Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 24

Chapter 243,413 wordsPublic domain

Gelijk van zelve spreekt, zijn de meest gewone handwerksbedrijven, timmerman, smid, metselaar, bakker, schoen- en kleêrmaker, ook het meest vertegenwoordigd onder de benamingen der Leeuwarder burgerij. Zeer talrijk zijn benamingen als Take Tymmerman, Peter Janz Smidt, Syoucke Metzeler, Tzomme Backer, Wigle Scomaker, Rouke Scroer, [45] enz. De skroaren (kleêrmakers) echter niet zoo talrijk als men zoude verwachten. Maar toen ten tijde behoorde het maken der kleedingstukken, ook van die der mannen, veelal tot den plicht der huisvrouwen. De wevers daarentegen waren zeer talrijk in die dagen, toen de groote stoomweverijen van den tegenwoordigen tijd nog verre te zoeken waren: Hero Wever, Willem Wever, Sybren Wever, en soortgelijke benamingen, bij tientallen. Opmerkelijk, maar gereedelijk te verklaren uit de omstandigheid dat de Friezen in de middeleeuwen veel pelswerk droegen, gelijk de oude afbeeldingen van lieden uit die tijden nog aantoonen—opmerkelijk is ook het groot aantal pelswerkers of bontwerkers, in de middeleeuwen pelsers, pelssers en pelsters, ook wel, bij letterkeer, peltsers genoemd. Deze handwerkslieden waren zoo talrijk dat geheele straten, waar zij hoofdzakelijk hunne woningen hadden, naar hen werden genoemd: zooals de Pelser- of Pelsterstraten te Groningen en te Emden. Dat zij ook te Leeuwarden geenszins ontbraken, bewijzen de voorkomende namen, als Jelke Pelser, Renick Pelszer, Luthie Pelsser, enz. Talrijk waren, blijkens hunne namen, te Leeuwarden omstreeks den jare 1500 ook de goudsmeden, even als dit steeds, en ook nog omstreeks de helft dezer eeuw het geval was, als een gevolg van de vele gouden en zilveren sieraden, die zoo menigvuldig door de Friezinnen werden en nog worden gedragen, en waarom zij reeds in de middeleeuwen vermaard waren: Jarich Goltsmit, Menno Goldsmidt, Wilcke Goltsmid, en anderen.

Zeer vele andere handwerken en bedrijven vinden wij nog in de benamingen van Leeuwarder burgers vertegenwoordigd: Syword Scutemaker (de schuitmakers komen talrijk voor), Zierck Wagenmaker (het handwerk der wagenmakers wordt, even als dat der kleêrmakers of skroaren (scroer), ook wel in het Friesch vermeld: Jelle Weynmaker), Meynt Wielmaker, Gosse Kuper, Dirck Glaesmaecker, Abbe Ferwer, Dowe Decker, Frans Leydecker (de makers van leien daken op de huizen), Jacob Lyndeslagher (touw- of lijnslager), Wybe Kistemaker (de kistemakers, later noemde men ze schrijnwerkers, nu meubelmakers, waren zeer talrijk te Leeuwarden), Jucke Holtsnyder, Gerbren Beeldesnyder, Herman Mesmaker, Hercke Koeperslager, Nanninck Yserman (deze laatste behoort zeker ook tot de smeden—of was hij misschien een ijzerkramer?); Harinck Slotemaker, Symon Zweertslager, elders in het register Symon Swertfeger genoemd: Herke Ketelboter, misschien de zelfde man, die elders Hercke Koeperslager genoemd wordt; Allert Kannemaker, Gerrolt Steenbicker (steenbikkers komen talrijk voor; waren het de lieden die baksteenen bebikten, bekapten, beslepen? zooals in de middeleeuwen wel gebruikelijk was); Jan Saelmaker (zadelmaker), Bruyn Sydensticker (die zijden kleedingstoffen, of stoffen voor kerkelijk en ander siergebruik bestikte); Arent Hoedmaker, Dirck Cransmaker, Marten Brower, Tierck Tapper, Peter Casteleyn, Oeswalt Kokenmester, elders in het register Oeswalt Koeckenmester genoemd (was dit een kok?); Menthe Kremer, Peter Moelker (môlker, moolker is nog de hedendaagsch Friesche benaming voor den man die mool meel, verkoopt); Aesge ende Wybe Molner (molenaar), Powels Olyslager, Govert Bokebinder, Obbe Schriver (de schrivers, ook in het Friesch als scriuer genoemd, komen niet zeldzaam voor; waren dit openbare schrijvers, lieden die, om loon, voor hen die niet schrijven konden, brieven en dergelijke stukken schreven, of schrijvers bij een regiment soldaten of burgerwacht, zoo als dezen ook later werden genoemd?); Dirck Stadbode en Bucho Koster. Verder Willem Fleyshouwer en Jacob Lammeslager, Bonthie Fisker, Peter Tyeusker, elders in het register als Peter Tiesker voorkomende, (was dit een tysker of tüesker? iemand die allerlei dingen inruilt en tegen andere verruilt, een soort uitdrager dus, of een hynstetysker, te Leeuwarden peerdetüesker, een paardekoopman of paarderuiler?); Tierck Scherrier (Friesch skerjer—een lakenscheerder, zoogenoemde wandskeer, of eenvoudig een baardscheerder?); Ede Wagenaer (een wagenmaker, of een wagenverhuurder? gelijk misschien Gerryt Weynman ook); Willem Porter, ook Willem Poerther genoemd (deurwachter of portier?); Saeka Drager (een sjouwerman of vrachtdrager); Pybe Rogdrager (de roggedragers worden steeds afzonderlijk en uitdrukkelijk met dien naam van de andere dragers of sjouwers onderscheiden; zij vormen te Leeuwarden nog heden een afzonderlijk gilde; rogge is het Friesche broodkoorn bij uitnemendheid); Jucke Kalcmaker, Herman Straetmaker; Gercke Holtsager, Claes Spoelman (speulman, speelman, muzikant of toonkunstenaar), Foppe Hornblaser, [46] enz.

Herhaaldelijk komen in het register mannen voor, die den toenaam Scuteferger of Scutefergier voeren: Claes Scuteferger, Hille Scuteferger, Upke Scutefergier, Jetthie (Jetse) Scutefergier. Dit is een Friesch woord en het luidt naar onze hedendaagsche uitspraak en schrijfwijze als skûtefarjer, schuitenvaarder. Dat waren lieden die koopwaren en andere vrachten, om loon, in hunne schuiten vervoerden, gelijk nog heden de zoogenoemde schuitenvoerders te Amsterdam; dus het zelfde te water, wat de „Wagenaers” te lande waren? Deze „skûtefarjers” waren wel te onderscheiden van de aanzienlijkere „scippers”, de eigenaars van groote schepen, tjalken en „cagen” of koggen, waar mede zij, in dienst van den handel, reizen ondernamen naar andere plaatsen en landen over Zuider- en Noordzee, en elders. Het schijnt dat deze schippers zeer bekende mannen waren bij de Leeuwarder ingezetenen; immers zij worden in het register enkel bij hunnen vóórnaam vermeld met het woord Scipper daarvoor, als of het een titel ware, gelijk Her en Mester, op bladzijde 205 hiervoren aangetoond. In het register worden Scipper Hommo, Scipper Eeme, Scipper Sybren, Scipper Oenthie (Oentsje) en anderen meer genoemd. Opmerkelijk is het dat ook nog heden, nu het noemen der lieden naar hun beroep of bedrijf nagenoeg geheel buiten gebruik gekomen is, bij de schippers toch nog wel, juist als voor vier eeuwen, de naam van hun bedrijf aan hunnen eigenen naam, ’t zij vóór- of geslachtsnaam, wordt gekoppeld: „Skipper Damsma” bij voorbeeld, Skipper de Jong, Skipper Skelte, enz.

Vrouwen, genoemd naar een beroep dat zij uitoefenen, komen uit den aard der zake zeldzaam voor. Te Leeuwarden, ten jare 1511, waren zij zeer zeldzaam. Trouwens, de tijd der zelfstandige, ongehuwde, allerlei ambt en bedrijf uitoefenende, naar gelijkheid met den man strevende vrouwen was in den goeden tijd van 1500 gelukkig nog lang niet aangebroken! In ons register vinden wij geene andere vermeld als Sack Dekennaister (Sack = Saakje; nog omstreeks de helft dezer negentiende eeuw was er te Leeuwarden eene „dekennaaister”, eene oude vrouw die er in het bijzonder haar werk van maakte om dekens te naaien, over te kleeden, door te stikken); verder eene Aleyt Weefster, eene Hilck Naaister, eene Joest Naister en eene Sape Bakster. Bij deze twee laatste benamingen valt het zonderlinge gebruik op te merken, dat in de middeleeuwen niet enkel in Friesland, maar ook evenzeer in Holland en in de andere Nederlandsche gewesten voorkwam, en dat zelfs heden ten dage nog niet geheel in Friesland uitgestorven is, namelijk dat eene vrouw eenen mansnaam of anders den mannelijken vorm van eenen naam draagt, bij voorbeeld Jacob, en niet Jacoba. De Hollandsche gravinne Jacoba van Beieren komt in oude oorkonden als Vrou Jacob voor; en zulke voorbeelden zijn bij honderden aan te wijzen (zie bl. 184). Zoo ook worden deze Oud-Leeuwarder naaister en bakster Joest (Joost) en Sape genoemd, in stede van Joestken of Joestyne (Joostje, Justine) en Saepkje. Verder doet het register ons nog eene Lysbeth Olyslager en eene Griet Backer kennen. Omdat deze bedrijfsnamen in den mannelijken en niet in den vrouwelijken vorm staan, dien ze anders toch moesten vertoonen in overeenstemming met de vrouwelijke vóórnamen, zoo vermoed ik dat Lysbeth en Griet het olieslagers- en het bakkersbedrijf slechts waarnamen als weduwen (bij Lysbeth worden hare kinden, kinderen, vermeld) van eenen olieslager en van eenen bakker, en niet uit en op zich zelve. Ten slotte vinden wij in het register nog eene Gheert Froedmoer (Geartsje—Geertje) vermeld, de eenige vroedvrouw die destijds te Leeuwarden was, naar het schijnt; even als het register ons ook maar één apotheker en één doctor noemt. Ook onder de ingezetenen van Dokkum vinden wij ten jare 1511 slechts ééne vroedvrouw, Ken Froedmoer.

Even als men de beroepsnamen wel als toenamen, ter onderscheiding en ter nadere aanduiding, achter de persoonsnamen voegde, zoo plaatste men ook wel, voor dat zelfde doel, eenen plaatsnaam achter den persoonsnaam. Dat was dan de naam van stad of dorp, waarvan de betrokken persoon herkomstig was. Die plaatsnaam werd dan onmiddellijk achter den persoonsnaam gevoegd, of door bemiddeling van het woordeken van daaraan gehecht. Zulke benamingen, waaruit zeer vele hedendaagsche geslachtsnamen ontstaan zijn, waren vooral in Holland en in andere Nederlandsche gewesten zeer gebruikelijk; veel meer dan in Friesland. Ons register vermeldt dan ook slechts weinigen van zulke benamingen. Het zijn die van Johannes Goch, van Henrick Bylefelt en van Thomas Schleyswick (Sleeswijk, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voorkomende); verder Marten van Straesborch (Straatsburg) en Geert van Dorsten. Dit zijn allen namen van buitenlandsche plaatsen. Binnenlandsche en bepaaldelijk Friesche plaatsen hebben oorsprong gegeven aan de benamingen van Jacob van Franicker, Sybe van Hallum, Henrick van Sloten, Jacop van Wyringen, Sywert van Holwert, Jacob van Scalsen (Schalsum), Jan van Horen, Peter van Harlingen en Betthie van Staueren. Ook de namen van Jan Hollander en Hans Hess moeten tot deze afdeeling gerekend worden; misschien ook die van Claes Flammingh (Vlaming?), en, in zekeren zin, ook die van Leeuwerder Jelle (zie bladzijde 283), met die van Jan van den Gouwkamer, een naam die ik niet nader verklaren kan.

Allerlei andere woorden, soms als bijnamen en zelfs als spotnamen, werden oudtijds ter nadere onderscheiding achter den eigenlijken persoonsnaam gevoegd, en ook deze namen kregen veelvuldig de geldigheid van ware maagschapsnamen. Als zoodanigen levert het register de benamingen op van Dirck Steenwerper en van Grythie (Grietje) Onbeleefd, van Jan Wytbroot en van Jan Hoysack. Verder Mester Ghysbert Spalman, Matthijs Beck, Jan Rattaler, Arien Busschut (de naam van een schutter, Schütze, die met een bus of buks, Büchse, schiet). Eindelijk nog Bernert Lucht, Hans Cruysschar, Peter Trap en Rolof Gryp.

Wat nu de vóórnamen op zich zelven aangaat, enkel uit een taalkundig oogpunt beschouwd, zoo leveren de benamingen der Oud-Leeuwarder ingezetenen, gelijk zij in het Register van den Aanbreng voorkomen, ook nog menige bijzonderheid en merkwaardigheid op.

Grootendeels zijn deze voornamen bijzonder Friesche namen, en de zelfden die ook nog heden algemeen bij de Friezen in gebruik zijn. Natuurlijk, wat hunne spelling aangaat, wijken zij eenigermate af van de hedendaagsche rechtschrijving, en stemmen zij overeen met de spelwijze, gelijk die omstreeks den jare 1500 in Friesland gebruikelijk was: Duyff in plaats van Duif (Duifje), Tzalingh in plaats van Tjalling, Reynsck voor Reinske, Gerryt en Heyndrick in stede van Gerrit en Hendrik. De mansnamen die thans in den regel op eene toonlooze e uitgaan, maar die in de middeleeuwen op eene o, en toenmaals bij de Friezen bijzonderlijk veelvuldig op eene a eindigden, worden in het Register bijna zonder uitzondering reeds met eene e geschreven: Epe, Gabbe, Menne, Hette, Wilke. Omstreeks den jare 1500 was daar juist eene kentering in de Friesche taal; zij verloor hare oude, volle vormen op a (an) en o (on), niet enkel in de namen, maar eveneens in de gemeene woorden, en nam daarvoor, op het voetspoor der Nederduitsche (Hollandsche, Vlaamsche en Brabantsche, en Nedersassische of Platduitsche) taalvormen van de andere Nederlandsche gewesten en van Duitschland, eene toonlooze e in de plaats. Het schijnt, dat in de stad Leeuwarden, door vreemden invloed, ten jare 1500 en wat later, die kentering reeds grootendeels haar beslag gekregen had. Maar in het Oud-Friesch, gelijk dat toen nog ten platten lande in wezen was, bleven ook de oude, volle taalvormen langer in gebruik. Zoo vinden wij in onze registers de namen der dorpelingen nog veelvuldig met eene a of met eene o geschreven: (Aesga Syckaz, dat is: Easge, Sikke-zoon of Sikkes, te Wirdum, en Egga Jellazoen te Swichum; Sasko op de Dick te Blya, en Buwko op Westerfelden te Holwert), terwijl dit te Leeuwarden nog maar weinig voorkwam. De naamlijst vermeldt aldaar slechts een Halba en een Haya; verder Foppo, Ocko, Jelto, enz. nevens Halbe en Haye, Foppe, Ocke, Jelte en anderen.

Oude spelwijzen, bij voorbeeld ow in plaats van ou, treffen wij aan bij de namen van Dowe, Powels (Poulus, Paulus), Jowk wedue (Joukje); tz in stede van het hedendaagsche tsj, verhollandscht tot tj, bij Tzalingh, Tzomme, Tzem (Tsjam, Tjam, Tjamme, de weinig gebruikelijke mansnaam, waarvan het meer gebruikelijke Tsjamke, Tjamke, oudtijds Tzamck, de vrouwelijke vorm is). Verder ti (ty of thi en thy) in plaats van tsj, tj bij de namen van Tiebbe (Tsjebbe, Tjebbe), Tiepke (Tsjepke, Tjepke, eigentlijk Tjebke), Tierck (Tsjerk, Tjerk), Tyesse en Thyesse (Tsjesse, Tjesse), Tiard, Tyard en Tyaert (Tsjaerd, Tjaard), Tyalle (Tsjalle, Tjalle), Syoucke (Sjouke) en Her Sywck Peters (Sjuk); en ae (dat verwarring oplevert met ae = aa) in stede van ea, bij die van Aesge, Saeckle, Aebbe (Eabe) en Aepke (Eabke). In plaats van den uitgang ts (tz, ook verhollandscht tot tj) vinden wij tie, tye, thie, thye geschreven, in namen als Mynthye en Rynthye (Mintsje en Rintsje als mansnamen), Wattie (Watse), Hanthie, Inthie, Geerthie, Wynthie voor Hantsje, Intsje of Yntsje, enz. Ook Luytien en Luthie voor Luutsen, Luitsen, Luutsje; Wythie voor Wytse; Doythye voor Doaitsen; bijzonderlijk ook Jaythye Hilbrantz, want deze naam Jaitsje of Jaeitsje, Jaitje of Jaaitje is geen vrouwennaam, maar een mansnaam, zooals blijkt uit de aanteekening „Jaythye Hilbrantz van zijn wijff’s wegen”; en Tyatye Martena (Tsjaedje? de kleine Tsjade? of Tsjaerd?). Iw, Juw en Jowke met Jouke, een en de zelfde naam (Jou is de bijzonder Friesche vorm van den algemeen Germaanschen naam Ivo) in verschillende spelling. Sirck, Zierck en Syrick voor het hedendaagsch Sierk of Sjirk, en Sywrd, Syord en Syword voor Sjoerd vertoonen ook geheel verouderde schrijfwijzen, even als Renick (Rienk), Rioerd (Ruurd), Lywe (Lieuwe) en anderen.

Ingekorte vrouwennamen, die in de middeleeuwen zoo veelvuldig, schier algemeen in gebruik waren, en ook nu nog in geijkten zin te Hindeloopen en elders in den Zuidhoek voorkomen, gelijk ze ook overal in Friesland in de dagelijksche spreektaal nog in zwang zijn, vinden wij vertegenwoordigd in namen als Beyths, Wytz, Bauck, Fokel, Sibbel, Doed, Tryn, Ath, Auck, Hylck, Jel, enz. In Lysch staat de Hollandsche sch in plaats van de Friesche sk: Lysk, Lisk, Lyskje. Daarentegen vertoont de vrouwennaam Metta (hedendaags Metsje) juist den vollen, ouden vorm.

Aanmerkelijk is ook een tamelijk groot getal oude namen, die heden ten dage ten deele reeds geheel verouderd en uit der lieden gebruik verdwenen zijn, ten deele ook zeer zeldzaam zijn geworden, of in eenen vorm, met eenen klank voorkomen, dien wij hedendaags anders hebben. Zulke namen zijn die van Nemck wedue, tegenwoordig Namkje, en Mester Tzem, thans Tsjam, Tsjammo; Petrick, tegenwoordig de zeldzame vrouwennaam Pietrikje; Dode, hedendaags meestal Doede; Nannick en Helmich, Wold en Ayle, Hed en Paesche (Paeske = Paschasius? een Kerkelijke naam), Gale (de naam waarvan de oude maagschapsnaam Galama is afgeleid; hedendaags meestal Geale), Lyork en Ryperd (de naam die oorsprong gaf aan den geslachtsnaam Ripperda of Ryperda), Ropke (Robke, verkleinvorm van Robbert, Rodbrecht?) en Lanke (in den maagschapsnaam Lankema en in den plaatsnaam Lankum voorkomende) zijn ook verouderde mansnamen en naamsvormen. Zij vinden hunne tegenhangers in vrouwennamen als Oed, Lyoets ook als Lyoeths en als Lyoeds voorkomende (heden ten dage Luts, Lutske), Hen, Roelck en Duyff. Deze laatste naam eischt eenige toelichting. Duif, Duifje, in ouden vorm Duveke, was in de middeleeuwen in Holland als vrouwenvóórnaam niet zeldzaam. Nevens deze „Duyff wedue”, deze Leeuwarder vrouw van 1511, is ons ook nog een Leeuwarder man bekend, die een menschenleeftijd later leefde, en die eveneens Duif heette bij vóórnaam; te weten: Duyff Jelles, ten jare 1582. [47] Het Friesche woord voor het Hollandsche duif (vogel) is dou; en zoo komt ook de Hollandsche mansnaam Duif (Duyff) overeen met den Frieschen mansnaam Douwe, en de vrouwennaam Duifje (Duyff, Duveke) met Douwtsen of Doutsje. Nog heden zijn Douwe en Douwtsen algemeen gebruikelijke vóórnamen in Friesland; maar eenen Duif of eene Duifje is mij daar nooit te voren gekomen, oud nochte nieuw—behalve dan bovengenoemde twee te Leeuwarden, in de 16de eeuw. Ik vermoed dus dat wij deze twee Duifnamen te beschouwen hebben als overzettingen in het Hollandsch van de Friesche namen Douwe en Douwtsen. Dat de naam van den Fries Douwe Sikkes, die in de 15de eeuw leefde, te dien tijde in het toen nog voor een deel Friesche Haarlem als Dou Sixz (dou = duif, vogelnaam) werd geschreven, [48] kan almede licht geven in deze zaak.

Vier bijzondere namen, die hier eene afzonderlijke vermelding en nadere bespreking eischen, komen nog in de Leeuwarder naamlijst voor. Het zijn twee mans- en twee vrouwennamen: Godfriond en Gernant, met Lwdw en Folzow.

De eerstgenoemde, Godfriond (ook als Godsfrjond, Goedsfreond, enz. voorkomende) [49] is een bij uitstek Friesche naam. Hij wordt ook in andere Friesche oorkonden van de 15de en de 16de eeuw wel aangetroffen; maar nooit menigvuldig. Heden ten dage zal er wel niemand meer zijn onder de Friezen, die zóó heet. Mij althans is deze naam zoo min in de vorige eeuw, als bij het thans levende geslacht te voren gekomen. In de 17de eeuw leefden er in Friesland nog dragers van dezen naam. Immers de dichter Gysbert Japicx geeft hem aan eene zijner verdichte persoonlijkheden in zijn gedicht Tydkirttige pittear lânze wey twissche Egge, Wynering in Goadsfrjuen. Ik noem dezen naam bij uitstek Friesch, omdat hij samengezet is met een woord in zuiver Frieschen vorm, met het woord frjeon, ook friund, frjon, frjeun en frjuen geschreven, en dat vriend beteekent. Dus Godsfriund of Godsfreond is te zeggen Gods vriend. In Holland, noch elders bij eenig Germaansch volk, is mij nooit eenen mansdóópnaam Godsvriend, Gottesfreund, Godsfriend voorgekomen. De Friezen zijn eenig met dezen schoonen naam. Trouwens, de Oud- en Algemeen-Germaansche mansvóórnaam Godswin beteekent geheel het zelfde als Godsvriend, naardien win (Oud-Hoogduitsch wini, Gothisch vinjis) in de Oud-Germaansche talen de beduidenis van vriend had. In de Skandinavische talen beteekent ven, vän (men spreke v = w) nog heden vriend. En deze naam Godswin, Godeswin was oudtijds ook den Friezen eigen, en komt onder de samengetrokkene, versletene vormen Goeswin, Goesewyn, Goessen, Goossen wel voor (zie bl. 162). Waarschijnlijk is in de 15de eeuw de Friesche naamsvorm Godsfreond opgekomen en in gebruik genomen, als eene vernieuwing, als eene overzetting in nieuwen taalvorm, toen men win = vriend, toen men den naam Godswin niet meer verstond.

De mansvóórnaam Gernand, in ons register voorkomende als de naam van den vader eener vrouw die met de patronymicale benaming van Tryn Gernants bekend staat, is een zeer bijzondere naam, die in zijn tweede samenstellend deel nand verwant is aan de namen Winand en Ferdinand. Deze naam schijnt bij de Germaansche volken steeds een zeer zeldzame geweest te zijn. Dr. Ernst Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch vermeldt hem uit de 8ste, 9de en 10de eeuw; en Bernhard Brons, in zijn werk Friesische Namen, vermeldt een Gernand in Oost-Friesland, in de 17de eeuw. En anders is deze schoone en volledige naam mij nooit voorgekomen.

Wat nu de twee bijzondere vrouwenvóórnamen Lwdw en Folzow aangaat, moet ik vooraf opmerken dat er onder de bijzonder Friesche namen eene kleine groep voorkomt van vrouwennamen, die uitgaan op ou (ook geschreven ouw, au, en oudtijds wel uw of enkel w); zie bl. 201. Deze namen, allen tamelijk zeldzaam, sommigen zeer zeldzaam voorkomende, zijn:

Jildou (Jieldou, Jeldou, Joldou), de bekendste, al was het maar omdat Gabe Scroar eene nicht had die zoo heette: „nift Jieldouw, fen Aldegea.”

Meinou en Reinou, tegenwoordig dikwijls verkeerdelijk als Meino en Reino geschreven, en, met Jildou, niet zóó zeldzaam als de volgenden:

Edou, Edouw.

Bernou, Bernw.

Fardou, ook Ferdou, heden ten dage, bij misverstand, ook wel Fardo en Ferdo geschreven. Nog kort geleden leefde er eene vrouw, Fardo Pieters Boersma geheeten, te Beetsterzwaag.

Kenou, door de Hollanders meestal Kenau geschreven, bekend door Kenau Simonsdochter Hasselaer, de Haarlemsche heldinne, in den tijd (16de eeuw) toen Haarlem nog voor een goed deel Friesch was.

Ferkou, Merkou of Merckw, Geldou en Gadou, waarvan de eerste en de laatste door Leendertz in zijne naamlijst (Navorscher XVIII) vermeld worden, maar die mij anders nooit zijn voorgekomen. Eindelijk nog Ludou, een naam die in de vorige eeuw nog geenszins bijzonder zeldzaam was, en toen ook nog wel in noordelijk Noord-Holland, onder anderen te Hoorn en aan de Zaan voorkwam in den vorm Luyduw. Deze naam Ludou of Luyduw is de zelfde dien wij onder de Leeuwarder vrouwennamen van 1511 als Lwdw vinden opgeteekend. De spelwijze Lwdw moet een hedendaagsch Nederlandsch oog zekerlijk wel zeer vreemd voorkomen. Maar deze bijzonderheid, ja schijnbare ongerijmdheid verdwijnt, als men bedenkt dat de oude w eigentlijk eene dubbele u is, zoo als zij dan ook nog in het Engelsch en in het Friesch heet, en dat de u, de v, de uu, de w oudtijds zoo wel den klank van onze hedendaagsche Fransch-Nederlandsche u, als dien van de Algemeen-Germaansche u = oe, en van ou (ow) had.