Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875

Part 4

Chapter 43,515 wordsPublic domain

Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen, waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama's van verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels, van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling, tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen, over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen, blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmen ons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een kleine verhevenheid--waarschijnlijk een plank over een paar vaten gelegd,--zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,--in de stampvolle gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook, jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman, in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.

Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke, krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige, schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier, te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak, en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze zelven suf werden.

Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid, dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren, en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd, gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd, hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis, maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden, en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid, aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste losbandigheid over te slaan;--zou het niet juist die overtuiging zijn, die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die, naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst, de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.

Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.--Ik heb daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te beschrijven, en te doen gevoelen hoezeer juist die bonte, veelkleurige kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt, dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode, wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is, kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen, en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur, de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is, dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een onherroepelijk verleden zal behooren!

Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen, behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6den September 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste "Ordonnantie op 't poinct van de Religie", en den volgenden dag, nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later, in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft, waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke, te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen, weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk: Repos ailleurs.

Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van 't Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen, wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van de eene hand in de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan: het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk, waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet, ze zijn beiden verdwenen.

IV.

Wij hebben te Oost-Souburg mede kermis gevierd en ons verlustigd aan het vroolijke, jolige leven der dartele landjeugd. Nu is het dorp weder tot zijne gewone stilte teruggekeerd; het kermisgeraas is verstomd, en eenzaam en zwijgend ligt het dorp daar, te midden van zijne velden en akkers. Wij wandelen voort langs den straatweg naar Middelburg.

Dat ge in eene druk bewoonde, welvarende streek zijt, dat getuigen die buitenverblijven, die boerenwoningen, die optrekjes, ter wederzijde van den weg. Ze lieten niet na de aandacht van mijn vriend te trekken, die ouderwetsche buitentjes vooral, met hunne eigenaardige, somwijlen platte en niets zeggende, somwijlen ook, dikwerf door hunne vreemdheid, welsprekende opschriften, vaak een blik gunnende op het karakter of den levensloop van hem, die zich deze woonstede stichtte of koos. Ziet ge hem niet in uwe verbeelding, den gezeten, vermogenden koopman of winkelier, die, zoo als men schilderachtig zegt, zijne schaapjes op het droge had, en zich dus uit zijne zaken had teruggetrokken, om zijne overige levensdagen stillekens te gaan slijten op zijn Ons Genoegen, Nooit Gedacht, Buitenzorg, Vredelust, Rust na Vlijt? Verstaat ge niet, hoe deze naam, aan zijn buitentje gegeven, de uitdrukking is van zijn eigen gewaarwording, van de betamelijke voldaanheid met den uitslag van eigen streven, nu hij het zoo ver heeft gebracht? Want, inderdaad: dit wil iets zeggen. Immers, een buitentje of, zoo dit niet kon, dan althans een tuin of optrekje, te bezitten, was, in den goeden ouden tijd, het ideaal voor den fatsoenlijken, nijveren burger; een ideaal, om hetwelk te verwezenlijken, hij jaren lang arbeidde en zich menig levensgenot ontzeide. En niet altijd werd daarmede gewacht tot voor goed van winkel of kantoor afscheid kon worden genomen, en de zoon 's vaders plaats had betrokken achter toonbank of lessenaar. Neen, wanneer de zaken goed gingen, dan werd al vroeger zulk een buitentje, optrekje of tuintje, maar steeds zoo dicht mogelijk bij de stad, aangekocht. Derwaarts trok dan de familie des zondags of bij feestelijke gelegenheden; ja, des zomers gebeurde het ook wel, dat moeder de vrouw met de kinderen en eenige vriendinnen, na afloop van het vroege middagmaal, naar buiten ging, van waar vader haar dan des avonds kwam halen. Want wonen, in den eigenlijken zin, deed men, althans in die optrekjes, doorgaans niet: ze waren daarvoor ook niet ingericht, hoogstens voor een zeer kort verblijf van enkele dagen. Nog vindt ge, in de onmiddellijke nabijheid van onze provinciesteden, die klassieke optrekjes, waar onze grootouders op hunne manier de natuur en het buitenleven genoten. Er was daar van beiden maar luttel te genieten, meent ge: en ik zal het u niet tegenspreken. Zeker, gemeten met den maatstaf onzer tegenwoordige denkbeelden, behoeften en wenschen, bieden ze al zeer weinig aantrekkelijks, die bekrompen plekjes grond, deels bloemtuin, deels boomgaard, deels moestuin,--want ook hier moest zich het nuttige, in den vorm van het profijtelijke, aan het aangename paren, en onze grootouders zouden maar half genot van hun buitentje hebben gehad, indien niet de met groote zorg en moeite gekweekte groenten en vruchten van eigen grond op hun tafel verschenen waren,--met hun plompe steenen koepels, waarbij een keukentje, een slaapvertrekje en een keldertje; die traditioneele koepels, in den regel verrijzende aan den kant van een water, vliet, gracht of moddersloot, en uitzicht hebbende op eindelooze weilanden, wederom van slooten en greppels doorsneden, waarlangs knoestige knotwilgen dienst doen als povere vertegenwoordigers van de vorsten des wouds. Ongetwijfeld, wij zouden er ons doodelijk vervelen, en niets zou ons schadeloos stellen voor de velerlei ongeriefelijkheden, aan het verblijf op zulke optrekjes verbonden. Ze verdwijnen dan ook bijna overal, en van den krans van zulke tuintjes en buitentjes, die vroeger elke eenigszins aanzienlijke en welvarende stad omgaf, is op verreweg de meeste plaatsen nauwelijks een spoor meer over. Ze verdwijnen--te gelijk met het geslacht dat ze bouwde en bewoonde, dat hier zijne eenvoudige genoegens smaakte en naar niets hoogers verlangde, niet hunkerde naar het verre en vreemde, maar genoot wat er, zij het ook in bescheiden mate, in de onmiddellijke nabijheid te genieten viel:--het geslacht onzer degelijke, eerzame, nijvere burgerij, wier type met den dag meer verloren raakt, en weldra nog alleen in de herinnering zal voortleven.

Ziet ge daar dien sierlijken wagen, ginds voor die boerenwoning? Ik mocht natuurlijk niet verzuimen voor mijn vriend het opschrift op den spiegel te vertalen:

Ik rij met vlijt En ben bereid Ten dienst van alle menschen; Maar tot mijn leed Dat ik niet weet Doen naar ieders wenschen.

Wel waarschijnlijk is die kar het eigendom van een of anderen looper of bode, en wil hij u vooruit waarschuwen, dat ge u niet al te zeer ergeren moet, indien zijne bediening soms wat te wenschen mocht overlaten. Ook deze gewoonte, om huizen, wagens, schuiten, huisraad en allerlei voorwerpen van dagelijksch gebruik met opschriften, liefst in rijm, te versieren, ze te doen spreken en alzoo mede als op te nemen in den kring des bewusten levens;--ook deze, zoo echt naïef-poëtische gewoonte van het voorgeslacht behoort tot het verleden.

Wij naderen Middelburg, en groeten reeds uit de verte den hoogen Abdijtoren, bij het volk algemeen bekend onder den naam van de Lange Jan, die het gansche eiland overschouwt, en op Walcheren zoowat dezelfde reputatie geniet als de utrechtsche domtoren in het Sticht.

Middelburg is betrekkelijk eene vrij oude stad, die, voor zoover wij kunnen nagaan, reeds in het begin der dertiende eeuw eene zelfstandige gemeente, eene poorterije was, met hare keuren en privilegiën. Trouw hield zij, ook trots beproeving en tegenspoed, de zijde der Graven van Holland in hun strijd met Vlaanderen; en dezen lieten zich niet onbetuigd aan de goede stad, die zich zoo kloek en ijverig toonde in hunne dienst. Voor en na verwierven de poorters van Middelburg belangrijke voorrechten, meest allen strekkende tot bescherming en bevordering van hun handel, die zich snel uitbreidde en ook der stede macht aanmerkelijk wassen deed. Met Zierikzee en Arnemuiden maakte ook Middelburg deel uit van de machtige Hansa; zij was in het bezit van het zoo kostbare stapelrecht, en hare burgers genoten uitgebreiden vrijdom van tol in onderscheidene nederlandsche gewesten. Ten jare 1559 gewerd haar de eere, dat zij tot bisschopszetel verheven werd: haar abt Nicolaus de Castro (Van der Burcht) werd haar eerste bisschop. Doch de bisschoppelijke troon zou niet lang binnen hare wallen staan. De godsdienstige omwenteling der zestiende eeuw drong ook tot Middelburg door, en had ook daar eene staatkundige omkeering ten gevolge. Zware tijden waren voor de rijke, welvarende koopstad aanstaande; bange dagen van lijden en kommer, vooral toen zij, nadat Vlissingen de nationale partij had gekozen, bijna twee jaren lang door de legermacht en de schepen van den Prins van Oranje werd belegerd en benauwd, zoodat binnen de geperste veste de honger welhaast ten top steeg. Vergeefs wendden Alva en na hem Requesens, beseffende dat aan het bezit van Middelburg dat van geheel Zeeland hing, bij herhaling pogingen aan, om de stad te ontzetten: wel mocht het enkele malen gelukken, haar van leeftocht en versch krijgsvolk te voorzien, zoodat zij haar weerstand nog eene poos rekken kon; maar den onverzettelijken vijand, wiens greep haar hield omklemd, tot wijken dwingen,--dat vermochten zij niet. In 't eind was dan ook geen redding meer mogelijk: en den 18 Februari 1574 werd Middelburg, door haar dapperen en ridderlijken verdediger Mondragon, aan den Prins overgegeven. Sedert hield zij, met geheel Zeeland, trouw de staatsche zijde, en deelde in het lijden, maar ook in de zegepraal en den voorspoed der jonge republiek, waarbij zij zich aangesloten had. Ja, ook in de zegepraal en den voorspoed: want de fel geteisterde stad, wier bloei voor immer scheen geknakt, herleefde met jeugdige kracht, breidde haar handel en haar veste uit, en verwierf zich eene eerste plaats onder de koopsteden der Vereenigde Nederlanden. Binnen hare wallen was eene kamer gevestigd van de machtige Oost-Indische Compagnie; zij had hare scheepstimmerwerven en pakhuizen, haar handelaars, die schepen uitzonden naar Oost en West. Bij herhaling moest haar omwalling worden uitgelegd: haar bevolking bedroeg, naar men zegt, in haar bloeiendsten tijd ongeveer 30.000 zielen; voorspoed en welvaart was haar deel. Dit bleef zoo tot aan het einde der vorige eeuw; de omwenteling en hetgeen daarop volgde heeft ook Middelburg van aanzien en vermogen beroofd, en de stad gemaakt tot eene schaduw van wat zij vroeger was. Haar handel was verloopen; de bronnen van haar welvaart verdroogd; kwijnend en dof sleepte zij haar bestaan voort, eene stille, vegeteerende provinciestad, nog terende van de overblijfselen van vroegere welvaart. Haar bevolking slonk, en bedraagt ook thans nog slechts omstreeks zestienduizend zielen. Toch is er, nu zij is opgenomen in het groote net van het tegenwoordige verkeer, nu haar haven is verbeterd, hoop op beter dagen, op een terugkeer van de welvaart van vroeger, waarvan op dit oogenblik nog maar alleen de herinnering over is. Moge die hoop niet worden beschaamd.