Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 4
Maar al zijn die spotnamen ook al oud en volkseigen, ze strekken juist niet ter beschavinge des volks, noch ook ter bevordering van vrede en eendracht, van goede verstandhouding en vriendschap. Waling Dykstra schrijft hiervan: „Overal waren” (oudtijds in Friesland) „befaamde vechtersbazen, die snoefden op hunne kracht en dapperheid, en door velen werden gevreesd. De feesten waar ’t jonge volk samenkomt om pret te hebben, bezochten zij met het bepaalde doel om te vechten. Maar dan moest er eerst twist gezocht worden, en hiervoor was gewoonlijk niets anders noodig dan het noemen van den schimpnaam waarmeê de inwoners van een dorp gebrandmerkt waren. Een gezelschap jonge lieden van Menaldum b.v. bezocht de kermis te Berlikum, en begon daar in de herberg, ten aanhoore van de aanwezigen, te zinspelen op het konsumeeren van honden. De Belkumers verstonden dat, en kwamen spoedig tot het besluit dat die Menamer Beren voor hun geschimp eens duchtig dienden afgerost te worden. Zoo ontstond niet zelden een allerbloedigst gevecht, dat voor de belhamels correctioneele gevangenisstraf ten gevolge had.”
In bonte rij wil ik die dorps-spotnamen hier opnoemen (voor zooverre ze mij bekend zijn—immers daar zijn er zekerlijk nog veel meer). Zoo heeten de ingezetenen van Berlikum Hounefretters (Hondevreters), bij verkorting Hounen (Honden). Ook die van Peasens moeten den hondennaam dragen, maar dan in verkleinvorm; men noemt ze Peasumer Hountsjes (Hondtjes), in tegenstelling met hunne buren, die van Wierum, die men Katsjes (Katjes) noemt. Honden en katten behooren bij elkanderen, even goed of even kwaad, als Peasumers en Wierumers, beide visscherliên op de Noordzee, dus vrienden of vijanden al naar het valt, medestanders tegenover de boeren van Ternaard en Anjum en Metslawier, maar onderling tegenstanders. De Wierumer Katsjes hebben hunne naamgenooten in de bewoners van het dorp Winaldum, en in die van Baard, die beide Katten heeten. Bij de katten noemt men zoowel de ratten, als in ’t bovenstaande geval de honden. Dies heeten dan de ingezetenen van Midlum, het dorp dat het naaste bij Winaldum ligt, Rotten. Men heeft van deze Winaldumer Katten en Midlumer Rotten zelfs een volksgezegde, dat eigenlijk een raadsel is, maar waarvan ik de oplossing niet weet:
De Winamer Katten Jeye de Mullumer Rotten Troch de Harnser kloksgatten.
Verder heeten de ingezetenen van Warga Brêgebidlers (Bruggebedelaars), even als die van Heeg, omdat in deze plaatsen op de bruggen tol placht geheven te worden. Die van Oldeboorn heeten Toermjitters (Torenmeters) en die van Tzum Lyntsjesniders (Lijntjesnijders); deze twee namen staan met elkanderen in verband, zoo als verder in dit opstel zal worden aangetoond. Die van Ureterp heeten Oanbreide Hoasen (Aangebreide Kousen), en die van Eernewoude Luzeknippers. Dit is een leelijke naam, die de Eernewoudsters als onzindelijke en vuile menschen voorstelt, ’t welk bij de Friezen, die zindelijkheid en reinheid zoo hoog in eere houden, eene groote blaam is. De Eernewoudsters nemen het dan ook driedubbel kwalijk, als ze met hunnen bijnaam genoemd worden, en juist daarom is hun schimpnaam meer bekend en wordt meer genoemd dan met die van de bewoners der naburige plaatsen het geval is. Volgens het volksverhaal zoude ’t geheele dorp Eernewoude zoo dik in ’t ongedierte zitten, dat dit er zelfs den toren bedekt. Als het dan kermis wezen zal te Eernewoude, en de Eernewoudsters zich zelven, hunne kleeding en hunne huizen wat opknappen tegen dien tijd, wordt het ongedierte dan ook vooraf met bezemen van den toren geveegd. En zoo hijschen dan de overmoedige jongelieden uit Leeuwarden en Grouw, die des zomers, al spelevarende, met hunne jachten en boeiers op de breede stroomen langs Eernewoude zeilen, wel eenen bezem in den mast van hun vaartuig, tot eene stilzwijgende beschimping; even als ze des winters te Bolsward op de gracht wel met oliekoeken op de schaatsen rijden (zie bladzijde 19 hiervoren). En even als de Bolswarders door die oliekoeken, zoo worden de Eernewoudsters dan door dien bezem in den mast, in helle woede ontstoken en tot wraak geprikkeld, die dan in vervolging en beschimping van de beleedigers, en zelfs in vechtpartijen, soms te water, als in een zeeslag, voldoening eischt en vindt.
De inwoners van Arum heeten Moudekrûpers (Kruipers in het stof van den weg), en die van de naburige dorpen Pingjum en Kimswerd noemt men ook wel zoo. Deze bijnaam, die nog al raadselachtig is, schijnt dus aan den geheelen noordwestelijken hoek van Wonseradeel eigen te zijn. De ingezetenen van Blija noemt men Bellefleuren, die van Holwerd Roekefretters (Roekevreters), die van Marrum Gibben (Wilde duiven, Veldduiven), van Hallum Koekefretters (Koekvreters), van Stiens Rotten (Ratten), als die van Midlum; van Hijum Skiepebingels (Schapebengels), van Britsum Keallekoppen (Kalfskoppen), van Rinsumageest Hounewippers (Hondewippers), van Kollum Kattefretters (Kattevreters), van Ternaard Bargestrûpers (Varkenvilders), van Hantum Marge-iters (Merg-eters), van Birdaard Skiepekoppen (Schaapskoppen), van Grouw Tsjiisfordounsers (Kaasverdansers), van Irnsum Kattekneppelders (Katteknuppelaars), van Akkrum Skytstoelen (men zie de verklaring van dezen naam verder in dit opstel), van Makkum Strânjutten en Miigen (ook deze namen worden verder in dit opstel nader verklaard), van Wirdum Toerkefretters (Torentjevreters), van Menaldum Beren, van Finkum Flinters (Vlinders), van Sint-Jacobi-Parochie Rammevreters, van Sint-Anna-Parochie Raapkoppen, van Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie Wortelkoppen, van Oude Bildtzijl Vlashalen (Vlasstengels)—deze vier laatstgenoemde namen worden niet in het Friesch gesproken, noch door mij geschreven, maar in het Nederlandsch, omdat op het Bildt, de grietenij waarin deze vier plaatsen gelegen zijn, niet het Friesch de volksspreektaal is, maar een Oud-Hollandsch, met Friesch vermengd dialect.
Verder heeten de ingezetenen van Lekkum Mieuwen (Meeuwen), van Tietjerk Biizesniders, van Garijp Klitsefretters, van Suameer Samaritanen, van Bergum Koustirten (Koestaarten), van Oostermeer Broekophâlders (Broekophouders), van Eestrum Oksen (Ossen), van Veenwouden Gleaunkoppen (Gloedkoppen, Heethoofden), van de Valom, een gehucht in Dantumadeel, Gnob; van Buitenpost Brimsters, van Kollumerzwaag Hyngstefilders of Hyngstestrûpers, (Paardevilders), van de Rottevalle Glêsdragers, van Drachten Keallestirten (Kalverstaarten) en Bôllen (Wittebrooden), van Boksum Kneppelders (Knuppelaars), van Beetgum Skierroeken (Bonte Kraaien), een naam dien ze gemeen hebben met die van Balk; van Dronrijp Sleepsloffen, van Minnertsga Keallebouten (Kalfsbouten), van Lollum Stippers, van Pingjum Beannehûlen (Boonehullen), van Spannum Eartepûlen (Erwtepeulen), van Winsum Spinsekken (Spinzakken), van Baayum Eartepotten (Erwtepotten), van Ooster-Littens Ropeinen (Roepeenden), van Jorwerd Dweilstikken, van Weidum Wynhounen (Windhonden), van Hilaard Prommen (Pruimen), van Molkwerum Tsjoensters (Heksen of Toovenaars), van Warns Skiepeloarten (Schapekeutels), van Woudsend Driuwpôllen (Drijvende eilandjes—zooals er in de meren en stroomen rondom Woudsend wel voorkomen), van Koudum Beantsjes (men spreekt uit: Bjentsjes) of ook Siike ierdappels (Boontjes of zieke aardappelen); van Achlum Fjûrskiters, (Vuurschijters), van Idsegahuizen Beannefretters (Boonevreters), van Gaast Otterfretters, van de Gaastmeer Blijen, van de Joure Klienroggen (kleine, zoete broodjes van rogge gebakken; aan de Joure bijzonder eigen), van Langweer Dykwoartels, (Dijkwortels, een groot en grof soort van wortels of peeën). Eindelijk de inwoners van het vlek Heerenveen noemt men Poehoännen, dat een bijnaam is voor hoogmoedige en opgeblazene, veel drukte en beweging makende menschen.
Elke naam, die onder menschen gegeven en gedragen wordt, heeft eenen oorsprong, eene reden van bestaan, eene beteekenis. Dit is zonder twijfel ook met alle deze spotnamen het geval, maar—die oorsprong, die beteekenis is geenszins meer bij alle namen bekend. Integendeel, het grootste gedeelte dezer namen is duister van oorsprong en beduidenis. Wie weet er onder de hedendaagsche Friezen waarom bijvoorbeeld de ingezetenen van Langweer Dykwoartels heeten, die van Bergum Kouestirten, die van Britsum Keallekoppen? Waarom de Lekkumers Mieuwen, de Marrumers Gibben, de Balksters en de Beetgumers Skierroeken heeten? En die van Arum Moudekrûpers, van Hijum Skiepebingels, van Pingjum Beannehûlen?
De huislieden te Warns houden, of hielden, veelal een melkschaap op het erf hunner woning (’t welk trouwens in Friesland in ’t algemeen gebruikelijk is bij de geringe burgerij ten platten lande); des avonds en des morgens verzamelen ze de schapekeutels, ten deele om het erf zindelijk te houden, ten deele om die keutels als mest te gebruiken op de hooge, zandige akkers van hun dorp. Daarom hoont men die van Warns met den naam van Skiepeloarten, (Schapekeutels).
De oude vrouwen te Winsum sponnen oudtijds, en nog in het begin dezer eeuw, veelvuldig het garen voor de wevers te Franeker; zij brachten dan het gesponnen garen in groote zakken naar die naburige stad. Dies noemt men de Winsumers Spinsekken. Hoe eenvoudig, hoe huiselijk was toen nog de nijverheid! De wevers betaalden het spinloon aan die oude vrouwen niet altijd in geld. Zij betaalden haar wel met levensbehoeften, met allerlei benoodigdheden des dagelijkschen levens, vooral met het spek van hunne eigengeslachte varkens. Vandaar dat het Friesche volk zulk ruilverkeer, met een aardig, zeker overoud stafrijm noemt: spek om spinnen. Hoe eenvoudig, hoe huiselijk was toen nog de handel!
De kermis te Hilaard valt in den tijd dat eerst de pruimen rijp zijn en ter markt komen. Zoo is die smakelijke, bij de Friezen zeer beminde vrucht alsdan veelvuldig te Hilaard te koop, en zoo moeten dientengevolge de Hilaarders het geheele jaar door Promiters (Pruimeneters) of enkel Prommen (Pruimen) heeten. Ook de kermis van Irnsum valt in dien zelfden tijd van het jaar. De Grouwsters trekken dan naar het naburige dorp Irnsum om kermis te houden, en pruimen te koopen; zij noemen de Irnsumer kermis dan ook steeds Jinsumer Prommerk (Irnsumer Pruimenmarkt—merke of merk is het Friesche woord zoowel voor kermis als voor markt.)
Maar de eigenlijke spotnaam van de Irnsumers is Kattekneppelders (Kattenknuppelaars), en ook deze naam hangt met de Irnsumer kermis samen. Oudtijds, en nog in het begin dezer eeuw, bestond eene der zoogenoemde vermakelijkheden, die bijzonderlijk de Irnsumer kermis den volke bracht, in het katteknuppelen—een barbaarsch spel van afschuwelijke dierkwellerij, dat met het hondewippen, het aaltrekken en het ganzesabelen thans (ofschoon dan ook nog maar sedert korten tijd), gelukkig volkomen tot het verledene behoort, en nergens meer wordt uitgeoefend. Midden aan een touw, tusschen twee boomen of tusschen de topgevels van twee tegenover elkanderen staande huizen dwars over den weg gespannen, werd een biertonnetje bevestigd, waarin men eene kat besloten had. Door het spongat kreeg de kat lucht, en uit het spongat klonken weldra hare angstkreten omhoog. De jongelingen en jonge mannen, om hunne vaardigheid in het mikken te toonen, smeten dan met knuppels naar het hangende tonnetje. Wien het gelukte met zijnen knuppel eenen van de niet al te vast bevestigde bodems van het tonnetje uit te smijten, of anders te verbrijzelen, had het spel en den uitgeloofden prijs gewonnen. Als de bodem uitgesmeten was, sprong de arme, verbijsterde kat uit het tonnetje, en kwam, naar kattenaard, veelal ongedeerd, ofschoon in doodsangst, op hare vier pooten, op den weg terecht, onder het gejuich der knuppelaars en der toeschouwers, die haar nog menigen knuppel op hare vlucht nasmeten. Men begrijpt, de oude moedertjes te Irnsum hielden tegen den tijd dat de kermis kwam, wijsselijk hare poesjes in huis opgesloten.
Naar eene soortgelijke, als vermakelijkheid geldende dierenmishandeling dragen ook de ingezetenen van het dorp Rinsumageest hunnen spotnaam, die in deze gevallen wel een schandenaam heeten mag. Als het kermis was te Rinsumageest—eene van ouds vermaarde kermis, waar de lui uit de Dokkumerwouden en uit Dokkum in groote scharen heentrokken—had men op den voormiddag van den dag, voor de feestelijke (?) hondewipperij bestemd, alle honden die men machtig kon worden, in eene schuur bij elkanderen verzameld. Dan gingen twee jongelingen tegenover elkanderen aan weêrszijden van den dorpsweg staan, midden in het dorp, voor de herberg. Zij hielden een zeel of reep (platgevlochten touw) strak gespannen laag over den weg. Langs beide zijden van den weg tusschen de schuur en de herberg, stond het volk in gesloten gelid geschaard. Dan werden de honden uit de schuur losgelaten, een voor een, en tusschen de dubbele menschenhaag door over het gespannen zeel gejaagd, waarbij de arme dieren door het gegil der wreede menschen geheel verbijsterd werden. Op het oogenblik dat de hond over het zeel liep of sprong, werd dit plotseling met eenen forschen ruk omhoog getrokken, zoodat de hond met kracht omhoog geslingerd, gewipt werd, soms zeer hoog, hoe hooger hoe mooier—om daarna, al jankende, met een smak weêr op den weg neêr te vallen, en soms, anders als de katten te Irnsum, pooten, ribben of nek te breken. Waling Dykstra vermeldt dat er bij dit feest eene vlag, waar de hondewipperij op afgebeeld stond, uit de herberg hing, en dat, naar hij meende, die vlag nog in 1882 te Rinsumageest bewaard werd. Naar dit wreede spel, dat nog omstreeks de helft dezer eeuw alle jaren met veel omhaal en drukte op de kermis te Rinsumageest vertoond werd, dragen de ingezetenen van dat dorp nog heden hunnen bijnaam Hounewippers.
De kerktoren van het dorp Tzum is zeer hoog; volgens de volksmeening is hij de hoogste toren van Friesland. De hooge toren van de oude Sint-Martens-kerke in het naburige Franeker is eene Deventerkoeks-lengte lager, zegt het volk. In de 17de eeuw zoude te Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. In dat groote en schoone, van ouds reeds aanzienlijke dorp wilde men nu ook eenen bijzonder fraaien toren bij de kerk hebben; en niet alleen de fraaiste—het moest ook de hoogste toren van Friesland worden, hooger nog dan de Tzummer toren. De Boornsters vaardigden dus twee man uit hun midden af naar Tzum, om den Tzummer toren te meten, ten einde daarnaar het bestek van hunnen eigenen nieuwen toren te kunnen maken. Die Boornster mannen maten dan ook den Tzummer toren, en berekenden zijne hoogte, en, toen ze daarmede klaar waren, gingen ze in de herberg te Tzum wat rusten en zich verkwikken met spijs en drank, eer ze weêr op de t’huisreis gingen naar Oldeboorn. Maar de Tzummers, die de eere van hun dorp niet wilden prijsgeven, de eere van den hoogsten toren des lands te hebben, sneden onderwijl in de herberg listiglijk een paar ellen af van het touw (it lyntsje, lijntje), dat de Boornsters als torenmaat mede naar huis nemen wilden. De Boornsters bemerkten niet, hoe de Tzummers hun, in den letterlijken zin des woords, te kort gedaan hadden; zij kwamen met de maat van den Tzummer toren t’huis (met de goede maat, zoo ze meenden), en bouwden in hun dorp eenen nieuwen toren, die nog eene el hooger was, als hunne maat aangaf. En een fraaie toren met opengewerkte spits was het, ook een hooge toren—en zoo staat hij nog heden ten dage, een sieraad van het dorp Oldeboorn. Ja, maar in stede van de hoogste toren van Friesland te zijn, hooger dan de Tzummer toren, was hij integendeel nog eene el lager. In het begin hielden de Tzummers zich stil. Maar toen de Boornster toren kant en klaar was, brachten ze, vol vermaak in het leed van anderen, zelve hun schelmstuk uit.
Sedert heeten die van Oldeboorn Toermjitters (Torenmeters), en die van Tzum Lyntsjesniders.
De ingezetenen van het dorp Grouw hebben den naam van een vroolijk en levenslustig volkje te zijn, en gaarne, als het, pas of ook geen pas geeft, eens een deuntje te dansen. Oudtijds was daar eens een gezelschap jongvolk bijeen, en, wijl er juist dien dag een reizende speelman in het dorp gekomen was, die daar ook overnachten zoude, zoo brachten de jongelui dien man in de herberg, en weldra kwamen de beenen van den vloer, en draaiden en zwaaiden ze lustig rond. De speelman moest betaald worden, en dat deden de Grouwsters ook. Maar zij hadden nog van dansen niet genoeg; al weêr en al weêr moest de speelman vedelen, tot laat in den avond, tot middernacht. Eindelijk had niemand van het gezelschap nog geld in den zak, om den vedelaar te betalen. Maar een van de jongelingen, de zoon van eenen kaaskoopman, wist wel raad. Hij haalde uit zijns vaders pakhuis eene groote nagelkaas, om die den speelman als loon te geven. Deze nam daarmede gaarne genoegen—maar of de vader, des anderen daags, toen het geval uitkwam, dit ook deed, meen ik te moeten betwijfelen.
En sedert heeten de Grouwsters Tsjiisfordounsers, Kaasverdansers.
In der daad is men te Grouw, spoediger dan wel elders in Friesland, klaar met een dansje. In de jaren 1864 en ’65, toen ik als levenslustig jongeling veel te Grouw verkeerde, en onder de Grouster fammen eene trouwe verloofde, eene lieve bruid had, werd daar veel gedanst bij ’t gezellig samenzijn van het jongvolk, en het devies Efternei dounsje, in Friesland zoo bekend, werd daar toen strijk en zet toegepast bij elke feestelijke volksbijeenkomst, van welken aard ook. Eens op eenen avond in den laten herfst zat ik te Grouw in de herberg, met eenen vriend, die mijn gast was, student als ik. Jongelingen, jonge mannen uit de Grouwster burgerij, boerezonen, schippers-feinten, ook een paar matrozen (bûte-farjers), waren daar, gul en vroolijk en eerbaar, gezellig met ons vereenigd. De piano werd tusschenbeiden door den eenen of den anderen bespeeld, en menig Friesch liedje („It wier op in Simmerjoun”, „Forjit my net, as bolle wyntsjes waeye”, en vooral „De Bolseter-” en „De Snitser-Merke”) werd er helder op gezongen. Daar zaten ook een paar bejaarde schippers, en ook dezen werden door de algemeene vroolijkheid aangestoken. Een van deze twee, een oorbeeldige oude waterrot, met nog lustig schitterende oogen in ’t gelaat, dat door weêr en wind gebruind en gerimpeld was, sprong op, en vertoonde ons den Zevensprong. Hij zelf zong het deuntje, dat daar bij behoort:
„Hestou wol ’ris heard fen de saune, de saune? Hestou de saunsprong wol ’ris dounsjen sjoen?”
„Da’s ien, da’s twa, da’s trije, da’s fjouwer, da’s fiif, da’s seis, en da’s saun!” en poemp! sloeg hij met het voorhoofd op den vloer—en boem! daar stond de zestigjarige met een sprong weêr overeind, lenig en vlug als een jongeling, onder ’t gejuich der omstaande Tsjiisfordounsers.
En dan wordt er, reeds van oudsher, nog gezegd: „Frisia non cantat, non saltat,” Friesland zingt niet en springt niet!
Het was een alleraardigst tooneeltje uit het Friesche volksleven van den goeden, ouden tijd. [9] En waar vindt men dat nu nog zoo in onzen kwaden, hedendaagschen tijd?
Die van Akkrum hebben eenen bijzonderen, geenszins mooien spotnaam: Skytstoelen heeten ze.
Van ouds heet zeker meubel, eene soort van stoel, waar men kleine kinders in zet, op z’n platst uitgedrukt: skytstoel, in betrekking op het ronde gat, dat in de zitting is, en dat tot zeker bijzonder doel dienstig is. Later, ook nog in deze eeuw, noemde men in Friesland zulk een meubel gewoonlijk kakstoel; dat was al wat fatsoenlijker. Thans is men al weer een graad fatsoenlijker geworden, en zegt men meest tafelstoel. Hebben de Akkrumers oudtijds misschien zulke skytstoelen eerder of meer in gebruik gehad voor hunne kinderen dan andere Friezen? Of waren juist de Akkrumer skytstoelen bijzonder mooi, of anderszins bijzonder—en is alzoo de spotnaam der ingezetenen van dat groote en fraaie dorp te verklaren. Wie zal ’t zeggen!
Opmerkelijk is het dat er nog zulk een Oud-Akkrumer skytstoel is overgebleven, en tot op den dag van heden (immers nog voor twee jaar) aan den tand des tijds ontsnapt. Een handelaar in oudheden, op z’n mooist „antiquaire” genoemd, te Amsterdam, had toen nog zulk een meubelstuk in zijn bezit;—Oud-Friesch model, zooals ik er in mijne jeugd nog velen in Friesland heb gezien. Maar deze stoel was zeer bont van verwe, en er was een rijmke op geschilderd, achter op de bekkeling (ruggeleuning). Dit rijmke:
In ’t jaer 1710 Werd ick voor het eerst gesien, Ick was vercierd al nae behooren Als kackstoel voor den eerstgeboren Uyt de houwlickstrou Van Geert Ackrum en syn vrou.
De man die hier genoemd wordt, had geen eigenen geslachtsnaam, zooals vele Friezen uit den geringen boeren- en burgerstand, in die tijden. Hij was een Geert Sjoukes, een Geert Bonnes, een Geert Hylkes, een Geert Folkerts of zoo iets, maar bij deze gelegenheid schreef hij zijnen naam, deftig, als Geert Ackrum, omdat hij een Akkrumer was, te Akkrum woonde. Zoo iets gebeurde in die tijden, en ook later, tot den jare 1811 toe, wel meer, en is de oorsprong van menigen hedendaagschen geslachtsnaam. [10]
Welk een huiselijk, welk een aardig tafereeltje wordt ons door dit eenvoudige en ongekunstelde, maar geenszins onbevallige rijmke als voor de oogen getooverd. Een jonge vader, trotsch op zijnen eerstgeborenen, verrast zijn wijfje, op den eersten verjaardag van hun kindje, van hun kroonprins, met eenen nieuwen, fraaien, misschien door hem zelven gemaakten, door hem zelven met een eigengemaakt „vaers” beschilderden tafelstoel, dien hij ten overvloede, in de vroolijke stemming van zijn hart, voor dit huiselijke feestje nog bijzonder versierd had met groen en bloemen—zeker wel met palmgroen, dat in de 18de eeuw in geen enkel tuintje ontbrak, met papieren bloemen en met klatergoud—„vercierd al nae behooren”. En hoe aardig wordt het kindje aangeduid, de kleine Sjouke of Bonne of Hylke of Folkert Geerts, als de „eerstgeboren uit de huwelijkstrouw van Geert Ackrum en zijn vrouw.” Een tafereeltje van eenvoud, van ongekunstelde en zeker dankbare blijdschap, van waar huwelijksgeluk. „O rijkdom van zegen, waer soo de liefde viel!”
De ingezetenen van Makkum, een groot dorp of vlek aan de Zuiderzee (eigenlijk aan het Flie), waar van ouds handel en scheepvaart en nijverheid tierden, zijn zoo rijk als die van Leeuwarden. Even als die, hebben ook de Makkumers twee spotnamen; men noemt ze zoowel Makkumer Miigen als Makkumer Strânjutten.
Deze laatste benaming is eigenlijk een scheldnaam. Een strandjut is een strandroover, iemand die bij nacht en ontijd, bij stormweêr, langs het strand loopt, om alles wat uit zee aanspoelt, vooral allerlei goed van gestrande schepen, lading en wrakstukken, ook kisten en kleedingstukken der schepelingen zich wederrechtelijk toe te eigenen; een man die, als hij kan, zich zelfs niet ontziet om den armen schipbreukeling, die nog levend het strand bereikt, te berooven, of zelfs hem te dooden, om geen getuige van zijne schanddaad in dien man te hebben—in stede van hem hulp en bijstand te verleenen. Van ouds her strandden er jaarlijks wel Friesche schepen, die naar de Oostzee voeren om graan en hout te halen, op de westelijke kust van Jutland. De Jutten nu hadden den naam, en de daad ook, zich veelvuldig aan strandrooverij, in bovengenoemden zin, schuldig te maken. Menig Friesch zeeman heeft schip en lading, geld en goed, ook wel ’t vege leven, op de Jutsche kust, in handen der Jutsche strandroovers moeten laten. Geen wonder dat de „Strân-jutten” bij de Friezen fel gehaat waren.
Het schijnt dat er oudtijds ook onder de Makkumer ingezetenen sommigen waren, die zich aan strandrooverij schuldig maakten, en dat men deze Makkumers, in navolging van den naam der Jutsche roovers, ook Strandjutten heeft genoemd.
De andere bijnaam van de Makkumers heeft geen oneerlijke beteekenis, maar geeft integendeel eervol getuigenis van den trouwen, Frieschen zin, op het gebied der taal, die den Makkumers eigen is.