Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875

Part 6

Chapter 63,818 wordsPublic domain

In ons logement en ook elders hadden wij meermalen hooren spreken van een der bewoners der stad, die in het vorige jaar zijn honderdsten verjaardag had gevierd, en nog in het bezit van zijne vermogens en van een goede gezondheid was. Door tusschenkomst van een mijner bekenden werd het ons vergund, bij dien ouden heer een bezoek af te leggen, dat zeker tot mijne aangenaamste herinneringen behoort. De oude heer, die den 12den April 1772 te Oost-Kapelle geboren was, leefde nu bij eene dochter in huis, na vijf-en-vijftig jaar lang het beroep van bakker te hebben uitgeoefend. Op zijn zeventigste jaar of daaromtrent was hij begonnen te teekenen: vooral kopiëerde hij gaarne zeegezichten en vrouwenportretten; en hij deed dit, zijn leeftijd in aanmerking genomen, niet zonder talent. Hij gaf ons zijn portret ten geschenke, dat ter gelegenheid van zijn honderdsten verjaardag was gemaakt, en waaronder hij nog met vaste hand zijn naam geteekend had. Toen hij de kamer binnentrad, waar wij werden ontvangen, beefde hij over zijn geheele lichaam, maar hij liep nog tamelijk rechtop, en zijn gelaat zag er nog tamelijk frisch uit, al stonden zijne oogen ook dof. Wij onderhielden ons een poosje met hem en zijn kleinzoon, die ons zijne teekeningen liet zien, waarmede de oude man blijkbaar zeer ingenomen was. Honderd jaar! welk een leeftijd, en wat heeft die man al niet bijgewoond! Hij heeft eene wereld zien ondergaan, en eene nieuwe verrijzen: wat mag hij zelf bij al deze aangrijpende gebeurtenissen der laatste honderd jaren hebben gevoeld en gedacht! Uit den aard der zaak konden wij niet daarover uitweiden; toch deed het ons goed, toen wij de zachte weeke hand van den ouden man in de onze drukten, dezen stillen getuige der vervlogen dagen te hebben gezien.--Naar ik vernomen heb is hij in April 1874, na eene zeer kortstondige ongesteldheid, kalm overleden. Wij bieden onzen lezers zijn portret aan.

Na een paar dagen door Middelburg te hebben rondgewandeld, hadden wij zoo wat alles gezien, wat in de stille deftige hoofdstad van Zeeland de aandacht van vreemdelingen trekken kan. Ook zij is bezig gaandeweg haar eigenaardig karakter te verliezen, en te dalen tot den rang eener kopie op kleine schaal van eene groote stad. De alles nivelleerende, alles gelijk makende, alles afslijpende eenvormigheidsmanie onzer dagen is voor kleine steden, als voor kleine volken, bijzonder noodlottig; zij werpen haar eigenaardig, historisch karakter weg ten einde zoo veel mogelijk gelijk te worden aan groote metropolen:--met geen ander gevolg dan dat zij verliezen wat haar bekoorlijk en eerbiedwaardig maakt, zonder te verwerven wat haar, uit een ander oogpunt, belangwekkend zou kunnen maken. Zoo worden de steden van den tweeden en lageren rang eenvoudig kopieën, miniatuur-uitgaven der groote hoofdsteden: kopieën, waar niemand naar omziet, en die alle aantrekkelijkheid verloren hebben voor wie het origineel kent. Middelburg heeft dat stadium van averechtsche ontwikkeling nog niet ten volle bereikt, maar bevindt zich toch onmiskenbaar op den weg, die daarheen voert: en het staat te voorzien, dat de versnelde en verbeterde middelen van gemeenschap, die thans te harer beschikking zijn gesteld, en die de stad uit hare betrekkelijke afzondering zullen helpen om haar op te nemen in den kring van het algemeen verkeer, er ruimschoots toe zullen bijdragen om den voortgang op dien weg te bevorderen. Ook van haar moet de vreemdeling de herinnering medenemen, want als hij haar weerziet, zal hij ze veranderd vinden.

V.

Rondom uitgestrekte weilanden, frisch groen en weelderig van tint, maar toch wel wat eentonig: een echt hollandsch landschap, waarvan het eigenaardig schoon voor ons, die van onze eerste kindsheid dergelijke tafereelen voor oogen hebben gehad, wel iets van zijne beteekenis en bekoring verloren heeft. Echter--ook vreemdelingen hebben in den regel daar spoedig genoeg van. En, wij moeten billijk zijn--tot de voorwaarden van het schoone behoort, en wel niet in de laatste plaats, afwisseling, beweging, die den indruk des levens geeft;--en juist deze missen wij te zeer in onze hollandsche landschappen, onze eindelooze weilanden, hier en daar met boomgroepen bezet, omzoomd door een dunnen boschrand, dit evenwel niet altijd; en voorts rijkelijk doorsneden door vaarten en slooten. Onze luchten zijn fraai, en de tinten, die de speling van het licht in onze vochtige atmosfeer kan te voorschijn tooveren, ten volle de studie des schilders waard. Maar wij mogen toch dit alles niet te hoog aanslaan, en hebben ons te wachten voor de dwaze en kinderachtige overdrijving, van onze landschappen op eene lijn te willen plaatsen met wat wij in den vreemde aanschouwen. Troosten wij ons:

Grijs is uw hemel en stormig uw strand; Grauw zijn uw duinen en effen uw velden; U schiep natuur met een stiefmoeders hand: Toch heb ik innig u lief, o mijn land! Al wat gij zijt is der vaadren werk: Uit een moeras schiep de deugd van die helden, Beiden natuur en den dwingland te sterk, Vrijheid een tempel en godsvrucht een kerk.

De bodem waarop wij staan, is mede getuige van die geestkracht van het voorgeslacht: ook deze grond is, om de traditioneele uitdrukking te gebruiken, aan de golven ontwoekerd. Het Nieuwland, waarheen onze weg voert, was vroeger een afzonderlijk eilandje, dat, gaandeweg aangeslibd, in 1644 werd ingedijkt en met Walcheren verbonden. Het dorp van dienzelfden naam maakt een aangenamen indruk, en is, althans naar het uiterlijk, ook van de bewoners te oordeelen, zeer welvarend. Er heerscht thans eene groote drukte. Wij hebben dat reeds bespeurd op den weg, waar ons telkens boerenkarren en wagens met vroolijke gezelschappen voorbijsnorden; op de landwegen zagen wij kozende paren en lachende en zingende troepjes voortwandelen, zich spoedende naar het Nieuwland.

Dit volk houdt nog de oud-vaderlandsche gewoonte van het dusgenaamde heulen in eere: zoo vaak men, hetzij te voet, hetzij in een rijtuig, over een brug (heul) gaat, hebben de jonkmans het recht hunne meisjes te kussen. Van waar die zonderlinge gewoonte afkomstig is, kan ik niet zeker zeggen: tenzij men de overlevering gelooven wil, die ons natuurlijk ook hier niet verlegen laat. Volgens haar dan zou eens, 't is lang geleden, een zekere haagsche jonker zijne liefste, die onder de harde dwingelandij eener booze stiefmoeder zuchtte, op een schemeravond in alle stilte hebben geschaakt en naar een in de nabijheid gereed staand rijtuig gevoerd. De gelieven stapten in den wagen, en de voerman lei de zweep op de paarden. Voort ging het nu in snellen draf, naar den kant van Leiden. Maar, voorbij den Leidschendam, in de veenen gekomen, reed de voerman, daar het reeds duister was, het bruggetje mis en in de vaart. Hij zelf sprong haastig van den wagen, en spoedde zich naar den Dam, roepende: heul! heul! (hulp); maar onderwijl waren de beide minnenden verdronken. Die aandoenlijke historie maakte zulk een indruk, dat het sedert eene gewoonte werd, op alle bruggetjes heul! te roepen en zijn vrijster te omarmen en te kussen ten teeken van blijdschap, dat men er gelukkig over geraakt was. De houten brugjes zelven zouden ook aan dit avontuur den naam van heulen te danken hebben.

Ziedaar wat de overlevering vertelt; maar de overlevering mag niet altijd op haar woord geloofd worden; en in dit geval is er alle waarschijnlijkheid dat zij de plank mis slaat. De zaak laat zich, dunkt mij, veel eenvoudiger verklaren. Ons volk was van oudsher bijzonder op kussen gesteld: in onze erotische poëzie speelt het zoenen altijd een zeer voorname rol; en het is nu niet zoo geheel vreemd, dat zoenlustige jongelui gebruik hebben gemaakt van de gunstige gelegenheid, die de overgang van smalle bruggetjes aanbood, om hun vrijster een kus op de wangen te drukken. Wat hiervan zij: wij behoeven slechts rondom ons te zien, om overtuigd te worden, dat dit gebruik hier nog in eere wordt gehouden; en wij moeten erkennen, dat de zeeuwsche weilanden en polders, met hun overgroot aantal slooten en tochten en weteringen, die een talloos tal van bruggen noodig maken, in dit opzicht, voor de liefhebbers van kussen een land van belofte zijn.

Wij zijn de statige laan met hare prachtige boomen, die naar het dorp voert, ten einde gewandeld, en bevinden ons nu in Nieuwland. Voor gindsche aanzienlijke huizinge, waar de ambachtsheer woont, staat een groep jonge boeren te paard, omringd door eene dichte schare. De ambachtsheer is naar buiten getreden, en heeft aan een der jongelieden een pakje overhandigd, waaruit eenige geschenken zijn te voorschijn gekomen, bestemd om als prijzen te dienen bij het ringrijden, dat zoo aanstonds een aanvang nemen zal. Zoodra deze geschenken worden vertoond, neemt het dusgenoemde jouwen een aanvang. Een uit den troep roept: "Daer komt de man!"--Een ander antwoordt: "Wat heit i an?" De eerste: "Grauw!" De tweede: "Blauw!"--De eerste: "Wat zullen wij roepen?"--Allen: "Hoezee! Hoezee!"--Dit is de feestelijke vorm om "Mijnheer te bedanken." Natuurlijk dat er ook gejouwd moet worden ter eere van Mevrouw en de kinderen, hetzij ze reeds werkelijk bestaan, hetzij ze nog maar alleen in hope leven. Ook bij andere notabele ingezetenen, zooals bij den ontvanger en den dokter, wordt die ceremonie herhaald. Vraag mij nu wederom niet naar den oorsprong en de beteekenis van deze, althans voor ons en in hun tegenwoordigen vorm, volkomen zinledige en onverstaanbare woorden; ik kan er geene verklaring van geven, maar weet alleen, dat men in Zeeland vrij algemeen van gevoelen is, dat dit grauw en blauw roepen uit den tijd der Hoekschen en Kabeljauwschen afkomstig is. 't Is mogelijk; ofschoon ik niet kan inzien wat ter wereld de dynastieke kleuren dezer oude politieke partijen te doen hebben met ringrijden en het uitloven van prijzen voor den wedstrijd.

Dit ringrijden zelf is een echt nationale gewoonte; en het deed mij genoegen, dat mijn reismakker juist hier zulk een schouwspel mocht bijwonen, waar het met groote geestdrift on bijzonderen luister wordt gevierd en nog inderdaad een volksvermaak mag heeten. Ik vertelde hem daarom het een en ander om hem beter op de hoogte te brengen; wellicht dat ook voor mijne lezers eenige toelichting niet geheel overbodig is.

Reeds ettelijke dagen te voren wordt in de herberg van het dorp de rolle nedergelegd, waarop ieder, die aan den wedstrijd deel wil nemen, zijn naam teekent. De deelnemers, doorgaans twintig tot dertig in getal, meest allen boerenzoons of knechts, betalen een zekere som, veelal een rijksdaalder, aan den penningmeester van de club of de vereeniging die het feest organiseert, als een bijdrage voor het aankoopen van prijzen, die uit gouden en zilveren voorwerpen bestaan.

De baan, in den regel tachtig tot negentig el lang en drie el breed, wordt behoorlijk met paaltjes en touwen afgebakend; in het midden worden twee stevige palen in den grond geslagen, waartusschen een touw wordt gespannen, dat in een ijzeren beugeltje den ring zal houden. Die ring is van zilver: en dat wel om te voorkomen, dat niet de een of andere speler hem te zijnen behoeve late betooveren, wat met een ijzeren ring zeer licht geschieden kan. Op zilver daarentegen hebben tooverspreuken en bezweringen geen kracht; mitsdien moet, om alle bedrog en kwade praktijken te voorkomen, de ring van zilver zijn. De prijzen hangen aan een touw, dat tusschen een der palen en een bodem is gespannen.

Natuurlijk zijn er ook voor dit spel zekere regels vastgesteld. De paarden mogen niet van zadel of kleed zijn voorzien, en moeten bij het rijden galoppeeren; een ring, die met gaand of dravend paard gestoken wordt, telt niet. Om een prijs te winnen, moet men driemaal achtereen den ring steken; intusschen mag, in den regel, niemand meer dan twee prijzen behalen. Die een prijs wint, moet op een pint likeur trakteeren; die den geheelen dag geen ring heeft gestoken, krijgt, naar overoud gebruik, een houten potlepel.

Mengen wij ons nu onder de joelende schare, die aan wederzijde van de baan zich verdringt, om het feest te aanschouwen niet slechts, maar er ook werkelijk deel aan te nemen. Of de belangstelling gespannen is,--ge behoeft het niet te vragen, als ge die aangezichten ziet, waarop meer dan nieuwsgierigheid, waarop levendige deelneming, hoop, verwachting, vrees, te lezen staan; die oogen, onafgewend den vluggen rijder volgende, die in vollen galop de baan doorrent; als ge die luide kreten hoort, zoo vaak een der prijzen gewonnen wordt; dat eigenaardige verward gemompel, waarin de schare hare belangstelling in het edel spel uitspreekt. En ze is niet geheel onverdiend, die belangstelling: want inderdaad, voor dat spel wordt lichaamskracht en behendigheid vereischt. Ziedaar, aan den ingang der baan, dien slanken, fijngebouwden en toch krachtvollen jonkman, met sprekend gelaat en groote, levendige oogen, nu stralend van opgewektheid. Hij houdt een houten lans opgeheven in de hand; aan de twee krijtstrepen op zijn broek kunt ge zien, dat hij voor dezen prijs--een zilveren mes--reeds tweemaal een ring gestoken heeft; hij is dus "op steek"; lukt het hem, nog eenmaal den ring te steken, dan heeft hij den prijs gewonnen en mag zich tooien met dat mooie breede zijden lint, dat de ring-oppasser, als om te laten zien hoe goed het staat, zich zelven heeft omgehangen. Daar zet hij zijn fraai bruin paard, met linten en strikken versierd, in galop, onder luid geschreeuw, dat door alle omstanders wordt herhaald. In weinige seconden is de ruiter bij het touw; met een vlugge beweging heeft hij den ring gestoken, en zwaait nu zijn lans, waarop de ring rust, in de hoogte. Een daverend gejubel gaat op van allen kant, en groet den overwinnaar, die zelf als buiten zich zelven van vreugde is. Terwijl hij in vliegenden galop terugkeert, voert hij op zijn paard allerlei gymnastische kunsten uit; straks wordt hij, door vier stevige boerenknapen, in triomf, op een ladder, naar de herberg gedragen, waarbij het ook tamelijk wild toegaat. Daar, in de herberg, worden de kameraden getrakteerd, waarbij het juist niet altijd bij het bepaald pintje blijft.

Intusschen is de volgman al doorgegaan op den volgenden prijs; het wordt al woeliger en luidruchtiger; de groepen wemelen door elkander; de schare verdringt zich in de nabijheid der palen; menschen en paarden vermengen zich in bonte wanorde. Daar keert onze ruiter van zoo even terug uit de herberg; hij heeft zijn flink bruintje weer bestegen, en waagt nog eens een rit om den hoogsten prijs, door den ambachtsheer geschonken: een fraai gouden horloge. Daar gaat hij door; daar steekt hij voor de tweede maal den ring; daar lukt het hem ten derden male... Hoezee! hoezee! hij heeft den hoogsten prijs gewonnen! Aan het oorverdoovend gejubel schijnt geen einde te komen; de jonkman zelf is dol van pret. Hij laat zich van zijn paard vallen, wentelt zich op den grond, springt en schreeuwt als een razende. Om hem tot bedaren te brengen, werpen zijne kameraden hem op den grond en overdekken hem met zand en gras; hij springt op, ontkomt aan hunne handen, en zet het op een loopen. Luid schreeuwend stormen zij hem na; hij rent en zwenkt in allerlei richtingen; eindelijk grijpen zij hem, en rollen al wentelende met hem in het zand; dan springt hij weer op, is nu op zijn paard, dan weer te voet onder de joelende menigte. Hij is de held van den dag, die overal wordt bewonderd en toegejuicht, en straks in triomf naar de herberg gevoerd, waar telkens de beker lustig rond gaat.

Alle prijzen zijn eindelijk gewonnen; de vertooning is afgeloopen; slechts een enkele speler is nog achtergebleven: hij heeft geen enkele maal den ring gestoken. Was het onhandigheid? was het onachtzaamheid? Genoeg: hij moet den potlepel ontvangen, die eenzaam aan het touw hangt te slingeren. De ring-oppasser, een groote flinke boer, nadert den ongelukkige die rustig op zijn paard is gebleven, en hangt hem, met plechtig gebaar, den houten potlepel om den hals. Aan het gelach, het gejubel en het geschater schijnt geen einde te komen; de patiënt zelf schijnt er een oogenblik onder te bezwijken; maar weldra herneemt hij zijne vroolijkheid, en roept, zijn lepel zwaaiende, uit: "Een ander maal beter!"

Dan stroomen allen de herberg binnen, waaruit het geluid van viool en fluit u tegenklinkt, en waar op den ruimen deel lustig gedanst wordt. De pret duurt den ganschen avond, en zelfs nog wel een deel van den nacht, en de uitgelaten dolheid openbaart zich op allerlei, ook min voegzame wijze. Het geheele tooneel in het anders zoo rustige kalme dorp krijgt weldra iets ruws, dat ook op mijn vriend een onaangenamen indruk maakte. Toch kan ik niet instemmen met hen, die tegen deze uitspanningen te velde trekken en voor de afschaffing daarvan ijveren. Afschaffen is zeker de eenvoudigste en meest afdoende manier om een einde te maken aan alle mogelijke misbruiken, waartoe eene of andere zaak aanleiding geven kan; maar het is ook een paardemiddel, dat somwijlen in de praktijk erger kan blijken dan de kwaal. De behoefte aan uitspanning, aan vermaak, is echt menschelijk en behoort op zich zelve niet tegengegaan te worden: het komt er slechts op aan, die behoefte te leiden en zoodanige bevrediging voor haar te vinden, dat de goede zeden en de goede smaak daaronder geen schade lijden. Maar die taak is verre van gemakkelijk: vooral in onzen tijd mag het eene hachelijke onderneming heeten, nieuwe, veredelde volksvermaken te willen uitvinden, die niet aan de gebreken der oude zullen lijden en dezen inderdaad kunnen vervangen. Juist omdat zulke volksvermaken worden bedacht en uitgevonden door mannen, die niet tot het eigenlijke volk, dat men vermaken wil, behooren, die door stand en opvoeding en denkwijze daar buiten staan; juist daarom vinden die kunstmatig aangelegde vermaken bij het volk geen ingang. Bovendien lijden zij meest allen aan het groote gebrek--een fout van hun oorsprong--dat het volk eenvoudig de rol van toeschouwer of toehoorder vervult, en niet zelf een werkzaam aandeel aan het feest neemt; en toch, alleen wanneer dit laatste geschiedt, kan er inderdaad van volksvermaak sprake zijn. Daarop verstond men zich vroeger veel beter: op onze kermissen, hoe verbasterd en van hare eigenlijke bestemming ontaard zij ook mogen zijn, is toch nog voor de massa eene soort van uitspanning te vinden, waarbij zij niet louter lijdelijk blijft: en voornamelijk om die reden toont het volk zich nog zoo zeer aan deze oude instelling gehecht. Wat geven wij in de plaats? Tentoonstellingen, volksconcerten, illuminaties, vuurwerk, volksvoorstellingen, zakloopen, mastklimmen: het is alles zeer fraai en uiterst belangwekkend, maar het is steeds een georganiseerde pret, eene gemaakte vertooning in den alledaagschen zin, een vermaak op kommando: en dat gaat nooit recht van harte. Daarbij: in onzen tijd is er te weinig overgebleven van het eigenlijke volksleven, is de samenleving te zeer uiteengerukt, is het volk te veel in individus, die ieder op zich zelven staan, verbrokkeld, om voor rechte en wezenlijke volksvermaken ruimte te laten; ook zijn de verschillende standen uiterlijk te zeer onderling vermengd en juist daardoor innerlijk verder dan ooit van elkaar verwijderd. De aanzienlijke en vermogende neemt niet langer deel aan de uitspanningen des volks; en het volk zelf streeft er dwaselijk naar om, zooveel mogelijk, dezelfde uitspanningen te genieten als de hooger geplaatsten, daardoor zijn eigen genot bedervende en den schijn voor het wezen nemende. Voor het volk in zijn geheel geldt, in dit opzicht, hetzelfde als voor den enkelen mensch: om zich waarlijk te kunnen vermaken, om recht vroolijk te kunnen zijn, wordt eene zekere mate van naïeveteit, van frissche gezondheid van lichaam en ziel vereischt. En is het niet juist aan dit, dat het ons geslacht hapert? Wordt ons gemoed niet te zeer vervuld en gedrukt door den ernst der tijden? Hebben wij niet, door al wat wij aanschouwden en ervoeren, die kostelijke gulle onbevangenheid der jeugd verloren, die mede een vereischte voor echte vroolijkheid is?

VI.

Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd, zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame, nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden, en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf--ook geen alledaagsch pleizier;--van het prettige gezelschap, van een maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de "zaken" en geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de "gezellige en vriendschapvoedende aard onzer natie" nergens duidelijker in uitkwam dan in hare "geneigdheid tot speelevaren en rijden"; vooral in Zeeland had hij dit "op een ongemeen gezellige wijze" gezien. "Een gezelschap," zoo verhaalt hij, "dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in 't rijtuig brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder; de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van 't zoet vermaak, dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid, onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen." Wat stijl! en wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat daargelaten:--het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.

Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst te midden van een tuin--het oude kerkhof--door een bloeiende haag omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen, netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid, beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze voetreis.