Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875

Part 3

Chapter 33,642 wordsPublic domain

Wij brachten den avond door in de militaire sociëteit, waar wij door een der officieren waren geïntroduceerd. Natuurlijk liep het gesprek al spoedig over Vlissingen, over haar tegenwoordigen toestand, over haar vooruitzichten. Mijn vriend had zijne verwondering te kennen gegeven, dat eene zoo bij uitnemendheid gunstig gelegen stad, met eene zoo prachtige haven, blijkbaar zoo in verval verkeerde.--"Gijlieden zijt toch een zonderling volk, zeide hij. Uwe grootste koopsteden liggen midden in het land, en gij geeft schatten uit om ze, op eenigszins behoorlijke manier, met de zee in gemeenschap te brengen. Inmiddels hebt ge hier een haven, zoo ruim en goed gelegen als ge maar wenschen kunt, door de natuur zelve aangewezen--en die laat gij ongebruikt liggen."

"Zacht wat, werd hem geantwoord. Voor eene koopstad is zeker een haven noodig; maar een haven alleen maakt nog geene koopstad. Het ontbreekt hier aan allerlei zaken, die voor eene koopstad even onmisbaar, ja nog onmisbaarder zijn dan een haven: in de eerste en voornaamste plaats aan kapitaal. Bedenk ook, dat Vlissingen aan een verloren uithoek des lands ligt, verre verwijderd van de groote middelpunten van handel en verkeer; en dat, althans in onzen tijd, geen handel van beteekenis mogelijk is, waar de middelen tot snelle en ver verbreide gemeenschap ontbreken. Vroeger was dat anders; en toen was Vlissingen ook inderdaad eene niet onbelangrijke koopstad; de teekenen van haar welvaart vindt ge nog in meer dan een harer oude woonhuizen. Boven de deur eener woning in deze stad staat deze Bijbeltekst: "Hoe zit die stad eenzaam, die vol volks was; zij is als eene weduwe geworden!" En daaronder leest men het bemoedigend woord: "Het zal beter gaan."--Welnu, dat woord geeft zeer getrouw de stemming weder, waarin men thans hier verkeert. Het zal beter worden; eene andere, schoone toekomst gaat voor Vlissingen open. Onze prachtige haven zal niet langer afgezonderd blijven: een nieuw kanaal zal de stad met Middelburg verbinden; een spoorweg zal niet alleen eene rechtstreeksche gemeenschap openen met de hoofdstad, maar ook met Noord-Brabant, en daardoor met Duitschland en het groote europeesche spoorwegnet. Al deze werken, zoowel als die aan onze haven, naderen hunne voltooiing; zijn zij eenmaal voltooid, dan zal de handel zich hier heen verplaatsen, dan zal het kapitaal toevloeien, dan zal Vlissingen, zooveel gunstiger dan Antwerpen gelegen, de mededingster van de Scheldestad worden, en haar overvleugelen. Dat is alles maar een kwestie van tijd."

Wij wachtten ons wel, de hooggespannen verwachtingen van onzen nieuwen kennis tegen te spreken, en konden ons nog beter zijne geestdrift en zijn hoopvol vertrouwen begrijpen, toen wij den volgenden morgen in zijn gezelschap de uitgestrekte dok- en havenwerken bezochten, tot voor weinige jaren bij de Rijksmarine in gebruik, maar thans schijnbaar doel- en nutteloos. Ge verwacht hier van mij geene beschrijving dier kolossale werken; zoodanige beschrijving heeft alleen waarde, wanneer zij door een deskundige voor deskundigen gegeven wordt. Ik nu ben geen deskundige, en ik vermoed dat de meesten mijner lezers dit evenmin zijn. Alzoo, verder geen bijzonderheden omtrent de werven, magazijnen, dokken, sluizen, havens, allen op zeer groote schaal aangelegd, en in den laatsten tijd nog verbeterd en uitgebreid. Toch zeide men ons, dat nog meer werken noodig zouden zijn, om Vlissingen inderdaad tot eene haven van den eersten rang te maken; en onze driftige, optimistisch gestemde gids verborg zijn ongenoegen niet, dat men niet aanstonds met den aanleg dier werken was aangevangen. Ik kon mij dit echter wel begrijpen. Vlissingen is geene koopstad van den eersten, zelfs niet van den tweeden of derden rang; ook nu nog niet, nadat de spoorweg en kanaalwerken zijn voltooid, en de rechtstreeksche gemeenschap met Duitschland en het europeesche spoorwegnet geopend is. De vraag komt nu eigenlijk hierop neer: moet men eene haven op groote schaal aanleggen, in de hoop daardoor den handel te lokken; of moet men, naarmate de handel zich ontwikkelt en nieuwe behoeften ontstaan, de werken uitbreiden en de haven verruimen en verbeteren? Dat men in Vlissingen de vraag in den eerst bedoelden zin beantwoordt, is begrijpelijk; maar voor het andere antwoord toch is ook het een en ander te zeggen. Wat hiervan zij: op dat oogenblik maakten deze bijkans ledige havens en dokken een zonderlingen, treurigen indruk; denzelfden indruk bijna, dien een vervallen stad op u maakt, binnen wier ruime wallen plaats is voor het dubbele van haar bevolking, en waar uitgestrekte velden en tuinen de ruimte hebben ingenomen van verdwenen straten en pleinen. Deze inderdaad prachtige haven wacht op de schepen, die hier de schatten van den wereldhandel zullen aanvoeren. Zullen zij komen? Zal Vlissingen het punt van uitgang worden voor onze transatlantische vaart, het groote débouché voor noordelijk en midden Duitschland? De toekomst alleen kan daarop antwoord geven. Onze beste wenschen zijn voor haar; zij heeft het wel verdiend, de dappere, kloeke stad, van haar vroegeren rang zoo zeer gedaald; zij heeft het wel aan het vaderland verdiend, dat al het mogelijke worde gedaan om haar uit haar verval op te heffen, en haar althans voor een deel haar vorige welvaart weer te geven. Moge het haar eigen burgers daartoe niet aan de oude geestkracht en stoute ondernemingszucht ontbreken.

Het was een heerlijke, zonnige morgen. Reeds vroegtijdig waren wij op de been; zoo vroeg, dat wij nog den ouderwetschen wekker of klopper konden zien rondgaan, die met zijn langen stok, aan welks uiteinde een plankje bevestigd is, tegen de ruiten der bovenkamers tikt, om de bewoners, wier dagtaak hen vroegtijdig tot den arbeid roept, te wekken. Wij wandelden naar het strand; een frissche koelte woei ons uit zee tegen; vroolijk kabbelden de golfjes en zongen, melodisch ruischend, hun morgenlied.

"Willen wij een klein zeetochtje doen?"

"Van harte gaarne," antwoordde mijn vriend.

Wij huurden een zeilboot en staken van wal. Het was een waar genot, te dobberen en te dansen op de golven, die ons nu en dan met zilver schuim overspatten, als zij, in een regen van diamanten, braken tegen de ranke kiel. Met vaste hand hield onze bootsman het roer; zijne levendige grijze oogen, zijn scherp geteekend, door de zon gebruind gelaat, de gulle lach om zijn mond, getuigden van schranderheid, kracht en zachtmoedigheid. Het vaartuig gaat met de deining op en neder, en glijdt over de wateren; de stad wijkt op den achtergrond; de wijde zee opent zich voor ons. Zoo zwierven wij een poos rond, de krachtige zeelucht inademende, vroolijk en opgewekt. En nu terug, naar den wal. Nog maar weinige oogenblikken resten ons, en wij moeten vertrekken. Nog even toeven wij op de kaai, en werpen een blik op de breede watervlakte, waarop enkele schepen en stoombooten zich schier verliezen; de breede watervlakte, die u als uitlokt in de boot te stappen en op de zeeën uw geluk te gaan beproeven. Is het wonder, dat zoo velen, in Vlissingens wallen geboren, aan deze machtige bekoring geen weerstand hebben kunnen bieden, dat hun hart hen trok naar de geheimzinnige zee, waarachter het land van belofte voor hunne oogen opdoemde? Zij hebben hun geluk op de wateren beproefd, en met den besten uitslag: waarom zouden ook hunne zonen het niet doen?

"Ik blijf er bij, zeide mijn reismakker;--gij moogt zulk eene haven niet ongebruikt laten! Waarom trekt ge uw spoorweg tot hier door: toch niet om hem aan het strand dood te laten loopen? En die havens en dokken,--ze zijn immers toch gemaakt om gebruikt te worden?

--Denk aan het opschrift op die woning: Het zal beter gaan. Laat ons hopen, dat deze woorden eene profetie blijken, die de toekomst niet zal logenstraffen."

III.

Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens, zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens, maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens, of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu, de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.

Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen stok ter hand genomen, en dan op weg.

De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid, die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte, voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies, die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis, met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok, ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk, na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk van hem scheiden moest,--wel, is het u dan nooit overkomen, dat ge in de struiken ergens een plekje zocht, waar ge dien makker, dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja, dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn stok toegekend, te verdedigen.--Overigens, ik moet het erkennen, is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte, den smaak, de gril van 't oogenblik: wijzigen zich die--en zij doen dat telkens--dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde, en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen; meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap, een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand, die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het, die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de machine--de inderdaad geest- en ziellooze--den mensch, den kunstenaar, heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in één woord;--welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die, onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid van het noodlot werkende machine, met volslagen onverschilligheid, bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort, dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?

Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig aan.--Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd; adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt, nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden, met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche buitenhuizen, villa's en cottages, in allerlei bouwstijl, en door sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring, van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.

Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige, vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur, waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.

Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel, in dit hollandsch binnenhuisje, dus op 't leven betrapt. Zoodra men ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend, werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten om met deze goede menschen--welgestelde landlieden--een poosje te praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.

Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen gewaar. Uit de verte klonk ons dat eigenaardig dof gerucht tegen, waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.

Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant, en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt, al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw, beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.

Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden, deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen; de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur; aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde, opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis, rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden, maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens, wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm, bij zich.

Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint; lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok, was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren, van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer fraaie kanten muts, voor 't minst kostbaar genoeg is, al mag het ook, naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.

Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander; de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.

Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk- en pepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls, onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de verschillende dorpen, anders is.

Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet, en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon, met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:--en ge zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig, schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van licht en bruin, onze bewondering opwekten.