Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 20

Chapter 203,803 wordsPublic domain

Bij ’t verknoeien en verbasteren van de oude, oorspronkelijke Friesche mans- en vrouwennamen spelen de verkleinvormen eene zeer groote rol. Wij hebben boven reeds gezien dat de namen Eelke en Eeltje, Eelkje en Eke alle vier verkleinvormen vertoonen door de aanhangsels ke, tje, en je, en deze vormen vinden wij terug in een zeer groot aantal hedendaagsche namen, zoo wel van mannen als van vrouwen. Bij voorbeeld in Auke en Bauke, in Epke, Harke en Yke, in Wilke en Uulke (Uilke), in Folke en Tsjepke (Tjepke), in Sipke en Wopke; dan in Haentsje (Haantje) en Hantsje, in Jentsje en Yntsje, in Luutsje, Rintsje en Wiltsje, (Hantje, enz.) allen mansnamen. En in Aukje en Baukje, Ymkje en Sjoukje, Froukje en Houkje, Feikje, Foekje en Fokje, Hiskje en Liskje, Hylkje en Lieuwkje, Lolkje en Namkje met Ofke en Oedske, Maeike en Minke, Riemke en Rinske, Sytske en Wytske, Saepke (Saapke) en Swobkje, Teatske en Yfke, allen vrouwennamen. Deze en soortgelijke namen erkent nog iedereen als verkleinvormen, omdat de aanhangsels ke, tje en je nog heden zoowel in de schrijf- als in de spreektaal in volle gebruik zijn. Anders is het met de Friesche namen die uitgaan op verkleinende aanhangsels welke in de hedendaagsche spreek- en schrijftaal niet meer voorkomen. Slechts de man die de Oud-Friesche taalkunde in het bijzonder heeft beoefend, verstaat dat er verkleinvormen schuilen in de namen Atse en Watse, Sytse en Wytse, Reitse, Weitse en Sweitse, Doaitse en Hoaitse, Hoatse en Haitse, Fetse en Jetse, Tjitse en Ritse, in Rients, Bients en Graets, in Uultsen en Luutsen, in Ytsen en Montsen, in Douwtsen, Jeltsen en Martsen; verder in Abele en Heabele, Andele en Bartele, Eabele en Doekele, Lykle en Rykle, Seakele en Sibble, Jakkele, Nammele en Oebele. En toch is dit het geval. Het aanhangsel tse (ts, tsen) is een Oud-Friesche verkleinvorm, en le eveneens. Dit blijkt ook hier uit dat velen dezer namen nog heden ook in onverkleinde vormen bij ons in gebruik zijn. Bij voorbeeld: Atte (de vrouwelijke verkleinvorm Atsje is vooral niet zeldzaam), Feite, Haite en Hoaite, Tjitte of Tiete, Monte, Abe, Eabe, Bart, Doeke, Nammen (uit den verkleinvorm Nammele is de n van den oorspronkelijken vorm Nammen gesleten, omdat de n en de l te veel op elkanderen stooten), Oebe (Obbe of Ubbo), enz. Het Oud-Friesche verkleinende aanhangsel ts is volkomen een en het zelfde als het Nieuw-Friesche aanhangsel ke. Immers zijn k en ts of tsj wisselletters in het Friesch. De ts of tsj neemt in het Friesch en Engelsch dikwijls de plaats in van de k in de verwante Germaansche talen. Men denke aan tsjerke en church tegenover kerk en kirche, aan tsjiis en cheese tegenover kaas en käse.

De hedendaagsche Friesche uitspraak van het Hollandsche verkleinende aanhangsel tje als tsje, bij voorbeeld bytsje voor beetje, potsje voor potje, Pytsje voor Pietje, enz. is eigenlijk en oorspronkelijk tjse, tse, of ke. Zoo dat men eigenlijk byttsje (byt-tsje = bytke) moest schrijven, met Pyttsje, pottsje, enz. Immers de woorden byt, pot, Pyt eindigen uit zich zelven reeds op t, en ’t aanhangsel tje of tse of tjse begint er mede. Even eens moest men Attse (At-tse = At-ke = At-tje = de kleine Atto) schrijven, met Tsjittse, Luuttsen, enz., in plaats van Atse, Tsjitse, Luutsen. Die aangaande deze ts = k, en tse of tjse = ke als verkleinend aanhangsel iets naders weten wil, leze eene zeer belangrijke aanteekening van onzen taalgeleerde J. H. Halbertsma, bij zijn verhaal De treemter fen it Sint-Antoni-Gasthuws.

Ook een zeer oud verkleinend aanhangsel is le, dat achter namen als Eabele, Doekele, Nammele geplaatst is. Oorspronkelijk is het volkomen een en het zelfde als het verkleinende achtervoegsel lyn bij de oude Hollanders en Vlamingen, als lein bij de hedendaagsche Hoogduitschers, in de woorden maegdelyn, oogelyn, vogellyn (niet vogelijn), en blümlein, röslein, äuglein.

Achter den verkleinvorm ke eischt de Oud-Hollandsche, alsook de Hoogduitsche uitspraak eene n (b.v. roosken, meisken, en röschen, mädchen), waar de Friesche uitspraak die n achterwege laat: roaske, fanke. En zoo is het ook met den uitgang lyn of lein, die in het Friesch, zonder n, als le luidt. Zoo als de oude Friezen in deze zaak deden, spreken nog heden de Zwaben in Opper-Duitschland, die rösle, mädle zeggen; terwijl de Zwitsers in hun röseli, maidli de i nog laten hooren, maar de n ook niet.

Eene bijzondere oorzaak van het verval der Friesche namen is gelegen in het onverstand van allerlei vreemde, onfriesche predikanten en pastoors, schoolmeesters, notarissen, ambtenaren van den burgerlijken stand, enz. in Friesland. Van ouds schreven de Friezen natuurlijk hunne Friesche namen volgens de Friesche spelling en niet volgens de Hollandsche of eene andere. Trouwens, eene andere schrijfwijze is ook niet mogelijk, ten zij men er niet om geve zoo men onzin voor den dag brengt. Die Friesche spelling van Friesche namen en woorden is de eenig goede, en is door alle Friezen, die slechts een weinig gevoel voor taalzuiverheid, slechts een weinig kennis van spelling en letterwaarde hebben, dan ook steeds gevolgd tot in deze eeuw. Sedert de helft dezer eeuw zijn er al meer en meer vreemde, onfriesche, meest Hollandsche onderwijzers, predikanten, pastoors en ambtenaren in de Friesche gewesten aangesteld geworden. Sommigen van deze vreemdelingen, ja bijna allen, geven den Friesche taal geenszins de eere die haar toekomt, waardeeren haar niet of minachten haar, omdat zij haar niet kennen, omdat zij haar dwazelijk uit der hoogte aanzien voor een verbasterd en leelijk volksdialect. Anderen zelfs haten haar, haten de Friesche taal omdat zij hun moeielijkheden in den weg legt in hun verkeer met het Friesche volk, haten haar omdat de Friesche taal hen dwingt zich in te spannen en nog wat te leeren—een zware eisch voor waanwijze betweters. Die willen dan wel het Friesch schoeien op de Hollandsche leest, het Friesch dwingen in het Hollandsche spoor, met andere woorden: zij willen Friesche namen en woorden schrijven volgens Hollandsche spelregels en—begaan dan domheden, waar mede zij den waren Friezen ergeren. Deze schadelijke invloed van vreemdelingen op de Friesche taal, waartegen de Stand-Friezen dienen te waken en zich krachtig te verzetten, blijkt ook uit de dwaze spelling waarin heden ten dage sommige Friesche namen in nieuwsbladen en andere openbare geschriften voor ’t licht komen. Daar vindt men wel Sietsche en Wietsche, Jetsche en Vetje met Vokeltje en Vrouwkje, Zwopkje en Zweitse, Rinze en Binze, Taeke en Taetsche, Zijtze en Volkert geschreven, in plaats van Sytske en Wytske, Jetske en Fetsje (Fetje), Fokeltsje (Fokeltje) en Froukje, Swobkje, Sweitse, Rinse, Binse, Teake, Teatske, Sytse en Folkert.

Die tweeklank ie in plaats van den enkelen klank dien de Friezen met y afbeelden, die ie waarmede de Hollanders meenen de Friesche zuivere, lange i (y of î) te kunnen weêrgeven, is in namen als Sietse en Wiebren in het geheel niet op zijne plaats. De ie is in het Friesch immers duidelijk een tweeklank, gelijk zij oorspronkelijk in het Hollandsch ook was, en nog heet. De Friezen laten in hunne uitspraak dan ook zeer te recht nog duidelijk hooren dat de ie een tweeklank is, in tegenoverstelling met de Hollanders die deze oude en zuivere uitspraak verloren hebben, en geen onderscheid meer kennen tusschen ie en i of y. Immers in het woord wiet (nat) laten de Friezen eenen gants anderen klank hooren als in Wyt(ske), een onderscheid dat het verstompte gehoor der Hollanders niet meer schijnt te kunnen vatten.—De sch in woorden als school, schoen, schip, visch, wasschen wordt in het Friesch, even als in de Noordsche talen, als sk uitgesproken: skoale, skoe, skip, fisk, waskje. Door deze Friesche uitspraak in de war gebracht, meenen sommige waanwijze vreemdelingen ook de sk in de namen Wytske, Gelske, Anske, enz. als sche te moeten verhollandschen, en er Wietsche, Gelsche, Ausche van te moeten maken. Intusschen, de sk in Wytske, Gelske, Anske komt geenszins overeen met de Hollandsche sch. O neen! Immers in deze en soortgelijke namen is sk slechts eene toevallige samenvoeging van letters. Hier staan de s en de k slechts bij toeval naast elkanderen, en vormen geenszins eene bijzondere letterverbinding. Hier behoort de s aan de lettergrepen Wyts, Gels en Ans (Anso), en de k is de eerste letter van het verkleinende aanhangsel ke. Dus Wyts-ke (Wyts-ke, de kleine—of vrouwelijke—Wytse), en niet Wyt-ske, Wyt-sche of Wiet-sche.—De Friesche taal kent geen letter ij, zooals de Hollandsche tongval en het hedendaagsche geijkte Nederlandsch. Men kan, of liever mag dus niet Wijtse, Sijtse, Wijbren, Sijbout schrijven. Wytse, Sytse, Wybren, Sybout of Sibout moet het wezen. Ook kent de Friesche taal niet de letters v en z. Die halve, verloopene, vloeiende en suizende medeklinkers zijn te flauw en te zwevende voor de Friesche tonge; zij worden in het Friesch door f en s vervangen. Dat men dus niet Zijtze, Binze, Zweitze en Zwopkje, noch ook Vetje, Vrank, Vedde, Volkert of Volmer schrijve, maar Fetsje (Fetje), Frank, Fedde, Folkert, Folmer met Sytse, Binse, Sweitse en Swobkje. Even min schrijve men de bijzondere Friesche en Engelsche tweeklank ea (in de woorden brea of bread, dea of dead), waar deze klank in Friesche persoonsnamen voorkomt, als ae, als of het een Oud-Hollandsche lange a ware. Dus niet Aebe, Taeke, Taetsche, Aede, Paezens gelijk men heden ten dage wel doet, maar Eabe, Teake, Teatske, Eade (of Æbe, Æde) en Peasens.

Mogen zulke misvormde namen nooit meer worden geschreven! Dat de Friezen zich niet door allerlei vreemdelingen allerlei knollen voor citroenen in de handen laten stoppen. Maar dat zij zuiver Friesch mogen blijven, ook in de goede Friesche spelling hunner Friesche namen! Immers, men kan geen Friesche woorden en namen, geen Friesche klanken met Hollandsche letterteekens afbeelden. Die dit nochtans doet, die Wietsche schrijft en Zijtze, Taeke en Vetje, handelt even dwaas als de man die Engelsche, Duitsche en Fransche namen met Hollandsche klanken en letterverbindingen afbeeldt—die dus Dzjeems, Loedwieg en Zjaak, of Swensie, Karrelsroe en Bordo schrijven zoude, in stede van James, Ludwig, Jacques, Swansea, Karlsruhe en Bordeaux.

Alles wisselt, verandert, verslijt, teert uit, sterft af, in ’t ondermaansche. Alles! Ook de bijzonderheden in zeden, taal en kleeding der Friezen, al hoe trouw anders de Friezen in den regel ook gehecht zijn aan de eigenaardigheden, door hunne edele en roemrijke voorouders hen overgeleverd. In deze zaken toch zijn de hedendaagsche Friezen geenszins meer de zelfden, die ze van ouds geweest zijn, die ze nog voor honderd en voor vijftig jaren waren. Zelfs kan de opmerkzame veel korter tijdsbestek noemen, om veranderingen aan te toonen. Ook in de Friesche mans- en vrouwennamen doet zich deze wisseling en verslijting, dit afsterven of buiten gebruik raken bemerken—al is dit ook betrekkelijk gering en weinig, veel minder dan bij onze stamverwante volken met hunne volkseigene namen geschiedt. Maar toch droeg deze en gene onder onze voorouders in de middeleeuwen en later eenen naam die thans onder ons niet meer gehoord wordt. Ja zelfs in de vorige eeuw nog kwamen onder de Friezen sommige namen, goed Oud-Friesche namen voor, die men thans slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet meer aan kinderen geeft, ’t en zij dan in veranderden vorm, als Richje voor Rixta, Lutske voor Luxta, Jeltsje voor Jildou, Reintsje voor Reinou. Ook in deze zaak heerscht — — de mode! Sedert de helft dezer eeuw vooral schijnt het alsof de Friesche namen sommigen ontaarden Friezen niet meer goed genoeg zijn. Die verbasterden en verbijsterden tooien hun kroost, dwaas genoeg! liever met de romantische namen van allerlei vreemde lui, vooral liefst met Fransche en Engelsche namen, dan met de eenvoudige en eerlijke namen der eigene voorouders. Hier en daar is er onder ons eene ijdele moeder en een zwakke vader die aan zoontje of dochterke niet den Frieschen naam geven van hunnen eigenen vader, van hunne eigene moeder, gelijk de Friesche zede dit van ouds eischt, maar eenen vreemden, eenen zoogenoemd mooien naam. Daartoe wordt dan de Friesche naam, die het kind rechtmatig toekomt, verknoeid en verdraaid, zoogenoemd verfraaid, maar in der daad misvormd en onkenbaar gemaakt. Of wel—men bedenkt maar eenen geheel vreemden naam, hoe vreemder en romantischer, hoe mooier; bij voorbeeld: Aurelia voor Aukje; Ella voor Jeltsje; Henri voor Harke; Georg voor Gosse; Titus voor Tiete of Tsjitte, enz. Dwaas, die zoo handelen! Onwaardig, onfriesch, die zoo doen! Zal men den kinderen de oude en eervolle namen der eigene ouders en voorouders onthouden, die kenmerken hunner Friesche afstamming, de edelste onder de Germanen? Zal men ze tooien (?) met de soms verachtelijke namen van vreemde schurken en schelmen, hoeren en snoeren misschien? Neen immers! Geen ware Fries, geen Stand-Fries zal aldus zijn kroost ontadelen.

Behalve deze dwaze en treurige gezindheid, die het vreemde, opgesmukte, opzichtige, gekunstelde in alle opzichten verkiest boven het eigene, eenvoudig-schoone, degelijke,—eene gezindheid die gelukkiger wijze onder de Friezen nog weinig voorkomt, minder dan bij eenig ander volk—is daar nog eene andere reden die het uitsterven en verbasteren van Friesche namen ten gevolge heeft. Die reden is gelegen in de meening welke niet weinigen, overigens goed Frieschen Friezen eigen is, dat de Friesche namen leelijk zijn, leelijk klinken, dat het slechts zinlooze klanken zijn, en dat zij den dragers van die namen iets onbeschaafds, iets weinig gedistingueerds (basterd-woorden passen bij verbasterde gezindheden) zouden verleenen. En fijn beschaafd en gepolitoerd (op zijn Fransch, God betere ’t!), ook gedistingueerd (al is het dan ook valsch) willen er heden ten dage zoo velen zijn!

Nu—ik wil hier ook niet ten eenen male ontkennen dat sommige Friesche namen, zoo wel van mannen als van vrouwen, in der daad niet schoon van klank en vorm zijn. Ik kan mij zeer wel voorstellen dat deze of gene, met een fijn ontwikkeld gehoor en met goeden smaak begaafd, namen als Sjerp, Nammele, Oege, Oebele, Goaitsen, Durk, Harm, Freark, Olfert, Hoatse, Jisk, Gouke, Gurbe, Wopke, namen als Eke, Baeye, Akke, Wobbeltsje, Gatske, Jisseltsje, Nammentsje, Murkje, Jaeike, Sjoerdtsje, leelijk, zeer leelijk, op den duur ondragelijk vindt. Maar aan deze, in zich zelven reeds misvormde, verkorte namen is men immers ook niet gebonden! Men kan die namen in hunnen oorspronkelijken, volledigen, onverbasterden vorm herstellen. Dan zijn ze niet leelijk, noch zonder zin. Hier boven hebben wij dit reeds aangetoond bij ’t behandelen der namen Eke of Eelkje, Eelke of Eeltsje met Sjoerd en Sjoerdtsje, Freark en Sierk enz. Als eene kleine proeve, hoe men in deze zaak te handelen hebbe, wil ik aan het einde van deze verhandeling een lijstje geven van eenige hedendaagsche, verbasterde en verkorte Friesche namen, met hunne Oud-Friesche, volledige vormen daar achter.

Al geef ik toe dat eenige, zelfs vele hedendaagsch Friesche namen leelijke, wanklinkende, onbehagelijke vormen vertoonen, dit is toch geenszins bij allen het geval. De mansnamen Allert, Edsard of Idsert, Alef, Alger, Ayolt (meest in Groningerland in gebruik), Brucht, Frank, Jildert, Wybrand, Sybrand en Gerbrand, Onno, Gerlof, Tsjalling, Hayo, Hillebrand, Hubert, Hero, Ivo, Meinert, Reindert, Taco, Hartger, en de vrouwennamen Brechtje, Ymkje, Sibrich en Wibrich, Aukje, Minke, Wytske en Sytske, Wypkje, Rinske, Elske, Geeske zijn namen die, al zijn het ten deele ook slechts verdraaide en verkorte namen, toch geenszins leelijk van klank en vorm zijn te noemen. Deze en vele soortgelijke namen hebben in de mansnamen iets krachtigs, edels, manhaftigs, in de vrouwennamen iets liefelijks, ongekunstelds, dat Fries en uitman behaagt. Maar, het zij dat men nu deze namen in deze vormen aanhoude of afschaffe, het zij men ze tot hunne oorspronkelijke zuivere vormen terug brenge, men wachte zich wel die namen nog meer te verdraaien, in de meening ze te verfraaien. Ware misbaksels en monsters van namen zijn er al, door dat zoogenoemde „mooier maken”, door weinig belezene en weinig beschaafde, door smakelooze menschen tot stand gebracht. Die Romkje tot Romelia, Wobkje tot Wobbina, Geeske tot Geziena, Elske tot Elziena, Aaltje tot Alida, Jeltje tot Jellina, Sjoerdtje tot Sjoerdina, Fokeltje tot Fokelina, of Doede tot Doederus, Sibble tot Sybillus, Anne tot Annee, Fedde tot Fedderus, Eabele tot Abelius, Timen tot Timotheus, Bartele tot Bartholomeus, Jentje tot Gentius, Hessel tot Hesselius, Jillert tot Jillardus maakt, geeft daar door een bewijs van onverstand en wansmaak. Gelukkig is deze dwaasheid bij ons Friesche volk tusschen Flie en Lauwers, dus bij de kern des geheelen Frieschen volks, veel minder in zwang dan bij de andere Friesche stammen, vooral bij Groningerlanders en Oost-Friezen. Dezen maken van Roelfke, Swaantje, Gerkje, Geertje, Lammechien en Lubbechien (in ’t eigenlijke Friesland Lamkje en Lubkje), van Froukje, enz. Roelfina, Swaantina, Gercolina, Geertjedina, Lammechiena en Lubbechiena, Froukelina, enz.; de Oost-Friezen van Haike (de vrouwelijke vorm van Hayo), Hayonetta en Hayolina, van Geeske, Hilke en Lubke wel Geeskea, Hilkea en Lubkea. Dit zijn ware monsters van namen, wannamen, die hoe eer hoe liever buiten gebruik moeten gesteld worden, en die geen waarlijk beschaafd man zijnen kinderen geven zal. Dan nog maar liever geheel vreemde namen, zoo als zij doen die eenen knaap, welke naar zijnen grootvader Hette of Tiete moest heeten, Hector of Titus noemen, of een meiske dat den naam van hare grootmoeder Aukje of Heiltje toekwam, Aurelia of Helena noemen—al geeft zulke handelwijze dan ook getuigenis van onfriesche gezindheid, van weinig gevoel voor de eere van ’t eigene volk, van de eigene voorouders. Dat men echter oorspronkelijk onfriesche namen als Klaas, Thijs, Pier, Jan en Kees, als Neeltje, Leentje, Trijntje, Grietje, Angenietje, Martje, enz., die grootendeels ook bij de Hollanders en andere Nederlanders in deze vormen voorkomen, terug brengt tot de oude volle vormen Nicolaas, Mattheus, Petrus, Johannes, Cornelis, Cornelia, Magdalena, Catharina, Margaretha, Agnes en Martha, daar kan niemand wat op tegen hebben. Dat druischt niet in tegen den goeden smaak. In tegendeel, die volle namen zijn verre weg te verkiezen boven de hier vermelde verdraaide en ingekorte verbasteringen daar van.

Reeds in de vorige eeuw is men begonnen sommige Frieschen mansnamen, die op eene toonlooze e eindigen (Hobbe, Ynte, Harke), welluidender, aannemelijker te maken door die e met eene o te verwisselen, en dus van bovengenoemde namen Hobbo, Into, Harco te maken. Deze namen, op o eindigende, vertoonen in der daad, volkomen of ten naasten bij, de Oud-Friesche vormen, waarvan de namen op toonlooze e slechts verbasteringen, afslijtingen uitmaken. Men handelt dus zeer redelijk zoo men die oorspronkelijke o weêr in zijn recht herstelt. Ook zijn deze naamsvormen, op o uitgaande, eigenlijk nooit geheel buiten gebruik geweest, ook in de zestiende en zeventiende eeuw niet. In sommige aanzienlijke maagschappen hield men dien vorm op o steeds in gebruik, al was het dat bij boeren, burgers en geringe lieden de toonlooze e in plaats van die o getreden was. In Oost-Friesland en Groningerland is deze o nooit zoo algemeen door de e verdrongen geweest, als in Friesland bewesten Lauwers. Ook heden nog treft men in die gewesten meer Friesche namen in hunnen oorspronkelijk op o uitgaanden vorm aan, dan in ’t eigenlijke Friesland. Men kan veilig de namen, op toonlooze e eindigende, in beteren vorm herstellen door eene o de plaats van die e te doen innemen; door bij voorbeeld van Aise en van Sibe, van Halbe en van Wytse, van Rinse en van Minne, van Atse en van Lykele te maken Aiso en Sibo, Halbo en Wytso, Rinso en Minno of Menno, Atso en Lyklo. Maar men doet beter, men handelt in taalkundig opzicht wetenschappelijker, men bereikt in den regel ook beter zijn doel (te weten het herstellen der namen in zuiverder en welluidender vormen), zoo men die namen welke op tse en le uitgaan (Atse, Fetse, Seakele, Lykele, Oebele) en die, gelijk op bl. 213 en vervolgens reeds is aangetoond, eigenlijk slechts verkleinvormen zijn—eerst herstelle in den oorspronkelijken, onverkleinden vorm, en er dan de o achter plaatse. Zoo men dus van Atse en Fetse (At-tse en Fed-tse, de kleine Atte en de kleine Fedde) maakt Atto en Feddo; van Seakele en Oebele, Saco en Ubo (men spreke Oebo). Zie hier, als verdere voorbeelden, eenige Friesche mansnamen in den hedendaags meest gebruikelijken, versletenen vorm, met den oorspronkelijken Oud-Frieschen vorm er achter.

Abbe—Abbo. Abe, Abele, Eabe, Eabele—Abo. Adde—Addo. Ade, Eade, Ede—Ado, Edo. Age—Ago. Agge, Egge—Aggo, Eggo. Aike—Aico. Ailke—Ailco. Aise, Eise—Aiso, Eiso. Ale, Alle—Alo, Allo. Eppe, Epke—Eppo, Epco. Ate, Atte—Ato, Atto. Auke—Auco, Avo. Bauwe, Bauke—Bavo. Bouwe, Bouke—Buvo. Bote—Botho. Bruin—Bruno. Doede—Dodo. Doeke, Doekele—Duco, in zuiverder, onverkleinden vorm echter Dodo. Ede—Edo. Eelke, Eeltje—Eelco; in zuiverder, onverkleinden vorm echter Adel. Feye, Feike—Feyo, Feico. Fokke, Foeke—Focco, Fucco. Folke—Fulco. Haye, Haike, Haite, Haitse—Hayo, Haico; de laatste vorm is niet te verkiezen. Here, Heere, Heare, Hjerre—Hero. Oeds—Odo, Udo (spreek Oedo). Oene—Onno, Uno (spreek Oeno). Poppe, Popke—Poppo, Popco; de laatste vorm is niet te verkiezen. Sake, Sakele, Sekele, Seakele—Saco. Take, Teake, Teke, Tekele, Teakele—Taco. Schelte—Scelto. Solke—Solco. Tade, Teade—Tado. Tiede, Tiete, Tjitte, Tjitse—Thiedo of Theodo. Sibe, Sibbe, Sippe, Sipke, Sibbele—Sibo, Sibbo. Wibe—Wibo. Uilke, Uiltje, Uiltzen—Ulo. Wite, Witte, Wytse—Wito. Wobbe, Wop, Wopke—Wubbo.

Van deze soort van eenvoudige, zoogenoemde stamnamen zijn Hayo, Hugo, Onno, Otto, Menno, Benno, enz. steeds in gebruik geweest, ook bij de andere volksstammen in de Nederlanden en Duitschland.

Geheel in overeenstemming met de bovengenoemde mansnamen kan men de toonlooze e, waarop vele hedendaagsch Friesche vrouwennamen eindigen, veranderen in eene a. Die namen herkrijgen daar door veelal hunnen ouden, oorspronkelijken vorm, en worden tevens welluidender en aannemelijker. Zoo kan men van Tet, Tette of Tetsje maken Tetta, van Ath of Atsje Atta, en Minna van Minke of Mintsje.

De Friesche vrouwennamen komen heden ten dage meest in verkleinvormen voor; gaan dus veelal op je, tje, kje, ke uit. Zoo men deze onnoodige, meestal leelijke verkleinvormen eerst van de namen afneemt, en dan eene a voegt achter den overblijvenden naamsstam, dan verkrijgt men in den regel den oorspronkelijken vorm van den naam. Zoo men dus van Ytsje of Itsje (eigenlijk Id-tje of Yd-tje) den verkleinvorm tje wegneemt, en achter den overblijvenden naamsstam Id of Yd eene a voegt, is de naam in zijnen oorspronkelijken en schoonen vorm Ida hersteld.

Zie hier, als verdere voorbeelden, eenige Friesche vrouwennamen in den hedendaags meest gebruikelijken vorm, met den oorspronkelijken Oud-Frieschen vorm daar achter.

Detje—Dedda. Elske, Elsje—Elsa. Froukje—Frouwa, Frowa; de laatste is de beste vorm. Heiltje—Heila. Hiltje, Hikke, Hyltje, Hylkje, Hike—Hilda. Houkje, Holkje—Holda. Ynskje—Ina. Jeltje, Jeike—Jella. Bontje—Bonna. Botje—Botha. Meintje—Meina; in den alleroudsten vorm Megina of Magina. Fetje, (Fed-tje)—Fedda. Fokje, Foekje, Fokeltje—Focca, Fucca, Foca. Ymkje, Imkje, Emkje—Ima, Imma, Emma. Eadske, Atje—Ada. Reintje—Reina; in den alleroudsten vorm Regina of Ragina, waarbij men echter niet aan het Latijnsche woord regina (koningin) te denken hebbe. Geesje, Geeske—Gesa. De meer bijzonder Oud-Duitsche vorm Gisela (ook een verkleinvorm), kan ook zeer wel in de plaats van Geeske genomen worden. Epkje, Epje—Eppa. Aafke—Ava. Doetje (d.i. Doed-tje), Doekje, Doekeltje—Doda. Doutje, Douwtsen—Duva. Dieuwke, Dieuwertje—Diuva, Dietwara, Thiadware. Haitske, Haikje, Haitje—Haya. Geeltje, Gealtje—Gela. Hitje (Hid-tje)—Hidda. Tietje—Thieda of Theoda.