en van een kluunskonk weten wil, leze mijn opstel Bier en Bierdrinkers in Friesland, voorkomende in Oud Nederland (’s-Gravenhage, 1888.)
Gaan wij uit Groningerland nog even oostwaarts over de grenzen, over Eems en Dollart naar Oost-Friesland, een gewest dat in schier alle opzichten, maar vooral in de uitingen van het volksleven zoo ten nauwsten aan de Friesche gewesten van Nederland is verwant, ja, daarmede oorspronkelijk geheel eenzelvig is—dan treffen we ook hier, wat de spotnamen aangaat, de zelfde verhouding aan als in Groningerland. Ook in Oost-Friesland zijn betrekkelijk weinig spotnamen in gebruik. Die ik er van ken, wil ik hier, volledigheidshalve, mededeelen. Ik noem ze in de Friso-sassische spreektaal van deze gouw, juist zóó als het ingezetene volk ze noemt—en niet in verhoogduitschten boekevorm. Naderen uitleg, wat hunnen oorsprong aangaat, weet ik er niet van te geven. Een paar toelichtingen, gedeeltelijk ook voor den niet-Frieschen lezer tot beter verstand van de namen, wil ik echter niet achterwege houden.
Potschijters van Emden; Klockendefe (dieven) van Carolinensyl; Puutfangers (Puut, puit, kikvorsch—dit woord is ook in Zeeland en Vlaanderen in gebruik) van Sillenstede; Buttstekers (botstekers, botvisschers) van Oldorf; Ziefersöker van Waddewarden; Hundedragers van Schortens; Tunsingers (Tun, tuin, omheining) van Cleverns; Schaapdefe (Schapedieven) van Sengwarden; Fahlfangers (fahl, fole, veulen) van Hooksyl; Poggen van Aurich; Bockhexen van Thunum; Fleuters van Nägenbargen; Diekedeuters (rijkaards, die dik duiten hebben) van Dunum; Junkers van Warnsath en Prunkers van Burhafe.
Reeds in de laatste helft der jaren 1500 was bovengenoemde leelijke spotnaam van de ingezetenen der stad Emden bekend. De vermaarde blijspeldichter Gerbrand Adriaense Brederoo, die de Amsterdamsche volksspreektaal van zijnen tijd zoo uit der mate wel kende, noemt dezen naam in zijn spel De Spaensche Brabander. Daarin komt het volgende gesprek voor tusschen Jerolimo en Robbeknol. Eerstgenoemde vraagt dan:
„Van waer syde ghy?”
Robbeknol: „Van waer? Van Embden, God bettert.”
Jerolimo: „Ho, ho, een Embder potschijter. Wel zemers, dat komt snel.”
Robbeknol: „Ja, ja, praet jy wat, d’Amsterdammers en Brabanders kennen ’t oock wel.”
Dr. G. Nauta zegt onder anderen van dezen spotnaam (in zijne uitgave van den Spaenschen Brabander, Nederlandsche Klassieken, no VII, bladzijde 229): „Wel nu, toen in 1578 de Emder predikanten ijverig in de weer waren om door te preeken de zaak der hervorming te bevorderen en ’t Roomsche geloof te bezweren, en een pakhuis of schuur, genaamd de Pot—zoo als Wagenaar, Amsterdam, IV, 4 meldt—de plaats was waar de Gereformeerden, meer in ’t bijzonder de Lutherschen, hunne godsdienstige samenkomsten hielden, kan, op welke wijze dan ook, de scheldnaam „potschijter” voor de leiders dier kettersche samenkomsten niet in de wereld gekomen zijn?”
En T. Terwey zegt (Bibliotheek van Nederlandsche Letterkunde, no 5, bladzijde 18): „Het woordt schijnt bedrieger te beteekenen. Vgl. Koolman, Ostfr. Wörterbuch, i. v. schiten en schîtkerel.”
Geen van deze beide verklaringen van den Emder spotnaam komt mij aannemelijk voor. Ik houd mij aan Jerolimo, die den naam opvat in zijne eigenlijke, voor de hand liggende beteekenis, zoo als blijkt uit zijne woorden: „dat komt snel”, waar zeker eene aardigheid in schuilt. Dit snapt Robbeknol ook; van daar zijn wederwoord: „Ja, ja, de Amsterdammers en de Brabanders kunnen (dat) ook wel. Te weten........
De Auriker Poggen zijn padden. Men hoont in Oost-Friesland de Auriker burgers nog bijzonderlijk met dit rijmke:
Auriker Pogge! moak mi ’n poar Schoh. Ik heb geen leer, ik heb geen smeer, Ik heb geen pik Aurik-kik-kik-kik.
Met deze laatste woorden wordt het rikkikken der padden aangeduid.
In W. G. Kern en W. Willms, Ostfriesland wie es denkt und spricht (Norden, 1869) kan men nader bescheid vinden aangaande de Oost-Friesche spotnamen.
Dat men verder oostwaarts in Duitschland, onder anderen in Mecklenburg, de spotnamen ook kent, leert het Korrespondenzblatt des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung, deel VIII, bladzijde 47.
Van Groningerland zuidwaarts gaande, vinden we in Drente, waar het Sassische bloed (de eigenaardige levensuitingen van den Sassischen volksstam) bij de landzaten zich sterker doet gelden dan het Friesche, de spotnamen weêr weinig bekend en weinig in gebruik. Geheel het zelfde is het geval in Overijssel en in Gelderland. Met uitzondering van de Steurvangers van Kampen en de Blauwvingers van Zwolle, die over geheel Noord-Nederland bekend zijn, komen de weinige Drentsche, Overijsselsche en Geldersche spotnamen schier niet in aanmerking bij de overtalrijke spotnamen in de Friesche en Frankische gewesten.
Mij zijn bekend de Muggespuiters (of bij verkorting de Muggen) en de Kloeten van Meppel, de Knollen van Grolloo, de Moeshappers van Anderen, de Koekoeken van Elp.—Een groote dichte muggezwerm omzweefde de spits van den toren te Meppel; de burgers dachten dat het rook was, en, gedachtig aan het spreekwoord „waar rook is, daar is vuur”, liepen ze te hoop, haalden de brandspuit, en begonnen den vermeenden torenbrand te blusschen. Die Meppelsche Muggespuiters vinden hun weêrga in de Maneblusschers van Mechelen. De andere spotnaam van de Meppelders, Kloeten, hebben ze te danken aan de groote kluiten boter, die in hunne stad door de boeren uit den omtrek, nog tot in de tweede helft dezer eeuw, ter markt werden gebracht, en die hoofdzakelijk hunnen weg naar Amsterdam vonden, waar ze, in den tijd vóór de hedendaagsche boter- en kunstboter-fabrieken, onder den naam van „Meppelder Kluiten” veelvuldig aan de kleine burgerij gesleten werden, wijl de Drentsche boter goedkooper was dan de Friesche en Hollandsche. Kloete is de Drentsche uitspraak van het woord kluit.
In Overijssel ken ik de Blauwvingers van Zwolle, de Kamper Steuren, de Brijhappers van Blankenham, de Katten van Blokzijl, de Rudekikkers en de Ruusvorens van Genemuiden, de Kroggen van de Kuinder, de Bleien of Bleisteerten van Zwartsluis, de Windmakers van Hengeloo, de Kwekkeschudders van Delden, de Gruppendrieters van Oldenzaal, de Meelvreters van Borne, de Stokvisschen, Poepen of Geutendrieters van Deventer.
Te Zwolle viel ten jare 1682 de toren van Sint-Michiel’s kerk in, en werd niet weêr opgebouwd. Het klokkenspel dat in dien toren hing, werd aan Amsterdammers verkocht, die den aanmerkelijken prijs daarvan in louter dubbeltjes betaalden. De Zwollenaars hadden dagen lang werk (zoo luidt de overlevering) om al die dubbeltjes uit te tellen, om te zien of ze den vollen koopprijs wel ontvangen hadden. Ze vergisten en vertelden zich telkens, en dan moesten ze weêr van voren af aan beginnen. Van al dit dubbeltjes tellen kregen ze blauwe vingers. Die nu nog eenen Zwollenaar wil plagen, neemt diens hand en beziet nauwkeurig de vingers. In den regel krijgt hij dan onmiddellijk met de andere hand van den Zwollenaar een peuter om de ooren.
De Kampenaars vingen oudtijds in hunne rivier eens eenen bijzonder grooten steur. Wijl ze toch eenigen tijd later een gastmaal wilden aanrichten, en alsdan dien visch zoo goed gebruiken konden, werden ze te rade hem voorloopig nog wat te laten zwemmen, tot tijd en wijle ze hem van noode zouden hebben. Maar om den steur dan te beter weêrom te kunnen vinden en vangen, bonden ze hem een bandje met een belletje om den hals, en zóó ging de visch weêr den IJssel in. Men zegt dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug gaat, nog heden altijd in ’t water tuurt, of de steur er soms ook nog is. „Je kunt toch maar nooit weten!”—De inwoners van het stadje Lünen bij Dortmund in Westfalen deelen met de Kampenaars de eer Stören (Steuren) genoemd te worden. Waarom, weet ik niet.—De spotnaam der ingezetenen van Oldenzaal is hier boven op bladz. 8 reeds verklaard geworden. En die nu den Oldenzaalschen spotnaam verstaat, begrijpt ook al gemakkelijk wat die van Deventer (de derde van de drie vermelde namen) beteekent.
De Geldersche spotnamen, weinig in getal, zijn de volgenden: Knotsendragers van Nijmegen, Metworsten van Zutfen, Koolhazen van Lochem, Mosterdpotten van Doesburg, Vleescheters van Driel, Pepernoten van Elburg, Bokkingkoppen van Harderwijk, Haneknippers van Enspijk, Knutten en Huibasten van Nunspeet, Heugters van Uddel, Kraaien van Haaften en Kladden van Ek en van Ingen.
De ingezetenen van Harderwijk hebben hunnen spotnaam te danken aan de bokkingnering (haringvisscherij, bokkinghangen en handel) die er veelvuldig wordt uitgeoefend, en die aan de stad zekere vermaardheid gegeven heeft. Oudtijds toen Harderwijk ook nog eene hoogeschool rijk wan, werd er wel gefluisterd dat men daar voor geld kon verkrijgen, wat slechts door ingespannen studie verkrijgbaar moest wezen. Hierdoor kwam het rijmke in zwang, dat de kenmerkende bijzonderheden van Harderwijk weêrgaf in deze woorden:
Harderwijk is een stad van negotie, Men verkoopt er bokking en bullen van promotie.
Wat men onder de Huibasten van Nunspeet te verstaan hebbe, zal wel niet iedereen terstond vatten. Huibasten zijn lieden die (om het eens in de onbeschaafdste volksspreektaal te zeggen) veel hui in hun bast (lichaam) zuipen; met andere woorden: die veel wei drinken.
Zijn de spotnamen in het algemeen van oude dagteekening, sommigen reeds uit de middeleeuwen afkomstig, en al komt het zelden of nooit meer voor, dat nog hedendaags zulke namen ontstaan en in gebruik genomen worden, toch is mij een voorbeeld hiervan bekend. Haneknippers, de spotnaam der Enspijkers, is eerst eene kwart-eeuw oud. In De Navorscher, jaargang XXVI, bladzijde 264 schrijft J. Anspach dienaangaande: „Toen de nieuwsbladen in ons vaderland gewaagden van de toebereidselen, welke in de steden en ten platten lande gemaakt werden om, ieder in zijnen trant, het kroningsfeest van onzen geëerbiedigden koning, 12 Mei 1874, waardig te vieren, werden in een artikel der Tielsche Courant de inwoners van Enspijk als Enspiksche Hanenknippers begroet, dewijl uit dit dorp in den Tielerwaard een stem was opgegaan, die, tot opluistering der feestelijkheid, hanen tegen elkander in ’t strijdperk wenschte te doen treden, nadat men dit fiere pluimgedierte van zijn vederbos zou hebben ontdaan. Uit dit voorbeeld ziet men, hoe toevallig en op wat kinderachtige manier dergelijke spotnamen soms ontstaan.”
Tegenover den nieuwen naam van de Enspijkers staat de oude spotnaam die aan de ingezetenen van Driel eigen is. Immers deze naam, Vleescheters, dankt zijnen oorsprong aan de omstandigheid dat de inwoners van Driel in de middeleeuwen eenen zoogenoemden vleesch- en boterbrief hadden, eene kerkelijke vergunning, waarbij hen werd toegestaan om ook in den vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te mogen gebruiken. Zie hierover Kist, Kerkelijk Archief, I, 176 en III, 469, en Buddingh, Het dorp Driel, in den Gelderschen Volks-Almanak voor 1869.
De provincie Utrecht, tusschen Gelderland en Holland ingesloten, maakt door haar tweeslachtig wezen op volkenkundig- en taalkundig gebied den overgang uit van de oostelijke tot de westelijke gouwen van ons land. En zoo mogen dan ook hier ter plaatse de spotnamen van Utrecht genoemd worden, tusschen die van Gelderland en Holland in. Naar mijn beste weten zijn het maar drie; te weten de Keislepers of Keitrekkers van Amersfoort, de Apeluiders van IJsselstein en de Berenschieters van Benschop. Immers „Sint-Maartens-mannen”, zoo als men oudtijds de inwoners van Utrecht, en ook de landzaten van het Sticht wel noemde, maakt geen spot- of bijnaam uit; veeleer een eerenaam.
De burgers van Amersfoort vonden eens op een heideveld, nabij hunne stad, eenen zeer grooten keisteen, als een rotsblok. Zij ontgroeven dien steen, en sleepten en trokken hem met veel ophef en met groote moeite triomfantelijk naar hunne stad, waar zij hem, als eene groote zeldzaamheid, op de Varkenmarkt ten toon stelden en voor ’t vervolg eene vaste plaats gaven. Dit is waar gebeurd, ten jare 1661.—En die van IJsselstein luidden eens, bij vergissing, de doodsklok voor eenen dooden aap. Men vindt beide deze voorvallen vermeld en uitvoerig beschreven met naam en toenaam; het eerste in een opstel Dool om Berg in het tijdschrift Eigen Haard, jaargang 1896, bladzijde 618; het laatste in het Bijblad van De Navorscher, jaargang IV, bladzijde XXXVIII.
Thans van ons punt van uitgang, Friesland, ons westwaarts wendende over het Flie, naar ’t aloude Friesland bewesten Flie, tegenwoordig Noord-Holland genoemd, vinden we ook in die gouw, waar de bevolking in hoofdzaak zuiver Friesch, ten deele ook Friso-frankisch van oorsprong is, de spotnamen weêr talrijk vertegenwoordigd. Bijzonder in oudheid- of geschiedkundig opzicht, of bijzonder uit het oogpunt der beschavingsgeschiedenis zijn de West-Friesche spotnamen echter weinig of niet. Integendeel, het grootste deel dier namen is nuchteren, alledaagsch, plat.
Mij zijn de volgenden bekend: Kwallen van Texel, Traanbokken van de Helder, Kraaien van het Nieuwe-Diep, Roodjes van Schagen, Tulen, Schapen (Skepen) en Biggen van Wieringen, Spreeuwen van Winkel, Ratten van Kolhorn, Zandpissers en Stroobossen van de Zijp, Dodden of Dotten (jonge spreeuwen) van Niedorp, Blauwe Reigers van Heer-Hugo-waard, Moppen van Medemblik, Vijgen van Enkhuizen, Krentebollen, Krentekoppen, Wortelen en Duiveldragers van Hoorn, Turken van Opperdoes, Gladooren van Twisk; Speelmakkers van Benningbroek, Blootebeenen en Duivelshoopen van Aartswoud, Boonen van Blokker, Theekisten van Binnewijzend, Uilen van Lutjebroek, Aardappels van Nieuw-Bokswoud, Schokken van Hauwert, Bleien van Oostwoud, Gortzakken en Gortbuiken, ook Ketelkruipers en Steenekwakkers van Alkmaar, Koolstruiken van Langedijk, Wroeters of Mollen van Schermerhorn, Knoort, Snirt en Snoeken van de Rijp, Waterrotten van Akersloot, Lomperts van Barsingerhorn, Moppen van de Beemster, Vischteven van Egmond aan Zee, Kraaien van de Graft, Gortbuiken van Graftdijk, Wildjes van Groot-Schermer, Rapenplukkers van Heiloo, Koeketers van Uitgeest, Langslapers van Ursem, Musschen van Edam, Monnikentroeters van Monnikendam, Beren van Warder, Platpooten van Purmerland, Boonpeulen van den Ilp, Koeketers en Galgezagers van Zaandam, Krentekakkers van Zaandijk, Kroosduikers van Westzaan en Landsmeer, Eendepullen, Kooleters, Koolhanen en Koolpikkers (ook Volk van Klaas Kompaan) van Oostzaan, Moppen, Oorebijters en Uilen van Jisp, Koeketers en Zeurooren van Koog aan de Zaan, Koeketers en Guiten van Krommenie, Boonpeulen, Steenegooiers en Uilen van Wormer, Gladooren van Wormerveer, Vinken van Broek in Waterland, Kiplanders, Gortlanders en Spanjaarden van Assendelft, Klapbessen van de Beverwijk, Muggen van Haarlem, Koeketers van Amsterdam, en Kalven van Naarden.
Men zegt dat er onder de ingezetenen van Schagen steeds velen zijn met hoogblond, naar ’t rosse zweemend hoofdhaar, en dat zij daarvan hunnen spotnaam Roodjes hebben verkregen. Zoo dit eerste waar is, dan zoude deze schoone Oud-Germaansche hoofdtooi tot een bewijs te meer verstrekken, dat de Schagers echte Friezen zijn—’t welk trouwens ook zonder tegenspraak is.
Waarom die van Schermerhorn Mollen en Wroeters heeten, en die van Alkmaar Gortzakken en Gortbuiken, is op bladzijde 6 reeds medegedeeld.
De naam Koolstruiken van den Langendijk vindt zijne gereede verklaring hierin, dat in de vier dorpen die deze landstreek Langendijk samenstellen, de teelt van allerlei soorten van kool de hoofdbron van bestaan voor de ingezetenen is.
De naam van de Vischteven van Egmond aan Zee is, even als die van de Tsjoensters van Molkwerum, uit den aard der zaak en uit den aard van het woord, slechts toepasselijk op de vrouwen van dat dorp (tot voor korten tijd nog een visschersdorp in de rechte beteekenis des woords—thans echter niet meer.) De Egmonder mannen, even als de Molkwerumer mannen, blijven in deze buiten schot.
De naam van de Wildjes van Groot Schermer is reeds zeer oud, en is ook zeer eigenaardig, in zoo verre dat de Groot-Schermers zelven dezen hunnen bijnaam volstrekt niet beleedigend achten te zijn. Zij winden zich namelijk licht op met kermishouden en andere feestelijke gelegenheden, en dan komt het wel voor, dat ze zich inderdaad als wilden gedragen. Reeds Leeghwater, in zijn Cleyn Cronykxken (eerste helft der jaren 1600), zegt van hen: „De huys-luyden van Schermer waren in mijn jonckheydt, doen ik daer eerst ghetrouwd was, wat rouw van manieren en seden: dewelcke nu mede al seer betemt ende manierigh zijn.” Volkomen „betemt” zijn ze echter ook thans nog niet. Immers voor en na heeten ze Wildjes.
Ook de naam der Kooleters van Oostzaan dagteekent reeds van den ouden tijd. De Zaansche geschiedschrijver Soeteboom zegt er van in zijn werk De Nederlandsche Beroerten (Amsterdam, 1679): „’t Oostzaner Wapen plagt eertijds (so men segt) een Buyssekool te wesen, so ’t schijnt ontsprongen uyt de menigvuldigheyt der Kolen, die men aldaer plagt te telen en te eten, so dat se de name voerden van Kool-hanen en Kool-eters.” Soeteboom spreekt hier in den verleden tijd („so dat se de name voerden”); ondertusschen voeren de Oostzaners dien naam nog heden, ruim twee eeuwen later. Zulk een taai leven hebben die spotnamen; ze gaan eeuwen lang, van geslacht op geslacht over. De andere spotnaam der Oostzaners, Volk van Klaas Kompaan, hebben ze volgens Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal (Leiden, 1897) te danken aan hunnen ouden dorpsgenoot „den beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen (geboren 1587, gestorven na 1655), die, na jaren lang de zee onveilig te hebben gemaakt, door den Stadhouder werd begenadigd, en in zijne geboorteplaats zijn leven eindigde.”
De Galgezagers van Zaandam ontleenen dezen hunnen naam almede aan een geschiedkundig voorval. Volgens Boekenoogen (in zijn bovengenoemd werk) „ligt de oorsprong van dezen naam in het omzagen van de galg, waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen. Dit feit geschiedde in den nacht van 18 op 19 Augustus, 1678.”
De naam Koeketers van de Amsterdammers is al zeer oud. De bekende, in der daad ook bestaande voorliefde der Friezen voor alles wat zoet van smaak is (zie bl. 20) in aanmerking genomen, zoo is deze Amsterdamsche spotnaam al mede een bewijs dat de oude burgerij van Amsterdam, in de 16de eeuw, wier voorouders in de middeleeuwen reeds als visschers bij den Dam in den Amstel gezeten waren, tot den Frieschen volksstam behoorde. Trouwens, ook uit de spreektaal der Oud-Amsterdammers, gelijk die ons door Gerbrand Adriaensen Brederode is overgeleverd, en zelfs nog uit de spreektaal der hedendaagsche oud-ingezetenen der Noord-Nederlandsche hoofdstad—vooral in sommige bijzondere buurten en wijken—blijkt dit ruimschoots.
Dat de smaak in zoetigheid, dat het koek-eten, als een teeken van den Frieschen oorsprong der bevolking, niet enkel tot Amsterdam beperkt is, maar zich over het geheele Westfriesche Noord-Holland uitstrekt, blijkt uit den spotnaam Koeketers, dien evenzeer de Zaandammers, die van de Koog, van Krommenie en die van Uitgeest dragen. Ook de Moppen van Medemblik, van Hoorn, van de Kreil, van de Beemster en van Jisp geven getuigenis in deze zaak.
In Zuid-Holland, waar het Frankische bloed, bij de oude landzaten weêr langzamerhand, hoe verder zuidwaarts hoe meer, de overhand verkrijgt over het Friesche—in Zuid-Holland zijn de spotnamen ook weêr minder vertegenwoordigd. Men zoude anders wel meenen dat, waar de bevolking van menige plaats, van Noordwijk, Katwijk en Scheveningen, van Vlaardingen en Maassluis, van Dordrecht, enz. zoo opmerkelijk bijzondere eigenaardigheden bezit op volk- en taalkundig gebied, dat daar de spotlust van anders geaarde buren zich wel zoude moeten laten gelden.
Mij zijn de volgende Zuid-Hollandsche spotnamen bekend: Hangkousen van Hillegom, Puieraars, Blauwmutsen, Hondedooders en Sleuteldragers van Leiden, Ooievaars, Waterkijkers en Bluffers van ’s-Gravenhage, Kalfschieters van Delft, Gapers van Gouda, Rakkers van Gouderak, Klokkedieven van Oudewater, Toovenaars van Schiedam, Vleet van Vlaardingen, Kielschieters van Rotterdam, Schapedieven van Dordrecht, Zeelepers en Puiers van den Briel, en Blieken van Gorinchem.
Den naderen en volledigen uitleg van deze spotnamen aan anderen overlatende, wil ik er slechts als ter loops op wijzen, dat de eerstvermelde spotnaam der Leidenaars (tevens de meest bekende der vier vermelde), zijnen oorsprong vindt in hunne liefhebberij om in de talrijke wateren die hunne stad omringen, op aal te peuren of te puieren, dat is: op eene bijzondere wijze te visschen. En de laatstvermelde spotnaam der Leidenaars oogt op de sleutels van Sint-Pieter, die der stede wapenschild sieren. Ook de Hagenaars hebben hunnen spotnaam aan hun wapenschild te danken (of te wijten), ’t welk eenen ooievaar (dat is immers een „waterkijker”) vertoont. Van den naamsoorsprong der Kalfschieters van Delft leest men in De Navorscher, jaargang III, bladzijde 373, als volgt: „Zoo was het ook in ’t jaar 1574, toen eenige Spanjaards een aanslag op Delft hadden willen beproeven, maar tijdig ontdekt zijnde, van onder de muren waren geweken, waarop hun, reeds lang buiten schot gekomen, een hagelbui van kogels achterna gezonden werd. Slechts een kalf dat in de wei liep, werd hierdoor getroffen, en men maakte toen dit schimpdichtje:
„De vrome Delvenaren Die schoten een vet kalf. Als zij verdrukket waren Ten tijde van Duc d’Alf.”
De ingezetenen van Gouderak danken hunnen spotnaam aan eene woordspeling met den naam van hun dorp: het Rak in de Gouwe. De Toovenaars van Schiedam, die zich nog het oude gezegde: „Twintig van Schiedam, negentien kunnen tooveren”, moeten laten welgevallen, maken de Hollandsche weêrga uit van de Friesche Tsjoensters van Molkwerum; evenals de Hollandsche Blieken van Gorinchem hunne tegenhangers vinden in de Friesche Bleien van de Gaastmeer. Een bootje, dat omgekeerd, met de kiel naar boven, midden in de Maas dreef, werd door de Rotterdammers voor een’ walvisch gehouden, waar zij hunne geweren op afvuurden. Van daar hun spot naam. De spotnamen der ingezetenen van de aloude stedekens Brielle en Vlaardingen schijnen mij toe ook oud van oorsprong en oud van vorm te zijn. Ik kan ze niet verklaren. Misschien zijn de Brielsche Puiers ook puieraars op aal, en waarschijnlijk hangt de naam der Vlaardingers wel op de eene of andere wijze samen met hun visschersbedrijf.