Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 18

Chapter 183,563 wordsPublic domain

De Friesche namen hebben, sedert de 16de eeuw, veelvuldig de aandacht getrokken en de belangstelling gewekt van geleerden en van navorschers op het gebied der taal- en volkenkunde. Sommigen van dezen hebben min of meer uitvoerige, maar toch in geenen deele ook maar eenigermate volledige lijsten van die namen samengesteld. Maar die lijsten zijn slechts dorre opsommingen van namen; meer niet. Ze zijn zonder nadere aanduidingen, en zonder veel oordeel samengebracht, waarbij dan ook de oorsprong der namen, hunne oorspronkelijke, volledige vormen, hunne vlei- en verkleinvormen, hunne afleidingen tot geslachts- en plaatsnamen, het onderlinge verband dat er tusschen de verschillende namengroepen bestaat of ook niet bestaat, volstrekt niet in het licht gesteld wordt, noch tot gelding komt. Eerst in deze eeuw verscheen een eerste werkje, dat op eenigermate wetenschappelijke wijze, zij het dan ook nog slechts uiterst oppervlakkig, de Friesche namen behandelt. Het is opgesteld door Prof. Ev. Wassenbergh, hoogleeraar te Franeker, en komt voor, onder den titel Verhandeling over de Eigennamen der Friezen, in de Taalkundige Bijdragen tot den Frieschen tongval, Leeuwarden, 1802. In deze verhandeling worden ook de Friesche naamlijsten uit vorige eeuwen, die van Ubbo Emmius, van Hundius, van Boegherman, vermeld, overgenomen, en nader besproken.

Verder zijn in de verschillende jaargangen van het tijdschrift De Navorscher en ook in die van den Frieschen Volksalmanak onderscheidene kleine opstellen over sommige bijzondere Friesche namen opgenomen, die grootendeels door mij zelven geschreven zijn. Eenigszins uitvoeriger zijn in het tijdschrift De Vrije Fries, deel XIII en XIV, sommige Friesche namen, vooral geslachtsnamen, behandeld, in een opstel van mijne hand, Een en ander over Friesche Eigennamen. Ook vindt men in mijn werk De Nederlandsche Geslachtsnamen, Haarlem, 1885, vele zaken vermeld en behandeld, die in het bijzonder op Friesche namen rechtstreeks betrekking hebben. Dit is eveneens het geval met het voor Friesche namenvorschers allerbelangrijkste hoofdstuk over Zaansche Eigennamen, voorkomende in het werk van Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, Leiden, 1897. Eindelijk bevat het werk Nomina geographica Neerlandica, Amsterdam, 1882 en vervolgens, nog eenige opstellen, door mij geschreven, over Friesche plaatsnamen, en in het bijzonder eene uitvoerige, en leerrijk toegelichte lijst van oude Friesche plaatsnamen, tegelijk eene bijdrage tot de oude aardrijkskunde van Friesland, geschreven door Dr. F. Buitenrust Hettema. Het laatst verschenen werk op Friesch naamkundig gebied is mijne Friesche Naamlijst (Onomasticon frisicum) Leeuwarden, 1898, eene volledige, stelselmatig geordende en beredeneerde lijst van Friesche eigennamen, zoo mans- en vrouwen-vóórnamen als geslachts- en plaatsnamen, in hunnen onderlingen samenhang en met toelichtingen voorgesteld.

Ook mogen hier niet onvermeld blijven drie werken van Oost- en Wezer-Friezen; namelijk een van Bernh. Brons Jr., Friesische Namen und Mittheilungen darüber, Emden, 1877, dat uitvoerige lijsten van Friesche eigennamen bevat, hoofdzakelijk uit Oost-Friesland; een van Dr. Karl Strackerjan, Die Jeverländischen Personennamen mit Berücksichtigung der Ortsnamen, Jever, 1864, ’t welk van groote geleerdheid en navorschingsijver getuigt. En eindelijk een opstel van Aug. Lübben, Einiges über Friesische Namen, voorkomende in Haupt’s Zeitschrift für Deutsches Alterthum, 1856.

Ten slotte moet hier nog genoemd worden een boek, waarin ook de Friesche namen en naamsvormen bijzonderlijk behandeld worden (in het hoofdstuk Ueber besondere Friesische Namensformen und Verkürzungen); namelijk Dr. Franz Stark, Die Kosenamen der Germanen, Weenen, 1868. In dit werk worden de eigenaardige algemeen Germaansche en bijzonder Friesche vleivormen der oorspronkelijk volledige namen duidelijk in het licht gesteld.

Evenmin als de Friesche taal, oudtijds geenszins, en ook heden ten dage nog niet, uitsluitend eigen was en is aan Friesland tusschen Flie en Lauwers, zoo min zijn ook de Friesche eigennamen, uit die taal voortgesproten, uitsluitend beperkt tot dat hedendaagsche Nederlandsche gewest Friesland. Integendeel. Immers komen ze eveneens voor, zij het dan soms ook in min of meer gewijzigde vormen, in de andere Oud-Friesche gouwen, dus in West-Friesland (noordelijk Noord-Holland), Groningerland, Oost-Friesland, Wezer-Friesland, Noord-Friesland, enz. Evenwel, gelijk de Friesche taal in het Nederlandsche gewest Friesland nog heden, als van ouds, hare grootste ontwikkeling, ook hare grootste zuiverheid, eigenheid en waarde, en tevens hare grootste verbreiding heeft, meer dan in de andere gouwen, zoo zijn ook in dat Nederlandsche Friesland de Friesche eigennamen het menigvuldigst en het bijzonderst in hunne vormen, ook het meest verspreid en het meest in gebruik, van ouds her en nog heden ten dage.

Oudtijds, toen de Friesche taal in hare eigenheden, in hare eigene klanken en eigene vormen, en in de eigene plaats die zij inneemt tusschen de talen der andere volken, weinig of ook in het geheel niet bekend was bij de geleerden buiten Friesland, en veel minder nog bij de ongeleerden, heeft men wel gemeend, en dit ook verkondigd, dat de bijzonderheden der Friesche namen slechts te verklaren waren door aan te nemen dat die namen van Hebreeuwschen, van Trojaanschen, van Griekschen of van Romeinschen oorsprong moesten wezen. Dit behoeft heden ten dage geene wederlegging meer. Maar dat de Friesche namen zuiver Germaansch zijn, en in hun oorspronkelijk wezen niet verschillen van de namen der andere Germaansche volken, dit is nog geenszins van algemeene, en nog geenszins van voldoende bekendheid. De waarheid echter dezer stelling blijkt ruimschoots, en wel in de eerste plaats uit die Friesche mans- en vrouwenvóórnamen, die nog hunne volledige, of anders slechts weinig ingekorte, slechts weinig versletene, oorspronkelijke vormen vertoonen; bij voorbeeld, de mansnamen Adger (voluit Aldgar), Adser, Aeldert, in Nederlandsche spelling Aaldert, oorspronkelijk voluit Adelhart [32], enz. allen nog hedendaags gebruikelijke namen. Uit de oude en verouderde, hedendaags bij de Friezen reeds uitgestorvene namen blijkt dit eveneens; bij voorbeeld, uit Adelbald (in versleten vorm Albad, Albet), Adelbric, Adeldag, Adelric, Aldgrim [33], enz. En niet minder uit de vrouwennamen, zoo hedendaagsche (Aeltsje, in Nederlandsche spelling Aaltje, de ingekorte en verkleinvorm van Aelheyt of Adelheid)—Aelmoed, in Nederlandsche spelling Aalmoed, oorspronkelijk voluit Adelmod,—Aerland, in Nederlandsche spelling Aarland [34]; als verouderde (Adelgarde, Adelburg, Adelharda) [35], enz.

Dit zijn allen echt Germaansche namen, die in de zelfde of in nagenoeg gelijke vormen aan alle andere Germaansche volken ook eigen zijn. Wel vertoonen enkelen dezer namen sommige bijzonder-Friesche eigenaardigheden, maar hun karakter van algemeen-Germaansche namen gaat daardoor geenszins verloren. Sommigen van deze namen, Albert, Evert, Folkert, Lammert, Willem zijn evenzeer algemeen-Nederlandsch als bijzonder-Friesch eigendom. Opmerkelijk is het betrekkelijk veelvuldig voorkomen van namen met bern samengesteld, bij de mannen: Bernolf, Bernlef, Gerbern, Hellingbern, Herbern, Liobbren (Hliodbern), Olbren, Reinbern, Ricbern, Rodbern, Sybren (Sigbern), Ulbern, Wybren (Wigbern), enz.; bij de vrouwen, met land en ou samengesteld: Aland en Eland, Gerland, Yslant, Ublant—Bernou, Edou, Ferdou, Folkou, Gadou, Jildou, Meinou, Reinou, Rikou, enz. Sommigen van deze volledige namen zijn door afslijting en inkorting bijna onkenbaar geworden. Als zoodanigen zijn hier voren reeds vermeld Alem, Freark, Gelf, Grealt, Hattem, Jelmer, Jorrit, Tsjalf, enz. Andere soortgelijken zijn nog Sjoerd (Sigurd), Sierk of Sjirk (Sigrik), Tsjerk (Thiadrik, Theodorik,—Volkrijk—de zelfde naam als Dietrich in ’t Hoogduitsch, Diederik of Dirk in ’t Nederduitsch), Tsjaerd, Tsjeard, Searp, Worp, Merk, Murk, Sjuk, Jarich, Gjalt, Tsjerne, Ork, enz. Deze soort van namen heeft almede aan de Friesche namen in ’t algemeen dien eigenen stempel verleend, waardoor ze zoo bijzonder, schijnbaar zoo geheel eenig zijn onder de namen der andere Germaansche volken.

De vleivormen der namen, zoo overrijk onder de Friesche namen vertegenwoordigd, hebben almede eenen zeer bijzonderen stempel op die namen gedrukt. Die vleinamen worden verder in deze verhandeling nader behandeld en verklaard.

De Friesche vrouwennamen—behalve die welke reeds op de vorige bladzijde zijn vermeld, en nog een honderdtal andere dergelijken—de Friesche vrouwennamen zijn in den regel rechtstreeks van de mansnamen afgeleid, door achtervoeging van verkleinende uitgangen. Het vormen, het afleiden, op deze wijze, van vrouwennamen uit mansnamen, ofschoon ook bij andere Germaansche volken voorkomende, is toch bij geen van dezen zoo algemeen in gebruik als bij de Friezen. Het grootste gedeelte der Friesche vrouwennamen bestaat dus eigenlijk uit mansnamen in verkleinvorm, soms in eigenaardigen verkleinvorm. Zoo komen van de mansnamen Aldert, Douwe, Minne en Offe, door achtervoeging der verkleinende aanhangsels je, tse of tsen, tsje (tje) en ke, de vrouwennamen Aldertsje (Aldertje), Douwtsen, Mintsje (Mintje) en Ofke.

Evenzeer als van den volledigen, zij het dan ook ingekorten en eenigermate verbasterden naam Aldert (Adelhart), van Douwe, en van de vleinamen Minne en Offe, zoo zijn ook van de verkleinnamen die reeds als mansnamen dienst doen, bij voorbeeld van Bauke, Ibele, Oepke, Rinse, Wytse, door achtervoeging van weêr andere verkleinvormen vrouwennamen gemaakt: Baukje, Jbeltsje (Ybeltje), Oepkje, Rinske, Wytske. Deze namen zijn dus oneigenlijk gevormd, bij tautologie, door dubbele verkleiningsachtervoegsels. Zulk eene opeenhooping van verkleinvormen komt zelfs wel voor als samenkoppeling van drie achtervoegsels; bij voorbeeld: de vrouwennaam Reinskje, die ontleed wordt in Rein (dat is de mansnaam Rein, inkorting van den eenen of anderen met Rein, Regin samengestelden volledigen naam—Reinger of Regingar, Reindert of Reginhart), in se, ke en je, alle drie verkleiningsuitgangen, dus Rein-se-ke-je.

Deze liefhebberij der Friezen voor verkleinvormen achter hunne namen komt ook aan ’t licht bij die vrouwennamen, die uit eenen oorspronkelijken, volledigen naam bestaan, met een geheel overtollig, de schoonheid des naams schadend verkleiningsachtervoegsel; bij voorbeeld: Gerlandtsje (Gerlandje) nevens Gerland, Sibrichje nevens Sibrich (Sigburg), Welmoedtsje (in Nederlandsche spelling Welmoedje) nevens Welmoed, enz.

De namen der menschen staan geworteld in hunne taal. De oude Israëlieten droegen Hebreeuwsche namen, de oude Grieken en Romeinen Grieksche en Latijnsche, de oude Germanen Germaansche namen. Anders gezegd: zij droegen namen die samengesteld waren uit woorden, welke oorspronkelijk in hunne volkstalen eene beteekenis hadden, iets beduidden. De Hebreeuwsche naam Abraham beteekent: vader der menigte, dus stamvader. De Grieksche naam Andreas beduidt: de mannelijke, de manhafte. De Latijnsche naam Victor beteekent: overwinnaar. Zoo ook beduiden de Germaansche namen Everhart (Everaart of Evert), Wybren (Wiberen, Wibern, Wigbern), en Godsschalk (Gosse): de man die een hart of een aard (’t is het zelfde) heeft als een ever of wild zwijn, het kind des gevechts, en Gods knecht.

De eigenaardigheden van de Friesche taal spiegelen zich af in de bijzonderheden der Friesche eigennamen. Anders uitgedrukt: de bijzonderheden der Friesche namen zijn ontstaan uit de bijzonderheden der Friesche taal. Sierk of Sjirk bij voorbeeld is een hedendaagsche Friesche mansvóórnaam, die wel algemeen voor een bijzondere, eigenaardig Friesche naam zal worden gehouden. Nogtans is Sierk van ouds een algemeen Germaansche naam, zij het dan ook in Frieschen vorm. Sierk immers is eene verbastering, bij uitslijting of inkrimping, een versletene vorm dus, van den oorspronkelijken, vollen vorm Sigerik. Dit Sigerik is een samengestelde naam, bestaande uit de Oud-Friesche, tevens algemeen Oud-Germaansche woorden sige, overwinning; en rîk of ryk, rijk. Dus is Sigerik in hedendaagsch Nederlandsch overgezet: rijk door overwinning. De naam is al oud; immers reeds in de vijfde eeuw na Christus droeg hem een koning der Goten. Dit Oud-Friesche woord sige hadden de oude Hollanders als zege, nog gebruikelijk in de uitdrukking de zege behalen, en deel vormende van de woorden zegepraal en zegevieren. Den Oud-Frieschen mansnaam Sigerik hadden de oude Hollanders als Segerik (Zegerijk) in gebruik, en de oude Hoogduitschers als Siegrich. Mannen die Zegerik of Siegrich heeten, treft men onder de hedendaagsche Hollanders en Hoogduitschers uiterst weinig of in het geheel niet meer aan. Maar in den samengetrokken vorm Sierk is het Oud-Friesche Sigerik nog heden bij de Friezen in volle gebruik gebleven. Zal men nu beweren: Sierk is een geheel eigenaardige Friesche mansvóórnaam? Wel neen! Men moet zeggen: Sierk is de hedendaagsche versletene vorm van den vollen, algemeen Oud-Germaanschen mansnaam Sigerik, Segerik, Siegrich.

De hedendaagsche Friesche mansnaam Freerk (in Friesche uitspraak Frjerk of Frjeark) verkeert in het zelfde geval als Sjirk of Sierk. Immers Freerk is eene samentrekking van den vollen vorm Frederik. Opmerkelijk is het dat de Hollanders met de andere Nederlanders in het algemeen, met Franschen, Engelschen, Denen, enz. juist den Frieschen vorm van dezen naam als Frederik, Fréderic, Fredrik in gebruik hebben. Want in goed Hollandsch moest de naam Frederik als Vrederijk luiden en gespeld worden, omdat hij vrede-rijk, rijk aan of door vrede beduidt. De oude Hollanders uit de 17e eeuw schreven dezen naam dan ook wel, juist overeenkomstig hun taaleigen, als Vreerijck. En de Hoogduitschers hebben dezen zelfden naam, ook in overeenstemming met hun taaleigen, als Friedrich. De oude Hollanders hadden den geheel ingekrompen vorm Freerk ook wel in gebruik. In zuidelijk Holland en in Zeeland gaat men met verkorten nog wat verder. Die aldaar Frederik heet wordt in het dagelijksche leven veelal Freek genoemd. Maar dien vorm Freek heeft men dáár niet als schrijfnaam in gebruik genomen, gelijk de Friezen—eigenlijk ten onrechte—hun vorm Freerk zoo wel schrijven als noemen.—Zal men nu echter zeggen: Freerk is een bijzondere Friesche naam? Neen! Freerk is zoo min eigen en afzonderlijk Friesch, als Sierk het is, en als Gosse, Bartele, Sjaerd, Tsjerk, Eelke, met Aafke, Reintsje en Meintsje, Sjoerdtsje en Wytske het zijn. Alle deze namen en nog honderden anderen, zijn oorspronkelijk algemeen Oud-Germaansche eigennamen, maar in bijzonder Friesche vormen, afkortingen, verbasteringen.

Honderden bijzondere namen zijn als mans- en vrouwenvóórnamen heden ten dage bij de Friezen, zoo wel bij de Nederlandsche Friezen als bij de Duitsche en Deensche (Oost- en Noord-Friezen), als ook bij de Friso-sassische mengelstammen van Groningerland, Drente, Oldenburg en vele andere gouwen in noordwestelijk Duitschland in gebruik. En al die namen, die men bij al de andere volksstammen van de lage landen aan de Noordzee te vergeefs zoekt, zijn oorspronkelijk algemeen Germaansche namen. De oorsprong van deze namen kan nog heden bij velen duidelijk worden aangetoond. Maar ook bij velen van deze namen ligt de oorspronkelijke vorm niet zoo klaarblijkelijk voor de hand, ja schijnt bij een groot aantal in het geheel niet meer aangewezen te kunnen worden. Nader onderzoek echter, uitgaande van eenen man die de Oud-Friesche taal kent en verstaat, die welbelezen en welervaren is in middeleeuwsche geschriften en oorkonden, kan hier nog veel licht verspreiden en tot verrassende ontdekkingen leiden.

Wat zoudt Gij, mijn waarde Lezer! wel maken van den mansnaam Sjoerd? een naam die algemeen bij de Friezen in gebruik is, en die heden ten dage als een bijzonder Friesche naam geldt. Dezen naam immers, of eenen naam die er op gelijkt, vindt men bij geen enkel ander volk in gebruik—meent Gij? Hij moet dus wel bijzonder en eigen Friesch zijn!—Toch is dit niet het geval. Wel is de hedendaagsche vorm slechts den Friezen eigen, maar d’oorspronkelijke vorm van dezen naam is algemeen Germaansch. Het Friesche Sjoerd is toch volkomen een en de zelfde naam als het Hoogduitsche Siegfried, als het Oud-Hollandsche Sievert of Sieuwert, ’t welk een versletene vorm is van Siegfert, Segevert. Onder den vorm Sievert en Sieuwert komt deze naam nog heden wel in noordelijk Noord-Holland voor. Daar zijn ook de geslachtsnamen Sieuwertsz en Siewerts inheemsch, die zoon van Sievert beteekenen. Sievert of Siegfried beteekent zege-vrede, overwinning door vrede, een naam van schoone beteekenis. In het Oud-Friesch, tevens in het Oud-Noorsch luidt deze naam Sigurd, dat is: sige, zege of overwinning, en urd, vrede. Dat hier urd = vrede is, bevreemdt hem niet, die weet dat de letter v oorspronkelijk anders niet is als eene u, namelijk de u die een woord of lettergreep opent. De Ouden verwisselden zoo wel in geschrifte als in uitspraak de u en de v. Men schreef wt, en sprak uut; de w is eene dubbele v of dubbele u. Van vrede, urede, tot urde, urd is de stap uiterst klein, en niet grooter dan van het Nederlandsche avond (evond, e-u-ond, i-u-ond) tot het Friesche joun of jond (i-u-ond). In dit oude woord urd = vrede sprak men de u natuurlijk op de Oud-Friesche, de Hoogduitsche, de algemeen Oud-Germaansche wijze uit, als de hedendaagsche Hollandsche oe in het woord boer. Dus Sigoerd. De g is eene letter die de oude Friezen veelvuldig als j uitspraken, en de hedendaagsche Friezen met de hedendaagsche Engelschen doen dit nog in sommige woorden. Het Nederlandsche woord gift of gave luidt in het Oud-Friesch als jeftha, in het hedendaagsche Friesch als jefte, jeft; b.v. in het woord sketjeft. Het Nederlandsche woord garen luidt in het Friesch als jern (jen), in het Engelsch als yarn; het Nederlandsche gister in ’t Friesch als jister of juster, in ’t Engelsch als yester (day). Een kromme hoek van het oude Jacobiner-kerkhof te Leeuwarden heet: „het kromme Gat.” Maar de oude Leeuwarders spreken dezen naam nog heden uit als: „’t kroeme jat.” De hedendaagsche Berlijners, al zijn ze zoo min Friezen als Engelschen, zeggen ook Jott in plaats van Gott, en jans in stede van gans. Zoo zeiden ook de oude Friezen Si-joerd voor Sigurd (Si-goerd). Bij vlugge uitspraak in het dagelijksche leven werd Si-joerd al spoedig tot Sjoerd. Het onderscheid is geheel onwezenlijk en ter nauwer nood hoorbaar.

Zoo is van het oorspronkelijke Sigurd der oude Friezen en Noren het hedendaagsche Sjoerd gekomen, bij de Friezen; en het hedendaagsche Sjûrd (ook als Sjoerd uitgesproken) bij de bewoners van de Färör, een Oud-Noorsche volksstam. De letter r is in dezen naam, volgens de gewone uitspraak der Friezen, zeer zwak en nauwelijks hoorbaar, en slijt er gemakkelijk uit tot Sjoe’d, Sjoed, gelijk men gemeenlijk spreekt. De Oost-Friezen en de Friezen die verder oostwaarts op aan de monden van Wezer, Elve en Eider wonen, hebben die r niet enkel in uitspraak, maar ook in geschrifte volkomen verwaarloosd, maar de oorspronkelijke u (in Hoogduitsche uitspraak) hebben ze behouden in dezen naam. Van daar dat bij hen de volle oude naam Sigurd heden ten dage, in uitspraak en geschrifte, als Siut voorkomt; in patronymicalen vorm, als geslachtsnaam, Siudtz en Siutz. Het Oost-Friesche Siut luidt volkomen zoo als het Sjoe’d der Nederlandsche Friezen, en de geslachtsnamen Siudtz en Siutz als Sjoerds ten onzent.

Het schijnt dat de Friezen van de 16e en 17e eeuw, die, zoo zij geestelijken, leeraars of anderszins geleerden waren, hunne namen zoo graag vergriekschten en verlatijnschten, nog min of meer duidelijk den ouden vollen vorm en de beteekenis van den naam Sjoerd kenden. Althans zij, die van Hette maakten Hector, van Douwe Dominicus, van Tsjibbe Tiberius, van Sibbeltsje Sybilla, enz., maakten Suffridus van Sjoerd. In Suffridus, Suffried is nog eene aanduiding van Siegfried = Sigurd te herkennen. Nog heden is deze in schijnbaar Latijnschen vorm verdraaide naam Suffridus in sommige Friesche maagschappen in gebruik.

De vrouwelijke vorm, eigenlijk de verkleinvorm of zoogenoemde kleengedaante, van den naam Sjoerd is Sjoerdtsje (Sjoerdtje, ook wel Sjoerdje en Sjoertje in Nederlandsche spelling). Daar zijn er genoeg Friezinnen die Sjoerdtsje heeten, maar weinigen die zoo genoemd worden. De Friezen zijn groote liefhebbers om hunne namen te verkorten, te verdraaien en te verknoeien. Zoo maken zij ook, in ’t dagelijksche leven, Sjutte, Sjutsje of beter Sjuttsje, en zelfs Sjute van den naam Sjoerdtsje. Zulke verdraaide namen zijn in der daad leelijk, en het is waarlijk geen wonder dat menige schoone Friesche maagd zich niet graag aldus hoort noemen, of dat zij op lateren leeftijd, misschien als grootmoeder, er zich tegen verzet dat haar kleindochterke of haar nichtje dien naam gegeven worde. Zoo gaan er wel, door onverstand, schoone oude namen te loor, die men zekerlijk niet zoude verwaarloosd hebben, zoo men den ouden, vollen vorm en de dikwijls schoone, altijd eervolle en eerbare beteekenis daar van gekend hadde. Dat dan de man die niet meer Sjoerd, en de vrouw die niet meer Sjoerdtsje of Sjutte wil heeten, noch ook deze namen aan hunne kinderen geven willen, niet tot de opgesmukte namen van vreemden vervallen, of hunne namen op belachelijke wijze verdraaien (van Sjoerdtsje bij voorbeeld Sjoerdina maken, of van Romkje Romelia)! Dat men liever de oude, schoone vormen herstelle, Sjoerd weêr tot Sigurd terug brenge, en Sjoerdtsje als Sigurda in gebruik houde! (Men lette er op de u op Oud-Friesche of Hoogduitsche wijze uit te spreken, en den vollen klemtoon op de lettergreep gurd te laten vallen.) Zoo blijft men Friesch, ook in zijne namen; zoo houdt men de schoone, beteekenisvolle namen der edele voorouders in eere en in gebruik, gelijk het waren Stand-Friezen past.

Dat de schoone naam Sigurd bij de oude Friezen in eere en veelvuldig in gebruik was, even als bij de Skandinavische volken, blijkt ook hieruit, dat er nog heden zoo vele Friezen zijn die Sjoerd heeten. Die algemeene verspreiding blijkt ook uit het groote aantal geslachtsnamen, nog heden onder de Friezen voorkomende, die van den mansnaam Sjoerd afgeleid zijn. Dat zijn Sjoerda en ook Sjoorda, Sjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma, Sjoerds, enz. Behalven de maagschapsnamen Sieuwertsz en Siewerts, Siudts en Siutz bovengenoemd, nog Siewertz, Sieverts, Sievertsz, Siewertsen, Siewertsz in noordelijk Holland, het aloude Friesland bewesten Flie, en Sivertz, Siurtz, Siuts in de Friesche gouwen beoosten Eems. De Hollanders die een looden pijp en een gouden ketting ’n looie peip en ’n chouwe ketting noemen, laten veelvuldig, gelijk deze voorbeelden reeds aantoonen, de d uit de woorden slijten. Zoo doende is de geslachtsnaam Sjoerds buiten Friesland tot Sjoers geworden. De letter r, die bij de Friezen zoo los in den zadel zit, hebben de Hollanders in dezen patronymicalen geslachtsnaam behouden, maar de d hebben zij verwaarloosd.

In oude oorkonden uit de jaren der 15e en het begin der 16e eeuw, toen men de Friesche taal in Friesland ook nog in ambtelijke geschriften bezigde, komt de naam der maagschap Sjoerdsma gewoonlijk als Siwrdisma en Siwrdesma, ook wel als Siuwrdsma voor. Bij deze spelling Siwrd, voor Sjoerd, komt de samenhang met den Oud-Hollandschen vorm Siwert bijzonder aan ’t licht. En tevens blijkt uit deze oude spelwijzen dat men toenmaals de u, de v en de w als onze hedendaagsche oeklank in ’t woord boer uitsprak.

Al de bovenstaande geslachtsnamen zijn patronymica of vadersnamen. Zij zijn allen éérst gevoerd geworden door mannen wier vaders den vóórnaam Sjoerd droegen; zij beteekenen allen, zonder onderscheid, zoon van Sjoerd, van Sigurd, van Siegfried.