Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 21
De namen Ada, Emma, Ida zijn van ouds her ook bij andere Germaansche volken buiten Friesland in gebruik gebleven. De meeste overigen hebben alleen de Friezen behouden.
Ten slotte nog geef ik hier eene lijst van Friesche persoonsnamen in hunnen hedendaagschen, verbasterden en verkleinden vorm, met de oude, oorspronkelijke, volle vormen daar achter. De letters m en v achter de namen duiden aan of zij mans- of vrouwennamen zijn.
Aart, Arent, Aan m.—Arn of ook Arnold. Alger. m.—Adelgar. Allert. m.—Adelhart. Andele. m.—Ando. Aafje, Aafke. v.—Ava of ook Aba. Aaltje. v.—Adela. Anske. m.—Anso. Auke. m.—Audo, Auco of Avo. Aukje. v.—Auda of Ava. Bean, Baart, Beert, Berend, Barend, m.—Bernhard. Baartje, Baatje, Berendje (Berendina). v.—Bernharda. Bauwe. m.—Bavo. Baukje, Baaie. v.—Bava. Bartele, Bartle. m.—Bart of Brecht en Barthold. Barteltje, Bartje, Brechtje, v.—Bartha of Bertha, of Brechta en Bartholda. Bouwe. m.—Buvo. Boukje. v.—Buva. Binne, Binse, Bente, m.—Benno. Bentje, Benskje, Bints, Binke, Bintje, Bintske, v.—Benna. Bennert, Binnert. m.—Bernhard. Boete, Botte, Bote. m.—Botho. Boele, m.—Bolo. Brechtje. v.—Brechta, Bertha. Eelke, Eeltje. m.—Adel. Eke, Eelkje. v.—Adela. Dirk, Durk, Derk, Duye. m.—Diederik of Theodorik of Thiadrik. Dirkje, Durkje, Derkje, Dukke. v.—Diederica, Theodorica of Thiadrika. Dedmer. m.—Dethmar, Ditmar, Dietmar. Evert. m.—Everhart. Evertje (Everdina). v.—Everharda. Egbert, Eibert. m.—Egbrecht, Ekbrecht. Freerk. m.—Frederik. Freerkje. v.—Frederika. Gerrit, Geert. m.—Gerhart. Gerritje, Geertje, Gertje, Getje. v.—Gerharda. Gerben, Gerbren. m.—Gerbern. Gerbentje. v.—Gerbern. Gerbrich. v.—Gerbrechta. Gelf, Gellif, Gellof, m.—Gerlof of Gerolf. Gerlt, Gelt. m.—Gerhold. Gerlske, Gelske. v.—Gerholda. Govert. m.—Godferth. Govertje (Goverdina) v.—Godfreda. Edger. m.—Edgar. Eilert. m.—Eilhart of Agilhart. Elger. m.—Adelgar of Athalgar. Elbrich. v.—Adelbrechta. Folkert. m.—Folkhart. Femkje, Femke, Fimke. v.—Femma. Gosse. m.—Godsschalk of beter Godsskalk. Greult, Greold, Greelt. m.—Gerhold. Heine, Heinse. m.—Hagen. Harm, Harmen. m.—Herman. Harmke. v.—Hermanna (niet Hermina). Koen. m.—Kuno (spreek Koeno). Koert. m.—Koenraad, Kunrad. Lammert, m.—Landbrecht. Lambert, m.—Landbrecht. Lubbert. m.—Ludbrecht. Lutske. v.—Luda of Lutgarda. Meine. m.—Magin of Megino. Meinert, Meindert, Minnert, Mindert, m.—Meinhart of Meginhart. Hauke. m.—Hauk of Havik. Hille. m.—Hildo. Hiltje, Hikke, Hylkje, Hike. v.—Hilda. Ime. m.—Imo, Immo. Jorrit. m.—Everhart. Oege. m.—Ugo (Oego). Rein. m.—Reino, Regino of Ragin. Reintje, v.—Reina, Regina. Reinert, Reindert, Rinnert. m.—Reinhart. Reintje, Reinske, Reinskje. v.—Reinharda. Ruurd. m.—Rudhart. Roelof, m.—Rudolf. Rommert, Romke. m.—Rombrecht. Sybren, Sibren. m.—Sigbern. Sybrand. m.—Sigbrand. Sjoerd. m.—Sigurd. Sjoerdtje, Sjutte. v.—Sigurda. Sybrichje. v.—Sibrechta, Sigbrechta. Sjaard. m.—Sighart. Sierk. m.—Sigerik. Wemeltje. v.—Welmoed, Wolmoed. Wimer. m.—Wigmar. Wibren, Wybren. m.—Wigbern. Wybrand. m.—Wigbrand. Wytse. m.—Wito. Wytske, v.—Wita. Wibrichje. v.—Wigbrechta. Willem. m.—Wilhelm. Willemke. v.—Wilhelma (niet Wilhelmina). Wobbe, Wopke. m.—Wolbrecht. Wopkje. v.—Wolbrechta. Wouter, m.—Walther.
Er zijn heden ten dage honderden van bijzondere mans- en vrouwennamen, in allerlei versletene en verkorte vormen, bij de Friezen in gebruik. Het gaat natuurlijk niet aan, al die namen hier in hunne oorspronkelijke vormen te herstellen. Ruimte en tijd laten dat niet toe. Maar die van andere Friesche namen de oorspronkelijke vormen wil kennen, kan zeer velen daar van vinden in Dr. Ernst Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch, deel I, Personennamen (Nordhausen, 1856).
Niemand leide uit deze verhandeling, uit deze naamlijsten af, dat ik het mijne heb willen toebrengen tot het jammerlijke in onbruik stellen onzer edele en schoone Oud-Friesche mans- en vrouwennamen. O! zulk streven, den Stand-Fries onwaardig, is verre van mij! Juist het tegenovergestelde heb ik beoogd. En wat mijzelven persoonlijk aangaat, mij dunken de Friesche namen ook in hunne hedendaagsche verbasterde vormen, schooner, althans den waren Fries, der echte Friezinne passender, in allen gevalle eigenaardiger en volkseigener, als de oude, oorspronkelijke vormen. Ik voor mij hoor eenen Fries liever Greult en Frjeark noemen als Gerhold en Frederik, eene Friezinne liever Harmke en Romkje als Hermanna en Rombrechta, al zijn dan ook de eerstgenoemde namen slechts verbasterde en verkorte vormen van de laatsten. Maar niet iedereen denkt aldus. En zoo hoop ik dan met dit opstel te bereiken dat deze of gene Fries, die zijnen kinderen niet met de oude Friesche namen zijner eigene ouders en verwanten noemen wil, omdat die namen hem niet meer behagen in hunne hedendaagsche vormen, dan daarvoor in de plaats geen vreemde, onfriesche, vaak ongermaansche namen neme, noch ook die oude namen op dwaze en gansch onredelijke wijze verbastere en verderve, maar dat die man die namen in hunne oude, oorspronkelijke, volle, schoone en zinrijke vormen, volgens bovenstaande handleiding, herstelle.
Een zeer beknopt algemeen overzicht van de Friesche geslachtsnamen, van de verschillende vormen die de wezenlijke eigenaardigheden der Friesche geslachtsnamen uitmaken, moge aan de volgende verhandeling voorafgaan, tot beter verstand en inzicht bij het hier vervolgens behandelde onderwerp.
Volgens hunnen oorsprong en hunne beteekenis vervallen de eigenaardige Friesche geslachtsnamen in twee hoofd-afdeelingen; ten eersten, in geslachtsnamen die van mansvóórnamen zijn afgeleid; ten tweeden, in zulken die van plaatsnamen afstammen.
De geslachtsnamen, waaraan een mansvóórnaam ten grondslag ligt, zijn
a. die, welke op den Oud-Frieschen patronymicalen vorm inga uitgaan. Dit inga komt ook in versletenen vorm als enga voor, en in Oost-Friesland, door Hoogduitschen invloed, als unga. Voorbeelden hier van zijn de geslachtsnamen: Bottinga en Bottenga (van den mansnaam Botte), Sibinga en Sybenga (van Sibe, vleivorm van Sibrand, Sigbrand), Boyenga, Booyenga, Booienga, in Oost-Friesland Boyunga (van den mansnaam Boaye, Boye, Booye). Zoo beteekent dan Bottinga, Sibinga, Boyenga zoon of afstammeling van eenen man, van eenen stamvader, die Botte, Sibe of Boaye heette.
b. die, welke op ia eindigen. Dit ia is een vorm die uit inga is samengetrokken, volgens eene kenmerkende bijzonderheid van het Friesche taaleigen. Zoo is bij voorbeeld de geslachtsnaam Sinia oorspronkelijk voluit Sininga, en beteekent zoon of afstammeling van Sine, van den man, den stamvader, die den naam Sine droeg. Andere zulke namen zijn nog (Van) Bothnia, voluit Bottinga, van Botte; Unia, voluit Uninga, van Une of Oene, enz.
c. die op eene enkele a, een Oud-Frieschen tweede-naamvalsvorm uitgaan. Bij voorbeeld: Alberda en Albarda, dat is: Alberts, Albert’s zoon, de zoon van den man, den stamvader, die Albert (Adelbrecht) heette. Verder Andela, van Andele; Tsjaerda (in Nederlandsche spelling Tjaarda), zoon van Tsjaerd (Tjaard).
d. die op het aanhangsel ma (man) eindigen, op den ouden, oorspronkelijken vorm, of op sma, eenen daaruit ontstanen vorm, van jongere dagteekening (samengesteld uit den tweeden naamvals-vorm s, en uit ma). Bij voorbeeld, Minnema, Popma, Sytsema, of Sytsma, zoon, afstammeling of hoorige van Minne, van Poppe, van Sytse. En Tjeerdsma, Meindersma, Wigersma, van Tsjeard (in Nederlandsche spelling Tjeerd), Meinder en Wiger (Thiedhart, Meginher en Wigher).
e. die op na en sna uitgaan (in de zelfde verhouding tot elkanderen staande als ma en sma, onder letter d hierboven vermeld). Dit zijn eigenlijk Oost-Friesche vormen, die echter ook wel eene enkele maal in ons Friesland voorkomen. Bij voorbeeld: Frankena en Jorna, zoon van Frank en zoon van Jorre. Intusschen, men kan met evenveel recht aannemen, dat deze twee geslachtsnamen tot de onder letter c hier voren vermelde groep (op enkele a eindigende) behooren, en dus moeten ontleed worden als Franken-a en Jorn-a; dat is dan: zoon van Franken of Frankwin, en zoon van Jorn, dat is Everwin.
f. die op den nieuweren, algemeen geijkt Nederlandschen tweeden-naamvalsvorm op s uitgaan, of op den verouderden, nog slechts hier en daar (ook in Holland) in den volksmond levenden tweeden-naamvalsvorm op en, n. Bij voorbeeld Ypes, Goslings, Jelles, Heeres, Romkes, en Poppen, Yben, Kampen, namen die voor iedereen die de Friesche mansvóórnamen Ipe of Ype, Goasling of Gosling, enz. kent, duidelijk en verstaanbaar zijn.
De tweede hoofd-afdeeling van oorbeeldige Friesche geslachtsnamen is niet uit mansvóórnamen, maar uit plaatsnamen gevormd, en komt overeen met de geslachtsnamen, samengesteld uit het voorzetsel van en eenen plaatsnaam (van Velsen, van Assen), die in de andere Nederlandsche gewesten zoo menigvuldig voorkomen. Deze afdeeling vervalt nader in twee groepen:
a. Geslachtsnamen die slechts eene enkele a achter den plaatsnaam hebben; bij voorbeeld: Ferwerda, Holwerda, Rauwerda, Salverda, afgeleid van de plaatsnamen Ferwerd, Holwerd, Rauwerd, Friesche dorpen, en van den plaatsnaam Salwerd, eigen aan een gehucht bij Franeker.
b. Namen, die op stra eindigen: Lemstra, Dragstra (eigenlijk voluit Drachtstra), Joustra, Balkstra, Troelstra, van de plaatsnamen de Lemmer, Drachten, de Joure, Balk en Ter-Oele, aan Friesche vlekken en dorpen eigen. Hier bij komen nog de talrijke geslachtsnamen, die bestaan uit het achtervoegsel stra en een woord van algemeen-aardrijkskundigen aard, dat als ’t ware staat in de plaats van eenen echten plaatsnaam. B.v. dyk, syl, terp, die aan de geslachtsnamen Dijkstra (eigenlijk Dykstra), Zijlstra (eigenlijk Sylstra) en Terpstra ten grondslag liggen.
De Friesche taalgeleerde, Prof. Everwyn Wassenbergh, die in het begin dezer eeuw Hoogleeraar was aan de Hoogeschool te Franeker, zegt in zijne „Verhandeling over de Eigennamen der Friezen” (voorkomende in zijne „Taalkundige Bijdragen”, Leeuwarden, 1802), waar hij spreekt van de Friesche geslachtsnamen, zooals die in het laatst der achttiende eeuw veelvuldig bij de eenvoudige burgerlieden, bij de neringdoenden en de handwerkslieden, en ook wel bij de boeren (voor zoo verre ze geen eigenerfden waren), in Friesland in zwang kwamen, het volgende:
„Een bakker noemde zich Baksma; een slager Bijlsma of Schraagsma; een timmerman Latsma of Schaafsma; een mandemaker Tiensma; een bleeker Osinga. Hiertoe behooren nog Smedema, Hoornsma, Ratsma, Hammersma, Draadsma, Ramkama, Pompsma, Pekelsma”.
Deze woorden bevatten waarheid. Maar volledig waar, in alle opzichten waar—dat zijn ze niet. Zoo men deze uitspraak niet cum grano salis opvat, zoo men haar niet met onderscheiding en met goed verstand aanneemt, maar integendeel haar houdt voor slechtweg waar, voor ten volsten waar in alle opzichten, dan komt men, in zake de verklaring van vele Friesche geslachtsnamen, op een dwaalspoor.
In der daad hebben sommige Friezen in de vorige eeuw zich van geslachtsnamen voorzien, op zulk eene onredelijke, willekeurige en zonderlinge wijze, als Professor Wassenbergh mededeelt in zijne bovenaangehaalde woorden. En nu, honderd en meer jaren nadat die eigenaardige soort van geslachtsnamen zijn opgekomen, meenen sommige Friezen, dat juist die wijze om geslachtsnamen te vormen, de regelmatige manier was, de wijze die schier uitsluitend, althans zeer menigvuldig, gevolgd werd. Zij meenen dat het werkelijk een timmerman moet geweest zijn, die zich het eerst Latsma, Hammersma of Borenga noemde; werkelijk een bleeker die den naam Osinga eerst aannam; of een slachter die zich zelven den naam Lamkema of Ramkema toelegde. Dit nu is niet waar. Het moge misschien waar zijn van sommigen der geslachtsnamen, door Professor Wassenbergh opgenoemd; bij voorbeeld van Schraagsma, Schaafsma, Draadsma, Pompsma, Pekelsma. Maar van al die opgenoemde namen geldt dit niet.
Men versta mij wel. Ik wil niet ontkennen dat er een timmerman geweest kan zijn, die zich zelven eerst den naam Latsma of Borenga of Hammersma toeëigende, of een bleeker die zich Osinga, een bakker die zich Bollema noemde. Maar zelf bedacht, zelf gevormd heeft die timmerman, die bleeker, die bakker die namen niet. Die namen bestonden reeds, waren reeds eeuwen lang door Friesche maagschappen gedragen geworden; door maagschappen, die volstrekt niet eenen timmerman, noch eenen slachter of bakker tot stamvader hadden. Die namen waren, althans ten deele, toenmaals nog het eigendom van oude, veelal adellijke of eigenerfde, nog bestaande geslachten. Of anders, zoo die namen werkelijk reeds uitgestorven waren met de geslachten, waaraan ze van ouds her hadden toebehoord, dan bestonden nog wel de staten en de saten van die geslachten, die hunne oorspronkelijke, aloude woonsteden, hunne stamzetels waren geweest (bij voorbeeld Osinga-state, Latsma-sate); en zoo waren die geslachtsnamen den volke nog bekend en mondsgemeen.
Nemen wij als voorbeeld den naam Osinga (met zijne bijvormen, slechts in spelwijze daarvan verschillende, Osenga, Ozinga, Ozenga, oudtijds ook Oesinga en Oesingha geschreven)—een zeer oude naam, eigen aan eene wijd vertakte maagschap van eigenerfde Friezen, die ook nog heden bestaat, en door menige loot uit den ouden stam gedragen wordt. Ook Osinga-staten zijn er in aanmerkelijken getale over het geheele Friesche land verspreid: te Kimswerd, te Hallum, te Langweer, op Sottrum onder Schettens, te Grouw, te Dronrijp. Buitendien is er nog een Osinga-hûs onder Oosterend, terwijl een gehucht onder Heeg den naam van Osinga-huzen draagt. De naam Osinga is een zoogenoemd patronymicum of vadersnaam; dat is: hij is, door achtervoeging van den uitgang inga (die kindschap of afkomst van zekeren stamvader aanduidt), afgeleid van, ontleend aan eenen mansnaam; in dit geval aan den Oud-Frieschen mansnaam Ose of Osi (Osinga van Ose, gelijk Wybinga van Wibe, Eisinga van Eise, Idsinga van Ids, Scheltinga van Schelte). Of anders (deze zaak is niet volkomen zeker), is Osinga een versletene, verbasterde vorm van den oorspronkelijken, volledigen vorm Oedsinga, afgeleid van den mansnaam Oeds. In oude geschriften toch vindt men den naam van het gehucht Osinga-huzen, boven vermeld, geschreven als Oessingahuyssen en Oedsyngahuysen. Ook de oude schrijfwijzen Oesinga en Oesingha, in plaats van Osinga, wettigen dit vermoeden. Maar hoe dit ook zij, de een of andere bleeker, in het laatst der vorige eeuw levende, en eenvoudig Wibren Sjoerds heetende, (naar zijnen vader Sjoerd Wibrens), maar eenen geslachtsnaam begeerende te bezitten, dacht aan een deel van zijn dagelijksch werk, te weten aan het ozen, dat is: het water uit de slooten rondom zijn bleekveld, niet lange en langgesteelde oosfetten (hoosvaten) over het te bleeken liggende lijnwaad spreiden en sproeien. Hij dacht, in zijn onverstand, en zoo op den klank af oordeelende, dat dit woord ozen deel uitmaakte van den ouden, hem welbekenden geslachtsnaam Osinga, en vond nu niets gereeder, niets geschikter, dan zich eenvoudig Osinga te noemen, dan dien reeds sedert eeuwen bestaanden geslachtsnaam zich maar toe te eigenen. Maar zelf dien naam bedacht en uitgevonden, dat had hij niet. Evenmin als bij voorbeeld de boer, die zich Boschma noemde, omdat hij op de Boschplaats (bij voorbeeld op de Boskpleats (Minia-Roorda-sate) te Grouw, of op de Boskpleats (Thetinga-sate) te Wieuwert) woonde; of die anderen die zich Tillema, Bruggema, Pollema, Statema, Zijlma noemden, omdat ze bij eene tille of eene brug, op eene pôlle (klein eilandje of klein heuveltje), op eene state of bij eene syl of sluis woonden. Immers ook die namen, en honderd andere dergelijken, bestonden reeds eeuwen vóór dien tijd, dat de eene of andere in de vorige of in ’t begin dezer eeuw ze zich wederrechtelijk toeëigende. Het zijn patronymicale, van mansnamen afgeleide maagschapsnamen; zoo goed, en zoo zeker, als Osinga, Hammersma, Latsma dat zijn.
De geslachtsnamen, die, evenals Osinga, schijnbaar aan het eene of andere bedrijf, aan het eene of andere werktuig, aan de eene of andere werkzaamheid, daartoe behoorende, herinneren, komen zeer menigvuldig, bij honderden in getale, onder de Friezen voor. Inderdaad, de handwerkslieden en de neringdoenden onder hen, en ook de boeren, schippers, enz., die in de vorige, en in het begin van deze eeuw zich eenen geslachtsnaam, toepasselijk op hun bedrijf, wilden toeëigenen, hadden die namen maar voor het uitzoeken, maar voor het grijpen. En velen onder hen misbruikten dan ook op die wijze sommige oude, reeds eeuwen bestaande, van mansnamen afgeleide, zoogenoemde patronymicale geslachtsnamen. Zoo kon een visscher zich Aalsma noemen of Vissia; een brouwer Bierma, een bakker Bollema of Boltjes, een scheepstimmerman Bootsma of Scheepma, een boekhandelaar Boekema, een landbouwer Boerma of Boersma, een kleermaker Broeksma of Buisma, een houtkoopman Houtsma of Balkema, een stalhouder of rijtuigverhuurder Stallinga, een varkensslachter Bargsma, een verwer Ferwerda, een wolkammer Cammenga (oorspronkelijk Cammingha), die aan eene brug of aan eenen dijk woonde Bruggema of Brugsma, Dijkema of Dijksma noemen. Inderdaad, het kost weinig moeite zulk soort van namen nog bij honderdtallen hier aan te voeren, ter uitbreiding van het lijstje, dat Professor Wassenbergh heeft gegeven, en dat aan het hoofd van dit opstel is medegedeeld. Ook kost het weinig moeite om aan te toonen, om te bewijzen, dat alle deze namen oorspronkelijk niets met den visscher noch met den bloemkweeker, met den bakker noch met den brouwer, met den kleêrmaker noch met den boekhandelaar te maken hebben, noch ook met den man die op eene state of op eene pôlle of op eene boskpleats, aan eene tille of eene brug, of bij eene syl of eenen dyk woonde, iets hebben uit te staan.
Natuurlijk gaat het niet aan, zoude het veel te veel van de beperkte ruimte in dit boek innemen, wilde ik den waren oorsprong van al deze geslachtsnamen hier nader ontvouwen en aantoonen. De opmerkzame vindt dien oorsprong, vindt dien oorspronkelijken samenhang dezer geslachtsnamen met oude Friesche mansvóórnamen, vindt menigmaal ook het bewijs hunner aloudheid in mijne Friesche Naamlijst (Leeuwarden, Meyer en Schaafsma, 1898). Toch wil ik mij zelven het genoegen gunnen (en, zoo ik hoop, daar mede den lezer niet ongevallig zijn), een paar dezer namen te ontleden. Nemen wij Latsma en Hammersma; die door Professor Wassenbergh als timmermansnamen worden voorgesteld.
Latsma,—wel verre van in de vorige eeuw door eenen timmerman eerst te zijn bedacht (al blijft het mogelijk dat een timmerman dien naam zich toenmaals opzettelijk, maar wederrechtelijk heeft toegeëigend)—Latsma is een zeer oude, reeds eeuwen en eeuwen bestaande geslachtsnaam, die samengesteld is uit den mansnaam Latse, en het bekende, veelvuldig in Friesche geslachtsnamen voorkomende achtervoegsel ma (even als Wytsma en Sytsma, Rinsma en Binsma van Wytse en Sytse, van Rinse en Binse ontleend zijn). Latse is een zoogenoemde verkleinvorm, even als Wytse en Sytse, Rinse en Binse dit ook zijn. Neemt men het verkleinende achtervoegsel se achter Latse weg, dan blijft er de oorspronkelijke vorm Latte over, even als Site en Wite, Rinne en Binne overblijven van Sytse en Wytse, Rinse en Binse. Site en Wite, Rinne en Binne komen nog wel als mansnamen onder de Friezen voor; zij het dan ook zeldzaam, vooral de drie eerstgenoemden. Maar Latte is mij nooit te voren gekomen, als mansnaam, ’t zij dan nieuw noch oud, en zoo min geschreven als gesproken. Toch is zonder twijfel Latte in ouden tijd een mansnaam bij de Friezen geweest, even als Wite en Site, Rinne en Binne (nevens Wytse en Sytse, Rinse en Binse) dit nu nog heden zijn. Dat de naam Latte bestaan heeft, wordt onomstootelijk bewezen door den verkleinvorm Latse, en tevens door den nog heden onder de nakomelingen der oude Friezen beoosten Lauwere, onder de hedendaagsche Groningerlanders levenden geslachtsnaam Latma. (Latma van Latte, even als Bouma van Bouwe, Alma van Alle, Popma van Poppe ontleend is.) De verkleinvorm Latse zelve schijnt ook onder de hedendaagsche Friezen buiten gebruik geraakt te zijn. In deze eeuw althans is mij deze mansnaam nooit te voren gekomen. Maar oude geschriften uit vorige eeuwen vermelden hem niet zeldzaam, ook in verouderde spelling, als Lattzie, Lattie, Lattia. De geslachtsnaam Latsma bestaat nog heden; in oude oorkonden is hij mij voorgekomen als Latzema en Lattziema. Buitendien bestaat nog te Siksbierum de eeuwenoude, aanzienlijke Latsma-sate, de stamsate van het geslacht der eigenerfde Friezen die dezen naam droegen, in herinnering aan hunnen stamvader Latse. En deze sate strekt tot een onomstootbaar bewijs, dat het geenszins een achttiende-eeuwsche timmerman was die zich eerst Latsma noemde; al blijft het mogelijk dat zulk een man dien alouden geslachtsnaam aannam, in geestelooze toespeling op de latten, die hij bij zijn dagelijksch bedrijf gebruikte.
De hamer, een werktuig dat hedendaags slechts voor vreedzame doeleinden in gebruik is, was oudtijds ook al een wapen, een oorlogstuig. Inderdaad, een zware hamer, door eene krachtvolle vuist omklemd, door eenen gespierden arm gezwaaid, was geen te verachten wapen, en heeft zeker menigen vijand den schedel verpletterd. Men denke ook aan den hamer, het wapen van den Oud-Germaanschen Thor. Evenals de benaming van ander wapentuig, van den helm, den speer (ger of geer), het schild, het harnas (bron), zoo was ook het woord hamer, op zich zelven of in samenstellingen, bij de oude Germanen tot eenen naam geworden, dien men jonggeborenen knaapkens gaf. Förstemann, in zijn „Altdeutsches Namenbuch”, geeft eenige voorbeelden van zulke mansnamen op: Hamarard, Hamerrich, Hamarolf. Ook de oude Friezen, als echte Germanen, volgden deze zede. Mij is deze naam, in drie vormen, Hamar, Hamer, Hammer, voorgekomen in oude geschriften, als eigen aan Friesche mannen. Waarschijnlijk is de hedendaags onder de Friezen nog gebruikelijke mansnaam Hamke, Hamko, Hamco (met de daarvan afgeleide geslachtsnamen Hamkema en Hamkes en het verlatijnschte Hamconius, met den Groningerlandschen geslachtsnaam Hammeka, en den Helgolandschen geslachtsnaam Hammekens) van dien ouden hamernaam nog wel een vlei- en verkleinvorm. Dat Hammer of Hamer onder de oude Friezen als mansvóórnaam in gebruik geweest is, bewijzen voorts nog de van hooge oudheid getuigende geslachtsnamen Hameringa en Hamringa (samengetrokken vorm van Hammeringa), in Oost-Friesland nog meer verbasterd tot Hammerga. Verder de geslachtsnamen Hammersma en Hamersma, met Hammers en Hamers, die van jongere dagteekening zijn. Ook de Hammerstille, nog in de vorige eeuw eene brug onder Westergeest, bewijst het voorkomen van Hammer als mansnaam onder de Friezen; evenals de plaatsnamen Hammerum (oorspronkelijk Hammer-hem, de omvredigde woonplaats van Hammer), dorp in Jutland; Hamarithi (thans Hemert), dorp in Gelderland; Hamareshusun (Hamershusen, thans Hummersen), dorp in Lippe, Duitschland, dit bewijs leveren bij andere, den Friezen verwante volken, bij Jutten, Batavers en Sassen.
De geslachtsnamen Hammersma en Hamersma zijn dus reeds eeuwen en eeuwen oud, en daar behoefde waarlijk geen achttiende-eeuwsche timmerman te komen, om die namen te bedenken. Maar dat zulk een man, in gezochte toespeling op een werktuig dat hij dagelijks gebruikte (evenals de timmerman Schaafsma, die zich naar zijne schaaf zoo noemde), dien ouden naam zich wederrechtelijk heeft toegeëigend—dit blijft mogelijk, en dit willen wij, op de bewering van Professor Wassenbergh, gaarne als zeker aannemen.