Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 23
De oorsprong, de beteekenis van zeer velen onzer hedendaagsche namen is onduidelijk, ja vaak, in schijn, volkomen onverklaarbaar. De oorzaak daar van is hier in gelegen, dat de hedendaagsche vormen der namen veelal zeer verbasterd, ontaard, ingekort, ook door onwetende schrijvers in hunne spelling verknoeid, schier onkenbaar gemaakt zijn. Met de Friesche namen is dit vooral en in sterke mate het geval. Dies is de kennis van de oude en oudste, van de oorspronkelijke, volledige of althans slechts weinig verkorte, weinig versletene vormen onzer namen, gelijk die in oude oorkonden uit oude tijden ons overgeleverd zijn, ons dringend noodig, zoo wij een helder inzicht in den oorsprong en in de beteekenis onzer namen ons willen eigen maken. Gelukkig vloeit die bron onzer kennisse niet zuinig—gelukkig leveren vele oorkonden die ons ten dienste staan, het zij dan in ’t oorspronkelijke, het zij in afschrift of in afdruk, ons eenen waren schat op van de doopnamen, de vadersnamen of patronymica en de maagschapsnamen onzer voorgeslachten, en van hunne woonplaatsen, in steden en dorpen, in huizen, burchten en stinsen, staten en saten, van akkers en weiden, enz. enz. Zulk eenen rijk beladenen boom van kennisse vinden wij onder anderen in de zoogenoemde „Registers van den Aanbreng”, die in vier deelen, ten jare 1880, door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde zijn uitgegeven, en die uitgebreide lijsten bevatten van de bebouwde en onbebouwde eigendommen, huizen en landerijen, in sommige steden en grietenijen van Friesland, met de namen der eigenaars of der pachters en huurders daarbij. Die registers, opgesteld door de regeering tot regeling der belasting, zijn van veel belang voor den taal- en naamkundigen navorscher in het bijzonder; maar eveneens in het algemeen voor iedereen die belang stelt in de kennis van het leven onzer voorouders, van de omgeving en van de toestanden waar in zij verkeerden. Zij vormen inderdaad eene leerrijke bladzijde in het boek van de beschavingsgeschiedenis der Friezen in het begin der zestiende eeuw, in een belangrijk tijdsgewricht dus, toen daar nog geen sprake was of gedachte van de groote omwentelingen op kerkelijk en staatkundig gebied, welke die 16de eeuw in haar verder beloop gekenmerkt hebben—een tijdsgewricht dat nog ten volsten gerekend moet worden als tot de middeleeuwen te behooren.
De persoonsnamen, voorkomende in een dezer „Registers van den Aanbreng”, te weten: in dat der stad Leeuwarden, willen wij als het onderwerp onzer beschouwing nemen.
De personen, die in dat Register genoemd worden als eigenaars van landerijen, gelegen onder den zoogenoemden „Klokslag” of het rechtsgebied der stad Leeuwarden, of ook als pachters en anderszins gebruikers daarvan, of als eigenaars en als huurders en anderszins bewoners van huizen binnen de wallen der Friesche hoofdstad, behooren tot allerlei rang en stand. Wij vinden daaronder zoo wel de aanzienlijkste en de rijkste edellieden als de armste bedelaars vermeld, zoo wel de aanzienlijke regeeringsambtenaren als de kleine handwerkslieden, zoo wel de groote kooplui en neringdoenden als de geringste daglooners, zoo wel de eerwaarde geestelijken, hoog en laag, en de deftige geleerden, als de beoefenaars der schoone kunsten—kortom de gansche bevolking der stad, rijk en arm, groot en klein. Bij de beschouwing van de namen al dezer personen valt in de eerste plaats op te merken, dat slechts de edelingen ware geslachts- of maagschapsnamen dragen, de aloude patronymica, in bijzonder Friesche vormen, die van zeer oude dagteekening zijn, en vermoedelijk nog wel uit den Heidenschen tijd des volks stammen; bij voorbeeld: de namen van Frans Mennama (Minnama), Tiard Burmannie (in onze hedendaagsche spelling Tjaard Burmania), Peter Kamminga (Cammingha) en anderen. Maar de onedelen, al waren het ook zeer aanzienlijke lieden, hadden in 1511 te Leeuwarden nog geene vaste geslachtsnamen, zoo min als ergens in de Friesche gewesten. Of, zoo zij, als bij uitzondering, wel zulke maagschapsnamen hadden (en dit was in der daad met vele eigenerfden ten platten lande het geval, en ook met sommige oud-ingezetene geslachten in de Friesche steden), dan voerden zij die namen in het dagelijksche leven toch niet. Zij worden dan ook niet onder hunne maagschapsnamen, die even als de geslachtsnamen der edelen bijna uitsluitend Oud-Friesche patronymica zijn, in ons register vermeld. Waar, als bij groote uitzondering, een onedele met eenen waren of schijnbaren geslachtsnaam genoemd wordt, blijkt het, juist uit den vorm van dien naam, dat die man geen Fries—dat hij een vreemdeling was; bij voorbeeld: Thomas Schleyswick, Jan Hollander, Geert van Dorsten.
Feitelijk bestond in 1511 te Leeuwarden de zelfde toestand, die tot in onze dagen vooral ten platten lande in Friesland heeft voortbestaan; namelijk, dat men iemand noemde bij den doop- of vóórnaam, en dan, ter onderscheiding van andere, gelijknamige personen, den vadersnaam in den tweeden naamval, dus als een waar patronymicum, daar achter voegde—terwijl men den eigenlijken geslachtsnaam geheel verwaarloosde. Ja, dit gebruik in de benaming heeft nog tot in onze dagen onder de Friezen stand gehouden. Menig man wordt nog heden door de lieden in zijne omgeving nooit anders genoemd als bij zijnen doop- of vóórnaam (dat is eigenlijk ook de naam bij uitnemendheid) en zijn vadersnaam daar achter; bij voorbeeld: Tsjalling Hiddes, Folkert Oenes, Hoatse Sjuks, enz. De geslachtsnaam Algra, Romkema, Brongersma, of hoe ook, blijft dan volkomen buiten spel, en schijnt slechts in aanmerking te komen, als de volle naam, in geijkten zin, geschreven worden moet. Zoo gebeurt het nog wel heden, dat men, op de vraag naar den naam van dezen of genen man—ho hjit er?—ten antwoord bekomt: Sjirk Obbes, of Fokke Franks, of Hayo Rommerts, zonder meer. Wil men daarenboven den geslachtsnaam van dien man weten, dan moet men vragen: ho skriuwt er him? Eerst daarop wordt dan Andla, Homminga, Weerstra of eenige andere maagschapsnaam ten antwoord gegeven.
Deze eenvoudige wijze van benaming, naar Oud-Friesche zede, was in 1511 te Leeuwarden nog ten vollen in zwang. Een zeer groot deel van de namen in ons register komt op die wijze voor. Zie hier eenigen daarvan: Wigle Sywrdz (dat is in onze hedendaagsche spelling: Sjoerdszoon of Sjoerds), Tiard Bauckez (Tjaard Baukes), Dowe Ryoerdsz (Douwe Ruurds), Syds Wybez, Rinthie Sibrenz (Rintsje), Botte Obbez, enz. [37] Dit zijn allen oorbeeldig Friesche namen en naamsvormen. Ook andere namen, algemeen Germaansche, en Bijbelsche, of zulken die van Kerkelijken oorsprong zijn, waren oudtijds, zoo wel als nog heden, nevens de eigene Friesche namen, bij de Friezen, in dit geval bijzonderlijk bij ingezetenen van Leeuwarden, in zwang. Wij vinden ze in de benamingen van Willem Albertz, van Herman Dirckz, Willem Heyndrickxz, alle zes algemeen Germaansche namen. Bijbelsche namen of Kerkelijke (te weten: namen van Heiligen die niet in den Bijbel voorkomen), dragen Claes Thysz (Claes, Klaas, Nicolaas is een Kerkelijke, en Thys, Matthijs, Mattheus een Bijbelsche naam), Matthys Gerrytz, Peter Janz (Petrus en Johannes, twee Bijbelsche namen), Wolter Janz, Adam Albertz, Claes Heynez, Ysbrant Claesz, Joest Willemsz, [38] enz.
Mansnamen op eene toonlooze e eindigende (Jelle, Hobbe, Rinse), in den tweeden naamval staande en als patronymica voorkomende, werden oudtijds in de Friesche gewesten dikwijls met is, in plaats van met es geschreven; dus Jellis, Hobbis, in stede van Jelles, Hobbes, zoo als de hedendaagsche spelling voorschrijft. Dit gebruik, dat nog wel in de vorige eeuw in Friesland voorkwam [39], is daar tusschen Flie en Lauwers thans volkomen uitgestorven, maar heeft zijne sporen nagelaten in sommige West-Friesche of Noord-Hollandsche geslachtsnamen (vooral aan de Zaan). Die namen, oorspronkelijk zulke vadersnamen zijnde, worden thans nog met is geschreven; bij voorbeeld Avis, Duyvis (overeenkomende met Douwes), Galis, Heinis, Tanis, Warris, enz. Voorbeelden van die spelwijze en naamsvorming leveren in ons register de benamingen van Albert Wilkis, Tiepke Jellis (Tjepke, Tjebbeke), Wybe Saeckisz (Sakes), Hilke Gabbis; ook Jan Sioerdisz (Sjoerds) en anderen.
Ware geslachtsnamen, en wel in het bijzonder oorbeeldig Friesche maagschapsnamen op a eindigende, komen er in ons register slechts weinig voor. Dit moge aanvankelijk eenige bevreemding wekken—de oorzaak daar van is echter wel uit te vinden. Immers zulke geslachtsnamen bestonden er toen wel evenzeer als vroeger en als heden, al is het ook dat er in de achttiende eeuw en in het begin van deze eeuw vele zulke namen in Oud-Frieschen vorm door de Friezen willekeurig gemaakt en aangenomen zijn (Zie bl. 237). Zoo waren daar, ten tijde dat ons register opgesteld werd, te Leeuwarden even als elders in de Friesche gouwen, ongetwijfeld vele Oud-Friesche maagschappen, ook al waren ze niet van edelen bloede noch van eigenerfden staat, zelfs niet van aanzienlijken huize, maar tot eenvoudigen en geringen levenskring behoorende, die eenen eigenen Oud-Frieschen naam voerden. Maar die namen werden veelvuldig verwaarloosd, in het dagelijksche leven werden ze zeldzaam, slechts als bij uitzondering gebruikt. Dien ten gevolge werden zij ook in geschrifte en in geijkten zin dikwijls veronachtzaamd en buiten spel gelaten, vooral als men met eene oppervlakkige aanwijzing der personen, bij hunne dagelijksche benamingen, volstaan kon, gelijk dit bij de „Registers van den Aanbreng” het geval was. Wij mogen dus veilig aannemen, dat vele personen, die in deze registers slechts met hunnen vóórnaam en met hunnen vadersnaam als patronymicum worden aangeduid, toch wel degelijk ook eenen eigenen, Oud-Frieschen, op a eindigenden geslachtsnaam hadden. Maar slechts zeer weinigen worden werkelijk ook met zulk eenen maagschapsnaam aangeduid; het zijn Wybren Bowtsma (Boutsma), Jelck Lywama, Hessel Intema. [40] Voor de hand houd ik deze lieden niet voor edelingen. Maar het kan zeer wel zijn, dat ik mij hier in vergis (weinig ervaren als ik ben in de kennis der Oud-Friesche adellijke maagschappen), en dat de personen, die deze namen voerden, wel degelijk tot den adeldom behoorden. En zoo dit in der daad het geval is, dan vervalt daar mede de bijzonderheid dezer namen. Immers de leden der adellijke geslachten worden in ons register wel degelijk met hunnen Oud-Frieschen geslachtsnaam genoemd; althans in den regel. Zoo vinden wij vermeld: Frans Mennama (Minnama, Minnema), Tiard Burmannie, Peter Kamminga de voorstander der Oud-Friesche taal, Hessel en Doeke Martena, Jow Jowsma, Jow (ook Iw geschreven) Dekama, Wytz Jongema, Tryn Hermane, enz.
Nog eene andere reden is er, waarom Oud-Friesche, op a uitgaande maagschapsnamen zoo zeldzaam zijn in het Leeuwarder register. In het begin der 16de eeuw toch, toen het register geschreven werd, verliep de Oud-Friesche taal, verloor zij hare oude, volle uitgangen op a en o, die door eene toonlooze e werden vervangen. De uitspraak en de spelling van woorden en namen als pundameta, als to ermora ende elindighera liodena bihoff, als om Buwa ende Beyka beda willa, als Syard upper Wasa, als Mamma Mammingha, Kampo Abbama, Beneko Syuxzama, enz. [41] die in de 15de eeuw nog volle kracht en geldigheid had gehad, verliep in de 16de eeuw. En bij den aanvang der 17de eeuw sprak en schreef men nog slechts van pûnmiëtte, van to bihoef fen earme end elindige liuwe, van omme wille fenne bede fen Bouwe end Beike, van Sjaerd oppe Wease, van Mamme Mamminga, Kampe Abbema, Beneke Sjuksma. Dit verloop der taal, dit verloren gaan der volle a- en o-klanken op het einde van woorden en namen, had in het begin ook invloed op de geslachtsnamen, die eveneens hunne eind-a in spreken en schrijven moesten missen. Maar terwijl de vóórnamen en de algemeene woorden dien a-klank voor goed verloren hebben, is die oorspronkelijke en schoone uitgang, wat de geslachtsnamen aangaat, later, in de 17de eeuw vooral, weêr hersteld geworden, zoo dat zij allen dien vorm, als een kenmerk van hunnen Oud-Frieschen oorsprong, nog heden, in geijkten zin vertoonen. Onze lijst geeft ons, in de spelling van sommige Oud-Friesche geslachtsnamen, voorbeelden van deze aanvankelijke wijziging der taal. Reeds hebben wij hier boven eenen Tiard Burmannie en eene Tryn Hermane, leden van de maagschappen Burmania en Hermana ontmoet. Pieter Kamminga (Cammingha) komt in ons register ook als Peter Kamingh voor. Vooral als de namen in verbogenen vorm staan, als zij dus, naar den eisch der oude taal, ook eenen verbogenen uitgang vertoonen, is daarbij de a verloren gegaan. Zoo vinden wij in het register den naam van Pieter Cammingha verbogen als: „van Peter Kaminghen” en „den Steed (van) Peter Kammingen”. Verder „van Her Fedden” = van Heer Feddo, „van Feycke Doetinge”, „van Renick Emingen” (Eminga), „den Steden Abingen” en „Aebingen” (van Abinga of Eabinga), enz.
Het is geheel volgens Oud-Friesche zede dat de benamingen in het register over het algemeen zoo kort en eenvoudig mogelijk zijn, eensdeels zonder geslachtsnamen, anderdeels zonder bij- of toenamen ter onderscheiding, of ook zonder bijzondere titels van edeldom of rang. Slechts zeldzaam komen zulke toenamen en zulke titels voor. Alles geheel anders als in andere Nederlandsche gewesten, bij voorbeeld in het hoofsche Brabant, waar men zich met zeer lange en omslachtige benamingen uitsloofde. [42] Ja, men ging in Friesland nog wel verder in dien eenvoud, en liet ook den vadersnaam achterwege, zoo dat enkel de eigentlijke naam, de doop- of vóórnaam overbleef. Dit was vooral het geval bij zeer geringe of bij geheel arme lieden, die ook nog heden onder de Friezen veelal enkel en alleen bij hunnen vóórnaam genoemd worden. Zoo vinden wij in de Leeuwarder naamlijst „Lambert een knecht.” Verder een Alef, een Jarich, een Hommo, een Tiebbe (Tsjebbe), een Ocko, een Fedde, een Rolof, zonder meer. Dit waren geringe lieden; zij bewoonden slechts eene „camer”. Dit zelfde was het geval met sommige arme vrouwen als Fem, Baeff, Eelck, Aeff, Foeck, Lubbrich, die „alheel Paupers” (armen) worden genoemd, en, zekerlijk om Gods wil (of „propter Deum” gelijk herhaaldelijk in het register voorkomt), „camers” bewoonden, die aan Sint-Vyt, aan de hoofdkerk van Oldehove, toebehoorden. Zoo ook Ariaen, Wybe, Jesel, Rynths, Gosso, Griet, Geert, Focko, Feyck, Jeths, allen geringe en arme lieden, zoo mannen als vrouwen, die „cameren” bewoonden. Nog heden noemt men in Friesland eene kleine en geringe woning, die slechts één vertrek bevat, een keamer, en spreekt men niet van huis- of woninghuur, maar van keamerhier.
Ter nadere onderscheiding van zulke éénnamige lieden, en zoo men daartoe geen gebruik wilde maken van het gewone redmiddel in zulke gevallen, het bijvoegen van den vadersnaam, had men eenen bij- of toenaam noodig. Zulke namen vinden wij dan ook in het register vermeld, als Groote Jeldert, Olde Wybrant, Witte Dirck, Blynde Gertza, enz. Deze bijvoegsels tot den naam zijn gereedelijk te verklaren; ze zijn nog heden wel in gebruik, b.v. Blyne Bauke, Greate Hantsje, Lytse Sipke, Reade Tsjerk, enz. Bij de benamingen van Nye Gerryt en van Leeuwerder Jelle is die verklaring niet zoo gereedelijk. Was die Gerryt (nog heden wordt deze naam in het Friesch uitgesproken als Gerryt, met duidelijk hoorbaren, zuiveren, openen i-klank in de tweede lettergreep)—was die Gerryt ny, nieuw, te Leeuwarden komen wonen en had die omstandigheid aanleiding gegeven tot zijnen bijnaam? Maar waarom Jelle, te midden van duizenden Leeuwarders levende en wonende, in het bijzonder den toenaam van „Leeuwerder Jelle” verdiende, blijft mij een raadsel.
De onderscheiding met oud en jong, waarvan Olde Wybrant ons een voorbeeld geeft, ligt, bij twee gelijknamige personen, bijzonder voor de hand. Wij vinden die onderscheiding dan ook herhaaldelijk in het register toegepast; bij voorbeeld, bij Olde Peter Symonsz en Jonge Peter Symonsz, bij Olde Her Dowe en Jonge Her Dowe, bij Olde Her Albert, enz.
Eene andere onderscheiding voor sommige gelijknamige personen werd ontleend aan het huis, waar in zij woonden, of naar den naam, naar het teeken van dat huis. Die onderscheiding was ten jare 1511 te Leeuwarden nog weinig in gebruik; hadden misschien de huizen aldaar toen nog weinig eenen bijzonderen naam, een eigen huisteeken of uithangbord? Het register vermeldt slechts eenen Ewt int Ancker, eenen Ewald, die in het huis het Anker woonde. Was dit het zelfde huis aan de Voorstreek bij de Korfmakerspijp te Leeuwarden, dat nog heden een anker als teeken, en dus ook als naam draagt? Opmerkelijk, dat de hedendaagsche eigenaar en bewoner van dat huis, de Heer Ottema, bijna vier eeuwen later, ook nog wel in de wandeling als „Ottema in ’t Anker” wordt aangeduid.—Verder noemt het register nog eenen Her Johannes int Gasthuus.
De bovenstaande benamingen van Olde Peter Symonsz, van Olde Her Dowe en Olde Her Albert luiden zoo vertrouwelijk, zoo gemoedelijk en ongekunsteld, niet waar? Zij worden in die eigenschappen nog overtroffen door de benamingen, waaronder sommige rijke en aanzienlijke, bij het volk om hare deugden en milde, moederlijk weldadige eigenschappen beminde oude vrouwen, ware matronae, bekend waren. Te weten: Tialcke moer, Heill moer en Tyethsmoer (Tsjalkje, Heiltsje en Tsjetske naar onze spelling). En dat deze eerwaardige vrouwen onder die eenvoudige, gemeenzame, maar van achting en eerbied getuigende benamingen in het register vermeld staan, strekt nog heden tot hare eere.
Nevens deze matronen worden nog een paar aanzienlijke of welgestelde vrouwen in het register vermeld, die echter, ongehuwd en kinderloos, met het vertrouwelijke moer niet konden worden aangeduid. Dies worden zij genoemd en beschreven met het woord dat haren ongehuwden staat in eere aanduidt, als Greet Joncfrow en Aecht Jonckfrouw. Eene andere, waarschijnlijk minder aanzienlijke, ongehuwde vrouw wordt als Lysch Menne dochter (Lisk of Lyskje, de dochter van Menno of Minne) vermeld.
Overigens worden de betrekkelijk weinige vrouwen die in het register voorkomen, in den regel enkel met haren vóórnaam genoemd, gelijk boven reeds vermeld is; of anders met vóórnaam en vadersnaam. Zulke benamingen dragen Tryn Gaeles, Aeff Willems, Auck Piers, [43] enz.
Bij de benamingen der weduwen wordt haar staat steeds bijzonderlijk vermeld, gemeenlijk als toevoegsel bij haren enkelen vóórnaam; bij voorbeeld Amck wedue, Lysbeth wedue, Aefwedue, Lyoethswede. Deze laatste vrouw was eigenaresse van vele huizen; zij komt dus herhaaldelijk in het register voor, ook als Lyoets wedue en als Lyoeds wedue. Andere weduwen voeren ook nog den naam van haren overledenen echtgenoot: Styn Reinerts wedue; dat is: Stijn (Christina), de weduwe van Reinert of Reinhart; Ymck Joenke wedue, Mincka Ghyse wedue, Bauck Jans wedue en Rynths Sypt Unama wedue, anders gezeid: Rynths (Rinske) de weduwe van Sypt Unama (Sibalt Oenama). Eene enkele wordt in het geheel niet bij haren eigenen naam, enkel bij dien van haren man vermeld; het is Powels Fleyskers wedue, de weduwe van Paulus de vleeschhouwer.
De geestelijken der Christelijke Kerk werden door de Friezen, vóór de hervorming, steeds getrouwelijk met den titel van Heer (Her) vereerd. Geestelijken worden niet zeldzaam in ons register genoemd, steeds met dien titel, welke meestal, naar Oud-Friesche zede, bij hunnen enkelen vóórnaam gevoegd is: Her Dowe (Heer Douwe), Her Hotthio, elders Her Hottye genoemd (Heer Hoatse), Her Feddo, Her Syffriet (waarschijnlijk een Duitscher, Siegfried—of anders is dit Syffriet de gebruikelijke verlatijnsching [Suffridus] van den mansnaam Sjoerd; zie bl. 217), Her Sipke, Heer Albert, enz. Soms komen deze namen ook met toevoegsels voor: Her Johannes Jorretz, dus met zijn patronymicum; Her Douwe sacrista, Her Peter commissarius, Her Pier to Leckum en Her Dythio by Galilee (het klooster Galilea bij Leeuwarden, waar nu nog de buurt Olde-Galileën haren naam af draagt), enz. De kloosterlingen worden met de toenamen Broer en Suster onderscheiden (in het register is herhaaldelijk sprake van eene, zekerlijk rijke nonne in het klooster Fiswert, Suster Ansck); terwijl een rijke kloosterpater een en ander maal, zonder eigennaam en zonder nadere aanduiding, als de Pater wordt vermeld.
De titel Meester (Mester) kwam den mannen toe, die wetenschappen en kunsten beoefenden en uitoefenden, en hij werd, op de zelfde wijze als dit met den titel Her het geval was, bij den enkelen doopnaam gevoegd: Mester Bucho, Mester Hemmo, Mester Andries; ook wel in Latijnschen vorm: Magister Sybrand. Het waren vooral ook de wondartsen of chirurgijns, en zij die dergelijke ambten uitoefenden, en waar bij oudtijds ook het baardscheren gevoegd was, welke in het bijzonder met den titel van Meester werden vereerd. [44] Zoo meldt het register de benamingen van Mester Joest Wondtartz, die elders als Mester Joest Barbier voorkomt; Mester Tzem Barbier, Mester Jancke Barbier, Mester Feycke den olden Barbier, en ook Mester Pieter pudibunda Snyder. Welke pudibunda Meester Pieter sneed, van menschen of van dieren, blijft onzeker; waarschijnlijk wel die van dieren. Eindelijk nog Mester Augustyn Apoteker, de eenige artsenybereider die in het register genoemd wordt. Ook komt daarin slechts één maal de titel Doctor voor, eigen aan Doctor Dionisius Dodo, elders enkel Doctor Dodo genoemd, waarschijnlijk een arts.
Deze titels en namen voeren ons geleidelijk tot die soort van benamingen die aan een handwerk ontleend zijn, en die zeer menigvuldig in het register voorkomen. Het schijnt omstreeks den jare 1500 te Leeuwarden gebruikelijk geweest te zijn om den handswerkman, ’t zij hij aanzienlijk ware of gering, een kunstrijke beeldsnijder bij voorbeeld, of een nederige ketellapper, te noemen met zijnen enkelen vóórnaam en daar den naam van zijn handwerk als toenaam achter. Ook anderen, die geen eigentlijk handwerk uitoefenden, maar die met de handwerkslieden in hunnen burgerlijken stand werden gelijk gesteld, de kleine koopman of kramer, de sjouwerman en de houtzager, zoo wel als de koster en de stadsbode—zij allen voerden hunne benamingen op die wijze: Adam Scomaker en Upke Smidt, Obbe Scriuwer en Pybe Rogdrager. Als de zoon het zelfde handwerk uitoefende als zijn vader, ’t welk dikwijls voorkwam (vroeger by ’t bestaan der gilden nog meer dan tegenwoordig), dan ging de toenaam van den vader natuurlijk ook op zijnen zoon over, waardoor deze toenamen wel den aard van ware geslachtsnamen verkregen, en als zoodanig ook nog heden veelvuldig voorkomen. Zie bl. 179: Maes den Hantscomeker soen Maes Hantscomekers.