Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 16

Chapter 163,554 wordsPublic domain

Deze namen van ingezetenen der stede Helmond in de twee laatste middeleeuwen, ten getale van ruim twee-honderd, leveren in de groote verscheidenheid en in de zeer verschillende vormen waar in ze ons in geschrifte zijn overgeleverd geworden, een spiegelbeeld op van den toestand der persoonsbenamingen, gelijk die toen ten tijde in de hoofdplaats van het Peelland bestond. Die Helmondsche toestand mag men wel achten in hoofdzaak eveneens van geldigheid te zijn voor al de Brabantsche gewesten en gouwen van die tijden, met name wat het platteland en de kleine steden aangaat; minder misschien wat de groote steden, vooral Brussel en Leuven, wellicht ook ’s-Hertogenbosch en Breda betreft.

Die toestand der benamingen was in de verschillende Nederlandsche gewesten en in de verschillende eeuwen steeds zeer ongelijk; tot dat de invoering van den zoogenoemden „Burgerlijken Stand”, en de wetgevingen op de benamingen der ingezetenen, ten jare 1811 in ons vaderland ingevoerd, in die zaak eene gewenschte eenheid bracht. Deze zaak der persoonsbenamingen levert een belangrijk en merkwaardig hoofdstuk op in het boek van de geschiedenis der beschaving onzes volks. Vormen van benamingen die wij, volgens onze naamlijst, te Helmond en zekerlijk ook elders in Brabant, in de vijftiende eeuw nog wel in zwang vinden, maar die sedert dien tijd daar volkomen buiten gebruik geraakt en verdwenen zijn, bestonden twee eeuwen later nog ten volsten in Holland en Zeeland, en bleven in onze Friesche gewesten (Friesland, Groningerland, Drente, noordwestelijk Overijssel en Noord-Holland) nog tot in het begin dezer eeuw heerschen. Geslachtsnamen, gelijk wij allen die thans dragen, waren in de zuidelijke gewesten, in Vlaanderen en Brabant reeds in de dertiende en veertiende eeuw bij de aanzienlijke maagschappen in zwang, en later ook algemeen bij de burgerij in de steden en bij de landzaten daar buiten, toen men in Holland nog een paar eeuwen lang enkel den doopnaam met den naam des vaders als patronymicum voerde, en terwijl in Friesland het gros der bevolking met deze wijze van naamsvoering nog stand hield tot in het laatst der vorige eeuw. Ja, nog heden laat men in de Friesche gewesten die oude, eenvoudige naamsvormen niet varen, ook al hebben zij, in geijkten zin, geen geldigheid meer.

Al die verschillende naamsvormen, eenvoudige en zeer samengestelde, oude en nieuwere en nieuwste, komen in onze Helmondsche namenlijst voor. Wij willen ze een voor een nader beschouwen.

In de oudste tijden, en bij alle volkeren, hadden de menschen maar eenen enkelen naam: den naam, dien men thans, in Christelijken zin doopnaam, in burgerlijken zin vóórnaam noemt. En die enkele naam was voldoende. Later, bij vermeerdering en uitbreiding van het menschelijke geslacht, bij vermeerderd en levendiger verkeer der lieden onderling, was die eene, enkele naam wel oorzaak van verwarring—omdat, bij het wel zeer groote, maar daarom toch niet onbeperkte getal namen, dat de lieden te hunner beschikking hadden, verschillende personen wel eenen gelijken, wel den zelfden naam droegen. Zoo werd men wel genoodzaakt, om die gelijknamige personen van elkanderen te kunnen onderscheiden, hen bij hunnen eigentlijken naam nog eenen tweeden naam, als bijnaam of toenaam te geven. Zulken tweeden naam vond men het gereedste in de namen van de vaders dier gelijknamige lieden. Deze vadersnamen of patronymica, oorspronkelijk voluit met het woord zoon, in de onderscheidene talen, daarachter, en dus natuurlijk in den tweeden naamval geplaatst, zijn bij alle Germaansche volken in zwang geweest, en zijn tot op den dag van heden bij de Friezen nog in gebruik gebleven. Vele patronymica zijn in verloop der tijden langzamerhand van steeds wisselende, enkel voor de kinderen van eenen en den zelfden vader geldende namen, geworden tot vaste, onveranderlijke maagschapsnamen, en als zoodanig nu aan zeer vele maagschappen, ook hier in de Nederlanden, eigen.

In het midden der veertiende eeuw, ten jare 1348, het oudste jaar dat in onze naamlijst voorkomt, waren er te Helmond geene personen meer die nog op dien alleroudsten en eenvoudigsten trap der benaming stonden, waar bij de lieden slechts eenen enkelen naam, en geenen toenaam, in welken vorm dan ook, hadden. Althans onze lijst vermeldt zulke benamingen niet. Achter alle doopnamen, daarin vermeld, staat een andere naam als toenaam; een vadersnaam veelal, of anders een plaatsnaam, of ook ’t eene of andere algemeene woord, als bijnaam, aan het bedrijf van den man of van diens vader, of aan de eene of andere bijzondere geestelijke of lichamelijke eigenschap ontleend.

De oudste vorm der patronymicale benamingen, volledig, met het woord zoon (in dit geval soen) daar achter, is in onze naamlijst vertegenwoordigd in de namen van Henric Roefssoen (1389) [23], Godart Lyzensoen (1401), Ghevart Lutensoen (1401), Jan Colensoen (1419), Anchem Goeswijnssoen (1424), Bruysten Yseboutssoen (1426), Godart Vrankensoen (1439), enz. Dat is: Henric soen van Roef of Hendrik zoon van Roef (Rodfred); Godart zoon van Lyse (een vrouwennaam? Elizabeth?); Ghevart of Gevaart zoon van Lute (Hlodo); Jan zoon van Colen (Nicolaas); Anchem (Anselm?) zoon van Goeswijn (Gosewijn, Godswin); Bruysten zoon van Ysebout (Isbold, Idisbald); Godart (Gothard) zoon van Vranke (Franco, Frank) [24].

Het kwam wel voor, dat twee personen niet slechts den zelfden doopnaam hadden, maar ook den zelfden vadersnaam voerden, omdat toevalliger wijze ook hunne vaders beiden den zelfden naam hadden gedragen. Dan was nog eene andere toevoeging achter hun patronymicum noodig, om die twee personen van elkanderen te kunnen onderscheiden. Of ook, bij bijzondere, belangrijke aangelegenheden, zoo als die, welke het opstellen van oorkonden (uiterste wilsbeschikkingen, koopbrieven, of andere overeenkomsten) ten gevolge hadden, was eene zeer nauwkeurige aanduiding der verschillende personen noodig, en voegde men daarom nog eene nadere onderscheiding achter het patronymicum. Daar toe was de naam van de plaats (stad of dorp, berg, bosch of heide) waar deze of gene persoon woonde, of anderszins herkomstig was, bijzonder dienstig. Zulke namen komen op de naamlijst voor als: Dyrc Cnoopsoen van Zoemeren (1389); Jan Claeussoen van Lancheze (1401); Lambrecht Stevenssoen van Milheze (1401); Didderic Janssoen van den Broeke (1402); Ayen Hermanssoen van Eyndhouts (1407); Roef Alartssoen uten Vehuse, dat is Roef of Rodfred, de zoon van Alart of Adelhart uit den veehuize, uit het veehuis (dus de man die in een huis woont, waar in het bijzonder vee gehouden of gestald wordt?). Verder Lodewich Lodewichssoen van Loeffen (1418). Deze zelfde man komt in eene vroegere oorkonde van den jare 1410 eenvoudig voor, met ingekorten doopnaam, als Lodeken van Lofen; waarschijnlijk moet deze plaatsnaam Loeffen of Lofen wel den naam der stad Leuven voorstellen. Eindelijk nog Vrientken Vrients van Doernen (Deurne) (1423); Jan Ywaenssoen van den Berghe (1423); Rymbout Henrixsoen van den Berge (1444), enz.

Jongelingen en jonge mannen die nog bij hunne vaders in huis woonden, wier vaders dus, nog in de volle kracht huns levens, meer en beter bekend waren in hunne omgeving als die jonge lieden zelven, voerden slechts hunnen doopnaam, met den volledigen naam hunner vaders, voorzien van dier mannen patronymicale of andere toenamen, ter verduidelijking daar achter gevoegd. Voorbeelden van deze benamingen vinden wij in Hubrecht soen Happen Smolners (1435), dat is: Hubrecht, zoon van Happe Molner, van Happe den molenaar (smolners = des molenaars). Verder in Willem soen Jan Touwers (1460), Willem zoon van Jan Touwer; Jan soen Aert Alaerts (1481) en Jan soen wilen Jans van der Capellen (1407.) Bij deze laatste benaming voerde de zoon Jan nog den vollen naam van zijnen vader, niettegenstaande deze laatste niet meer in leven was. Jan was toen zekerlijk nog een jongeling; anders toch hadde hem, als man, zijnen eigenen naam Jan Janssoen beter gevoegd.

Omslachtiger nog werd deze soort van benaming, als een man achter zijnen eigenen vollen vóórnaam en toenaam, ook nog den vollen naam zijns vaders voerde, met diens patronymicum nog daar bij. Bij voorbeeld: Art van den Loe Henrics Metten soens soen (1403), dat is: Art van den Loe (Arnold van den Loo) zoon van Henric Mettensoen, met andere woorden: zoon van Henric, die een zoon was van Mette. Uit zulken naam blijkt dan niet slechts de naam van den vader, maar ook die van den grootvader des mans, die den naam draagt. Voor het dagelijksche leven zijn die namen te omslachtig; maar in geschrevene stukken laten zij aan duidelijkheid weinig te wenschen over. De personen die ze voeren, worden er duidelijk door aangewezen, schier omschreven. Of zulke omschrijvende benamingen ook nog heden bij het Brabantsche volk in het dagelijksche leven gebruikelijk zijn, weet ik niet. Maar ik betwijfel het. Bij het Friesche volk echter, zoo gehecht aan zijne eigene oude zaken en vormen, vooral op taalkundig gebied, komen zulke samengestelde benamingen (natuurlijk in sterk afgekorte vormen) nog heden wel voor. Zoo leefde daar in de eerste helft dezer eeuw op het eiland Ameland een man, die in het dagelijksche leven Betse-Rinse-Piet genoemd werd; dat is Pieter, zoon van Rins (Rins of Rinske is een Friesche vrouwennaam), dochter van Betje. Eene Friezin op het eiland Sylt ten jare 1766 voerde in de wandeling de benaming van Moiken-Manne-Jens-Eben; dat is: Moiken, de dochter van Ebe, de zoon van Jens, de zoon van Manne. Deze vrouw torste dus nog den naam van haren overgrootvader. Zij werd echter in deze zaak nog overtroffen door eenen man op ’t eiland Marken, omtrent het midden dezer eeuw levende. Deze toch werd genoemd: Sijmen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk; dat is: Sijmen, zoon van Dirk, die een zoon was van Pieter, die een zoon was van Kee (Cornelis), die een zoon was van Neeltje (Cornelia).

Nevens dien eenen naam, hierboven reeds genoemd, komen in onze Helmondsche namenlijst nog andere zulke omslachtige benamingen in gelijken vorm voor. Het zijn: Roef Gheryt Janssoens soen van Boerdonc (1395), dat is: Roef van Boerdonc, zoon van Gheryt, zoon van Jan. Verder Jan Kerman Henrics Robben soens soen = Jan (de karreman? de karrevoerder?) de zoon van Hendrik, de zoon van Robbe (Robbert, Rodbrecht); Dirc Dieric Guelden soens soen (1414) en Roever Godart Meeussoens soen (1419).

De dubbele vermelding van het woord soen of zoon in bovenstaande benamingen was toch op den duur in ’t dagelijksche spraak- en schrijfgebruik te lastig. Men liet dus dat tweede woord soen achter wege, waardoor de benaming toch niet van hare duidelijkheid inboette. Van zulke ingekorte namen, die toch nog achter den doopnaam van den drager, met of zonder zijnen toenaam, den naam van zijnen vader en grootvader vermelden, levert onze naamlijst vele voorbeelden. Zie hier eenigen daarvan: Hoegard wilen Jans Godartssoens van Bruheze (1423); dat is Hoegard de zoon van wijlen Jan, die een zoon was van Godart van Bruheze, of anders gezeid Hoegard van Bruheze, zoon van Jan, enz. Lambrecht Alairts Salensoen van Bakel (1416); Art Peter Meeussoen (1418); dat is Art de zoon van Peter, de zoon van Meeus (Bartholomeus). Een zoon van dezen Art droeg weêr naar zijnen grootvader den naam van Peter; hij komt in eene oorkonde van den jare 1439 voor als Peter Art Peter Meeussoens soen [25]. De toenamen van Bruheze, van Bakel, enz. achter deze namen, aan plaatsnamen ontleend, zijn geenszins als vaste geslachtsnamen te beschouwen, maar wijzen enkel aan, duidelijkheids halven, dat de dragers dier namen in die plaatsen wonen of van daar herkomstig zijn.

Leverden de namen van Peter Art Peter Meeussoenssoen en vele anderen bovengenoemd, reeds voorbeelden op van zeer omslachtige naamsvormen, nog langer, nog samengestelder zijn sommige namen, almede op onze naamlijst voorkomende. Het zijn in der daad ware omschrijvingen van de maagschapsverhoudingen der personen die zulke monsters van namen hebben getorst: Jan soen Jan Lemmenssoens van Milheze (1401); Heynken Heynen Diddekens Tsweertssoens soen (1431) = Heynken (kleine Hendrik) zoon van Heyn, die een zoon was van Diddeken (kleine Dirk, Diederik) den Weerd. Verder nog Willem Ghevarts Luten Medemanssoen soen (1401) = Willem, zoon van Ghevart, zoon van Lute Medemans, zoon dus van Lute die een zoon was van eenen man dien men om de eene of andere reden de Medeman had genoemd. De vader van dezen langnamigen Willem komt in eene oorkonde van den jare 1401 voor als Ghevart Lutensoen Willems vader; hier dient dus, omgekeerd als gewoonlijk het geval is, de naam van den zoon tot verduidelijking van dien des vaders. Al deze lange benamingen worden nog overtroffen door dien van Jacopsoen wilen Jans geheyten van den Bomen Godartssoen van Bruheze (1449), dat is Jacob, zoon van wijlen Jan van den Bomen die een zoon was van Godart van Bruheze.

Maar zulke monsterachtige, als ’t ware op elkanderen gestapelde naamsvormen konden op den duur onmogelijk in stand en in gebruik blijven. Hunne langheid en ongeschiktheid bracht eenen tegenslag in de zaak der persoonsbenamingen te weeg, waardoor men weêr tot de eenvoudigste benaming terug keerde, te weten tot die van den enkelen doopnaam des mans, met den naam van zijnen vader als patronymicum daar achter. Op bladzijden 173 en 174 hiervoren zijn deze namen, nog met het oorspronkelijke woord soen daarachter, reeds vermeld. Maar men liet dit woordje soen, dat eigentlijk ook overtollig was, ook nog achter wege, en behield dan, als patronymicale toenaam, enkel den vadersnaam in den tweeden naamval. Daar mede was men weêr aangeland bij eene eenvoudige en doelmatige wijze van naamsvorming, die nog heden onder de bevolking in alle Friesche gewesten en gouwen, West en Oost en Noord, gebruikelijk is. Voorbeelden van dezen naamsvorm vinden wij in onze naamlijst als: Peter Michiels (1471) = Peter (zoon) van Michiel; Jan Reyners (1460), in 1467 Jan Reyniers genoemd, enz. [26].

Het bleek echter op nieuw dat deze korte benamingen niet in alle gevallen voldoende waren. Indien het toch geviel dat daar in ééne plaats twee personen waren die beiden niet enkel den zelfden doopnaam maar ook den zelfden vadersnaam droegen, dan was men wel genoodzaakt, zoo men die twee lieden nauwkeurig van elkanderen onderscheiden wilde, weêr de toevlucht te nemen tot allerlei toe- en bijnamen. De cirkelgang der benamingen, die weêr moest uitloopen op eene opéénhooping van allerlei naamsvormen, was hier mede weêr een nieuw tijdperk ingetreden. Die toe- en bijnamen werden weêr op allerlei verschillende wijzen gezocht en gevonden. Bij voorbeeld in de maagschapsbetrekkingen der menschen: Henneken Roeselmans Melys brueder (1439); Jan van den Loe (desselfs) Arts oem, de oom van Art van den Loe Henric Mettensoens soen, op bladzijde 175 reeds vermeld. Misschien behooren hier ook toe Jan Neve (1348) en Jan Loden Neefssoen (1424), Jan zoon van Lode (Lodewijk) Neef (of van Neef-Lode?).

Omslachtiger, omschrijvender, werden die namen al weêr in benamingen als de volgenden: Jan Scherpen van Tyel (1400), dat is: Jan, zoon van Scherp van Tiel (Scherp, Scharp, Scarp kwam in de middeleeuwen als doopnaam voor), of Jan van Tiel, zoon van Scherp; Willem ende Arnt wilen Noyen kinderen van Doernen (1423); Rabout heeren Rabouts soen van Vloedorp (1425); Gherit van der Schaut Jordens soen van der Schaut (1433). Deze vader en zoon droegen hunnen toenaam naar den naam van eene plaats (eene hoeve, of een landgoed of iets van dien aard), hun toebehoorende. Immers in de oorkonde is er sprake dat Gherit eikenhout verkoopt „staende te Schaut.” [27].

Ook de bovenstaande namen leden al weêr aan het gewone euvel dezer willekeurige benamingen—zij waren door al die toe- en bijvoegsels te lang, te ongeschikt geworden voor het dagelijksche leven. Men zag in dat men, door iemand slechts met zijnen doopnaam en met eenen enkelen bij- of toenaam te noemen, eene betere, dat is kortere en duidelijkere benaming voor zulken persoon had, dan wanneer men ook nog al die patronymicale benamingen daar bij voegde. Te meer, omdat die vadersnamen toch gelijkluidend waren voor al de kinderen van eenen en den zelfden vader; terwijl een bij- of toenaam veelal slechts voor eenen enkelen man gold, dus geheel persoonlijk was. Zulke benamingen dan hadden volkomen het voorkomen onzer hedendaagsche eenvoudigste namen: één vóórnaam en een maagschapsnaam. Toch moet men deze toenamen achter den enkelen vóórnaam geenszins als onze hedendaagsche vaste en overervende maagschapsnamen beschouwen. Integendeel, zij golden dikwijls slechts voor eenen enkelen man, en gingen veelal niet op diens kinderen over. Voorbeelden van zulke benamingen biedt onze Helmondsche namenlijst in menigte. De toenamen zijn aan allerlei verschillende zaken ontleend; aan plaatsnamen, beroepsnamen, spotnamen zelfs, enz. Zie hier eenigen van die benamingen: Willem van der Rijt (1467); Henric Mortel (1389); Lambrecht van Liessel (1401); Jan die Kremer (1418); Daenel van Bruheze ende Art Staemelaertsynsoen [28].

Deze zeer eenvoudige namen konden op hunne beurt ook al weêr niet het gewone lot ontkomen van de persoonsbenamingen in de tijden, toen deze zaak nog niet wettelijk geregeld was; zij waren aan wisseling en verandering onderhevig, en, bij de zonen der mannen die deze benamingen eerst gevoerd hadden, aan patronymicale vervormingen. Werd bij voorbeeld een man die bij doopname eenvoudig Jan heette, en die geenen afzonderlijken toe- of bijnaam voerde, in zijne dagelijksche omgeving gemeenlijk Jan de Timmerman genoemd, omdat hij een timmerman was van zijn handwerk—zijn zoon Willem, in zoo verre deze zijn rechtmatig patronymicum Janssoen of Jansen niet voerde, en evenmin zich-zelven nog geenen eigenen bij- of toenaam, van welken aard dan ook, verworven had,—zijn zoon Willem kreeg, ter onderscheiding, den vaderlijken toenaam als een oneigenlijk patronymicum, natuurlijk in den tweeden naamval; men noemde hem Willem Timmermans, d.i. Willem, de zoon van den timmerman, van Jan den Timmerman. Droeg de vader den bijnaam van Breughelman omdat hij, te Helmond wonende, uit den dorpe Breugel herkomstig was, zijn zoon heette Breughelmans. Zulke oneigenlijke patronymicale benamingen—oneigenlijk, omdat zij niet van den vaderlijken doopnaam, maar van den vaderlijken toe- of bijnaam afgeleid zijn—komen almede op onze Helmondsche naamlijst voor. Hier zijn ze: Jan Berbiers (1439), de zoon van den barbier, van den man die, naar zijn bedrijf, Peter of Henric Berbier genoemd werd; Johannes Roeselmanssoen (1400), d.i. Johannes zoon van Roeselman, van iemand die Roeselman genoemd werd, omdat hij uit den dorpe Roesel, Reusel, afkomstig was; Wouter Stox (1439), Willem Stox (1389) en Henric Stocs, zonen (of anderszins nakomelingen) van eenen man die om d’eene of andere reden den bijnaam van Stok had gedragen [29].

Tot nog toe hebben wij slechts mansnamen vermeld en verklaard, die op onze naamlijst voorkomen. Die lijst bevat echter ook evenzeer sommige vrouwennamen, al is het dan, uit den aard der zake, in geringer aantal. Die benamingen van vrouwen zijn samengesteld volgens de zelfde regelen die voor de mansbenamingen gelden, en zij komen, even als dezen, in allerlei verschillende vormen voor, van de eenvoudigsten tot de meest samengestelden. Toch zijn de toenamen dezer Oud-Helmondsche vrouwen bijna zonder uitzondering ware vadersnamen. Voor de vrouw, die slechts zelden zelfstandig optreedt in het dagelijksche leven, die zich dus niet zoo lichtelijk eenen toe- of bijnaam aan bedrijf of herkomst of eenige andere zaak ontleend, verwerven kan, ligt deze soort van benaming dan ook nog nader voor de hand, als voor den man. Zulke vrouwennamen zijn die van Marie Wouters (1460), d.i. eenvoudig Maria, de dochter van Wouter; Lysbeth ende Hille dochteren Arts Stippelmans, dochters van Art Stippelman of Stippelmans; Ermgarde Jan Belien soens dochter (1401), dat is: Ermgarde, de dochter van Jan Beliensoen, van Jan die een zoon was van Beli of Bely, van de vrouw die den doopnaam Bely droeg. Immers Bely is een vrouwennaam, en niet een mansnaam, die ook wel als Bele en Belitje voorkomt, en eene verkorting is van den vollen vorm Mabelia. In de laatste middeleeuwen, en zelfs nog in de 17e eeuw was deze naam geenszins zeldzaam in gebruik; ook in Holland. Zelfs heden ten dage is hij nog niet uit het gebruik verdwenen. Behalve in bovengenoemde benaming, komt hij in onze Helmondsche naamlijst nog voor als Bele Henrix Scillinxdochter (1389) en als Maebely dochter wilen Emonts van der Straeten (1446) [30]. Behalve alle deze patronymicale benamingen, vinden wij bij de oud-Helmondsche vrouwen slechts eene die eenen eigenen toenaam draagt: Jutte van Rijthoven (1416). En eene die geenen vadersnaam, noch ook eenen eigenen toenaam voert, maar genoemd wordt naar den naam van haren man, dat is Lysbet Jan Bynts wijff (1449). Waarschijnlijk was deze Lysbet geen Helmondsche, maar eene vreemde, die eerst na haar huwelijk met Jan Bynt, te Helmond, in de stad van haren man was komen wonen. De Helmondsche burgerij, die dus haren vader niet, maar haren man zeer wel kende, onderscheidde haar dien ten gevolge zeer gereedelijk; niet, als gewoonlijk, met den naam van haren vader, maar met dien van haren man.

In de middeleeuwen heerschte in de Nederlandsche gewesten de zonderlinge gewoonte om sommige vrouwennamen in den mannelijken vorm te noemen en zelfs te schrijven. Vooral bij zulke vrouwennamen die van eenen oorspronkelijk mannelijken naam waren afgeleid, was dit gebruikelijk; bij voorbeeld bij Willemine van Willem, bij Hendrika van Hendrik. Zoo wordt Vrouw Jacoba van Beieren, de Hollandsche Gravinne, in middeleeuwsche Hollandsche chronyken wel als Vrou Jacob vermeld. Nog heden heerscht deze gewoonte wel in Friesland, in de dagelijksche volksspreektaal, waar men de vrouwennamen Rinske, Wytske, Sjoukje, Jeltje wel als Rins, Wyts, Sjouk, Jel noemt, dat eigentlijk mannelijke naamsvormen zijn, of namen met een mannelijk voorkomen. Vooral te Hindeloopen en elders in den Zuidwesthoek van Friesland is deze zonderlinge naamsvervorming zeer gebruikelijk, zelfs in geschrifte en in geijkten zin, als Rink, Aalk, Rem, Tem, Fod, in stede van Rinske, Aaltje, Remmmertje, Tamkje, Fedtje, zoo als deze vrouwennamen eigentlijk luiden. Deze zelfde zede vinden wij ook onder de middeleeuwsche Helmondsche vrouwen. Onze lijst vermeldt toch eene Aelbert Lemken Ruelkensdochter (1418), dat is Aelbertje of Aelbertken of Adelbertha (Albertina in wanvorm), de dochter van Lemke die een zoon was van Ruelken. En Peter Corstken Lemmens dochter (1496), met andere woorden Peterken of Pietertje, Pietje (Petronella), de dochter van Corst (Corstiaen, Christiaan) die een zoon was van Lem of Lemmen (Willem).