Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 3
Het is gebeurd in het jaar 1623, dat een schipper met eene lading hout uit Noorwegen kwam, en te Ezumazijl [6] binnen liep. Die schipper had uit aardigheid eenige levende kreeften in eenen korf meegebracht voor zijnen reeder, die te Leeuwarden woonde. Dien korf met kreeften droeg hij ’s avonds, toen het al duister was, door de stad Dokkum, en toen kwam er, bij ongeluk een van die beesten uit de mand te vallen, juist voor de deur van zekeren vroedsman, Grada. Des anderen daags, ’s morgens vroeg, toen de dienstmaagd de straat zoude aanvegen, vond zij dat beest daar liggen. Zij liep verschrikt het huis weêr in, en riep: „Heere, Froedsman! Kom gau ’ris foor deur. Heere, wat leit daair ’n raair ding op ’e straaite?” Vroedsman, met eene roode kamerjapon aan, met de witte slaapmuts op het hoofd, en met afgezakte kousen, liep terstond naar buiten. Hij sloeg de handen van verbazing in één, en zei: „Dit is ’n mirakel! suud dat ok ’n jong weze van die roek, die hier boven in ’e lynneboom nestelt?” Het duurde niet lang of daar liep al spoedig een half honderd menschen bijéén, om het schepsel te beschouwen. Een catechiseermeester, die daar ook voorbij kwam, riep: „Minsken! minsken! sien it beest dochs niet an; want ik loof dat it de Basiliscus is, daar men fan in ’e Skrift leest; it kon jimme allegaar it leven koste.”—”’t Mocht in skyt, meester!” zeide een turfdrager, die daar met zijn korf voorbij kwam, „ik hew him al goed in siin freet sien; ’t stomme beest sal ons niks doen, in die d’r in mingelen bier foor over het, dan sal ik him daaidlik met de tange in miin korf legge, in draaige him waair de frinden him hewwe wille.”—„Dat gaait an!” zei vroedsman. De tang werd gehaald, de kreeft in den korf gelegd, en toen ging de man eerst naar de brouwerij, om zijn kan bier op te drinken. Daar van daan recht uit naar den burgemeester, met een troep straatjongens achteraan. De turfdrager zette den korf in het voorhuis neêr, en vroedsman ging in de kamer bij burgemeester. Hij sprak den burgemeester met een erg bedrukt en verschrikt gezicht aan, en zei: „Goeie morgen, Burgemeister!”—„Goeden morgen, Froedsman! Jou hier soo froeg al over de floer, man?”—„Ja, Burgemeister! Wij hewwe hier ’n raair stuk, Burgemeister. Wij hewwe fan ’e morgén ’n levendig ding op straait fonnen, en gien minske weet wat ding of it is, of hoe it hiet, Burgemeister. Wij hewwe it metnomen, Burgemeister: it staait in ’t foorhuus, Burgemeister. Wil Burgemeister it ok ’ris sien, Burgemeister?”—„Fooral in believen, Froedsman!” zei die heer; „Jou wete, seldsaamheden bin ik altoos nieuwsgierig na.” De Burgemeester, die een eerste grappenmaker was, zag terstond wel dat het een kreeft was, maar hij hield zich nog dommer als de vroedsman eigenlijk was. Hij sloeg dan de handen samen en zei: „Froedsman! Froedsman! ik loof dat er ons slimme dingen over ’t hoofd hange! Soo’n ding staat in gien kronyk beschreven, in soo lang as de wereld staat is er soo’n ding in Dokkum niet vertoond. Het is een stuk van te feel belang. Daarom gefoel ik mij verplicht om nog heden morgen om tien uur den raad te beleggen, om dan te bepalen, wat of wij met dit monster sullen aanfangen.—Jou komme dochs ok, Froedsman?”—„Ja wis, Burgemeister!”
Des morgens om tien ure dan kwamen de Heeren bij elkanderen in het Raadhuis. De mand met den kreeft er in werd in de Raadzaal gebracht; ieder van de Heeren zag beurt voor beurt in de mand, en ging daarna weêr op zijne plaats zitten. Sommigen van de Heeren waren maar juist dapper genoeg om het onnoozele beest aan te durven zien. Toen allen weer gezeten waren, zei de Burgemeester: „Heeren van de Raad van Dokkum! De Heeren hebben gezien dat er in onze stad een wonderlijk creatuur gefonden is, en daar men niet weet, welk dier dit is, en fanwaar het gekomen is, soo heb ik het selve hier gebracht ten einde het advys fan de Heeren te hooren. Daarom U, froedsman Grada! als de oudste fan den raad dezer stad, fraag ik het eerst: wat dunkt u fan dit beest?”
„Ikke?” zei vroedsman Grada, „ik bliif bij miin eerste advys, dat it namentlik ien fan die jonge roeken is, die foor miin deur daair in die hooge lynneboomen nestele; want waar duvel suud it ding anders wegkomen weze? ’t Kan ok niet uut ’e straaitstienen kropen weze.”
„Daar ben je mis in, Froedsman!” zei de burgemeester. „Mijn soon heeft onlangs een nest fol roeken uitgehaald, en die jonge roeken geleken nergens meer op as op oude roeken. Nu is de beurt aan u, froedsman Inia!”
„Heeremistiid, Burgemeister! wat weet ik, froedsman Yuje, fan fremde gediertens. Ik hew wel seggen hoord, dat de kanarjefeugels, as se jong binne, dat se dan kropen. Suud it ok ’n kanarjefeugel weze?”
„Zou een jong kanariefogel dan grooter zijn als een oude? Dat spreekt sich immers selfs tegen,” sprak daarop de burgemeester.
„Dat weet ik niet,” zei vroedsman Inia. „Wij sien alderdegenst, dat groote minsken klein wudde kinne. Miin grootfader is fan burgemeister al bierdrager wudden.”
Nu was de beurt aan den vroedsman Starkenbolte, een Groningerlander, een rijk man en een fijn man; fijn in de kerk, en fijn in de wereld. Toen diens beurt was om te spreken, zeide hij in zijne eigene Groningerlandsche spreektaal: „Ik wijt nijt, ik leuf Burgemeister! dat onze Meister Douwe nog geliik had het, dat et nomentlik ’n Bosiliscus of ’n ploagbeest is, doar de Heere ons met besuiken wil veur onze sonden en ongerechtigheid, en al dat goddelooze vlouken, dat in Dokkom doan wordt. Doarom hol ik mi oan Meister Douwe.”
„Meister Douwe,” viel vroedsman Grada daarop in, „die het wel eerder de planke mis weest. Ferleden jaar song er foor it bordtsje in ’e kerk: „Aller oogen wachten”, op ’n Karsmorgen.”
Bij dezen uitval begon de geheele raad van Dokkum te lachen, maar de burgemeester niet. Die moest zijne deftigheid ophouden, en hij sprak weêr:
„Als er dan niemand fan de Heeren is, die mij eenige inlichting in de saak geven kan, soo laat dan eens de beide stadsboden boven komen, of die ons in dit gefal ook nog souden kunnen dienen.”
De boden kwamen boven, en zagen een voor een in den korf. De een was een stakker; hij durfde het beest niet bezien, en geloofde ook steevast aan Meester Douwe. „Ik sil der miin oogen niet na draaye, Heeren!” zei die man. „Want as it gien Basiliscus is, dan is it ’n plaaigbeest, die nachts omloope en pest en kwalen ferkondige, en ik suud er foor weze om it heele beest met korf en al te ferbrannen.” Maar de tweede stadsbode zei ronduit, dat het een kleermaker was, omdat hij twee flinke scharen vooruit stak.
Toen werd er ook nog een kleermaker, een oude Duitscher, ten raadhuize geroepen. Maar toen die man den kreeft in de mand zag liggen, toen werd hij nog bleeker om zijne smalle kaken als tien bleeke kleermakers met elkanderen, en hij riep het uit: „Gott beware, Her Pirgemeister! soll mich die sweernoot straffen, wenn ich solchen Peest langer in de Stadt von Dokkom tolden sollte. Et is de Teufel, prave Herren! de lebendige Teufel. On wann ikke Pirgemeister war, ik that den Hundsfot in de Graft gooyen on versupen him.”
„Heb ik it nijt seid,” zei vroedsman Starkenbolte, „dat we ’t hijr met de kwoade te doun hebben? Dat komt nou van ’t vervlouken en ’t koartspeulen, dat de noatie hyr dout; nou loat de Heere hem los, en geeft hem an de kwoade over.”
„Ja,” zei vroedsman Inia, „as it de kwaaide is, dan is fersupen de baais, want dan helpt gien ferbrannen, want die is fuurfast.”
En de heele Raad van Dokkum riep: „Fersupe mar, fersupe!” De turfdrager smeet den kreeft in de gracht, en de heele stad van Dokkum was blijde. Maar de kreeft nog blijder.
Ettelijke jaren daarna, toen de kreeft al lang vergeten was, toen vischten de Heeren van Dokkum de stadsgrachten met een’ zegen af, en toen vingen ze onzen maat den kreeft weêr in hunne netten. „Soo’n groote garnaait is der nog nooit in Europa fonnen, as dizze hier in dit kleine Dokkum,” zei een hopman van de burgerwacht. „Die sal ik bewaaire, soo lang tot Syn Hoochheit de Prins hier komt!” Hij legde de kreeft (anders gezegd de groote garnaat van Dokkum), om hem in ’t leven te houden, met een zilveren kettinkje vast in ’t water onder eene brug.—
Nog heden ten dage pleegt men er de Dokkumers veelvuldig mede te plagen, dat hun „groote garnaat” te Dokkum onder de „Syl” ligt, dat is onder de breede, gewelfde steenen brug over het vaarwater dat midden door de stad stroomt, en welke „Syl”, als een plein vlak voor het Raadhuis gelegen, als ’t ware het middenpunt van de stad uitmaakt. De Dokkumers zijn zeer gevoelig op dit punt; zij worden wrevelig, als men er hen, met geveinsde belangstelling en ernst, naar vraagt of hun „groote garnaat” nog wel veilig aan de ketting ligt. Juist dien tengevolge worden ze daar nog altijd mede voor den gek gehouden.
Buitendien, onder de Friesche steden lijdt Dokkum altijd veel aanstoot. Het overoude, gansch niet onaardige, vroeger ook bloeiende stadje, met herinneringen, in overblijfselen en in overleveringen, aan Bonifacius, den Apostel der Friezen, moet in Friesland de zelfde ongelukkige rol vervullen, die in de andere Nederlandsche gewesten aan Kampen eigen is, evenals aan Büsum in Noord-Friesland, aan Schilda en Krähwinkel in Duitschland, aan de Pintschgau in Duitsch-Oostenrijk, aan Iglau in Bohemen, aan Beaune in Frankrijk, enz. Van de Dokkumers vertelt men in Friesland honderd en meer domme stukjes, zotternijen, uien, grappen en grollen, de zelfde honderd en meer, die men elders van Kampen, van Büsum, van Schilda vertelt, en nog honderd anderen bovendien. Deze kluchten strekken nog steeds tot vermaak voor andere Friezen, en worden nog steeds in vroolijke gezelschappen verteld, vooral als er een Dokkumer bij is, en vooral als deze zich daarover gekrenkt toont te zijn—zooals in den regel het geval is. Wij willen hier het leed der Dokkumers niet vermeerderen, en laten de domme stukjes die men hen nahoudt, hier verder onvermeld, al zijn velen daarvan ook nog zoo vermakelijk, en geschikt om geestig verteld en lachende aangehoord te worden.
De Dokkumers zijn onder de Nederlanders de eenigen niet wier bijnaam aan de garnaal is ontleend. Ook de ingezetenen van het zeedorp Blankenberge in Vlaanderen, deelen in deze zaak hun lot. Immers ook dezen dragen bij de andere Vlamingen den spotnaam Geernaarts.
Klokkedieven, dat is de bijnaam van de burgers van Franeker, en zij dragen dezen leelijken naam om de onnoozele reden dat het wapenschild hunner stad een gouden klok vertoont op een blauw veld. Onschuldiger is wel niemand ooit aan eenen leelijken bijnaam gekomen dan die van Franeker aan den hunnen. Zij dragen hem echter niet alleen. Ook de ingezetenen van Oudewater, van Delfzijl, van Schermerhorn en van Carolinensyl (Oost-Friesland) deelen hun lot. Maar bij dezen moet eene andere oorzaak als te Franeker in het spel zijn; immers op hunne wapenschilden prijkt er geen klok.
Ook andere Friezen, die van ’t eiland Ameland, moeten zich zulk eenen oneerlijken spotnaam laten welgevallen, naar aanleiding van het wapenschild hunner woonplaats. Het wapenschild van het Ameland vertoont op de eene helft drie balken, op de andere eene halve maan. Dies noemen de andere Friezen de Amelanders Balketsjeaven, Balkedieven, en zingen hen ook dit spotrijmke toe:
De Amelander schalken, Die stalen eens drie balken, ’s Avonds in den maneschijn, Daarom zal ’t hun wapen zijn.
Een schalk en een guit, dat is vrijwel het zelfde, volgens de hedendaagsche beteekenis van deze woorden. En zoo heeten de Amelanders niet enkel Schalken, ze heeten ook Guiten. Te Holwerd, het Friesche dorp aan den vasten wal waar het hoofdveer is op het Ameland, waar dus de Amelanders in den regel eerst voet aan wal zetten, zingt de straatjeugd dien eilanders toe—in het Friesch natuurlijk:
De Amelanner Guten, Dy komme hjir mei skuten: Hja geane foar de finsters stean En kypje troch de ruten.
Voor eenen Amelander is Holwerd, wat voor eenen Holwerder Leeuwarden is, voor eenen Leeuwarder Amsterdam, voor eenen Amsterdammer Londen. Als een Amelander jongmensch voor het eerst aan den vasten wal komt, ziet hij daar zoo veel, dat zijne nieuwsgierigheid grootelijks opwekt. Hij kan zich niet bedwingen, en, gewend als hij is aan het vertrouwelijke, ongedwongene, gemeenzame verkeer van de menschen onderling op zijn eiland, gaat hij ook te Holwerd al te vrij voor de ramen der ingezetenen staan om naar binnen in de kamer te turen.
Die van Workum heeten Brijbekken. De uitlegging van den oorsprong van dezen spotnaam is tweeërlei. Sommigen meenen, dat er van ouds onder de Workumers steeds velen geweest zijn, die de letter r niet wel konden uitspreken, die dus behept waren met het spraakgebrek dat men in Friesland brijen, en in Holland brouwen noemt; en dat men deswegen den Workumers den spotnaam van Brijbekken gegeven heeft. Anderen denken eenvoudig aan eene bijzondere liefhebberij der Workumers voor het eten van brij. Welke van deze twee meeningen nu de ware is, moet ik in het midden laten. De eene reden is zoo waarschijnlijk of zoo mogelijk, als de andere. Onder de Friezen, vooral onder de Friesche stedelingen, zijn er steeds velen voor wie de goede uitspraak der letter r een struikelblok is—meer in aantal dan elders in de Nederlanden het geval is. Wijl dit spraakgebrek veelal erfelijk is, van ouder op kind overgaat, zoo kan het zeer wel zijn dat er een tijd geweest is, waarin een groot deel der Workumers brijde. En aan den anderen kant, brij, de bekende melk- en meelspijze, is steeds eene zeer algemeen en dagelijks gebruikte spijze bij het Friesche volk geweest; en is dit nog.
De Workumers deelen hunnen spotnaam met de Zwollenaars. Immers de inwoners van Zwolle, ofschoon meest als Blauwvingers bekend, moeten zich toch ook den spotnaam van Brijbekken laten welgevallen. En bij de Zwollenaars behoeft men niet te twijfelen of hun spotnaam Brijbekken van het brijen of gebrekkig spreken herkomstig zij, dan wel van de bekende volksspijze. De Zwollenaren brijen schier allen. Te Zwolle zijn duizenden menschen, die de r niet goed uitspreken; ’t zij dan dat deze gebrekkige uitspraak veroorzaakt wordt door eenig aangeboren gebrek aan de spraakwerktuigen—’t zij dat bij dit brijen eenvoudig nabootsing van anderen, of eenvoudig gewoonte in het spel is. In der daad zijn er duizenden Zwollenaars die, als ze in Holland zijn, of met Hollanders spreken, of anderszins bij andere gelegenheden eens niet hunne aangeborene stadstaal willen spreken, maar Hollandsch,—alsdan volstrekt niet brijen. Maar die anders, als ze in hunne eigene stad zijn, of elders met stadgenooten spreken en dus hunne eigenlijke, aangeborene, hunne ware moedertaal spreken, terstond weer in die zonderlinge uitspraak vervallen. Zulk een echte Zwollenaar zal in het eerste geval heel duidelijk b.v. Overijssel zeggen, en in ’t andere geval zoo ongeveer Ovechiissel (Ovech-iissel).
Hindeloopen en Staveren zijn twee hoogst merkwaardige stedekens. Hindeloopen, wegens talrijke bijzonderheden en eigenaardigheden in de taal, de kleeding, de zeden en gebruiken der ingezetenen, waardoor ze zich van andere Friezen onderscheiden. En Staveren, omdat het in de middeleeuwen eene welvarende, wijd vermaarde handelstad was, als ’t ware de poorte des lands—ja meer! omdat het, volgens de overlevering, de woonplaats is geweest der Oud-Friesche koningen, omdat het de oudste hoofdstad is geweest van het Land tusschen Flie en Lauwers. Het is wel opmerkelijk dat de eigenaardigheden van het bijzondere Hindeloopen en van het Oud-Friesche Staveren als ’t ware eenen weêrklank gevonden hebben in de spotnamen, waarmede andere Friezen de ingezetenen dezer steden noemen. Immers is (of was althans voor een 50-tal jaren nog) de spreektaal der Hindeloopers, ofschoon oorspronkelijk goed Oud-Friesch, toch voor andere Friezen ten deele onverstaanbaar, althans moeielijk verstaanbaar,—hunne spotnamen (want ze hebben er wel drie) zijn dit ook. Ik vind als spotnamen der Hindeloopers aangegeven, volgens Halbertsma Thjeunken of Tjeeunken (Waling Dykstra spelt Tjeunken en zelfs Thé-unken) en Thjoaten of Tsjoaten. Deze namen zijn bij het tegenwoordige geslacht niet meer in gebruik. Ik weet niet wat ze beteekenen, noch ook wat hun oorsprong is, en niemand heeft mij dit ook kunnen verkondigen, al hoe dikwijls ik er naar gevraagd, of er anderszins onderzoek naar gedaan heb. Ook W. P. de Vries, in zijnen Lapekoer trochskodde (Deventer, 1895), schrijft er van: „Ik haw in bulte war dien om to witten to kommen hwat dizze wirden bitsjutte, mar it wier om ’e nocht.”
De spot naam van de Hindeloopers, heden ten dage meest in gebruik, is Uilen (ûlen in het Friesch, ulen in den tongval der stedelingen); sommigen echter zeggen hûlen, of huwlen volgens Halbertsma’s spelling. Deze tweeërlei uitspraak is bij de nog Friesch sprekende Friezen zeer vreemd, en komt anders nooit voor, tenzij dan bij de Schellingers. Immers de letter h pleegt in den mond der Friezen wel goed vast te staan, en geenszins te wankelen, zooals bij Vlamingen en Zeeuwen, bij Flielanders en Zwollenaren en sommige andere Nederlanders. En waarom de Hindeloopers dan ûlen moeten heeten, of anders hûlen, heb ik ook niet kunnen uitvorschen. Inderdaad, het schijnt wel of de Hindeloopers altijd en in alles iets bijzonders moeten hebben, of iets vreemds. Het gaat niet anders!
De lieden van Staveren, die oude Friezen, heeten Ribbekliuwers—en dit is een naam, dien ik niet met een enkel woord verdietschen kan. Bij hunne wedstrijden in het schaatsrijden, rijden de Friesche hirdriders in voorover gebogene houding (mei de noas op ’t iis, zooals de term luidt), al roeiende met de armen, alsof dit molenwieken waren, met korte, krachtige, krassende streken, geenszins met lange, sierlijke zwaaien, maar schier rennende, scharrelende voort; en deze voor ’t oog zoo leelijke, maar snel vorderende wijze van schaatsrijden heet in het Friesch kliuwe, volgens den tongval der stedelingen klouwe. Oudtijds, in overoude tijden, toen de hedendaagsche, maar ook reeds zeer oude ijzeren, in hout gevatte schaatsen nog niet bekend en in gebruik waren, reed men op het ijs, op beenderen, op pijpbeenderen uit de pooten, of ook op de ribben van het rund. Zulke runderbeenderen, die den ouden Friezen als schaatsen hebben gediend, glad afgeslepen op hunnen vlakken kant door het schuren over ’t ijs, en met gaten doorboord, waar men de riemen door stak, die dienden om ze aan den voet te bevestigen, vindt men nog wel in Friesland in den bodem. Bij het slatten van vaarten en stroomen, bij het afgraven van terpen, komen ze nog wel aan den dag. Natuurlijk was er, bij het gebruiken dezer beenderen-schaatsen geen sprake van schaatsrijden in den hedendaagschen zin met bevallige draaien, met zwierige zwenkingen en zwaaien. Het kan niet anders dan een onbevallig en onbeholpen kliuwen geweest zijn. Al is het nu eeuwen en eeuwen geleden, dat de oude Friezen zich met zulke runder-pijpbeenderen en runderribben op het ijs behielpen, de heugenis aan deze zaak is nog steeds bij het Friesche volk in leven gebleven, zoo als blijkt uit eene spreekwijze, nog heden in zwang. Een overmoedige Friesche schaatsrijder daagt nog wel, al spottende en snoevende, eenen anderen uit, in wedstrijd tegen hem te rijden om het hardst of snelst, daarbij aanbiedende dat de tegenpartij op gewone ijzeren schaatsen mag rijden, hij zelf daarentegen het wel op koeribben zal doen. Zoo daagt ook, in het overschoone gedicht van Dr. E. H. Halbertsma, „De Winter yn it Wetterlân”, een overmoedige Friesche jongeling, Worp met name, de Groningerlanders uit, tegen hem te rijden:
„Sa geide do d’útlitt’ne Woarp: ’k Wol ride om liif en libben, ’k Wol tsjin de bêste út jimm’ doarp, Den ik op koueribben.” [7]
En ook uit den spotnaam der inwoners van Staveren, Ribbekliuwers, blijkt het gebruik dat de oude Friezen van zulke beender-, van zulke ribbeschaatsen hebben gemaakt. Onder de Friezen die in de vijfde eeuw, met Sassen en Angelen, in Brittanje hunne volkplantingen stichtten, was dit rijden of kliuwen op beenderschaatsen natuurlijk ook in gebruik; en zelfs heeft het, onder hunne nakomelingen, de Engelschen, nog stand gehouden tot in het laatst der vorige eeuw. Immers Dr. J. H. Halbertsma deelt ons mede: „Het schijnt dat men in Friesland eertijds ook gebruik maakte van koeribben; althans de zwetsers op het ijs, om hunne minachting voor het rijden van eenen mededinger uit te drukken, nemen aan op koeribben tegen hem op ijzeren schaatsen om snelst te rijden. En deze gissing is mij tot zekerheid geworden, toen de bedaagde pedel van het antiquarisch kabinet te Newcastle mij verhaalde, dat hij in zijne kindschheid op koeribben gereden had.” [8]
Slooten is de laatste en de kleinste der Friesche steden, en de inwoners van dit stadje hebben geenen bijzonderen spotnaam. Toch blijven ze van spot niet vrij. Integendeel! De gebruikelijke hoeveelheid hoon en smaad wordt hun door de andere Friezen rijkelijk toegediend in een vierregelig rijmke.
Men verhaalt dat een gezelschap vroolijke en overmoedige jongelingen (en espel biisfeinten), met elkanderen, des avonds laat, den koster van de kerk te Slooten een bezoek bracht, en den man zoo onthaalde op meêgebrachten sterken drank, dat hij daar dronken van werd, ja zich aanstelde alsof hij stapel gek was. Dit werkte aanstekelijk op het jonge volkje. Zij ontnamen den man den sleutel van den kerktoren, klommen in den toren naar boven, en verstelden het uurwerk, zoo dat het te middernacht zes ure zoude wijzen en slaan. Toen weer naar beneden gaande, vonden ze beneden in den toren, in het vertrekje dat den nachtwachter van het stedeke tot verblijfplaats diende als hij zijne ronde had gedaan, dien man slapende. Zij namen zijnen ratel, waarmede hij op zijne ronde het uur verkondigde, al zingende: tsien ûre hat de klok! en verstaken dien, waar de man hem niet zoude kunnen vinden. Ook, van kwaad tot erger vervallende, namen zij zijnen toethoorn, waarmede hij den dageraad verkondigde, en de burgerij wekte (des winters te zes ure), en deden daarin iets wat er volstrekt niet in behoorde. Toen maakten ze door eenig gedruisch den man wakker. Hij hoorde daarop de torenklok zes ure slaan, en geheel verbijsterd denkende dat hij den geheelen nacht doorgeslapen had, wilde hij zijnen ratel nemen, en vond dien niet; nam zijnen hoorn, en wierp dien vol afschuw weer weg; ging naar den koster, en vond dien gek van dronkenschap. In vertwijfeling holde hij de straat op, roepende:
Boargers fen Sleat, stean op! it is dei; De hoarn is fol skyt, en de rottel is wei, De koster is gek, en de toer is mal, Ik wyt net hwet ik roppe sal!
Met dit rijmke worden nu nog steeds de ingezetenen van Slooten geplaagd, alsof zij het kunnen helpen dat het oudtijds eens zóó is toegegaan in hun stadje.
Hebben we hiermede de spotnamen van de elf steden van Friesland (en nog van een Friesch eiland op den koop toe) afgehandeld, thans zijn die van de Friesche dorpen en vlekken aan de beurt. Het aantal dorpen in Friesland is zeer groot; maar onder die dorpen zijn er dan ook velen die zeer klein zijn. Volgens de volksmeening zijn er 365 dorpen in Friesland: „sa folle doarpen as der dagen yn ’t jier binne”, zegt men. En het getal spotnamen is weinig kleiner dan het aantal dorpen is; immers schier ieder dorp in Friesland heeft zijnen spotnaam. In der daad zijn er in geen ander Nederlandsch gewest zoo vele spotnamen bekend en in gebruik als juist in Friesland. Dr. J. H. Halbertsma zegt van deze zaak: „Dit sit yn ’t Frysce laech om eltsjoar to narjen mei bynammen, dorp tsjin dorp, ind stæd tsjin stæd. De Anglen ind Angelsaxen hienen dat eak hiem, ind de scrandre Kemble het yn Sept. 1845 ien geleard stik foarlæzen yn it Archaeological Institute of Great Britain to London, oer de by- ind sceldnammen, dy de Angelsaxen eltsjoar joegen.” De Friezen zijn dus met hunne spotnamen in oud en goed gezelschap.