Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 17

Chapter 173,573 wordsPublic domain

Reeds een en ander maal hebben wij in deze verhandeling benamingen ontmoet en verklaard, waar bij de naam van de moeder, en niet die van den vader, den zoon tot toenaam diende. Dit verschijnsel is geenszins zeldzaam en kwam oudtijds ook evenzeer in de andere Nederlandsche gewesten voor. Ja, nog heden wordt deze wijze van naamsvorming wel in de Friesche gewesten toegepast, in het dagelijksche leven; zij strekt dan gemeenlijk den benoemde tot spot of schande. Immers meestal hebben deze moedernamen of metronymica, aldus genoemd in tegenstelling met de gewone patronymica of vadersnamen, hunnen oorsprong te danken aan de omstandigheid dat de moeder geenen wettigen man, en dus het kind geenen wettigen vader heeft, uit wiens naam voor hem een patronymicum als toenaam konde gemaakt worden. Even als de duizenden van patronymica, zoo komen ook wel enkele metronymica nog heden als vaste geslachtsnamen voor; bij voorbeeld Geertruyen, Lysebetten, Agneessens, Trynes, Vergrietens (de zoon van Ver of Vrouw Griete), enz. Gevallen van zulke moedernamen levert de Helmondsche naamlijst op in de benamingen van Roverke Juttensoen van Bakel (1385) en Goeswyn Heilwighensoen van Gherwen (1389). Deze benamingen zijn ontwijfelachtige moedernamen, omdat Jutte en Heilwig zeer zeker vrouwennamen en geen mansnamen zijn. Eenigszins twijfelachtig zijn de benamingen van Henric Trudensoen (1401); waarschijnlijk de zelfde man die in andere oorkonden, van de jaren 1423 en 1460 als Heyn Truyen beschreven wordt, en van Arnt Lysen Lyskenssoen (1392); omdat Trude (Truye) zoo wel mansnaam kan zijn als vrouwennaam, zoo wel Trudo als Truda (Truida, als verkorting van Geertruida of Gertrudis, of van Hiltrude). En eveneens Lyse, Liso, met den verkleinvorm Lysken, is zoo wel een Oud-Germaansche mansnaam, als een vrouwennaam, ook als verkorting van den vreemden vrouwennaam Elisabeth. Of dus Henric Truden en Arnt Lysen Lyskenssoen een patronymicum of een metronymicum als toenaam achter hunnen doopnaam voerden, hebben die mannen zelven en hunne tijdgenooten te Helmond zeer wel geweten, maar blijft voor ons eene twijfelachtige zaak.

Dat zoogenoemde „onwettige” geboorten, „onechte” of „natuurlijke” kinderen bij de middeleeuwsche burgerij van Helmond, ook onder de aanzienlijke standen der maatschappij, geenszins eene zeldzaamheid waren, mogen wij, op goede gronden, reeds vermoeden en afleiden uit het voorkomen van metronymicale benamingen op onzen naamlijst—met zekerheid wordt deze zaak bevestigd, blijkens sommige andere benamingen, welke uit oude oorkonden op die naamlijst zijn vermeld. In onze dagen wordt zulk eene geboorte buiten huwelijk der ouders zooveel mogelijk verbloemd, bemanteld en verzwegen; althans nooit zonder dringende noodzaak vrijwillig openlijk erkend. Maar oudtijds dacht men daar anders over; men was oprecht en ongekunsteld genoeg om zulk eene zaak in eenen omschrijvenden toenaam te vermelden, en zulken toenaam, ter verduidelijking, achter den eigenen doopnaam te voeren of in geschrifte te stellen. Zoo vinden wij op onze naamlijst eenen Jan van Rixtel natuerlyke soen Jan Kemerlinx (1421), dat is: van Jan Kemerlink of Kamerling. Ook eenen Gherit natuerlic soen heeren Daem Duysschen (1420), en eene Bele naturlyke dochter Arnts van Rypelberch (1441). Verder Godert natuerlyc soen Goderts wilen Aleiten soens van Stiphout (1389); hier was Godert, de vader van den eerstgenoemden Godert, waarschijnlijk ook, als zijn zoon, een „natuurlijk” kind, omdat hij slechts een metronymicum, slechts den naam van zijne moeder, van Aleit van Stiphout voert, en niet zijn vadersnaam. Dan nog Jan van Berlaer natuerlike soen wilen Maes Shogen die hi hadde van Juffrouw Margrieten van Berlaer (1419), waar nevens den naam van den vader ook nog dien van de moeder vermeld wordt. Dit is ook het geval bij de benaming van Jutte dochter Meys van Herzel die dieselve natuerlic gewonnen hadde Corstine van de Goer (1446), enz.

Het kan niet anders—waar de onwettige geboorten zoo menigvuldig voorkwamen, en waar die zaak zelfs vermeld werd en genoemd in de benamingen die de kinderen, uit zulk eene geboorte voortgesproten, te dragen hadden, daar moesten de lieden van wettige geboorte er prijs op stellen dat ook deze zaak blijken kon uit de benamingen die zij voerden. Zoo vinden wij dan ook in de Helmondsche oorkonden met name genoemd eenen Jan van den Grave wittige soen wilen Jans Comans van Helmont (1428). Bijzonderlijk, als een man zoo wel wettige kinderen had als onwettige, zullen de eerstgenoemden de wettigheid hunner geboorte gaarne opzettelijk bij hunnen naam vermeld hebben, in onderscheiding van de namen hunner halve broeders en zusters van onechten bedde. Maes Shoghen (d.i. Thomas des Hoogen, de zoon van den man, die, om de eene of andere reden den toenaam van de Hooge of Hoog gevoerd had)—Maes Shoghen verkeerde in dit geval; hij had eenen wettigen en eenen natuurlijken zoon. De volle benaming van den laatsten, van Jan van Berlaer, hebben wij reeds hierboven op deze bladzijde medegedeeld. Die van den eerstvermelden, den wettigen zoon, was Art van Gheel, wittige soen wilen Maes Shoeghen (1419).

Bijzonder belangrijk en merkwaardig is de Helmondsche naamlijst nog wegens een groot aantal schoone, ja edele, oude, volledige, volkseigen-Germaansche namen die daar op vermeld staan: namen, die ten deele nog wel onder de hedendaagsche Nederlanders voorkomen, vooral in de Friesche gewesten, maar die voor een ander deel ook geheel verouderd zijn en bij het tegenwoordige geslacht niet meer in gebruik. Namen, die heden ten dage door allerlei onredelijke en leelijke, voor Nederlanders geheel onvoegzame, Fransche en Engelsche namen en naamsvormen verdrongen zijn, zeer tot schande onzer volkseigene zake. Zulke oude en edele namen, die wij den hedendaagschen Helmondenaren, en den Brabanderen in het algemeen, voorhouden en aanbevelen om weêr in gebruik genomen en in hun eere hersteld te worden (immers onder de Brabanders in het bijzonder zijn vreemde, Fransche namen veelvuldig in zwang)—zulke namen dan zijn:

Gosewyn, voluit Godeswin, beteekenende: Godsvriend. Deze naam komt in verschillende vormen en verkortingen voor, als Goeswyn (Goeswyn) Heilwighen soen van Gherwen (1389), en Goeswyn Schuermans (1419); als Goswyn (Goswyn) Wevers (1402); samengetrokken als Goessen, heden ten dage Goossen: Goessen Scorten (1460).

Godart, voluit Godhard (Godhart). Deze naam komt op de naamlijst zeer menigvuldig voor. In zijnen vollen vorm is hij heden ten dage nagenoeg uitgestorven onder ons volk; slechts in sommige oud-adellijke geslachten is hij, ook in den vorm Godert, nog erfelijk. Buitendien komt hij, in samengetrokken vorm, en met gewijzigden klank, als Geurt, dat is Gö(d)ert, en Guurt nog hier en daar ten platten lande voor. In Noord-Holland is de vrouwelijke vorm Guurtje (Godeharda) niet zeldzaam.—Godart Vrancken (1418), in 1439 Godart Vrankensoen genoemd; Godart van der Capellen (1460); Roever Godart Meussoenssoen (1419); Godert van Bistervelt (1348); Godert Bants (1435).

Alaert, ook Alairt geschreven; voluit Adelaart, Adelhart, Athalhard, in de Friesche gewesten nog heden als Allard en Allert, ook Aldert, geenszins zeldzaam.—Jansoen Aert Alaerts (1481), dat is: Jan (Johannes), zoon van Aert (Arnout), die een zoon was van Alaert (Adelhard); Lambrecht Alairts Salensoen van Bakel (1416).

Ghevart, dat is Gevart of Geevaert, Hoogduitsch Gebhard.—Ghevart Lutensoen (1401).

Ysbout, Isbald.—Ysbout Dirx Snoexsoen van der Zantvoert (1416).

Reyner, voluit Raginheri, ook als Reinier voorkomende, en in de Friesche gewesten nog heden als Reiner en Reinder.—Reyner van den Wintmoelen (1348) en Reynier Haengreve (1389).

Vranck, in betere spelling Frank, een schoone, Oud-Nederlandsche naam, zóó, en als Franke, nog heden bij de Friezen in gebruik, even als oudtijds ook bij Hollanders en Zeeuwen (Frank van Borsselen).—Vranck van den Dijck (1462) en Vranc Thuyns (1435).

Rabout, voluit Radbout, Radbold of Redbald.—Met eenige verwondering, maar tevens met veel genoegen vinden wij dezen schoonen, tamelijk zeldzamen, Oud-Frieschen koningsnaam nog in de 15e eeuw in Brabant (of in Limburg? Neder-Rijnland?) in gebruik: Rabout heeren Rabouts soen van Vloedorp (1425). Dit Vloedorp is toch zeker het hedendaagsche Vlodorp of Vlodrop in Limburg, bij Roermond, op de grens van Neder-Rijnland.

Rymbout, waarschijnlijk eene misschrijving voor Reynbout, voluit Reginbold of Raginbald, eveneens een schoone Oud-Germaansche mansnaam.—Rymbout Henrixsoen van den Berge (1444).

Nevens deze en meer andere merkwaardige mansnamen levert de Helmondsche namenlijst ons ook eenige bijzondere vrouwennamen op, die eveneens heden ten dage volkomen of geheel buiten gebruik zijn geraakt, maar die ook eveneens als schoone, volledige Oud-Germaansche namen onze belangstelling ten volsten waardig zijn. Ook deze namen worden bijzonderlijk den hedendaagschen Brabanderen voorgesteld en aanbevolen om daar hunne jonggeborene dochterkens, in oud-vaderlandschen, in oud-volkseigenen geest mede te noemen.

Ermgarde, ook Ermgaert, Irmingard; zóó heetten, onder anderen, Boergondische koninginnen in de 9de en 11de eeuw.—Ermgarde Jan Beliensoens dochter (1401), dat is: Ermgarde, dochter van Jan, die een zoon was van Belie (zie bladzijde 183 hiervoren).

Aleyt, Aleida, voluit Adelheid, ook een naam die oudtijds door Germaansche koningsvrouwen en dochters gedragen is, en dien de Franschen tot Adelaïde hebben verknoeid. Aleit, Aleida was ook in de middeleeuwen in Holland geenszins zeldzaam (Aleyt van Poelgeest).—Te Helmond Aleyt Moerkens (1395) en Aleyt Arts Creppendochter (1427).

Luytgart of Luytgaerde, Lutgardis, een welluidende en liefelijke naam, de naam van Sinte-Luutgaarde van Tongeren, bij de Roomsch-Catholyken bijzonderlijk als Beschermheilige der Nederlandsche (Dietsche, Vlaamsche) taal vereerd, wier gedenkdag op den 16den Juni valt. Luytgaert Houben (1394), wier naam in den jare 1400 als Luytgart Hubendochter voorkomt.

Engel, in Friesland nog als Engeltje (veelal uitgesproken Ingeltsje), en elders in Noord-Nederland in den wansmakelijk-opgesmukten vorm Engelina voorkomende.—Engel van den Doren Peters dochter van den Vehuse (1419).

Wandel, ook Wendel, Wendela.—Wandel Jan Embrechts dochter (1419).

Heilwig.—Heilwig dochter wilen Hermans Dircs Guedelen soens (1443). De oude naam Guedele, Goedela, Gudula, in deze benaming voorkomende als eigen aan de grootmoeder of overgrootmoeder van Heilwig, is mede een Oud-Nederlandsche naam, te Brussel welbekend.

Den bijzondersten en merkwaardigsten naam van de Oud-Helmondsche benamingen hebben wij voor het lest bewaard. Het is die van Swenelt wilen Henrics Mortelsdochter (1436); Swenelt, verloopen in vorm en klank uit den ouden, volledigen vorm Swanhilde, een welluidende en overschoone naam, die zoo menige herinnering aan den Oud-Germaanschen sagen- en heldentijd onzes volks opwekt.

Zeer ongewoon, ten deele ook mij onverklaarbaar, ofschoon niet onbekend, zijn nog enkele andere namen van onze lijst. Bij voorbeeld die van Udeman van Thefelen (1439); (Udeman is een bijvorm van den bekenden mansnaam Udo, in Friesland nog heden ten dage in verkleinvorm Oedtsen, Oeds, Oets); van Bruysten Yseboutssoen (1426) en van Dyrc Cnoopsoen van Zoemeren (1389.) De namen Bruysten, Brusten of Brustyn en Cnoop komen ook elders in de Nederlanden voor, in de middeleeuwen en later nog. Den laatstgenoemden naam, ook als Knoop, treft men nog heden als maagschapsnaam aan; ook in patronymicalen vorm: Knoops, Cnoops, en verlatijnscht als Cnopius.

Halve, ingekorte, samengetrokkene, vervloeide en versletene naamsvormen, als zoogenoemde vleinamen ontstaan en bekend, komen ook menigvuldig en in allerlei gedaanten in de Helmondsche lijst voor. Sommigen daarvan hebben wij reeds medegedeeld en verklaard: Maes, voluit Thomas; Roef en Roverke = Rovert, Rodfred, Rodfried, enz. Verder vermelden wij hier nog Henneken = Johannes, voorkomende in de benamingen van Henneken Jan Deynensoen (1478); Henneken Roeselmans Melys brueder (1439); en Henneke Gerrit Celen soen (1460). Ruelken, in de Friesche gewesten nog wel, zonder den verkleinvorm, voorkomende als Roel, een verkorte of afgekapte naamsvorm van Roelof, Rolof, Rodlof of Rodolf (bij letterkeer), Rudolf, Hrodolf; wij vinden dezen naamsvorm bij Ruelken die Scoemeker Lambrecht Ruelkenssoen (1401). Lemmen, bij Lemmen van de Laer (1416), geldt heden ten dage in de Vlaamsche gouwen voor eene verbastering van Willem, Wilhelm; in de Friesche gewesten, waar Lem en Lemke ook voorkomen, heeft deze vleinaam waarschijnlijk eenen anderen oorsprong. Eene andere verbastering van Willem of van eenigen anderen met den naamsstam wil samengestelden naam (Wilbald of Willebout, Wilmar, Wilbrecht) is Willeken, zoo als Willeken van Ghemert (1410) heette. Dat op gelijke wijze de naam Lodeken, de dagelijksche benaming van Lodeken van Lofen (1410), eene verkorting in verkleinvorm is van den naam Lodewijk, blijkt hieruit dat bovengenoemde Lodeken acht jaren later in eene oorkonde van 1418 voorkomt als Lodewich Lodewichssoen van Loeffen. Ook nog van eene andere verkorting en vleivorm geeft onze naamlijst eene oplossing. Te weten van Aernout, Arnold, Arnwald, een naam die in de laatste middeleeuwen veelvuldig in gebruik was. Deze naam, in Holland en andere Noord-Nederlandsche gewesten gemeenlijk tot Arend en ook nog wel korter tot Aart versleten (in Friesland zelfs wel tot Aan), was onder de Helmondsche burgerij in den regel tot Arnt en Art ingekort. Bij voorbeeld bij Art Peter Meeussoen (1418); Art van den Paependonck (1439); Art van Gheel (1419); Arnt Lysen Lyskenssoen (1392); Arnt Ebben (1395) enz. Van deze reeds ingekorte en saamgetrokkene naamsvormen Arnt en Art had men oudtijds te Helmond nog den vleinaam Aye of Ayen gemaakt. Dit wordt ons bewezen uit de benamingen van Art geheyten Ayen naturlike soen Hermans van Eyndhouts (1418). Het schijnt in der daad als of deze man, dien wij nog in eene oorkonde van den jare 1420 ontmoeten als Arnt geheyten Ayen Hermans natuerlic soen van Eyndhouts (1420), en in eene andere van 1421 als Arnt geheyten Aye natuerlic soen wilen Hermans van Eyndhouts, bij zijne tijdgenooten schier uitsluitend en vast algemeen als Ayen of Aye bekend was, zoo dat deswegen die omslachtige omschrijving van zijn persoon in zijne benaming noodzakelijk was.

Dat ook de vrouwennamen alzoo verbasterd werden leert ons de namenlijst in de benamingen van Heyle van den Put (1394), van Jutte van Rijthoven (1416) en van Jutte Gobbels (1436). Heyle is een vleinaam van den eenen of anderen volledigen, met den naamsstam heil samengestelden vrouwennaam—van Heilwig waarschijnlijk. Als Heiltje is deze naamsvorm nog heden ten dage in de Friesche gewesten geenszins zeldzaam. En Jutte is een zonderlinge vleivorm van den naam Johanna. In de middeleeuwen kwam deze naam Jutte ook in Holland en in andere onzer gewesten voor; thans is hij, voor zoo verre mij bekend is, ganschelijk bij ons volk buiten gebruik geraakt.

Aangaande de gewone ook hedendaags nog gebruikelijke verkortingen en verbasteringen van gewone namen, zoo als Jan van Johannes, Klaes, Claus van Nicolaas, Gerit of Gheryt, Gerrit van Gerhard, Lysbet van Elisabeth, enz. die ook rijkelijk vertegenwoordigd zijn in de Helmondsche namenlijst, behoef ik hier wel geen woord ter verklaring te verspillen.

Heden ten dage komen onder de Nederlanders veel vreemde, vooral Fransche namen voor, en tevens veel lieden, die met twee, drie, vier, ja met nog meer vóórnamen zijn opgepronkt. Zóó te doen is eene wanzede. In de zuidelijke Nederlanden, bij Brabanders en Vlamingen is dit misbruik juist meest inheemsch. Hoe noordelijker in de Nederlanden, hoe minder men zulke vreemde namen aantreft. In de Friesche gewesten zijn ze zeldzaam. Ten platten lande in Friesland komen vreemde namen en dubbele of veelvoudige namen slechts uiterst zeldzaam, schier nimmer voor. Deze zelfde Oud-Germaansche reinheid en eenvoud van zeden in de namen der menschen heerschte in de laatste middeleeuwen ook nog te Helmond. In onze gansche lange lijst van ruim twee-honderd namen vind ik slechts één Fransche en één dubbele naam: Louis Orssen (1481), in 1477 voluit Louis Aert Orssen soen genoemd; en Marie Luytgarde des Visschers dochter (1404).

Als bijzonder opmerkelijk kunnen wij er nog op wijzen, dat twee soorten van toe- of geslachtsnamen, die nog heden ten dage bijzonder eigen zijn aan de Brabantsche gewesten, ook in de middeleeuwsche Helmondsche namenlijst niet ontbreken. Wij bedoelen de geslachtsnamen, die op mans eindigen, in Brabant ongemeen talrijk vertegenwoordigd; en die, welke gevormd zijn door eene s, als overblijfsel van het verbogene lidwoord des, vóór den eigentlijken naam geplaatst. Die zelfde s wordt bij plaatsnamen zeer te recht nog afzonderlijk geschreven, als ’s, bij voorbeeld ’s-Gravenhage, ’s-Hertogenbosch, ’s-Heerenberg. Bij de geslachtsnamen is zij echter reeds onafscheidelijk met den eigentlijken naam verbonden, in één woord; bij voorbeeld Smulders, eigentlijk ’s-Mulders, des mulders (zoon), de zoon van den molenaar; Smertens, dat is: ’s-Mertens, des Mertens (zoon), de zoon van den man die Merten, Marten, Martinus heette; Smeuninckx, de zoon van den monnik, enz.

De namen op mans eindigende, en als Mosmans, Sijstelman, Heuvelmans, Pellemans, Muyldermans, Borgmans, Roymans, enz. enz. zoo menigvuldig in Brabant voorkomende, dat zij als ’t ware eenen eigenen stempel drukken op de Brabantsche namen in het algemeen, zijn echte of ook oneigentlijke patronymica, afgeleid van doopnamen die reeds op man eindigen, als Herman, Hartman, Tielman, Udeman, of van bij- of toenamen met dien uitgang; bij voorbeeld Royman, (de roode, roodharige man, of de man die aan eene rode [rooi], aan eene uitgerode, van boomen ontbloote plaats in het bosch woonde), Wielman, Bergman, Schuurman, enz.

Onze naamlijst vermeldt de namen van Lambrecht Lauwreyzen Tielmanssoen (1400—Lambrecht, de zoon van Lauwreys [Laurens], die een zoon was van Tielman); Willem Ghevarts Luten Medemanssoens soen (1401); Johannes Roeselmanssoen (1400); Claes Claes Wielmanssoen (1418); Lisebeth Haremansdochter (1388); Lysbeth ende Hilledochteren Arts Stippelmans (1417). Bij deze vijf eerste namen is het woord soen (zoon) of dochter nog achter den vadersnaam gehecht gebleven; den oorsprong van deze namen duidelijk aangevende. Andere mansnamen in onze lijst hebben dat kenmerk reeds verloren, en onderscheiden zich in niets meer van de hedendaagsche geijkte maagschapsnamen die op mans eindigen. Dat zijn de namen van Peter Stippelmans (1460), van Herman Eycmans (1439), Peter Pedelmans (1416), Goeswyn Schuermans (1419—deze naam, oorspronkelijk als toenaam dienende voor mannen die een schuur bij hun huis hadden, of misschien wel in eene schuur woonden, is zeer algemeen, niet alleen in de Brabantsche, maar ook, meestal als Schuurman en Schuurmans, in alle andere Nederlandsche gewesten). Verder nog Jan Coffermans (1436), Henneken Roeselmans (1439—zie bladzijde 182), enz.

Namen met voorgevoegde s vinden wij bij Hubrecht soen Happen Smolners (1435—Hubrecht zoon van Happe den molner of molenaar); Dirc Udemans Swolfssoen (1435); Matthys Jan Spapensoen van Zomeren (1417—Matthijs, zoon van Jan [bijgenaamd Paap? of Paap = Priester?] van Zomeren); Herman Swevers (1492—des Wevers); Sophie van Geldrop Dircs Sjoncheren soens dochter (1400). Twee zonen, een wettige en een natuurlijke, van Maes Hoge of Hoeghe, d.i. van Thomas de Hooge, onder de benamingen Art van Gheel wittige soen wilen Maes Shoeghen (1419) en Jan van Berlaer natuerlic soen wilen Maes Shogen (1419); Goessen Scorten, dat is: Goossen of Gosewyn of Godeswin, zoon van den man die de Corte werd genoemd, enz. Duidelijk komt deze naamsvorm ook aan het licht in de benamingen van Willem den Weder wilen Dirc Sweederssoen (1428), met Dirc die Weder (1481) en Margriet Swedersdochter (1421).

Indien nu door het lezen en betrachten van deze verhandeling over Oud-Helmondsche namen, deze of gene Brabander (hoe meer hoe beter!) genoopt werd weêr de schoone en liefelijke, de welluidende en voegzame, de eerbare en volkseigene Oud-Germaansche namen zijner voorouders in hunne volledige vormen zijnen kinderkens te geven, hij zoude deswegen den eerenaam van een kloek en degelijk volks- en vaderlandsgezind man mogen dragen, en de schrijver van dit opstel zoude zich daarin van harten verblijden.

V

FRIESCHE NAMEN.

„Gaudete, charissimi Frisonides, quia Nomina vestra in hoc libro reducta sunt ad originalem typum. Imo potius gaudete, si Nomina vestra scripta sunt in coelis.”

Regnerus Boegherman, De Nominibus Frisonum.

Het Friesche volk heeft zich, van ouds her en tot op den dag van heden, door vele eigenaardigheden in taal, zeden, kleeding, enz., steeds bijzonder onderscheiden van andere, naburige en stamverwante Germaansche volken. De bijzondere namen der Friezen, zoowel hunne vóórnamen als hunne geslachts- en plaatsnamen, die grootendeels van de vóórnamen zijn afgeleid, nemen onder die eigenaardigheden almede eene eerste plaats in.

Veel van ’t gene in den tegenwoordigen tijd voor bijzonder en eigenaardig Friesch geldt, is dit van ouds niet steeds geweest. In tegendeel, veel van die zaken was oudtijds zoowel Sassisch en Frankisch als Friesch, was algemeen Germaansch eigendom. Voor tien en vijftien eeuwen, bij voorbeeld, was er tusschen de taal der Friezen en die der Sassen bij lange na niet dat groote onderscheid ’t welk thans bestaat tusschen het hedendaagsche Friesch en de Sassische gouwspraken van Twente en den Gelderschen Achterhoek, van Westfalen en andere gouwen in noordwestelijk Duitschland. Ook het Angelsassisch, de moedertaal van het hedendaagsche Engelsch, stond in die eeuwen, in hoofdzaak, vrij nabij het toenmalige Friesch.

Iets soortgelijks valt ook bij de kleeding op te merken. Immers de vrouwen der Angelsassen en van andere Neder-Germaansche volken en stammen droegen algemeen het oorijzer (natuurlijk in andere, min of meer gewijzigde, en altijd zeer smalle vormen), gelijk de Friezinnen en alle vrouwen die in de Nederlanden van Frieschen stam zijn, nog heden doen. [31] Ook vele zeden en gebruiken, die thans als bijzonder Friesch gelden, waren oudtijds allen Neder-Germaanschen volken gemeen. Maar bij de Friezen bleven al zulke oude zaken in stand, terwijl ze bij de verwante volken en stammen, gedeeltelijk reeds sedert de invoering van het Christendom, gedeeltelijk gedurende den loop der middeleeuwen, ten deele ook nog bij, en kort na de kerkhervorming verdwenen, somtijds zelfs met geweld werden uitgeroeid. De Friezen hebben zich daar steeds tegen verzet. Zij bleven, zoo veel maar immer mogelijk was, aan het oude en volkseigene, dat door hunne voorouders hun overgeleverd was (voor zoo verre het ook goed was), „hou ende trou” en in liefde gehecht. Dit is hun eene eere!

En zoo is het ook met de bijzonder Friesche mans- en vrouwen-vóórnamen. Veel van wat thans in deze zaak als eigenaardig Friesch geldt, is van ouds algemeen Germaansch geweest. Oorspronkelijk toch hebben de Friezen geen afzonderlijke, slechts uitsluitend aan hen eigene namen gehad. De namen, die de oude Friezen droegen, hadden zij gemeen met de stamverwante volken. Maar bij de Friezen hebben deze namen, zoo in hunnen volledigen vorm, als in uiterst talrijke vervormingen, stand gehouden tot op den dag van heden. Bij de andere Nederlanders, bij de Engelschen en bij de Nederduitschers, hebben zij grootendeels plaats gemaakt voor namen van Bijbelschen en Kerkelijken oorsprong, en voornamen uit allerlei vreemde talen overgenomen. Ook dit vasthouden aan de oude, schoone en eervolle namen hunner roemruchtige voorouders strekt den Friezen tot eere, en is een bewijs van hunnen alouden Germaanschen adeldom.