Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 8

Chapter 83,332 wordsPublic domain

Sommigen van deze oude namen leven nog heden in den mond des volks. De Heeren van Gent, de Kinderen van Yperen, de Pastei-eters van Kortrijk, de Makel-eters van Dendermonde, de Witvoeten van Aalst, en anderen zijn nog heden ten dage zoo goed bekend als tijdens Eduwaert den Dene. Daarentegen zijn de rijke en machtige Poorters van Brugge uit de zestiende eeuw in onze negentiende eeuw tot Zotten vernederd, zijn de oude Lediggangers van Oudenaarde thans Boonenknoopers, de Huidevetters van Geeraartsbergen thans Bergkruipers, de Kandeeleters van Meenen thans Taartebakkers, de Roometers van Moerbeke thans Smeerkoeketers (de hedendaagsche lieden van Meenen en van Moerbeke zijn toch liefhebbers van lekkernij gebleven, zoo als hunne oud-eeuwsche voorvaders reeds waren); de Vachtplukkers van Poperinge heeten thans Keikoppen, de Overmoedigen van Ronse zijn tot Zotten, Vliegenvangers en Slekkentrekkers geworden, en de zestiende-eeuwsche Bueter-eters van Diksmude thans, min hoffelijk, tot Boter-koppen.

Uit een taalkundig oogpunt zijn eenigen van deze namen zeer merkwaardig; b.v. de Daryncbarners van ’t Land van den Vrijen van Brugge (eene gouw in ’t Noorden van West-Vlaanderen), die in ’t hedendaagsche Hollandsche Nederduitsch Turfbranders zouden moeten genoemd worden. Darync, Darink, Daring, hedendaags in West-Vlaanderen als dèring of derring uitgesproken, is de oorspronkelijke vorm van ons hedendaagsch Noord-Nederlandsche woord derrie.—Verder de Hudevetters (Lederbereiders) van Geeraartsbergen, de Drooghaerts (Droogscheerders) van Werveke, de Thoolnaers (Tollenaars of, zoo als de verbasterde Hollanders zeggen, „Douanen”) van Rupelmonde, enz.

Merkwaardig is het ook dat Eduwaert de Dene in zijne verzen almede de „Roch-eters van Muenickeree” noemt. Muenickeree, Munnikeree (Monnikereede in hedendaagschen taalvorm) was in de middeleeuwen een bloeiend stedeke aan het Zwin, tusschen Sluis, Damme en Brugge in Vlaanderland. In de zestiende eeuw verviel het plaatsje, in vervolg van tijd verviel het al meer en meer, eindelijk ook geheel en al, en in deze negentiende eeuw verdween het geheel van den aardbodem, om ter nauwer nood de heugenis van zijn bestaan achter te laten. Door het verloopen, het verslijken en verzanden, en door het inpolderen van den zeearm het Zwin is zelfs de plaats waar Munnikereede lag niet meer nauwkeurig aan te wijzen. Maar al is het stadje te niet gegaan, er zijn toch nog Munnikereeders over gebleven, lieden wier voorouders te Munnikereede woonden, lieden die dus van daar oorspronkelijk herkomstig zijn. Een man uit Munnikereede (misschien ook wel een geheel gezin) heeft oudtijds, om de eene of andere reden, zijne woonplaats verlaten, en zich in Holland gevestigd, evenals in de zestiende eeuw zoo vele andere Vlamingen met hem. Die man noemde zich in zijne nieuwe woonplaats, ter onderscheiding van anderen, met den als voor de hand liggenden toenaam „Van Muenickeree” of „Van Munnikeree” of „Van Munnikreede” (de spelling van den naam doet er niet toe). En eene maagschap van dien naam, te weten: „van Munnekrede”, ’s mans nakomelingschap, bestaat nog heden, en komt of kwam nog in de laatste helft dezer eeuw voor te Delft, Rotterdam, Haarlem, Heemskerk. De geslachtsnaam heeft dus in dit geval den plaatsnaam, de oud-ingezetene van Munnikereede heeft, in zijne nakomelingen, het stedeke zelf overleefd. En zelfs de spotnaam waarmede de oude Munnikereeders in de middeleeuwen door andere Vlamingen werden genoemd, is ons nog overgeleverd geworden en bewaard gebleven.

Daar zijn nog oudere Vlaamsche spotnamen bekend, dan dezen van 1560. In de Anzeiger für Kunde der Teutschen Vorzeit, jaargang 1835, bladzijde 299 vindt men een lijstje van die namen medegedeeld, ’t welk volgens de meening van sommige geleerden tusschen de jaren 1347 en 1414 moet zijn opgesteld. Deze middeleeuwsche spotnamen zijn in hoofdzaak de zelfden als die men in „den langhen Adieu” vindt opgesomd. Sommigen echter wijken in meerdere of mindere mate af van de namen in dat rijm voorkomende. Zoo heeten in dit middeleeuwsche lijstje de ingezetenen van Poperingen Vachtploters, terwijl Eduwaert de Dene ze Vachtpluckers noemt; die van Meenen Pelsmakers, tegenover de Candeeleters van de Dene; die van Werveke Verwaten lieden, tegenover de Drooghaerts van de Dene; die van Deinse Garencoepers tegenover de Caerdemaeckers van de Dene. En er worden in het oude lijstje ook eenigen genoemd, die de Dene niet heeft; bij voorbeeld de Wafeleters van Bethune, de Utrechtsche Vlamingen van de Vier-Ambachten, de Platte Gesellen van Sleedingen (hedendaags Sleidinge), de Dansers van Everghem, de Scipheeren van der Sluus, de Tuuschers van Theemsche (hedendaags Temseke), en anderen.

Ook in dit lijstje vinden de taalgeleerde en de geschiedkundige veel van hunne gading, ter verklaring; zoo als de Tuuschers (Ruilers, in ’t hedendaagsche Friesch nog túskers, tyskers) van Temseke en de Scipheeren van der Sluus. Deze laatste naam dagteekent uit den middeleeuwschen tijd, toen het hedendaagsche stille en vervallene stedeke Sluis, thans tot het Zeeuwsche deel van Vlaanderen, dus tot Noord-Nederland behoorende, eene bloeiende Vlaamsche handelsstad was, de mededingster van het naburige Brugge. Vele rijke reeders (Scipheeren) woonden toen daar.

En dan de Utrechtse Vlamingen van de Vier-Ambachten, die nog herinneren aan den overouden tijd toen de noordelijkste gouw van Vlaanderland, in de middeleeuwen de Vier-Ambachten genoemd, en thans Zeeuwsch-Vlaanderen, soms ook nog Staatsch-Vlaanderen geheeten, in het kerkelijke niet tot een Vlaamsch bisdom (Gent of Brugge) behoorden, maar tot het aartsbisdom van Utrecht. In deze gouw toch was de bevolking in de vroege middeleeuwen hoofdzakelijk van Frieschen bloede, en de Friezen bewesten Lauwers en bewesten Flie behoorden, sedert ze Christenen waren, tot dat aartsbisdom. Van daar dat de Vlamingen van Hulst en Aksel, van Biervliet en Aardenburg hier Utrechtsche Vlamingen worden geheeten. Men zie over deze zaak mijn werk Oud Nederland, de aanteekeningen op bladzijden 109 en 110.

De ingezetenen van Duinkerke worden in den Langhen Adieu en eveneens in dit oude lijstje Conyneters genoemd, en deze naam is voor lieden die midden in het duin, midden in die meest geliefde verblijfplaats der konijnen wonen, en die aan die ligging in de duinen zelfs den naam hunner stad ontleend hebben, zeker zeer eigenaardig en gepast. Ik zelf echter, eenige jaren geleden een en ander maal te Duinkerke vertoevende, en daar den luiden vragende naar hunnen spotnaam, en naar die van andere Fransch-Vlamingen, kreeg telkens ten antwoord: Keuneters van Duunkerke. [16] Hieruit blijkt dat keun de Vlaamsche benaming is van konijn; en in der daad vinden we ook in De Bo’s Westvlaamsch Idioticon het woord keun voor konijn aangegeven. De ingezetenen van het dorp Heist op Zee, bij Brugge, en dat ook midden in het duin aan zee gelegen is (als Zandvoort), dragen heden ten dage almede den spotnaam van Keuns (Konijnen). Door onze taalgeleerden wordt ons hedendaagsch algemeen Nederlandsch woord konijn voorgesteld als afgeleid of herkomstig van het Latijnsche woord cuniculus. Het is toch opmerkelijk, ja, het komt mij zonderling voor, zelfs ongelooflijk, dat zulk een algemeen bekend inlandsch dier als het konijn is, dat bij duizendtallen in onze zeeduinen, en ook binnen ’s lands op heidevelden en in woeste, zandige streken leeft, niet eenen oorspronkelijk Nederlandschen, oorspronkelijk Dietschen, niet eenen echt Germaanschen naam zoude hebben. Is misschien dit Westvlaamsche keun de eigenlijke, de oorspronkelijk Dietsche naam van het konijn? En moet men ons hedendaagsch woord konijn dan als een oude verkleinvorm van keun (koon, kone) beschouwen? Heeft ons woord konijn dan misschien niets met het Latijnsche woord cuniculus te maken? En hebben dan, juist andersom, de Romeinen hun woord cuniculus misschien afgeleid van ons woord keun? Allemaal vragen, die ik niet beantwoorden kan, maar die den taalvorscher zeker belangstelling zullen inboezemen.

De ingezetenen van sommige gewesten, landstreken en eilanden in hun geheel, ja sommige volken hebben ook wel hunne spotnamen. Ook hierop wil ik nog kortelijk wijzen. Zoo heeten de Friezen Stijfkoppen, Noord-Bevelanders bij de andere Zeeuwen Peevreters, en de Zuid-Bevelanders Paddelanders. (Peeën, dat is Zeeuwsch voor wortelen—de gewone als spijs gebruikte wortelen van Daucus carota, en beetwortelen). De opgezetenen van ’t eiland Walcheren in ’t bijzonder, op welk eiland, naar men zegt, geen kikvorschen en geen padden voorkomen, noemen dus het eiland Zuid-Beveland, waar deze amphibiën wel gevonden worden, smadelijk ’t Paddeland. Die van Texel heeten Kwallen, en die van Wieringen Skepen (Schapen), ’t is op bl. 62 en 63 reeds vermeld.

De Engelschman John Bull, de Franschman Jean Potageen zijn wijf Marianne, Jantje-Kaas de Hollander (door Vlamingen en Brabanders zoo genoemd) en de Duitsche Michel of Hans-Michel zijn overbekend. Overbekend is ook in onze dagen de spotnaam Rooinek en Rooibaaitjie, dien onze Zuid-Afrikaansche stamgenooten den Engelschman geven. De Hollanders in ’t bijzonder hebben ook nog eenen bijzonderen spotnaam voor den Duitscher, dien ze Mof noemen. Naar den oorsprong van dezen naam is door velen vruchteloos gezocht. Opmerkelijk is het dat de Duitschers, die langs onze oostelijke grenzen wonen, dien spotnaam Mof (zij zeggen Muf) wederkeerig op de Nederlanders toepassen, en ons Hollander-Muf noemen; zie Ten Doornkaat Koolman, Wörterbuch der Ostfriesischen Sprache, waar almede eene verklaring van dit woord Muf of Mof te vinden is. De Nederlanders noemen geheel Duitschland wel Moffrika, maar de Duitschers zelven geven dien naam Muffrika in ’t bijzonder aan eene kleine gouw, langs onze grenzen zich uitstrekkende, aan het zoogenoemde Nedersticht van Munster, tusschen Oost-Friesland en Bentheim gelegen, en de stadjes Meppen en Lingen met omstreken omvattende.

De Friezen hebben nog eenen bijzonderen spotnaam voor de Duitschers in ’t algemeen; zij noemen dezen Poepen. Dit woord poep is een bijzonder, een raadselachtig woord. Dat het niet het woord poep is, in de gewone algemeen Nederlandsche volks- vooral kinderspreektaal van bekende beteekenis, blijkt hieruit dat de Friezen beide woorden nauwkeurig in uitspraak onderscheiden. Zij, met hun fijn en nauwkeurig onderscheidend taalgehoor, spreken in den spotnaam Poep dit woord uit met den zeer duidelijk hoorbaren tweeklank oe; terwijl ze, waar dit woord de andere beteekenis heeft, slechts eenen enkelvoudigen klank laten hooren, de u der Duitschers, de ou der Franschen. Uit nauwkeurige, en steeds strikt volgehoudene onderscheid in uitspraak tusschen den enkelvoudigen en den twee-klank oe, dat zoowel den Friezen als den West- en Zee-Vlamingen thans nog bijzonder eigen is, maar oudtijds algemeen Dietsch moet geweest zijn, verbiedt om aan te nemen dat dit woord poep in beide beteekenissen van een en den zelfden oorsprong zoude zijn. Maar wat het woord poep als spotnaam dan wel zijn mag, van oorsprongswegen, het is mij niet gelukt dit uit te vorschen.

De Friezen geven den naam Poep wel aan de Duitschers in het algemeen, maar in ’t bijzonder aan den Westfaalschen grasmaaier en aan den Westfaalschen koopman in kleedingstoffen en kleedingstukken, die met een groot pak van zijn koopwaar op den rug, het Friesche platteland afreist, en die, ter onderscheiding van zijnen landsman den grasmaaier, door de Friezen Fyndoekspoep genoemd wordt.

Overdrachtelijk noemt men in de Friesche gewesten (immers Groningerland doet hierin mede, volgens Molema’s Woordenboek der Groningsche volkstaal) een paard of eene koe van Duitsch, gewoonlijk Oldenburgsch, zoogenoemd Bovenlandsch ras, ook poep; en zelfs eene bijzondere soort van aardappelen, ook van Duitsche herkomst, en die anders wel „Munsterlanders” heeten, noemt de Friesche boer poepen. Ja, onze Friesche zeeman geeft zelfs aan een schip (kof of tjalk), dat in Oost-Friesche en Weser-Friesche havens thuis behoort, en dit door geringe afwijkingen in bouw en tuig bemerkbaar doet zijn, den naam van poep.

Ook in noordelijk Noord-Holland, almede oorspronkelijk eene Friesche gouw, is de spotnaam Poep, Graspoep, Groene Poep voor den Duitschen Grasmaaier in gebruik, volgens Dr. G. J. Boekenoogen’s werk De Zaansche Volkstaal, en volgens J. Bouman’s werk De Volkstaal in Noord-Holland.

De echte Friezen in ’t land tusschen Flie en Lauwers beperken hunnen spotnaam Poep niet enkel tot de Duitschers. Ook de Groningerlanders en de Drenten noemen ze Poepen, en zelfs de ingezetenen van de Friesche dorpen Kollum en Burum (in uitspraak Boerum), die, ofschoon nog bewesten Lauwers wonende, toch niet de zuivere Friesche taal spreken, maar eenen gemengden tongval, een overgang van het Stad-Friesch tot het Groningerlandsch—zelfs dezen moeten zich den spotnaam Poepen laten welgevallen, alsof ze, door hunnen afwijkenden tongval, reeds halve Groningerlanders, en alsof de Groningerlanders, met hun Friso-Sassisch bloed en met hunne Friso-Sassische gouwspraak reeds halve Duitschers waren.

Opmerkelijk is het, dat men dit woord Poep als spotnaam ook hier en daar elders in de Nederlanden terug vindt. De ingezetenen van Deventer toch dragen bij de andere Overijsselaars en bij de Gelderschen in hunne nabuurschap ook dezen naam. En ook de Zeeuwen noemen hunne Vlaamsche en Brabantsche naburen Poepen. Zoo hoorde ik in 1869 door een paar burgers van Goes zeggen, van een gezelschap boeren en boerinnen uit de polders van Zandvliet bij Antwerpen, die door ’t stadje Goes ronddwaalden: „’t zijn maar Poepen,” eenigszins minachtender wijze, juist zoo als de Friezen spreken van de Duitschers. Volgens van Dale (zelf een Zeeuwsche Vlaming), Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal, is poep een scheldnaam dien de bewoners van Zuid-Beveland aan de bewoners van Zeeuwsch-Vlaanderen geven. En volgens De Bo’s Westvlaamsch Idioticon noemt men in West-Vlaanderen „iemand die weinig verstand of weinig moed heeft,” een „dwazerik” dus, of een „lafaard”, een „poepgaai.”

De oorsprong en de verspreiding van dezen raadselachtigen spotnaam Poep uit te vorschen, zal zeker wel de moeite loonen.

Als eene bijzondere uiting van volkseigenaard en van speelsch volksvernuft, dienen ten slotte nog vermeld te worden eenige rijmkes, die van sommige gouwen en eilanden, van sommige steden en dorpen, ook van groepen van nabij elkanderen gelegene plaatsen, bij het volk bekend zijn, en die als ter kenschetsing dienen van sommige bijzonderheden, aan die gouwen en plaatsen eigen. Deze rijmkes zijn uit de zelfde bron gevloeid, waaruit ook de spotnamen ontstaan zijn; zij komen er in aard en strekking, veelvuldig ook in oorsprong en in eigenaardig wezen mede overeen, ja, zijn eigenlijk slechts als eene uitbreiding daarvan te beschouwen. Ik wil slechts enkele van die rijmkes hier mededeelen, om de aandacht daarop te vestigen van navorschers, van allen die belang stellen in volkseigene zaken, en die zulke zaken nog in tijds behouden willen, eer de nieuwe tijd ze uit het geheugen der menschen zal hebben doen verdwijnen.

Over al de Nederlanden zijn deze rijmkes verspreid, en, even als de spotnamen, ook over Oost-Friesland en andere nabij gelegene gouwen van naburige landen, waar de bevolking met die van onze eigene gewesten zoo menig punt van overeenkomst heeft, of daarmede oorspronkelijk eenzelvig is. Een enkel van die Oostfriesche rijmkes, de stad Aurik betreffende, is reeds op bladzijde 58 hiervoren medegedeeld. Anderen uit de Friesche gewesten beoosten Eems kan men vinden in Kern en Willms, Ostfriesland wie es denkt und spricht (Norden, 1869). Een paar rijmkes van ’t Ameland vindt men op bladzijden 27 en 28 hiervoren vermeld. Een paar andere uit Friesland zijn nog:

Oostergoo het land, Westergoo het geld. De Wouden het verstand, De Steden het geweld.

Hier wordt op geestige wijze het kenmerkende van de drie gouwen, Oostergoo, Westergoo en de Zevenwouden, waarin Friesland tusschen Flie en Lauwers van ouds her verdeeld is, met de elf steden, uiteengezet.

Dokkum is een oude stad, Een oude stad boven maten; Daar verkoopt men anders niet Als taai en ook garnaten.

In der daad, de stad Dokkum dagteekent reeds uit zeer ouden tijd; reeds ten jare 754 verkondigde Sint-Bonifacius daar het Evangelie. Het Dokkumer taai, eene soort van grof Sint-Nicolaasgebak, is in geheel Friesland vermaard. En wat de Dokkumer garnaten (garnalen) aangaat, daar moet men maar niet te luide van spreken, als er Dokkumers bij zijn (zie bladzijde 21 en vervolgens).

Zeer aardig kenschetsend zijn deze twee rijmkes, van een Utrechtsch en van een Noordbrabantsch dorp:

Neêr-Langbroek, Die schrale hoek! Daar wonen niets dan edellui En bedellui, Ridders En broodbidders; Daar staan anders niet als kasteelen en nesten, Sterkenburg is het beste.

Loon-op-Zand, Licht volk, licht land; Ze schooien den kost. En ze stelen den brand. [17]

Tamelijk onbeduidend daarentegen is het volgende rijmke van drie Zeeuwsch-Vlaamsche dorpen Breskens, Schoondijke en de Groede:

De Bressianen Zijn hanen, Maar voor Schoondijke Moeten ze wijken, En komen die van de Groe, Dan houden ze beter hun deuren maar toe!

Veelal heerscht in deze rijmkes een schimpende, smalende toon tegenover andere naburige plaatsen, afgewisseld met lof voor de eigene woonplaats. Bij voorbeeld uit Drente:

Koevorden is een fraaie stad, Dalen is een moddergat, Wachtum is een eendepoel, Hesselen is een koningsstoel.

Of uit Overijssel en Gelderland:

Deventer is een koopstad, Zutfen is een loopstad, Lochem is nog wat, Maar Borkeloo is een hondegat.

Van groote ingenomenheid met zich zelven getuigt het volgende rijm van sommige Noordhollandsche steden, dat bij de Monnikendammers in zwang is:

Amsterdam ligt aan het IJ, Monnikendam daar wonen wij; Edam is een nest, Hoorn doet zijn best, Enkhuizen staat op tonnen. Medemblik heeft het gewonnen.

Aardig is het rijmke van Kootwijk, een zeer nederig dorpke op de Veluwe:

Kootwijk is een zoetendal, En die er is die blijft er al.

Zoetendal, ten Sueten dale—dat klinkt zoo middeleeuwsch liefelijk! Wie weet hoe oud dit rijm al is!

Ten slotte kan ik nog een zeer bijzonder rijm hier mede deelen, dat betrekking heeft op de Friesche eilandenreeks die zich uitstrekt tusschen de Weser en het Marsdiep, en dat door mij is opgeschreven uit den mond van eenen Frieschen schipperszoon, die met de tjalk van zijnen vader wel oostwaarts naar Emden, Bremen en Hamburg, en wel zuidwaarts naar Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Antwerpen voer. Het rijm is niet in de eigenlijke Friesche taal opgesteld, maar in het zoogenoemde Stad-Friesch of „Stêdsk”, dat is Oud-Dietsch met Friesche woorden en woordvormen vermengd, en met eenen Frieschen mond uitgesproken.

Wrangero de skoone, Spikeroog de krone, Langeroog is ’n butterfat En Baltrum is ’n sangat. En de Norderneyers frete har mar half sat Juust dat is ’n rooverland; En Borkum is ’n tooverland; Rottumeroog is ’n klein land, Mar Skiermonnikoog is sterk bemand: De Amelander skalken Hewwe stolen drie balken, Avons in ’e maneskijn, Daarom sal ’t har wapen sijn. Skilingen het ’n hooge toren, Flielan het siin naam ferloren, Tessel is mar ’n seegat, De Helderse Traanbokken segge dat.

Eenige opmerkingen mogen dit rijm nader toelichten.

Wrangero (ook de visscherlieden van Urk, die ter uitoefening van hun bedrijf op de Noordzee wel tot bij dit eiland komen, spreken dezen naam nog op deze Oud-Friesche wijze uit)—Wrangero is een oude en zeer goede, oorspronkelijk Friesche naamsvorm, ouder en beter dan Wangeroog of Wangerooge, zoo als dit eiland thans in ’t geijkte Nederlandsch en Hoogduitsch heet. Oudtijds woonde aan den vasten wal, aan de Noordzeekust waar dit eiland tegenover ligt, westelijk van den Wesermond, een Friesche volksstam, Wranger-Friezen genoemd. (Hunne rechtstreeksche nakomelingen wonen daar nog heden in het thans zoo genoemde Jeverland en Butjadingerland). Toenmaals noemde men het land dier Wranger-Friezen Wrangerland, en het eiland daarnevens in de Noordzee: Wrangero, Wranger-o. De woordvormen o, oe (eu) ei (in ons woord eiland nog bestaande en in den eilandsnaam Nordernei eveneens) zijn oorspronkelijk eenzelvig met het hedendaagsche oog, in Süderoog (Noord-Friesland), Wangeroog, (Weser-Friesland), Langeroog (Oost-Friesland), Schiermonnikoog (Friesland tusschen Flie en Lauwers), Valkoog (West-Friesland of Noord-Holland), enz.

Skilingen is de Friesche naamsvorm voor ’t eiland ter Schelling, beter Schellingerland, dat in het dorp Wester-Schelling in der daad eenen zeer hoogen toren heeft, de vuurtoren of Brandaris, die het geheele zeegat van ’t Flie verlicht.

Flieland heeft althans voor de helft zijnen naam verloren. De westelijke helft van dit eiland, met het aldaar gelegene dorp West-Flieland is in de 17de eeuw ten deele, maar in de vorige eeuw volkomen door de zee vernield en weggeslagen. Er is daar nog maar eene zandplaat van over, die nu de Hors heet. Inderdaad, „Flieland heeft zijn naam verloren.”

Dit is het einde van mijn opstel over spotnamen, spotrijmen, enz. Mogen anderen hierin aanleiding vinden dit belangrijke onderwerp nog eens beter en uitvoeriger te behandelen.

BRONNEN EN LITTERATUUR OVER SPOTNAMEN, ENZ.

Het tijdschrift De Navorscher (Amsterdam, 1851 en vervolgens), in verschillende jaargangen. Men zie de Algemeene Registers, op „Namen (Nederlandsche Spot- en Scheldnamen).”

Ons Volksleven. Tijdschrift voor taal-, volks- en oudheidkunde, onder leiding van Jos. Cornelissen en J. B. Vervliet. Brecht (bij Braeckmans, 1889 en vervolgens) in verschillende jaargangen.

A. Mertens, Iets over de spotnamen onzer Belgische steden. Antwerpen, 1847.

Friesland en de Friezen (Plaatselijke schimpnamen). Leeuwarden, 1877.

Dr. E. Laurillard, Vlechtwerk. Amsterdam, 1880. Idem, Sprokkelhout. Amsterdam, 1887. Idem, Op uw’ stoel door uw land. Amsterdam, 1891.

II

NEDERLANDSCHE NAMEN IN FRANKRIJK.

„Es geht eben den Eigennamen wie den Büchern: habent sua fata.”