Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 22

Chapter 223,269 wordsPublic domain

Volgens het bovenstaande zijn dus in de achttiende eeuw, en in het begin van dit nog loopende negentiende jaarhonderd, in Friesland vele oude, sedert eeuwen reeds bestaande geslachtsnamen aangenomen door lieden, die daarop geen recht hadden, maar die dit deden wijl ze meenden, dat in die namen de eene of andere toespeling op hun bedrijf besloten lag. Het omgekeerde kwam ook voor; namelijk, dat iemand zijnen ouden, van zijne voorouders overgeërfden geslachtsnaam verwaarloosde en in onbruik liet geraken, juist omdat hij, ten onrechte alweêr, meende, dat die naam eene toespeling op de eene of andere levensbijzonderheid, hem zelven betreffende, inhield. Misverstand en onverstand, waardoor men de ware beteekenis dier namen niet verstond, hunnen ouden oorsprong niet kende, speelde een rol, zoowel bij den eenen als bij den anderen. Het volgende geval is hiervan een voorbeeld, en toont aan hoe willekeurig men oudtijds wel met de geslachtsnamen handelde.

Een burgerman te Leeuwarden, in de laatste helft der vorige eeuw, droeg, evenals zijne voorvaderen vóór hem, den geslachtsnaam Bootjema (in de zestiende en vijftiende eeuw ook Botiema geschreven). Deze naam is een oorbeeldig Friesche geslachtsnaam, ontleend aan den mansnaam Bootsje (Bootje), en „zoon van Bootsje” beteekenende. Bootsje is een verkleinvorm van Bote, een naam die nog heden onder de Friezen in volle gebruik is. Bootjema, van Bootsje, verkleinvorm van Bote, evenals Bontjema van Bontsje, verkleinvorm van Bonne, en Boukema van Bouke, verkleinvorm van Bouwe.

Onze man nu (wij willen hem voor ’t gemak Pieter Ypes noemen), was een groot liefhebber van spelevaren en zeilen, evenals zijn vader en zijn grootvader vóór hem geweest waren, evenals zoovele Leeuwarders vóór hem, in zijnen tijd, en nu nog heden ten dage. Hij hield er dan ook een vaartuigje, eene boot op na, om aan die liefhebberij te voldoen. Hij bracht schier al zijnen vrijen tijd, ter uitspanning, in zijn vaartuigje door. Dan zeiden zijne buren en stadgenooten dikwijls in scherts: „Bootsjema sit wer yn syn bootsje”. Dat verveelde den man. Immers ook hij zelf wist in zijnen naam anders niets te vinden, dan eene toespeling op zijne liefhebberij, en die van zijnen vader en grootvader; hij dacht werkelijk dat zijne voorvaders dien naam Bootjema hadden gekregen wegens hunne liefhebberij in ’t bootjevaren. Dies verwaarloosde hij opzettelijk zijnen alouden geslachtsnaam, en wilde niet anders dan Pieter Ypes genoemd worden, als zoon van Ype Pieters. Ten jare 1811, toen al de geslachtsnamen werden vastgesteld, liet hij (of zijn zoon of zijn kleinzoon—ik weet het niet nauwkeurig—maar dat doet er ook niet toe)—liet hij zich dan ook niet als Bootjema in de Registers van den Burgerlijken Stand inschrijven, maar als Ypes. En de nakomelingen van dezen man heeten nog heden aldus, terwijl de naam Bootjema uitgestorven is.

Terwijl dus de een en de ander in die dagen eenen ouden, reeds eeuwen bestaanden geslachtsnaam (Osinga, Latsma, enz.) zich wederrechtelijk toeëigende, liet weêr een ander zijnen ouden, hem van rechtswegen toekomenden naam varen; beiden uit onverstand, wijl ze de ware beteekenis van die namen niet kenden, of die verkeerd opvatteden.

Al heb ik hier van sommige Friesche geslachtsnamen aangetoond, dat zij werkelijk reeds van overoude tijden dagteekenen, en aan overoude Friesche mansnamen ontleend zijn, al schijnt het dan ook dat zij toespelingen bevatten op allerlei nering en bedrijf, op allerlei levensomstandigheden der menschen—ik moet, ten slotte, nog betuigen, dat dit alles geenszins op alle soortgelijke geslachtsnamen toepasselijk is. Om bij de weinige namen door Professor Wassenbergh opgesomd, en op bladzijde 237 hiervoren vermeld, te blijven, erken ik gaarne dat Schraagsma en Schaafsma, Draadsma, Pompsma en Pekelsma werkelijk namen zijn, eenvoudig bedacht door eenen slachter, eenen timmerman, eenen wever, eenen pompmaker en eenen inzouter (van pekelvleesch bij voorbeeld, voor scheepsgebruik), in toespeling op het bedrijf dezer lieden; en dat deze namen geenszins met Oud-Friesche mansvóórnamen samenhangen, noch ook daarvan zijn afgeleid.

Deze vijf namen kunnen nog met een zeer groot aantal anderen, soortgelijken, aangevuld worden, allen nog heden ten dage bij de Friezen voorkomende. Zie hier eenigen daarvan: Zaagsma, voor eenen timmerman; Breeuwsma voor eenen schuitmaker; Draaisma voor eenen pottebakker (naar het pottebakkerswiel, dat de man dagelijks draait); Koestra of Schaapstra voor eenen veehouder; Grasma voor eenen greidboer; Ploegsma voor eenen bouwboer; Graansma, Koornstra, Zaadsma voor eenen graankoopman; Praamsma voor eenen schipper; Schrijfsma voor eenen klerk; Slotsma voor eenen slotemaker; Pruiksma voor eenen pruikmaker; Pruimsma voor eenen vruchtenventer; Terpsma voor den man wiens huis op of nabij eene terp staat; en vele tientallen dergelijken meer. Immers toen de lieden, die eenen geslachtsnaam wilden of moesten aannemen, eenmaal op dit dwaalspoor gekomen waren, was er schier geen einde aan het bedenken van dit soort fantasie-namen.

En dat inderdaad de grootvaders en overgrootvaders, in het begin dezer eeuw, zich zulke eigen-bedachte namen, die nooit te voren gehoord, noch in gebruik geweest waren, hebben toegeëigend, in toespeling op hun bedrijf of op hunne levensomstandigheden, dat weten nog enkele nakomelingen van die mannen, heden ten dage, met zekerheid; ’t zij dan bij mondelinge overlevering, ’t zij uit aanteekening in de geslachtsregisters op de schutbladen van huisbijbels en kerkboeken. En te meer nog komen deze bijzonderheden in het licht, als de kleinzonen nog heden het zelfde bedrijf uitoefenen, als hunne groot- en overgrootvaders vóór hen gedaan hebben, en dus nog heden die toepasselijke namen dragen—gelijk wel voorkomt. Zoo is mij een houthandelaar bekend, die Houtsma heet, evenals zijn grootvader die ook houthandelaar was, en die zich dien naam toeëigende, ofschoon de toen reeds oude geslachtsnaam Houtsma van den verouderden mansnaam Houtse, verkleinvorm van Houte, Hout (Holt) is afgeleid. Zoo weet ik van eenen boer wiens huis bij eene wier staat, en die Wiersma heet, even als zijn grootvader, die reeds in dat zelfde huis woonde, en die dien naam had aangenomen, in toespeling op die omstandigheid (even als zijne standgenooten Boschma, Statema, Pollema, Zijlsma, enz.); ofschoon Wiersma (even als Wieringa, Wierema, Wierma) reeds een zeer oude, lang bestaande geslachtsnaam was, ontleend aan den verouderden, maar aantoonbaren mansnaam Wier. Verder is mij nog een blauwverwer bekend geweest, die Blauwstra heette, ofschoon die naam oorspronkelijk afgeleid is van de sate Blauw onder Sint-Nicolaasga; een wolkammer, die Cammenga heette, even als zijn grootvader die ook wolkammer geweest was, en die dezen naam in het laatst der vorige eeuw aannam, ofschoon Cammmingha juist de oudst bekende Friesche geslachtsnaam is, voor duizend jaren reeds aan eene adellijke maagschap eigen. Dan nog een verwer Ferwerda, wiens naam met verwen niets te maken heeft, maar voor eeuwen en eeuwen reeds is afgeleid van den dorpsnaam Ferwerd, even als Holwerda van Holwerd, Jorwerda van Jorwerd, Rauwerda van Rauwerd, enz.

De zakelijke inhoud nu van het bovenstaande betoog, in het kort samengevat, is:

De geslachtsnamen, in de vorige en in het begin dezer eeuw, door sommige burgers en boeren in Friesland aangenomen, in toespeling op hun bedrijf of hunne levensomstandigheden, zijn grootendeels Oud-Friesche, reeds eeuwen lang bestaande, patronymicale (dat is: van vaders-, van mansnamen afgeleide) geslachtsnamen, die toenmaals ten deele reeds uitgestorven (ofschoon den volke nog bekend), ten deele ook nog in leven waren. Een kleiner gedeelte van die eigenmachtig aangenomene namen is willekeurig bedacht en gevormd, in toespeling op het bedrijf of de levensomstandigheden dier lieden. In mijne Friesche Naamlijst kan men nazien welke van deze namen tot de eerste, welke tot de tweede groep behooren, wijl hun samenhang met Oud-Friesche mansvóórnamen daar is aangetoond; of anderszins deze geslachtsnamen daar op zich zelven vermeld staan.

De volgende verhandeling over de vleinamen der Friezen is eene uitbreiding van ’t gene reeds voorloopig, op bladzijde 211 hiervoren, van die zaak is vermeld geworden.

Het woord vleinaam (of vleivorm van eenen naam) is door mij bedacht geworden, en eerst in gebruik genomen, in navolging van het Hoogduitsche woord Kosename (Koseform eines Namens), waarmede de Duitschers hetzelfde begrip aanduiden. Ook Kosename is een kunstmatig gevormd woord, door eenen geleerde bedacht, en niet door de spraakmakende gemeente; het is niet in den levenden volksmond ontstaan. Waar Duitschers en Nederlanders dus tot eenen kunstmatigen vorm hunne toevlucht nemen moeten, om zeker begrip aan te duiden, daar kan de nooit volprezene Friesche taal, die zoo overrijk is in kernachtige, de zaken duidelijk en op volksaardige wijze omschrijvende woorden, maar vrijelijk putten uit haren woordenschat. De Friezen toch gebruiken, om hetzelfde begrip aan te duiden, dat Duitschers en Nederlanders met Kosename en vleinaam weêrgeven, het woord poppenamme; afgeleid van poppe, schootkindje. Dit woord poppenamme is zooveel te kernachtiger, duidelijker en beter, drukt zooveel te juister uit wat men ermede wil te kennen geven, als poppe juist niet een schootkindje in het algemeen en in alle voorkomende gevallen beteekent, maar bepaaldelijk het woord is waarmede teedere moeders, in moederlijke troetelliefde, hare kleine kinderen liefkoozenderwijze noemen.

Een vleinaam dan is die vorm van den eenen of anderen vóórnaam, zooals die door kinderen, welke nog niet goed spreken kunnen, worden verbasterd, en zooals die dan door moeders, welke hare schootkinders liefkoozen en vertroetelen, in ’t gebruik worden overgenomen en behouden. Menig klein meiske van tweejarigen leeftijd kan haren naam Aeltsje (in Nederlandsche spelling Aaltje) nog niet duidelijk uitspreken, maar noemt zich-zelve Aeye (in Nederlandsche spelling Aaye). De moeder, in deze kinderlijke uitspraak behagen vindende, noemt haar kind, door moederlijke teederheid gedreven, ook Aeye (Aaye). De vader volgt haar hierin wel na, en de oudere kinderen, met de overige huisgenooten en de nabestaanden, eveneens. Weldra wordt het kind, ook al wordt het grooter en grooter, en al kan het al lang ten duidelijksten Aeltsje (Aaltje) zeggen, in den huiselijken kring, en ook daar buiten, nooit anders genoemd dan Aeye (Aaye). En als het kind volwassen geworden is, ook dan nog blijft (in menig geval—niet als vaste regel, altijd en overal) die vleivorm van haren eigenlijken naam haar eigen en bij, en uitsluitend in gebruik; en op ’t laatst weet schier niemand anders, of de maagd, de vrouw, heet werkelijk Aeye (Aaye), haar heele leven lang.

In oude tijden, toen vele menschen weinig of nooit lazen en schreven, en velen dit zelfs niet konden doen, hadden de vleivormen nog veel meer geldigheid dan heden ten dage. Toen gebeurde het wel dat de eene of andere Aaye, grootmoeder geworden, haren naam in dezen vleivorm (en niet in zijne oorspronkelijke gedaante, als Aaltje—voluit, van ouds, Adela) aan haar kleindochterke overerfde, dat de ouders van dat kleinkind werkelijk de jonggeborene als Aaye, en niet als Aaltje, lieten doopen, en in het doopboek (in lateren tijd ook in de registers van den burgerlijken stand) lieten inschrijven. Zoo is het gekomen dat heden ten dage de eene Aaye als Aaltje te boek staat (dit is de regel), en dat de andere Aaye werkelijk onder dezen naamsvorm in het doopboek der Kerk, in de registers van den burgerlijken stand ten gemeentehuize van hare geboorteplaats, staat ingeschreven.

Zoo als dit hier nu met den vrouwennaam Aaltje, en zijnen vleivorm Aaye is aangeduid, zoo is het ook gegaan met zoo menigen anderen Frieschen vóórnaam. Zie hier een lijstje van eenige Friesche vóórnamen, met hunne vleivormen. Daar zijn er wel meer. Maar velen van die namen hebben meer het karakter van verkortingen, en van samengetrokkene naamsvormen; ware vleivormen zijn dat niet. Het onderscheid tusschen deze soorten van naamsverbasteringen is niet altijd, of in alle gevallen, even gemakkelijk aan te toonen. Dies heb ik hier slechts enkele, slechts de meest bekende vleivormen willen opsommen.

Mansnamen.

Eelke. Verkleinvorm van Ele, dat een vervloeide vorm is van Edel, bijvorm van Adel, in ouder vorm Athal, een samenstellend deel van volledige namen Athalbercht (Adelbrecht, Albert), Athalbrand, Athalger (Alger). In vleivorm Eke. Zie bladzijde 218.

Gerrit (Gerhard), in vleivorm Kei.

Dirk, Durk (Diederik, Thiadrik), in vleivorm Duye, Dye, Dukke.

Jelle, in vleivorm Jeye.

Reitse, in vleivorm Reye.

Sibren, in vleivorm Pibe.

Folkert, in vleivorm Tolle.

Willem, in vleivorm Wim of Pim.

Dit zijn alle acht bijzonder Friesche, maar in hunnen oorsprong goed algemeen Germaansche namen. Onder de mansnamen van vreemden oorsprong, maar die onder de Friezen burgerrecht verkregen hebben, zijn er ook enkelen met vleivormen. Te weten:

Johannes, in vleivorm Jan, Hanne en Kanne, weer verkleind tot Jancko (verouderd) en Hanke.

Frans, in vleivorm Panne.

Cornelis, in vleivorm Kees.

Klaas (samengetrokken en ingekorte vorm van Nicolaas), in vleivorm Kaeye (Kaaye).

Jurjen (oorspronkelijk Georgius), in vleivorm Jui.

Uit den aard der zaak zijn de vrouwennamen, die in vleivorm voorkomen, grooter in aantal dan de mansnamen.

VROUWENNAMEN.

Aeltsje (Aaltje), Adela, in vleivorm Aeye (Aaye). Aukje, ” ” Akke. Barteltsje (Barteltje), ” ” Bakke Baukje, ” ” Baeye, (Baaye). Dirkje, Durkje, ” ” Dukke, Duye, Dye, Didde, Dirre. Eelkje, ” ” Eke, Eekje. Fokeltsje (Fokeltje), ” ” Po. Froukje, ” ” Poai, Poi. Hylkje, ” ” Hike. Hiltsje (Hiltje), ” ” Hikke. Jeltsje (Jeltje), ” ” Jei, Jeye; weer verkleind tot Jeike. Rinske, ” ” Kinge. Romkje, ” ” Pomme. Sibbeltsje (Sibbeltje), ” ” Pibbe. Sibrechtje of Sibrichje, ” ” Pibe. Sjoukje, ” ” Koai, Koi. Tsjeardtsje (Tjeerdje) en Geartsje (Geertje), ” ” Kekke. Tjetske, ” ” Jekke. Tjitske, ” ” Jikke. Uulkje, ” ” Uke en Oeke. Wytske, ” ” Wike. Willemke, ” ” Wim, Wimke, Pimke. Elisabeth, ” ” Lyske, Like, Lite. Grytsje (Grietje), Margaretha, ” ” Kike. Jurjentsje (van Jurjen = Georgius afgeleid), ” ” Jui of Juike. Maria, Maryke, ” ” Maeike (Maaike). Pytsje (Pietje) (van Pieter = Petrus), ” ” Pike.

Tryntsje (Trijntje), Catharina, in vleivorm Nynke en Nine. In de steden ook Tine en Tynke.

Johanna, in vleivorm Hanne, Kanne en Kanke.

Te Leeuwarden, en misschien ook elders in Friesland, komen nog onder de ingezetenen, van ouds, de vreemde vrouwennamen Beatrix en Deborah voor, die als vleivormen Baetsje (Baatje) en Deetsje (Deetje) hebben.

Onder de bovengenoemde vleinamen zijn er eenigen, die enkel maar in mondeling gebruik zijn, maar nooit geschreven worden, en nooit als geijkte namen voorkomen. Dat zijn bij voorbeeld Koai en Poai, Pomme en Pibbe, Kinge en Bakke bij de vrouwennamen; Kei en Kaeye en Panne bij de mansnamen. Dezen, en eenige anderen, zijn nog heden louter als echte vleivormen, louter als noemnamen (sit venia verbo), en niet als schrijfnamen in gebruik. Maar Akke en Baeye (Baaye), Eke en Uke, Hike en Jikke, al zijn ze den volke nog genoegzaam als vleivormen van Aukje en Baukje, enz. bekend, komen toch ook wel als geijkte namen voor in doopboek en register van den burgerlijken stand, op de wijze als dit hier voren, bij Aeltsje en Aeye is aangetoond. En dat de mansnamen Pibe, Jeye, Duye eigenlijk slechts vleivormen zijn van Sibren, Jelle en Durk of Dirk (om van Jan = Johannes, Pieter = Petrus, Klaas = Nicolaas niet te gewagen)—dit is maar weinigen bekend, omdat deze namen even menigvuldig als de ware en oorspronkelijke namen, in geijkten zin, voorkomen.

Slechts zeer kortelijk en zeer oppervlakkig, slechts als ter loops heb ik de zaak der Friesche vleinamen hier te berde gebracht, ofschoon er juist van dit onderwerp zoo oneindig veel ter verklaring van de eigenheden en bijzonderheden der Friesche namen in het algemeen, te zeggen valt. Ik heb slechts voorloopig willen aanduiden, dat vele Friesche mans- en vrouwenvóórnamen anders niet zijn dan zulke vleivormen, afgeleid of verbasterd van volledige, oorspronkelijke namen, die de Friezen met andere Germaansche volken gemeen hebben of hadden. (Zie ook bl. 205). Pibe bij voorbeeld is reeds sedert vele eeuwen onder de Friezen in gebruik in geijkten zin, dus schijnbaar als een echte, een volslagene mansvóórnaam; en toch is deze naam ontwijfelbaar een vleivorm van Sybren (Sigbern), en anders niet; evenals Jeye en Reye slechts vleivormen zijn van Jelle en Reitse, Pim en Kei van Willem en Gerrit, enz. Die dit niet weet, moet Pibe wel houden voor eenen onverklaarbaren, geheel bijzonder Frieschen naam, die zijn weêrga bij andere Germaansche volken niet heeft. En zoo moet hij ook denken over dat zeer groote aantal Friesche namen, die reeds sedert eeuwen en eeuwen, en nog heden ten dage, onder ons in zwang zijn, en die, evenals Pibe, onder de Germaansche namen geheel op zich zelven schijnen te staan, geheel bijzonder Friesch schijnen te wezen. Toch is niets minder waar, dan dit. Honderden Friesche namen zijn eigenlijk slechts zulke vleivormen van volledige, algemeen Germaansche namen. (Zie bladzijde 211). Maar dit kan niet altijd en in alle gevallen met zekerheid worden aangetoond. Integendeel, het is veelal hoogst moeilijk om het bewijs daarvan te leveren, ja ondoenlijk, uit gebrek aan oude oorkonden en bescheiden, waar dit uit zoude kunnen blijken. Immers die vleivormen zijn reeds sedert eeuwen, velen reeds sedert 1000 jaren, in volle, geijkte gebruik; zij werden reeds in de vroege middeleeuwen, veelvuldig als zoodanig, en niet in hunne oorspronkelijke, volledige, onverbasterde vormen geschreven. Bij de Friezen kwam dit zeer menigvuldig voor, terwijl Sassen en Franken en andere den Friezen naverwante volken, in geschrifte, in den regel de volledige, onverbasterde namen hun recht gaven, ook al hadden ze, even als de Friezen, in het dagelijksche leven vleivormen van die volle namen in gebruik.

Ik heb eens eene oude oorkonde, een koopbrief, in het Friesch geschreven, en uit de 15de eeuw dagteekenende, in handen gehad en gelezen. Dat stuk begon alzoo: „Ick Wolbrecht Hayesin hlye end dwa cond mei dissen jenwirdigen breve, dat ic in caep jowen habbe”, enz. Verder op, in dezen koopbrief, noemt de schrijver, die zich in den aanvang voluit Wolbrecht, de zoon van Haye, had genoemd, zich eenvoudig en plat weg: Wobbe („Ic Wobbe voersein”). Wobbe geldt dus hier ontwijfelbaar voor den dagelijkschen noemnaam dezes mans Wolbrecht, en was ontwijfelbaar de vleivorm zijns naams, die hem nog van moeders schoot af was bijgebleven. Wobbe was de naamsvorm, waarbij Wolbrecht dagelijks genoemd werd, en bij iedereen bekend was. Toch wist de man, dat zijn naam, in volledigen vorm eigenlijk Wolbrecht was, en zóó noemt hij zich dan ook te recht, in den aanvang van de voor hem gewichtige oorkonde, die hij schreef.

Evenals wij nu weten, dat de volledige naam Sybren (Sigbern) tot Pibe en ook (minder verbasterd) tot Sibe geworden is, en dat Wobbe (met den verkleinvorm Wobke, misschreven als Wopke) als vleivorm van Wolbrecht is afgeleid, zoo mogen wij met alle waarschijnlijkheid, schier met zekerheid stellen, dat de Friesche mansnaam Abbe zulk een vleivorm is van Albert (oudtijds voluit Adelbrecht, Athalbercht). En waar wij nu weten, dat de oorspronkelijke vorm Adelbrecht niet enkel tot Albrecht, Albert is geworden, maar (bij de oude Hollanders vooral) evenzeer tot Aalbert (Aelbrecht); waar ook de oorspronkelijke, volle naam Adelhart bij de Friezen zoowel tot Aldert als tot Aaldert is vervormd, daar mogen wij toch wel aannemen, dat ook Abe, zoowel als Abbe, een vleivorm is van Albert of Aalbert. Abbe nu en Abe behooren al tot de oudst bekende Friesche mansnamen. Zij komen, al de laatst verloopene acht eeuwen door, in verschillende schrijfwijzen of spellingen, in oude geschriften voor, hebben ook aan talrijke geslachtsnamen en plaatsnamen oorsprong gegeven, en leven nog heden onder ons. Dit alles wordt in mijne Friesche Naamlijst aangetoond.

Mij zelven is wel nooit, onder het Friesche volk, ter oore gekomen, dat een knaapke, als Albert gedoopt en ingeschreven, door zijne moeder, „uit lievigheid” Abbe (of Abke) werd genoemd (ofschoon dit zeer mogelijk is); maar wel hoorde ik dat eene Hollandsche moeder haar zoontje, Albert geheeten, liefkoozenderwijze Appi noemde, en dat hare andere kinderen hun broerke evenzóó heetten. Heden ten dage zal nu niemand in Holland den naam van dit kind ook als „Appi” schrijven. Maar de oude Friezen, in dezen hunnen schier al te nuchteren zin voor huiselijken eenvoud ook in het openbare leven, schreven wel Wobbe als de man voluit Wolbrecht heette, of Pibe en Sibe voor Sybren, Wibe voor Wybren (Wigbern), Tjamme voor Tjadmer (Thiadmar), enz.

Dit een en ander is slechts eene vingerwijzing, slechts eene oppervlakkige aanduiding ter verklaring van zoo vele honderden bijzondere, bij de verwante Germaansche volkeren niet voorkomende Friesche namen—namen, die juist door hunne bijzonderheid, velen taalgeleerden navorschen, oudtijds en nog heden ten dage, zoo veel hoofdbrekens gekost hebben, en zoo menigmaal tot averechtsche beschouwingen aanleiding hebben gegeven, en die toch zoo eenvoudig en geleidelijk als vleivormen van volledige algemeen Germaansche namen ontleend zijn.

VI

DE NAMEN DER INGEZETENEN VAN LEEUWARDEN

ten jare 1511.