Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 5
Een Oud-Germaansch woord heet „maag” (oudtijds maegh) in het Nederlandsch, en miich (miig, myg) in het Friesch, en beteekent bloedverwant in het algemeen, in ’t bijzonder neef, soms ook kleinzoon. Zoo beteekent ook het Latijnsche woord nepos [11] zoowel kleinzoon als neef (broeders of zusters zoon). In het Nederlandsch is het woord maag, op zich zelven en in deze beteekenis, schier volkomen verouderd, maar het leeft toch nog in het woord maagschap, verwantschap, waarvoor vele verbasterde Nederlanders heden ten dage liever de Fransche woorden famille en parentage gebruiken, die ze dan tot familie en parmentasie verknoeien. Het woord maag leeft ook nog in de uitdrukking „met man en maag”, waaronder men iemands geheele verwantschap en aanhang verstaat. Dit „man en maag” wordt heden ten dage ook veelvuldig verbasterd tot „met man en maagd”, en tot „met man en macht”, ja zelfs tot „met mannemacht”, omdat men het oorspronkelijke woord niet meer kent.
Met miich, de Friesche weêrga van het Nederlandsche woord maag, is het al niet veel beter gesteld. Ook dit woord is heden ten dage uit den mond des Frieschen volks (met uitzondering van de Makkumers) verdwenen. Maar de Friezen, die geene vreemdelingen zijn in hunne eigene geschiedenis, kennen dit woord nog uit het antwoord: Ja, Wibe-miich! dat Swob Sjaardema, de weduwe van Jarich Hottinga, dat valsche wijf, aan haren neef Wibe Sjoerds Sirtema thoe Groustins gaf op zijne vraag Swob-nift! is ’t lauwa?, toen zij dien neef Wibe, ten jare 1580, met leugentaal lokte op de brug van haren burcht Hottinga-hûs te Nijland, en hem daar verraderlijk door hare krijgsknechten gevangen nemen liet. En zelfs in de 17de en in de vorige eeuw was ’t woord miich nog in de spreektaal der Friezen in gebruik. Gysbert Japicx gebruikt het nog een en ander maal in zijne gedichten; b.v. Lolcke myg, Neef Lolke; ook in de vermaning, die Haytse-yem, Oom Haitse, zijnen neef Nijzgierige Jolle toedient:
„Tinkste it tygge oer, foare in ney, Fen dy salm, Myg! rinste wey.”
(Bedenkt Gij het ter dege, voor en na, van U zelven, Neef! loopt Gij weg—’t is te zeggen: Gij krijgt eenen afkeer van U-zelven.) Ook Eelke Meinderts gebruikt dit woord nog in dezen zin, in zijn bekend volksboek It libben fen Aagtsje Ysbrands, gedagteekend van 1779.
Maar, is dit Oud-Friesche woord elders al uit den mond des volks verdwenen, de Makkumers hebben het in stand gehouden, en gebruiken het nog heden ten dage, vooral ook als vorm van aanspraak, bij jongelingen en jonge mannen, waar men elders in Friesland heite! zegt, of jù!
En dit oude en goede gebruik, nog getuigende van den bloeitijd onzer tale, strekt den Makkumers tot eere, maar het heeft hun ook, bij de andere Friezen, den spotnaam Makkumer Miigen bezorgd.
Ook in den spotnaam der ingezetenen van Suameer speelt taalkunde eene kleine rol. De naam van dit dorp is in het Friesch Suamar, eene samentrekking van den oorspronkelijken, volledigen naam Sudera-mar, dat is in het Nederlandsch Zuidermeer. Het dorp draagt dezen naam omdat het ligt bezuiden de Bergumermeer, de bekende groote meer bij het dorp Bergum. De naam Suderamar, Suamar, Suameer (Zuidermeer) staat in tegenstelling met dien van het dorp Eastermar, Oostermeer, dat beoosten de Bergumermeer ligt, en met dien van het gehucht Noardermar, Noordermeer, dat benoorden die meer gelegen is. De naam Suamar, zooals de geijkte Friesche schrijftaal eischt, wordt in de dagelijksche spreektaal der Friezen nog nader ingekrompen tot Samar, Sumar, Semar (met toonlooze e, en den klemtoon op mar). Van Samar tot Samaria, de naam van eene stad en van eene gouw in het oude Palestina, is, op den klank af, geen groote stap; in scherts komt men er geleidelijk toe den Frieschen met den Bijbelschen naam te zamen te brengen. Samar dan eenmaal Samaria genoemd zijnde, moest men er wel geleidelijk toe komen om de ingezetenen van Samar Samaritanen te noemen. Zoo berust de spotnaam der Suameerders op eene letter- en woordspeling, in scherts bedacht.
Lollum is een klein dorp in Wonseradeel; maar deze dorpsnaam is toch in geheel Friesland bekend. Immers een flauw sausje van wat meel, wat edik, wat mosterd, met water te zamen gekookt, en dat de arme huismoeder, in tijden van nood en gebrek, wel haren man en kinders zuchtende voorzet, om, in plaats van vleesch- of spekvet, bij de aardappelen gebruikt te worden, noemt men Lollumer stip. Stip, omdat men de drooge aardappelen bij het eten in dit sausje stipt of doopt. Of nu dit schrale, armoedige sausje juist veel, of meest, te Lollum op de tafel van den arme komt, of daar, in hongerjaren, eerst op verschenen en dus eene Lollumer uitvinding is, weet ik niet. Maar wel, dat Lollumer stip te recht eenen kwaden naam heeft onder de Friezen, en dat de Lollumers, als ze Stippers genoemd worden, dezen naam juist niet als een vleinaam opvatten, als een naam die van weelde en welstand getuigt, maar als eene getuigenis van kommer en gebrek.
De inwoners van het dorp Molkwerum, die oudtijds veel talrijker waren dan tegenwoordig, en die toen voor een groot deel uit rijke zeelieden en schippers bestonden („welvarenden” in den dubbelen zin des woords), hadden van ouds veel bijzonders in hunne spreektaal, in hunne kleeding, in hunne zeden en gebruiken, evenals die van het naburige Hindeloopen. De eigenaardigheden van de Molkwerumers kwamen wel in hoofdzaak overeen met die van de Hindeloopers, maar ze waren daar toch ook aanmerkelijk van onderscheiden; ze hebben slechts tot het einde der vorige eeuw, toen de Molkwerumer welvaart verloopen was, stand kunnen houden. Toch onderkent men nog heden ten dage den Molkwerumer van andere Friezen, aan enkele bijzonderheden in zijne spreektaal.
In den bloeitijd van Molkwerum, zoo van de jaren 1600 tot 1750, lagen daar soms wel twintig en meer, (volgens Halbertsma „wol sechstich”) Molkwerumer koopvaardijschepen, allen met het zwaantje, het wapen van Molkwerum, in de witte baan van de vlag, te gelijkertijd te Amsterdam aan den dijk bij de Haringpakkerij (thans het westelijkste deel der Prins-Hendrikskade), en in het Damrak, te laden en te lossen. En zoo ook te Bremen en te Hamburg, en verder op te Dantzig, Riga, Reval en andere havens in de Oostzee. Aan de Haringpakkerij te Amsterdam, bij de Panaalsteeg is daar nog heden eene herberg, die dien goeden ouden tijd in gedachtenis houdt. Dat huis, ’t welk voor weinige jaren uit- en inwendig nog geheel het karakter van ’t begin der jaren van 1600 vertoonde, maar dat sedert verbouwd is in den hedendaagschen trant, draagt nog zijn ouden naam „Het wapen van Molqueren”, aan den gevel, en it Molkwarder Swanke, het Molkwerumer Zwaantje, staat er nog steeds, in beeltenis, boven de voordeur. Ei! hoe menige Molkwerumer zeeman, Tsjalling, Gosse of Sierd, heeft, twee honderd jaren geleden, daar bij den waard in het voorhuis zijn mingelen Haarlemmer bier gedronken! Hoe menige Molkwerumer schippersdochter, Jildoe, Fod of Rimme, heeft daar bij de waardinne in ’t kamerke achter ’t voorhuis, haren verschovenen foarflechter te recht gezet, of hare verwaaide frissels wat geordend!
Evenals de spotnamen van de Hindeloopers zoo bijzonder zijn, dat men ze niet eens meer verstaat, veel minder nog verklaren kan, zoo heeft de spotnaam der Molkwerumers ook al weer iets zeer bijzonders; te weten dit: dat hij niet geldt voor alle Molkwerumers zonder onderscheid, maar dat hij slechts op de Molkwerumer vrouwen betrekking heeft, en de Molkwerumer mannen buiten schot laat. De mannelijke ingezetenen van „het Friesche doolhof” (zooals het dorp Molkwerum oudtijds genoemd werd, wegens de onregelmatige, schier verwarde wijze waarop de huizen daar, over zeven pôllen, eilandjes, verdeeld, schuins en scheef naast en nevens, voor en achter elkanderen gebouwd waren)—de mannen van Molkwerum dan hebben geenen spotnaam. Maar de vrouwen van dit zonderlinge dorp heeten bij de andere Friezen en Friezinnen Tsjoensters, Molkwarder Tsjoensters, dat is: Heksen, Molkwerumer Heksen.
Het werkwoord heksen, tooveren, is in het Friesch tsjoene. Daarvan afgeleid, noemt men in Friesland eene vrouw, die tsjoene, die tooveren of heksen kan, eene tsjoenster, eene heks of toovenaarster. De mannelijke vorm van het zelfstandige naamwoord, van tsjoene afgeleid, zoude, volgens de regels der taal, tsjoender moeten wezen; maar dit woord is mij nooit voorgekomen. Trouwens, tsjoene, heksen, tooveren, was van ouds hoofdzakelijk het werk van vrouwen. Niettemin, de volksverhalen en volksoverleveringen der Friezen weten juist ook wel te berichten van Molkwerumer mannen, die tooveren konden. Men leze daar maar eens over na een geestig verhaal, vol van oude overleveringen, dat onder den naam van It Hexershol geschreven is door Dr. J. H. Halbertsma, en voorkomt in Leed in Wille in de Flotgearzen, Dimter (Deventer), 1854.
In den bloeitijd van Molkwerum waren de Molkwerumer mannen en jongelingen, als schippers en zeelieden, geregeld negen of tien maanden van het jaar van huis—op zee, of in vreemde havens. Omstreeks Sint-Nicolaas’-dag kwamen ze thuis, en met Sint-Pieter’s dag, den Oud-Frieschen zeemansdag, gingen ze al weêr aan boord. Van het vroege voorjaar tot het late najaar waren daar te Molkwerum, om zoo te zeggen, geen andere mannelijke wezens in het dorp dan jongens beneden de twaalf, en grijsaards boven de zeventig jaren, behalve dominé, vermaner en schoolmeester, kastelein, bakker en winkelman, en een paar kleine ambachtslieden. Dan hadden de zeemansvrouwen en dochters een leven zonder tier, zonder rechte fleur—al hadden ze ook volop werk in huis en hof, en met de verzorging van het paar stuks vee, dat allen hielden. Dan zaten ze, na afloop van hare bezigheden, bij elkanderen, en vertelden elkanderen honderd malen de zelfde oude verhalen van heksen en van tsjoenen, van foartsjiermerye en dûbeldsicht, van skynsels en van spoek en foarspoek; en wat ze niet van mem of van beppe of van moaike (moeder, grootmoeder en moei) hadden gehoord, dat bedachten ze in hare vaak verhitte en ontstelde verbeelding er bij, zoo dat ze op ’t laatst zelven ook aan tsjoenen, aan allerlei duivelskunstenarijen begonnen te doen.
Zoo zijn de Molkwerumers, bijzonderlijk de Molkwerumer vrouwen, de froulju fen ’t Heksershol, aan den spotnaam van Tsjoensters gekomen.
Te Birdaard, bepaaldelijk in de rij huizen die langs de Dokkumer-Ee zich uitstrekt, woonden van ouds vele kleine slachters, die hunne slachtwaar, bijzonderlijk schapevleesch, en ’t vleesch van nuchteren kalveren (dit laatste ook wel spottender en smalender wijze Birdaerder skylfisk—schelvisch—genoemd) op de weekmarkten te Leeuwarden en te Dokkum uitstalden en verkochten, of anders bij de boeren in den omtrek uitventten. Naar de schapekoppen, het geringste deel van het geslachte beest, noemde men die slachters Birdaerder Skiepekoppen, Schapekoppen, een spotnaam die op al de ingezetenen van Birdaard is overgegaan.
Even als in andere gewesten voorkomt (Amsterdamsche Koeketers, Kiekenvreters van Brussel, Konijneters van Duinkerke), zoo zijn er ook bij de Friezen vele spotnamen in gebruik, die aanduiden dat in deze of gene plaats de eene of andere spijze (of ook geen spijze) bijzonderlijk is gegeten geworden. Zoo heeten de inwoners van bet dorp Berlikum Hounefretters (Hondenvreters), die van Kollum Kattefretters, die van Hallum Koekefretters, als de Amsterdammers, die van Holwerd Roekefretters, die van Gaast Otterfretters, die van Garijp Klitsefretters (Klitsen, in ’t Nederlandsch Klissen of Klitten, zijn de bloemhoofdjes van Arctium Lappa), enz. Zoo de overlevering waarheid spreekt, is de spotnaam der Berlikumers al van zeer oude dagteekening. Ten jare 1182 bezochten de Noormannen, als zeeroovers, de Friesche havenplaats Utgong (sedert verdwenen, door de dichtslibbing der Middelzee) en bet naburige Berlikum, en ze plunderden, verbrandden, verwoestten die plaatsen. De inwoners, ten gevolge daarvan aan allerlei ellende, ook aan hongersnood ten prooi, kwamen er toe om hunne honden te slachten en te eten, ’t welk hunnen nazaten, nu nog heden, zeven eeuwen later, door de andere Friezen, met den spotnaam Hounefretters wordt nagehouden.
Bij al de niet, of nauwelijks eetbare dingen (klitten, honden, katten, roeken, otters), die, volgens bovenstaand lijstje, door Friezen zijn gegeten, en hun eenen spotnaam hebben bezorgd, overtreffen de Wirdumers de andere fretters nog grootelijks. Den ingezetenen van het dorp Wirdum in Leeuwarderadeel wordt niets meer of minder verweten, dan dat zij eenen toren zouden hebben opgegeten. Zij worden derhalve Toerkefretters, torentjevreters genoemd. De kerk te Wirdum pronkte oudtijds met twee torens—en dat vonden de Wirdumers juist één te veel; ze konden best één van die torens missen, meenden ze. Dies besloten ze, ten jare 1680, in kommerlijken tijd en toen de geldmiddelen der kerk uiterst gering waren, om één van die twee torens voor afbraak te verkoopen, en de opbrengst ten bate der kerk aan te wenden. En zij voerden dit besluit ook uit. Trouwens, als het er enkel om te doen was om geld te maken, dan misten de Wirdumers in dezen hun doel niet. Want de toren, die toen reeds zeer oud was, maar geenszins vervallen, en die uit de elfde of de twaalfde eeuw dagteekende, was geheel opgetrokken van tufsteen, zoo als de oudste Friesche kerken allen. De afbraak van den toren leverde 1395 ton tufsteen op, en die steen werd voor 4790 gulden verkocht, en meest naar Makkum vervoerd, waar men er tras van maalde. Men kan uit deze hoeveelheid steen afleiden, dat de toren groot en zwaar moet geweest zijn. Dat hij nu, in den spotnaam van de Wirdumers, een toerke, een torentje, genoemd wordt, heeft dus niet te beduiden dat het een kleine, onaanzienlijke toren zoude geweest zijn. Maar de verkleinvorm van het woord, maar toerkefretter heeft beter val, is den sprekers gemakkelijker om te zeggen, dan het eenigszins stootende toerfretter. Juist de Friesche volksmond eischt dat men de woorden vloeiend kunne uitspreken.
De toren was bij de afbraak nog hecht en sterk. Hij zoude, ware hij sedert dien tijd goed onderhouden geworden, nog heden kunnen staan als een gedenkteeken van den kerkelijken bouwtrant der Friezen uit de vroege middeleeuwen. Jammer! dat men hem aan de baatzucht, hoewel dan in nood, heeft opgeofferd. Voor dit snood bestaan hunner voorouders dragen de Wirdumers nog heden hunnen spotnaam.
In bovengenoemde namen wordt eten en eters smadelijk als vreten en vreters (frette en fretters) aangeduid. Deze lompheid in spreekwijze is niet den Friezen alleen eigen. Zelfs de burgers van het quasi zoo fijn beschaafde, half verfranschte Brussel worden door de andere Brabanders en Vlamingen ruwelijk Kiekenvreters gescholden, [12] even als die van Hulst Wijnzuipers heeten, in tegenstelling met de Roodbierdrinkers van Harelbeke.
Maar, nevens de fretters weten de Friesche spotnamen toch ook, in beleefder vorm, van iters, eters. Zoo heeten de ingezetenen van Hilaard wel Promiters (Pruimeneters), om de reden, die op bladzijde 38 reeds is vermeld. En die van Hantum dragen den naam van Margeiters, Marge-iters (Mergeters, Merg-eters).
De spotnaam Marge-iters is zekerlijk ook van zeer oude dagteekening, misschien nog wel veel ouder dan die van Hounefretters van Berlikum. Reeds in overoude tijden, in den zoogenoemden vóórhistorischen tijd, in het steentijdvak, was het merg uit de pijpbeenderen der dieren eene bijzondere lekkernij voor de menschen. De versteende beenderen van het wilde gedierte, die men in bergholen en in den bodem, of in de hoopen afval van de maaltijden der menschen uit den grauwen vóórtijd, nog heden wel vindt en uitgraaft, zijn veelal gespleten, door slagen met de steenen hamers en beitels, die den lieden toenmaals tot wapenen en werktuigen dienden—gespleten, stuk geslagen, verbrijzeld, om het merg er uit te halen, nadat men eerst het vleesch er af geknaagd had. En al de eeuwen door, tot heden toe, gold en geldt het merg der beenderen te recht als eene krachtige spijze, als eene bijzondere lekkernij, die, op een sneedje brood gesmeerd, bij boer en burger bijzonderlijk den huisvader toekomt. Ja, de Friezen, bij wie alle oude zaken zulk een taai leven hebben, gebruiken nog heden een spreekwoordelijk gezegde om aan te duiden dat deze of gene met eene kleine versnapering of eene andere kleinigheid, in ’t algemeen gemakkelijk en lichtelijk kan verlokt en verleid worden. Dan zeggen ze van zoo iemand: det wiif (of dy tzierl) is mei in margebonkje to fangen, dat wijf (of die kerel) is met een mergbeentje te vangen.
In latere tijden, toen de menschen langzamerhand van ruwe en zwervende jagers tot stille en vreedzame herders, en nog later tot rustige, gezetene landbouwers waren geworden, en men niet meer uitsluitend of hoofdzakelijk het vleesch at van de dieren op de jacht gedood of uit de kudde geslacht, maar hoe langer hoe meer ook allerlei plantaardig voedsel den menschen tot spijze begon te dienen—later kwam het merg der beenderen niet meer zoo dagelijks op den disch, niet meer zoo veelvuldig op de tonge. Toen begon de huisvrouw kunstmatig merg te maken—als ik dat zoo eens noemen mag. Zij kookte in een pot allerlei voedsel, zoowel van dierlijken aard, vooral ook zuivel, als van plantaardigen oorsprong (granen, meelachtige vruchten) te zamen tot eene weeke, zachte brij of pap, waaraan men nog wel den naam van merg bleef geven.
Te Leeuwarden is een oud en vermaard en rijk gesticht, uit de middeleeuwen dagteekenende, het Sint-Anthonij-Gasthuis, dat thans ten deele een zoogenoemd proveniershuis is, waar oude lieden, tegen vooruit-betaling van zekere somme gelds, hun leven lang kunnen inwonen en gevoed worden, zoogenoemd „den kost kunnen koopen”. Die kost, de spijzen, die daar gereed gemaakt en den inwonenden verstrekt worden, zijn veelal eigenaardig, en veelal nog zeer ouderwetsch toebereid, zoo als men dat reeds in de middeleeuwen deed. Onder die spijzen is er eene, die een samenkooksel is van varkensbloed, roggenmeel en vierkante stukjes reuzel, met stroop, rozijnen en wat kruiderijen daar toe. Dat bloed is van de varkens die in de Slachtmaand geslacht worden, en hun vleesch en spek moeten geven om ingezouten of gerookt te worden, voor de wintertering der bewoners van Sint-Antoon’s gesticht. Dat saamgekookte mengsel wordt in wijde darmen gedaan, als beuling, eerst eenige weken bewaard (belegerd), en dan gegeten. Wel! het is in der daad eene gezonde en krachtige spijze, ook zeer smakelijk voor eenen Frieschen mond, al zoude men de samenstelling aanvankelijk ook wat vreemd vinden. Deze kost noemt men in Friesland Bargemarge, dat is: varkensmerg, en hij wordt als eene bijzondere, veel begeerde lekkernij, die buiten het Sint-Anthonij-Gasthuis niet te verkrijgen is, door de bewoners van dat gesticht, tegen Kersttijd, aan verwanten en vrienden ten geschenke gezonden. Dat is dus kunstmatige merg, die nog de gedachtenis aan verouderde tijden en zeden in wezen houdt.
Te Hindeloopen placht men ook aan samengestelde, weeke kooksels den naam van marge te geven. Nog in deze eeuw droeg dik gekookte rijstepap aldaar dien naam. Ook gort met rozijnen samengekookt noemt men hier en daar in Friesland ook wel marge. Al zulk soort van spijzen noemt men er ook wel in ’t algemeen potmarge, in de Sassische gewesten van ons land wel pöttiensbeulink, even als men in Holland wel van pot-eten, van hutspot, van gestampte pot spreekt. [13] Volgens Dr. J. H. Halbertsma (De Lapekoer fen Gabe Skroar) is margemiel (letterlijk mergmaal in ’t Nederlandsch) „de avondmaaltijd die door de boeren bij geeindigden hooioogst aan de hooiers gegeven wordt, en bestaat uit pannekoeken, gort met rozijnen,” enz. Eindelijk meldt de oude Kiliaan, in zijn zestiende-eeuwsch woordenboek, dat Marghe een Friesch woord is en Bolinck (beuling) of worst beteekent.
Maar genoeg van marge, en van de Hantumers, die deze spijze zoo gaarne en zoo veelvuldig aten, dat zij van de andere Friezen eenen spotnaam daarom gekregen hebben.
Nu resten nog de Heerenveensche Poehoannen, dat zijn hoog- en overmoedigen, druktemakers, ophakkers. Naar Dr. E. Laurillard, mijn voorganger in het verklaren van Nederlandsche spotnamen, willen we ten slotte luisteren in ’t gene hij mededeelt over dezen spotnaam der ingezetenen van het Heerenveen. „Als de burgers van Heerenveen den naam van Poehanen krijgen, dan is dit eene bespotting van dien voornamen naam Heerenveen,—geen boerenveen, maar „het veen der heeren”. Want wat is een poehaan? ’t Is iemand, die zich kenmerkt door stoutheid en grootspraak. Nu, zóó, zegt men, zijn de Heerenveeners, en dat er iets van aan kan zijn, zou men haast gissen, als men er bij bedenkt, dat Heerenveen zich „het Friesche Haagje” noemt, zoo wel als de Friesche Hofstad.”
Die nu nog wat nazwelen wil op het veld der Friesche spotnamen, vindt al licht iets van zijne gading in Dr. J. H. Halbertsma’s Skearwinkel fen Joute-baes.
De spotnamen van steden en dorpen in het Nederlandsche gewest Friesland zijn hiermede tamelijk uitvoerig behandeld en verklaard. Zoo ik op deze wijze ook de spotnamen der steden en dorpen van de andere Nederlandsche gewesten wilde beschrijven, zoude dit zekerlijk een al te uitvoerige arbeid worden, en den lezer van dit boek al licht vervelen en verdrieten. Ook zoude ’t meer kennis en wetenschap van mij eischen, dan mijn deel is. Dies laat ik het, in dezen uitvoerigen zin, bij de boven behandelde Friesche namen blijven. Misschien dat anderen zich genoopt gevoelen of lust hebben, de overige, hier vervolgens nader opgenoemde spotnamen op betere wijze te beschrijven, als mij met de Friesche namen gelukt is. Dit hoop ik.
Eene opsomming echter van de overige Nederlandsche spotnamen, voor zoo verre mij die bekend zijn, moge hier nog eene plaats vinden. Die mij zouden willen navolgen in ’t verklaren van spotnamen, vinden dan hier eene aanleiding daartoe. Enkele korte aanteekeningen wil ik hierbij ook niet achterwege laten.
II
Sommige volkseigene karaktertrekken bij Friezen, Sassen en Franken, de drie oorspronkelijke Germaansche stammen, waaruit het Nederlandsche volk hoofdzakelijk is samengesteld, sommige uitingen van de volksziel bij den eenen of den anderen van deze volksstammen, blijven nog steeds bemerkbaar voor den nauwkeurigen waarnemer van het leven onzes volks in de Friesche gewesten, in de Sassische gouwen, en in de Frankische streken. Tot de bijzondere kenteekenen van den Sassischen stam behoort zekere stijfheid en stemmigheid, zekere nuchterheid en dorheid van geest, behoort een gemis aan bewegelijkheid en losheid, aan geestigheid en vroolijkheid, aan humor vooral. Bij de Drenten, en bij de Overijsselaars in het midden en in het oosten van hun gewest van ouds her gezeten, bij de oude landzaten in den Gelderschen Achterhoek (al ’t land beoosten Zutfen), in mindere mate bij de Friso-Sassen in Groningerland, in ’t noorden en westen van Drente en in noordelijk Overijssel, is deze kenmerkende eigenschap nog steeds aanwezig. Zij vindt onder anderen ook hierin hare uiting, dat de lieden uit de verschillende steden en dorpen van deze gouwen elkanderen in veel mindere mate spotnamen geven, dan de Friezen en Franken in Friesland, Holland en Vlaanderen doen.
Dit blijkt reeds terstond bij de Groningerlanders. Terwijl de spotnamen der Friezen tusschen Flie en Lauwers bij vele tientallen zijn te tellen, zijn er in het anders zoo na verwante en zoo na gelegene Groningerland slechts weinigen van die namen bekend. Dat zijn de Molboonen of Booneters en de Kluunkoppen van de stad Groningen, de Klokkedieven en de Krabben van Delfzijl, de Aardappeldoggen van Wagenborgen, de Koedieven van Ter Munten, de Witmakers van Zuidlaren, de Ketelschijters van Meeden, de Smalruggen van Grijpskerk, de Gortvreters van Garnwerd, de Koarschoevers (Kaarschuivers) van Bafloo, de Bloklichters van Warfum, de Metworsten van Uskwerd, de Gladhakken van Winsum, de Geutslikkers van Bedum, de Doofpotten van Holwierde, de Koevreters van Ezinge en Sauwert, de Poepen van Onderdendam en van Niehove, en de Turken van den Andel.