Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875

Part 5

Chapter 53,561 wordsPublic domain

Inmiddels zijn wij aan de stad gekomen. "Wat is er? wat zoekt ge?" vraagt mijn vriend, wien mijne verbazing en teleurstelling niet ontgaan kon. Wat ik zocht? Och, iets van zeer weinig belang: iets, waaraan het tegenwoordig geslacht althans zeer weinig waarde toont te hechten. Ik zocht een oud, fraai gebouw, een historisch monument: de schoone, statige Vlissingsche poort, in den stijl der renaissance opgetrokken, met haar toren en klokkenspel: de Vlissingsche poort, die zelfs in den franschen tijd aan de slooping was ontkomen. Nu is zij gevallen; en waar zij gestaan heeft, loopt thans het kanaal, dat de stad met Vlissingen verbindt. Was dat werkelijk niet te vermijden, en moest de poort inderdaad plaats maken voor het kanaal? Ik mag het niet tegenspreken; maar dan heb ik eene andere vraag. Waarom dan de poort niet zorgvuldig afgebroken, en elders, op eene geschikte plaats, weder opgebouwd? Of was ook dat onmogelijk? Meer dan waarschijnlijk, heeft men daaraan zelfs niet gedacht. Geen treffender bewijs van het gebrek aan waarachtigen, ernstigen zin voor kunst en historie, ons volk en onzen tijd eigen, dan dit gedachteloos omverhalen van oude gebouwen, van monumenten van den voortijd, zoodra ze, wat men noemt, in den weg staan. Zoo is het gegaan met de meeste poorten onzer oude steden; worden de wallen, als onnoodige belemmeringen voor de uitbreiding der stad, gesloopt, dan verdwijnen in den regel ook de poorten. Behooren ze toch ook niet bij de wallen, en maken ze daarvan niet een deel uit? Verliezen zij niet alle beteekenis, zoodra de toegang tot de stad aan alle kanten open on vrij ligt? Dat ze ook op zich zelven, als gebouwen, als monumenten, eene hetzij historische, hetzij artistieke waarde konden hebben, dat zij wel degelijk behoorden tot de physionomie der stad:--wie dacht daaraan, of, deed men het al, wie bekommerde er zich om? Wie stelt er prijs op het bewaren der oude physionomie eener stad? En daarbij, wat geeft men ons in de plaats? De oude, dikwijls zoo karakteristieke, zoo teekenachtige poort wordt vervangen door een ijzeren hek, zoo volmaakt karakterloos, dat het even goed tot toegang voor een buitenplaats als voor eene stad zou kunnen dienen. Een fraaie vooruitgang!

Wij zijn de stad binnengetreden. Zij is zeer ruim gebouwd: des te meer treft u de stilte op hare straten en pleinen; ach, zij is te groot voor hare tegenwoordige bevolking. Alleen op de groote ruime markt heerscht, althans eenmaal des weeks, wanneer de landlieden uit den omtrek hierheen komen, tamelijk veel drukte en beweging; en zoo ge des avonds den Langedelft doorwandelt, zou het daar heerschende gewoel u lichtelijk kunnen misleiden omtrent de talrijkheid der bevolking van Zeelands hoofdstad, indien ge niet wist, dat op zulke ure, haar leven, haar openbaar leven althans, genoegzaam op dit eene punt is saamgetrokken.

Aan het verleden van Middelburg zijn wij het verschuldigd, dat wij allereerst onze schreden richten naar de plek, waar dat verleden nog de duidelijkste herinneringen heeft achtergelaten: naar de Abdij.

Wij bevinden ons op een klein pleintje, aan alle zijden door gebouwen omringd, en met boomen beplant. Wij zetten ons neder op de bank op het beschulpte voetpad, en zien rond. Vlak tegenover ons bevindt zich het hotel van den gouverneur der provincie: in zijne tegenwoordige gestalte een vrij smakeloos modern gebouw. Ter linkerhand, aan gene zijde van het plein, verheft zich de Abdijtoren, de ons reeds bekende Lange-Jan, tusschen de Nieuwe- en de Koorkerk, welke beiden te zamen weleer de Abdijkerk uitmaakten. Op het plein zelf ziet ge voorts, ter linkerhand, het gouvernementsgebouw en de vergaderzaal der Staten van Zeeland. Merk op de schilderachtige poort in renaissance-stijl, die tot dit gedeelte van het gebouw toegang geeft. Rechts en links bespeurt ge nog twee gewelfde doorgangen: de eene voert naar de Koorkerk, de andere naar de Balans, een plein, dat, ik weet niet waarom, dezen zonderlingen naam draagt.

De gebouwen om ons heen vertoonen veelvuldige sporen van mishandeling en verwoesting: de beeldenstorm heeft ook de middelburgsche abdij niet gespaard; maar toch maakt het geheel een zeer eigenaardigen, ik zou bijna zeggen eerwaardigen indruk. Op deze stille plek, onder de lommer dier boomen, te midden dier oude gebouwen, zoo teekenachtig door het zonnelicht getint, is het alsof ge eensklaps in een anderen tijd, in eene ondergegane wereld verplaatst wordt. Wel, laat dan voor een oogenblik de stem van het verleden tot ons spreken.

De abdij van Middelburg is zeer oud. Meer dan waarschijnlijk werd het oorspronkelijke klooster, even als de latere abdij der Heilige Maagd gewijd, reeds in het begin der twaalfde eeuw gebouwd. Ik vermoed, dat dit klooster wel een der middelpunten zal zijn geweest, waarom de stad Middelburg zich gaandeweg heeft gevormd en ontwikkeld: dit was immers meestal het geval? Hoe menig klooster toch, hier en elders, is een brand- en middelpunt van ontwikkeling, in allerlei zin, geweest; een vruchtbare kern, waaromheen zich mettertijd eene krachtige, levensvolle gemeente vormde, die, eeuwen lang, wat zij het best en hoogst had aan dat klooster ontleende. Ongetwijfeld is het hier ook zoo gegaan. Bisschop Gondebald, de vier-en-twintigste kerkvoogd van Utrecht, bevolkte het nieuwe, door hem gestichte klooster met premonstratenser monniken uit de abdij van Sint-Michiel te Antwerpen; ook zijne verheffing tot abdij had het klooster waarschijnlijk aan hem te danken. Deze abdij kwam allengs in het bezit van uitgestrekte goederen en zeer belangrijke privilegiën: vooral Graaf Willem II, de Roomsch-Koning, begunstigde haar zeer. Dat hij der abdij genegen was, blijkt wel uit het feit dat zoowel zijn broeder Floris de Voogd als zijne gemalin Isabella in de abdijkerk ter aarde werden besteld, werwaarts ook het stoffelijk overschot van den zoo vroegtijdig gevallen Vorst, eenige jaren na zijn droevig sneuvelen, door zijn zoon Floris V werd overgebracht. De abdij werd op den 24 October 1492 bijna geheel door brand vernield, maar herrees prachtiger en luisterrijker uit haar asch. Zij was een der aanzienlijkste en rijkste gestichten van geheel de Nederlanden, en bergde binnen hare wanden niet alleen een kostbaren boekenschat, maar ook menig kunstgewrocht van beitel of penseel, menig meesterstuk van goudsmids-, wevers- en borduurkunst. Haar abt bekleedde de eerste plaats in de vergadering der Staten van Zeeland; in zijne handen zwoer de Graaf den eed bij de aanvaarding der regeering.

Maar de zestiende eeuw brak aan met hare geweldige beweging der geesten: en ook de eerwaardige, schitterende abdij van Middelburg zou in dien storm ondergaan. Het baatte haar luttel, dat haar laatste abt tot bisschop verheven werd, en zij zelve, met hare rijke inkomsten, den bisschop als prebende toebedeeld: de ruwe beeldstormers ontzagen haar deswege niet, maar sloegen ook aan dit heiligdom de schendende hand, waarvan de treurige sporen nog zoo duidelijk zichtbaar zijn. Na de inneming der stad, en nadat ook in Middelburg en geheel Zeeland de omwenteling getriomfeerd had, werd de abdij door hare geestelijken verlaten en met al hare goederen en inkomsten tot domein verklaard. De gebouwen werden nu, met uitzondering der kerk, deels gaandeweg verkocht en afgebroken, deels tot andere doeleinden ingericht. Het tegenwoordige hotel van den gouverneur was reeds vroeger, toen de abdij nog in vollen luister bloeide, ingericht tot ontvangst van hooge gasten, die het klooster kwamen bezoeken. Met name vertoefden daar de Graven van Holland en Zeeland, als zij de vermaarde abdij met hunne tegenwoordigheid vereerden en met hun gevolg goeden sier maakten van de welvoorziene keuken en kelders van het rijke gesticht. En dit was gansch geene zeldzaamheid. Menigmalen verschenen de Vorsten, op wier hoofd de oude zeeuwsche gravenkroon rustte, in hunne goede stad Middelburg; en wel zelden zal men dan verzuimd hebben zijn intrek te nemen in de abdij, voor 't minst haar met een bezoek te vereeren. Maar niet dikwijls was er zoo schitterend gezelschap binnen hare muren vergaderd, als op den 17 December 1505, toen Filips de Schoone, voor zijn vertrek naar Spanje, waar hij de koningskroon ging aanvaarden, in de abdij een kapittel hield van het Gulden Vlies, en bij die gelegenheid tien nieuwe ridders benoemde. Den 10 Januari van het volgende jaar vertrok de schitterende jonge Vorst met zijne gemalin naar Spanje; hij zou zijn vaderland nimmer wederzien.

De zaal, waar de Staten van Zeeland hunne zittingen houden, was vroeger waarschijnlijk de bibliotheek of wellicht de eetzaal, de reefter, van de abdij. Haar gewelf verdient nog zeer de aandacht; evenzeer als de oude tapijten langs de wanden, tusschen de jaren 1591 en 1599 door zekeren Jan De Maecht vervaardigd, en episoden uit den onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje voorstellende. Ook prijkt deze zaal met een zeer fraai portret van De Ruyter. Voorts vindt men nog op verscheidene plaatsen in de abdij, vooral in de oudste gedeelten, fraaie details, overblijfselen van vroegere bouw- en beeldhouwkunst, die u des te meer treffen, naarmate ze scherper tegenstelling vormen hetzij met de verwoestingen, door de beeldstormers aangericht, hetzij met de smaak- en karakterlooze bijbouwsels en veranderingen van later tijd.

Met deze vluchtige beschrijving willen wij ons tevredenstellen: de oude abdij heeft niet veel van haar oorspronkelijk karakter meer behouden. Toch, is ze ook van bestemming veranderd, is ze niet langer een huis des gebeds en van vrome overpeinzingen. Beter dat zij ten zetel strekt van de hoogste gewestelijke overheid, dan dat zij, als zoo menig ander oud klooster, tot fabriek ware ingericht. Deze smaad is althans niet over haar gekomen.--Alvorens het pleintje te verlaten, werpen wij een laatsten blik op haar, en nemen het beeld van den ouden tijd, dien zij voor onze verbeelding terugroept, in ons hart mede.

Wij gaan door de overwelfde poort en staan voor de Koorkerk, eigenlijk het koor van de oude abdijkerk, doch sedert 1577 daarvan afgescheiden. Vraagt ge waarom? Eenvoudig omdat de ruimte der oude kerk voor de nieuwe eeredienst te groot was. Men brak dus een deel der kerk af en maakte daarvan twee gebouwen: het eene, thans de Nieuwekerk genaamd, werd door de Hervormden in gebruik genomen; het andere, na tot verschillende einden gediend te hebben, in 1759 mede tot kerk ingericht. Dat door deze splitsing het karakter van het geheel verloren ging en beide gebouwen bedorven werden, was eene zaak van ondergeschikt belang.

In haar tegenwoordigen toestand onderscheidt de Koorkerk zich door niets bijzonders. Alleen vertoeft ge eenige oogenblikken voor den gedenksteen ter nagedachtenis van den als geleerde en dichter beroemden Hadrianus Junius, die in deze kerk begraven ligt.--Het was mede een graftombe, die ons bewoog ook een bezoek te brengen aan de aangrenzende Nieuwekerk, weleer de Abdijkerk, waarin ook de Roomsch-Koning Willem II begraven werd. Toch was het niet om een bezoek te brengen aan zijn graf, dat wij onze schreden richtten naar dit kerkgebouw, dat mede op zich zelve weinig bezienswaardigs heeft. Ik mocht Middelburg niet verlaten zonder mijn vriend te hebben geleid naar de graftombe van twee mannen, wier namen door ieder Nederlander met billijken trots worden uitgesproken, en die ook voor hun deel--en voorwaar voor geen gering deel!--hebben bijgedragen om de door grondgebied en bevolking zoo weinig beteekenende republiek te verheffen tot den rang van een der eerste mogendheden van Europa. Deze Nieuwekerk bevat namelijk het praalgraf der gebroeders Jan en Cornelis Evertsen, uit de in het jaar 1834 gesloopte Oude- of Sint-Pieterskerk herwaarts overgebracht.

Hier nadert Evertsen! in 's Lands vergaderzaal, Alom behangen met der Britten wapenpraal, Spreekt hij: "O, laat mij de eer, de onschatbre eer verwerven, "Om voor de vrijheid van mijn vaderland te sterven; "Vier mijner broederen, en mijn vader, met mijn zoon, "Zijn, strijdend voor 's Lands regt, gesneuveld! Ook dat loon "Zij aan mijn dienst vergund, na veertig jaren strijden! "'k Wil het overschot mijns bloeds aan 't heil van Neerland wijden!" Hij gaat; beklimt de vloot; knot Englands dwinglandij:-- En als zijn broedren, zoon en vader, sneuvelt hij.

Neen, ik zal niet verder gaan. Ik zie reeds den glimlach, die om de lippen van den lezer speelt, als hij zich de welbekende regels herinnert, die nu volgen. Bombast, niet waar? Welnu, ik zal het u niet tegenspreken; ik zal u zelfs niet betwisten, dat ook in de bovenstaande regels, hoewel buiten alle vergelijking beter, wel het een en ander valt af te keuren, dat ook hier meer soberheid geen schade zou doen; maar toegeven moet ge toch, dat Helmers, toen hij deze verzen schreef, iets in zijne ziel voelde tintelen van dat echte vuur, dat den dichter maakt; dat het feit, door hem bezongen, hem aangreep met eene macht, waarvan wij ons te nauwernood rekenschap kunnen geven. Zou het niet mogelijk zijn, dat het sterke en overdrevene in zijne uitdrukkingen ons juist daarom zoo zeer treft, zoo komisch op ons werkt, omdat wij zooveel armer aan geestdrift zijn geworden, omdat wat hem bezielde en geheel medesleepte, ons tamelijk koel laat? Toch, zoo ergens geestdrift geoorloofd is, dan is het wel bij dit monument, dat ons de herinnering voor den geest roept aan een geslacht van helden, dat maar voor weinigen behoeft te wijken; een dier kloeke geslachten, uit den schoot des volks gesproten, die met lijf en bloed de republiek hielpen grondvesten en voor hare vrijheid, hare eer, haar macht, alles overhadden; een dier geslachten, wier kortstondige, maar schitterende bloei, een beeld en type is van de geschiedenis dezer republiek zelve. Bij de tombe dezer helden staande, mocht ik mijn vriend verhalen van hunne daden, van de grootsche herinneringen uit dit schitterende tijdperk onzer geschiedenis, dat zoo luide getuigt van hetgeen de kracht eens volks, gedragen en bezield door een hooger beginsel, ook ondanks de ongunst der omstandigheden, vermag.

In weemoedige gedachten--want het vertoeven in dat verleden stemt, bij vergelijking met het heden, wel tot weemoed--in weemoedige gedachten wandelen wij verder, en werpen in het voorbijgaan een blik op de Oost- of Koepelkerk, een inderdaad statig en indrukwekkend gebouw uit de tweede helft der zeventiende eeuw, in italiaanschen renaissance-stijl opgetrokken. Doch van kerkbezoek hebben wij nu voorloopig genoeg; bovendien, er is hier geen enkele, die bijzonder de aandacht verdient. Vooral voor den vreemdeling, die zoo pas uit België komt, moeten wij Noord-Nederlanders voorzichtig zijn in het laten zien onzer kerken. Oude kerken, die inderdaad door hare bouworde uitmunten, monumenten van kunst zijn, hebben wij maar zeer weinigen: en die weinigen zijn dan nog in den regel, door hare inrichting voor eene eeredienst, waarvoor zij volstrekt niet geschikt zijn, totaal bedorven: het zijn naakte, karakterlooze ruimten geworden, waarvan ge de bedoeling niet meer begrijpt en waarin ge u niet meer tehuis gevoelt.

Daarom richten wij liever onze schreden naar de markt, om onze oogen te verkwikken aan het Stadhuis, een sierlijk en smaakvol gebouw uit het begin der zestiende eeuw, uit het tijdperk van de flamboyante gothiek en de renaissance. Ge spaart mij eene uitvoerige beschrijving; zoo ge het gebouw niet uit eigen aanschouwing kent, zal de afbeelding op bladz. 16 u een duidelijker en vollediger denkbeeld geven van het voorkomen van dit stadhuis, dan mijne beschrijving zou kunnen doen. Daarom slechts enkele opmerkingen. De beelden in de nissen, vijf-en-twintig in getal, stellen de Graven van Holland en Zeeland voor, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Naar men zegt, zijn deze beelden vervaardigd door een beeldhouwer uit Mechelen, die daarvoor f18,-- per stuk ontving. Oorspronkelijk waren zij gekleurd volgens hun min of meer traditioneel kostuum; doch sedert is de eeuw van de witkwast aangebroken, en ook deze beelden zijn met kalk bestreken geworden. Bijzondere kunstwaarde mogen zij wel niet hebben, maar dit neemt niet weg, dat zij als dekoratie een zeer goed effect doen in hunne rijk bewerkte nissen en bij al den weelderigen tooi van dezen sierlijken gevel, die u aan de stadhuizen in sommige belgische steden denken doet. De hooge spitse gevel ter linkerhand is de Vleeschhal, waartoe een groote poort toegang geeft. De zonnewijzer in dien gevel roept u, vermanend en waarschuwend, sprekend naar oud vaderlijke wijze, toe: "Transeunt et imputantur. Zij (de uren) gaan voorbij en worden ons toegerekend." De toren prijkt met een uurwerk en wijzerplaat: onder deze laatste ziet ge twee vergulde, geheel gewapende en geharnaste ridders te paard, die telkens als het uur slaat, elkander aanvallen, en elkaar met de lans doorsteken, om dan weer rustig af te wachten tot een volgend uur het gevecht doet hervatten. Boven de wijzerplaat bevinden zich twee vergulde voetknechten, die bij het slaan van ieder half uur, hetzelfde spel vertoonen.

Nog rijker dan Vlissingen, is Middelburg aan schilderachtige huizen en karakteristieke gevels uit de zeventiende eeuw: modellen van de eigenaardige burgerlijke architectuur onzer voorouders, die, wat ze aan klassieke schoonheid ontberen mocht, eenigermate vergoedde door oorspronkelijkheid. Als een der fraaiste monumenten van dezen bouwstijl, die zich aan de renaissance aansloot, maar deze wijzigde naar eigen behoefte en eigen smaak, herinner ik mij eene deftige woning aan eene der grachten, die vooral om de inwendige decoratie opmerkelijk is. Als ge de straatdeur open doet, ziet ge voor u een langen gang, met witte en zwarte marmersteenen bevloerd, en door drie rijk bewerkte deuren of portieken in vakken verdeeld. Vooral de eerste portiek, die het ruime voorhuis van den eigenlijken gang afscheidt, is smaakvol en prachtig, met haar gegroefde zuilen, haar kroonlijst en rijk beeldhouwwerk van vruchten, bloemen en wapenschilden. De twee volgende portieken zijn eenvoudiger en minder hoog; vrij doorloopt de blik den langen gang en dringt door tot in de keuken, waar het glanzend geschuurde koperwerk tegen den donker geverwden wand u tegenblinkt. Vooral wanneer uit de diepte van die keuken een warme zonnestraal in den gang valt, maakt deze woning op den bezoeker geheel den indruk van een oud-hollandsch binnenhuis, zoo als hij dat zoo menigmalen op de schilderijen onzer meesters uit de zeventiende eeuw bewonderd heeft. Ge zoudt u niet verbazen, indien een dezer antieke deuren zich opende, en daaruit eene deftige matrone te voorschijn trad in het kostuum uit den tijd van Frederik Hendrik of Willem III: zoo volkomen heeft deze woning haar oorspronkelijk karakter bewaard.

Tot vroeger tijdperk behoort een ander huis, de Steenrots genaamd, op de Dwarskade. Dit huis vertoont den zuiveren stijl der vlaamsche renaissance, en dagteekent uit de laatste jaren der zestiende eeuw: althans twee schilden in den gevel vertoonen het jaartal 1590. De benedenverdieping heeft vier hooge boogvensters, die gedeeltelijk gemoderniseerd zijn. Boven de deur prijken twee geniën van wit marmer, die blijkbaar door de hand eens echten kunstenaars zijn vervaardigd. Boven en beneden de kruisramen der eerste verdieping bevinden zich zeer goed bewaarde bas-reliefs, tafereelen uit de bijbelsche geschiedenis voorstellende. Ook de versiering van de bovenste verdieping en van de kroonlijst is zeer opmerkelijk. Geheel het huis, op bladz. 24 afgebeeld, maakt een zeer eigenaardigen indruk, en getuigt van den smaak des bouwmeesters.

Onder de eigenaardigheden eener oud-hollandsche stad, die nooit nalaten de aandacht van den vreemdeling te trekken, behooren natuurlijk ook de zoogenaamde pothuizen, waarin een schoenlapper, die tevens in den regel het beroep van kruier uitoefent, over dag zijn verblijf heeft gevestigd. "Wat moet die man het in dat hokje benauwd hebben", zeide mijn vriend, toen ik hem beduid had, wat de geheimzinnige kastjes waren en waartoe ze dienden.--"Toch niet. Zie slechts: het pothuis is van voren open: de man heeft dus lucht in overvloed, veel meer dan wanneer hij in eene bedompte kamer zat te werken. Daarbij heeft hij al wat hij voor zijn handwerk behoeft, vlak bij de hand, en is hij te ieder stond gereed, wanneer iemand, in zijne dubbele betrekking van schoenlapper of kruier en boodschaplooper, zijne dienst behoeft. Ja, neem hem maar eens goed op, want weet: zijn ras sterft uit; er zijn nog wel enkele pothuizen in onze oude steden, maar hun getal vermindert voortdurend, en met hen verdwijnen de oude klassieke kruiers en schoenlappers, die ze bewoonden. De kruiers worden vervangen door de hedendaagsche bestellers of commissionnairs, die niet in pothuizen zitten en, als zij geen boodschappen te verrichten hebben, schoenen lappen, maar den ganschen dag op den hoek eener straat heen en weer drentelen en het grootste gedeelte van den dag niets uitvoeren. Zoo'n ouderwetsche kruier in zijn pothuis was de populairste man uit de geheele buurt, wien zelfs heeren en dames hun vertrouwen schonken, en wiens nederig pothuis voor de dienstboden uit den omtrek en voor de straatjeugd een soort van beurs, een vereenigingspunt was, waar de nieuwtjes van den dag werden uitgewisseld en bepraat, en allerlei zaken afgehandeld. Geloof mij: voor menige huiselijke revolutie, voor menige demonstratie in de dienstbodenkamer, werd de grond in het pothuis gelegd, het ontwerp in het pothuis gesmeed. Ook menige vrijerij ontkiemde in het pothuis. De pothuizen behooren tot de physionomie eener oud-hollandsche stad, zoo als rondslenterende policie-agenten en tegen de hoekhuizen leunende bestellers tot die eener moderne. Daarom, bezie dat pothuis goed, en bewaar de herinnering in uw geheugen".

Mijn vriend had met aandacht naar mijn vertoog geluisterd, en beloofde, dat hij het pothuis en zijn bewoner niet vergeten zou. Ik daarentegen beloofde hem dat, zoo hij met mij naar Amsterdam wilde gaan, zich daar, ook op dit gebied, een nieuw veld van waarneming voor hem zou opdoen.

Een nog vreemder verschijning voor mijn reismakker was onze hollandsche aanspreker of bidder, hier nog geheel in zijn eigenaardig kostuum gedost, met wijden mantel, steek, lamfer en bef. Wij ontmoetten een paar zulke bidders in de straten van Middelburg; en ik moest mijn vriend nauwkeurig verslag geven van hunne roeping en den eigenlijken aard hunner werkzaamheden. De hollandsche lezer schenkt mij die uitlegging. Op de eigenaardige gebruiken, nog hier en daar op het platte land in Zeeland, bij gelegenheid van begrafenissen in gebruik, kom ik later terug.