Schetsen uit den Kaukasus De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 4
Zoodra men uit de verte een blik werpt op Akhalzick, met zijne moderne kerktorens en zijn oude vervallen minarets, krijgt men den indruk van eene stad, waar het Kruis en de Halve Maan elkander eeuwenlang de heerschappij hebben betwist. Akhalzick (Akhal-tzishé, in het georgisch de nieuwe vesting) ligt drieduizend-honderdtachtig voet boven de zee, aan den oever van de Potskowtsjaï. Het district behoorde vroeger aan de Djagheli, die den titel voerden van Akhal-Tzikhéli (heeren van Akhalzick). In de twaalfde eeuw ontvingen deze Djagheli bovendien den titel van Atabek, ten gevolge waarvan de landstreek den naam verkreeg van Sa-Atabago, in het georgisch, eigendom van de Atabek. In 1579, toen de Turken zich van het land meester maakten, lieten zij het bestuur in handen van de inlandsche vorsten, die natuurlijk de opperhoogheid van den Sultan moesten erkennen; nadat Amoerad IV het pâsjalick van Akhalzick had gevormd, bracht de nieuwe pâsja zijne residentie van Olthis naar Akhalzick over, dat versterkt werd en van toen af, zoowel uit een militair als uit een commercieel oogpunt, de hoofdstad bleef van het oude Samtzkhé. De levensmiddelen en andere produkten van Kars en Erzeroem werden voornamelijk daarheen gevoerd; ook werd er een slavenmarkt gevestigd. In 1810 door den russischen generaal Tarmasof belegerd, en achttien jaren later door den veldmaarschalk Paskiéwitch ingenomen, werd de stad het volgende jaar, bij den vrede van Adrianopel, aan Rusland afgestaan. Later, kort voor den Krimoorlog, sloeg de generaal prins Andronikoff de Turken in eene vlakte nabij de stad, waar een monument is opgericht ter herinnering aan dit wapenfeit, waardoor de inlijving van de landstreek bij het rijk der Tsaren voor goed verzekerd werd.
Vroeger door Christenen bewoond, werd deze voormalige provincie van het koninkrijk Georgië, door een harer vorsten, den Atabek Rostom, gedwongen den Islam te omhelzen; hij was zelf Muzelman, geworden om tot pâsja te kunnen worden benoemd. Echter is de georgische taal hier altijd in gebruik gebleven; in den laatsten tijd echter schijnt het turksch vorderingen te maken.
Akhalzick bestaat uit twee steden: de oude stad, hoofdzakelijk bewoond door Georgiërs, Tartaren en Turken; en de nieuwe stad, die omstreeks twintigduizend zielen telt, voor drie vierden Armeniërs, voorts een aantal Joden, maar weinig Georgiërs en nog minder Russen. De afstammelingen van Rostom Atabek bestaan nog altijd; de familie heeft zich nu ook den naam van Kobliansky toegevoegd, ontleend aan hare bezittingen in het naburig district Koblian. Al de leden van dit geslacht zijn Muzelmannen; een hunner voorvaderen, Achmed-pâsja, heeft in de oude citadel de moskee gebouwd, die sedert in eene orthodoxe kerk herschapen werd. Voor hij Mohammedaan werd, had diezelfde Achmed met twee zijner broeders het klooster Safara gesticht, dat nog bestaat, en waarvan de kerk, die het geheele jaar gesloten is, alleen op den dag van Maria-Hemelvaart voor de pelgrims van Akhalzick geopend wordt.
Deze geheele landstreek is buitengewoon rijk aan boomgaarden, die uitmuntende vruchten, met name appelen, opleveren. Een riviertje, dat zich in de Koer uitstort, de Potsghow of Potskhowtsjaï, kronkelt zich schilderachtig door de velden; een dubbele wal van bergen, aan de eene zijde zich naar Goerië, aan de andere tot aan Erzeroem uitstrekkende, omgordt het oude domein der Djagheli. De pest, die vroeger bij herhaling het land teisterde, heeft zich sedert 1830 niet meer vertoond; de herinnering aan dien geesel leeft nog altijd voort in de verplichte quarantaine en in het afzonderlijk voor pestlijders bestemde kerkhof buiten de vesting.
In 1844 evenwel brak op verschillende plaatsen in Kaukasië, met name te Alexandropol, eene epidemie uit, die veel overeenkomst had met de pest; en eenige jaren geleden zond de russische regeering den dokter, die aan de quarantaine-inrichting te Akhalzick verbonden was, naar Koerdistan, waar eene pestaardige ziekte was uitgebroken, om de oorzaken en de verschijnselen van de moorddadige epidemie te bestudeeren. Na vele nasporingen gelukte het hem, tot de ontdekking te komen dat de ziekte ontstaan was in zekere bergkloven en spelonken, die tot schuilplaats dienden voor schapen. Om versche lucht in die holen te krijgen, had men eene opening gemaakt, die op den top van den berg uitkwam; en op dien top bevond zich juist eene oude begraafplaats van pestlijders. Bij het boren der luchtgaten waren de beenderen van de voor veertig jaar bezweken slachtoffers naar beneden in de grotten gevallen: een herder, die zich in een dezer spelonken ophield, was het eerst aan de pest bezweken. Deze ontdekking was in zoo verre belangrijk, dat daaruit de blijvende kracht der smetstof bleek, zelfs nog na verloop van eene halve eeuw. Naar het schijnt, is dit alleen te verklaren, wanneer men aanneemt dat zekere organische kiemen, geheel van de buitenlucht afgesloten, zijn in stand gebleven, die, weder in aanraking met de lucht gebracht, als het ware zouden zijn herleefd: ongeveer op dezelfde wijze als het koren, dat men in de pyramiden van Egypte gevonden heeft, en dat, weder in de aarde gezaaid, op nieuw uitbot.
Een houten brug over de Potsghow verbindt het oude met het nieuwe Akhalzick. Op den linkeroever bevinden zich de oude buurten, bewoond door Georgiërs, die voor verreweg het meerendeel katholiek zijn, door Tartaren en Joden; op den anderen oever ligt de nieuwe stad, in de jaren 1830 tot 1833 door de Armeniërs gebouwd. De gewezen citadel, aan den oever der rivier, is tegenwoordig een militair hospitaal; de oude moskee is voor de orthodoxe eeredienst ingericht; in de minaret hangt een metalen klok, waarvan het gelui de roepstem der moëzzin vervangen heeft.
Men weet niet juist, uit welken tijd de citadel van Akhalzick dagteekent. Volgens de overlevering zou er vroeger op de plek, waar zij zich nu verheft, eene kerk hebben gestaan, die door den apostel Andreas zou zijn gebouwd; eenige brokken muurs, sommige oude steenen, in het tegenwoordige metselwerk opgenomen, zouden nog overblijfselen zijn van die kerk. Bij het laatste beleg hebben de uit deze citadel geschoten kogels een gedeelte van de oude wijken der stad vernield. Tegenwoordig zijn de woningen terrasgewijze boven elkander gebouwd, en wel zoo dat de platte daken der lagere rij de straat vormen waarop de huizen der hoogere uitkomen; de vreemdeling, die door deze onderaardsche stad ronddoolt, vraagt zich verwonderd af, waar de bevolking woont. Huizen ziet hij niet: nu en dan ontmoet hij een kegelvormigen heuvel van leem, twee tot zes ellen hoog, van boven voorzien van een soort van uitstekend venster met geolied papier beplakt. Dit zeer primitieve venster moet het noodige licht verspreiden in het voornaamste vertrek van het hol, dat men hier met den naam van woning betitelt. Als de nieuwsgierige wandelaar het vensterluik opligt, ziet hij in de diepte, onder den grond, een geheel gezin vereenigd in de _darbazi_, zooals men in het georgisch zulk een salon noemt.
Laat ons de woning binnentreden: eene ruw bewerkte deur, bij wijze van tegenwicht van een groot blok hout voorzien,--van sloten is natuurlijk geen spraak,--geeft toegang tot een nauwe donkere gang, waarin zich eene tweede deur, die der kamer, bevindt. Op een vochtigen steenen vloer liggen tapijten uitgespreid. In de wanden van het ronde vertrek zijn nissen aangebracht, die met houten deuren gesloten worden en tot kasten dienen. Andere, diepere nissen, waarvoor gordijnen hangen, zijn de bedsteden der familie. Houten banken met tapijten bekleed en een ijzeren kachel, ziedaar het gansche ameublement. De zoldering is niet het minst eigenaardige in deze woningen. De achthoekige koepel neemt naar boven steeds in omvang af; elk der acht paneelen bestaat uit twintig houten trappen, die gaandeweg kleiner worden.
Kleinere kamers, gelijkvloers met dit voornaamste vertrek, en nog anderen, die eenige treden lager liggen, zijn voorzien van vierkante openingen, waarvan het houten traliewerk insgelijks met geolied papier is beplakt. Deze katakomben, aan welker wanden men in de schemering heiligenbeelden bespeurt, worden hoofdzakelijk door katholieke Georgiërs en Armeniërs bewoond, die meermalen eene zekere mate van welvaart en zelfs meer dan dat genieten. Nu is het waar, dat deze lieden, wier huis nauwelijks op den naam van hol aanspraak kan maken, een groot gedeelte van den dag in de open lucht, voor de deur hunner woning, doorbrengen. Daar keuvelt men uren lang met de buren; daar danst men 's avonds onder begeleiding van de _daira_; daar nuttigt men te zamen, bij zekere gelegenheden, de zoete honigkoeken en andere inlandsche lekkernijen. Deze salon in de open lucht is echter niet ruim en heel veel kromme sprongen kan men er niet maken, want behalve door de uitstekende vensters van de darbazi, wordt de ruimte nog beperkt door de talrijke vierkante schoorsteenen van de lager liggende woningen. Deze schoorsteenen, van grauwachtige klei, zijn van boven voorzien van een houten luik, dat met behulp van een in eene schapenhuid genaaiden steen kan geopend en gesloten worden. Als in de onderaardsche vertrekken vuur wordt aangemaakt, gaan de luiken open; zij die boven op de straat zijn gezeten, ontvangen dus den rook uit de eerste hand.
Het eenige monument in de oude stad, dat van dezen eenvormigen type afwijkt, is de synagoge, een nieuwerwetsch gebouw, geheel van steen, en waarvan het schuine dak met zink is belegd. Even als de russische kerken, is ook de synagoge lichtgroen geverfd. De Joden zelven wonen, even als de anderen, in onderaardsche huizen. Het trok mijne aandacht, dat deze Joden van Akhalzick, in voorkomen en gelaatstrekken, meer overeenkomst hebben met de Georgiërs dan met hunne stamgenooten in Polen, Rusland, Jeruzalem en zelfs op andere plaatsen in Kaukasië. Even als bij de Muzelmannen en de Armeniërs, vertoonen ook hunne vrouwen zich niet aan vreemden.
De nieuwe stad draagt wel een ander karakter, maar behoeft in leelijkheid voor de oude niet onder te doen. De huizen der Armeniërs, die ten gevolge van den vrede van Adrianopel uit Turkije naar Akhalzick verhuisd zijn, zijn ook niet meer dan ellendige hutten, uit leem en ruwe steenen opgetrokken; ook hier geene andere vensters dan gaten, waarvan de latjes met geolied papier zijn beplakt. Men kan zich niets akeligers denken dan deze krotten, in vuile, niet geplaveide en niet verlichte straten. Zelfs de bazar ziet er even ellendig uit.
Even als Tiflis, wemelde ook Akhalzick, in de nabijheid der turksche grens gelegen, van officieren en soldaten, verlangend uitziende naar den aanvang der vijandelijkheden tusschen den Tsaar en den Sultan. De militaire societeit in de nieuwe stad was van den morgen tot den avond vol bezoekers. De leden van die societeit zijn voor het meerendeel Russen; de burgersocieteit wordt voornamelijk door Georgiërs bezocht; want hier, even als te Tiflis en in de andere steden van Kaukasië, vormen de verschillende rassen, hoewel voor het uiterlijk in eendracht en vrede met elkander levende, toch afgesloten kringen. De Rus ziet met minachting op den Georgiër neder, die op zijn beurt zich verheven rekent boven den Armeniër; de Joden worden door allen, en niet zonder grond, gelijkelijk veracht. De vrouwen verschijnen nimmer op publieke plaatsen; naar aloud oostersch gebruik leven zij in huis en hebben onder elkander hare eigene gezelschappen en bijeenkomsten. In de armenische woningen, die er van buiten even armoedig uitzien, vindt men toch somwijlen zekere weelde en comfort in het ameublement, zich vooral openbarende in het bezit van europeesche stoelen. De kinderen nemen aan die gezelschappen en bijeenkomsten der dames deel. Daar heerscht de meeste ongedwongenheid en bijna onbeperkte vrijheid; na genot van thee en confituren wordt er gedanst. Evenals genoegzaam alle oostersche vrouwen, hebben ook deze Armenischen prachtige oogen, haren en tanden: deze schoonheden kan niemand haar betwisten. Maar haar tint is reeds vroegtijdig verwelkt en haar rug gekromd: een en ander het onvermijdelijk gevolg van haar levenswijze, haar eeuwig neerhurken binnenskamers. Haar kleeding is zeer elegant en smaakvol; zij bestaat uit een zijden kaftan, op de borst vierkant uitgesneden, met nauwsluitende mouwen, waaruit andere mouwen te voorschijn komen, die van het vest of keurs, dat ook op de borst onder den kaftan zichtbaar is; voorts uit een breed schort van rood laken met goud geborduurd, dat tot op de voeten hangt; uit een rood laken fez met gouden kwast en van voren versierd met een breeden band van geborduurde bloemen van gekleurde zijde; ter wederzijde dalen langs de wangen parelsnoeren af, waaraan een aantal gouden muntstukjes bevestigd zijn, wier waarde voornamelijk in hunne oudheid bestaat; het voorhoofd verdwijnt voor een groot deel onder verschillende rijen van dergelijke muntstukjes, die ook den hals en de borst bedekken. De hairen hangen in vlechten langs den rug. De jonge meisjes dragen geen sluier; maar de gehuwde vrouwen hechten aan haar fez een met gouden loovertjes geborduurden gazen sluier, meestal rood van kleur. De voeten steken in rood marokijnen muiltjes met omgebogen punten. De armenische vrouw vertoont zich hier nooit met ongesluierd gelaat in het openbaar. Als zij uitgaat, wikkelt zij zich, even als de turksche vrouwen, in een wijden mantel, die haar van het hoofd tot de voeten omhult. Die mantel is vervaardigd van zeer fijne, doorschijnende witte stof, omzoomd met donkerblauwe franje; de rijke onderkleeding blijft onder die eigenaardige omhulling zeer goed zichtbaar.
De Nieuwjaarsdag is hier de feestdag bij uitnemendheid, die door de aanhangers van alle belijdenissen, met inbegrip zelfs van de Tartaren, om strijd wordt gevierd. Russische soldaten, mohammedaansche Georgiërs, armenische kooplui, allen drinken op elkanders gezondheid, waarbij, in broederlijke eendracht, de noodige glazen _wodka_ (brandewijn) naar binnen worden geslagen. Doorgaans wacht men in de verschillende societeiten het aanbreken van den eersten Januari af; ieder lid betaalt voor dien avond eene zekere som, waarvoor hij het recht heeft het souper bij te wonen en zijn deel te ontvangen van den champagne en van het suikergoed, die met klokslag van twaalven worden gepresenteerd. Daarna begint de dans, gevolgd door een souper, dat tot den morgen duurt. Zoo zag ik, op den eersten dag van het jaar 1877, de sneeuwtoppen der bergen door de eerste zonnestralen rood gekleurd. Maar dit ligt buiten mijn bestek; ik hervat het verhaal van mijn uitstapje.
VI
Door zijne ligging behoort Akhalzick geografisch tot de hoogvlakte van Armenië, hoewel het politiek een deel van Rusland is. Uitstapjes in den omtrek der stad gaan, vooral in den winter, met vele moeilijkheden en bezwaren gepaard. Hier vindt ge eene dikke kleilaag, waarin de paarden blijven steken; elders zijn het rotsen en steenklompen, die u tegenhouden, terwijl de ijzerharde bevroren grond het rijden niet gemakkelijk maakt. Monumenten heeft het land niet, met uitzondering van eenige kerken of kloosters, zoo als men hier zegt; maar die monumenten zijn voor het meerendeel niets dan ruïnen.
Dit geldt met name van de kloosters van Safara en Zarzma. Te Safara staat de kerk nog overeind; zij bevatte den grafkelder, waarin de Atabeks werden bijgezet, voor dat de familie tot den Islam was overgegaan. Van de hooge rots, waarop de kerk gebouwd is, tusschen de Koer en de Potskhow, overziet men een grootsch, woest panorama, dat juist door zijn woest voorkomen een machtigen indruk maakt. De ruïnen van het klooster van Zarzma, aan de andere zijde der stad, zijn niet minder schilderachtig. Eene derde abdij verschuilt zich tusschen pijn- en dennebosschen op de hoogte van Abaztoeman, een tiental wersten van Akhalzick verwijderd. De plek, die een bij uitnemendheid landelijk karakter draagt, ligt ruim vierduizend voet boven de zee; er zijn hier warme bronnen, die in den omtrek zeer gunstig bekend staan, maar die het nog geen mode is te bezoeken, zooals de bronnen van Börsjom. Het badsaizoen duurt hier trouwens maar kort, en al zeer spoedig treedt de koude weer in. Slechts van Mei tot Augustus heerscht hier eenige levendigheid; zijn deze drie maanden voorbij, dan wordt het weer stil op de bergen; en de toerist, wiens nieuwsgierigheid hem hierheen drijft, kan er ook op rekenen, althans 's avonds of 's nachts van de koude te lijden te hebben.
In dezen tijd des jaars, waarin wij nu verkeren, behoort de reiziger voor zijne uitstapjes zich van eene perekladnaja te bedienen, veeleer dan van zijn paard. Het voertuig is broos, ongetwijfeld, en wordt licht beschadigd; maar de schade is bijkans altijd gemakkelijk te herstellen; en wanneer men geen hinder heeft van het geweldige horten en stooten, en er ook niet tegen opziet om op zekere kritieke punten uit te stappen en een eind weegs te voet af te leggen, dan is de perekladnaja, ondanks alles, nog het beste vervoermiddel dat men gebruiken kan.
Zoo trok ik van Akhalzick naar Kherthwis, een dorp op vijf wersten afstands, aan de samenvloeiing van de Toporovan-tsjaï en de Koer gelegen. Een officieele aanbevelingsbrief verschafte mij het voorrecht, den nacht te mogen doorbrengen bij den burgemeester. Alvorens mij ter ruste te begeven, had ik nog den tijd, de overblijfselen te gaan zien van eenige grottenwoningen, aan den anderen oever van de Koer in de rots uitgehouwen. Bij de brug over de rivier begint een vrij goed voetpad, dat zigzagsgewijze naar boven voert. De onderaardsche vertrekken, in de rotswanden uitgegraven, zijn inderdaad zeer bezienswaardig: het zijn vorstelijke zalen, waarvan de aanleg werd begonnen door koning George en voltooid door zijne dochter Tamara, de beroemde koningin, die in de twaalfde eeuw over Georgië regeerde.
Eene andere merkwaardigheid van deze streek is het onderaardsche klooster Wardzia, waar, naar men zegt, de zoo even genoemde koning George begraven ligt met velen zijner opvolgers. Men verhaalt, dat dit klooster even veel cellen bevat, als er dagen in het jaar zijn. Bovendien bevat dit merkwaardige gebouw eene kerk met zijkapellen; de kerk is ruim en overwelfd; langs de muren ziet men overblijfselen van schilderwerk, onder anderen het portret van de koningin Tamara. Van de vele sieraden en kostbaarheden, die, volgens de georgische kronieken, hier vroeger bewaard werden, is geen spoor meer te vinden: de tijd en de onophoudelijke oorlogen hebben ze vernield en verstrooid.
Dit grottenklooster van Wardzia herinnert aan Tsjoefoed-kaleh (Jodenstad), in den omtrek van Baktsji-saraï, en aan vele andere soortgelijke verblijven, welke men in de Krim vindt. Volgens de overlevering zouden zij dagteekenen uit het tijdvak van koningin Tamara, maar waarschijnlijk zijn zij ouder. De bewaarder van de nu verlaten, ruime grotten van Wardzia wijst u althans de plaats, waar het zomerpaviljoen der genoemde koningin stond, benevens haar bidvertrek, haar slaapkamer en meer dergelijke merkwaardigheden. De naam Wardzia is afgeleid van de georgische woorden _Wart-tzisjé_, hetgeen Rozenvesting betekent. Een weelderige plantengroei, een schat van bloemen siert inderdaad de schoone plek, van waar men het uitzicht heeft op de liefelijke vallei van de Koer.
Op zekere tijen van het jaar komt een priester uit den omtrek de dienst verrichten in dit oude heiligdom, waar vroeger een zeer druk bezocht wonderdoend beeld werd bewaard, en waar, volgens de overlevering, ook de koningin Tamara begraven lag in eene kleine vierkante kapel, gekroond met een half verwoesten koepel, en omgeven door eene op zuilen rustende galerij. Op de dagen, als hier de heilige dienst wordt gevierd, leggen de geloovigen op het half ingestorte altaar hunne offergaven, bestaande in waskaarsen en geld, neder. De vreemdeling, die door deze eenzame verlaten krypten ronddoolt, waar vroeger, naar men zegt, een schitterend hof resideerde, komt telkens in de verzoeking om achter zich om te zien, of niet uit een dezer duistere holen, cellen en vertrekken een spooksel uit den voortijd te voorschijn treedt.
Zoo als ik zeide, moest ik te Kherthwis overnachten, vooral ook met het oog op de gevaren, bepaaldelijk in dezen tijd des jaars aan eene nachtelijke reis verbonden. Ik gebruikte ten huize van den burgemeester het avondmaal, als naar gewoonte bestaande uit roggebrood en thee; den volgenden morgen begaf ik mij op weg naar Nakalakevi, een armoedig dorp, dat evenwel vroeger eene stad van eenig belang was, en waar men, in eene oude kerk, als eene kostbare relikwie, een der nagels bewaart, waarmede de Zaligmaker aan het kruis werd gehecht. Van daar tot Akhalkalaki is de weg vrij goed. Ongemerkt stijgt men omhoog tot een plateau, dat vijfduizend-vijf-honderd-vijf-en-veertig voet boven de zee ligt.
Akhalkalaki heeft niets merkwaardigs dan zijne ligging. De op eene hooge rots gebouwde citadel bestrijkt de rivier Taporovan-tsjaï, die, te rekenen van zeker punt, den naam der stad aanneemt. De hoogste top in de naburige bergketen is de Aboel, die eene hoogte bereikt van ongeveer elfduizend voet.
Even als Akhalzick, is ook Akhalkalaki bewoond door mohammedaansche Georgiërs, Armeniërs, Russen en Joden; in de omliggende dorpen wonen de leden der uit Rusland gebannen sekte der Doukhobortzis of Pneumatomaken (worstelaars van den geest), die naar hunne bewering afstammen van een der drie jongelingen, die op last van Nebukadnezar in den brandenden oven zouden zijn geworpen en wonderdadig in het leven gespaard. Vermoedelijk echter is deze sekte eerst in de tweede helft der vorige eeuw ontstaan. Wat deze sektarissen eigenlijk gelooven is moeilijk te zeggen: zij laten zich tegenover vreemden omtrent hunne godsdienstige overtuigingen en gebruiken weinig uit, en maken daarbij liefst gebruik van beeldspraak, gelijkenissen, dubbelzinnige uitdrukkingen, die hunne ware gedachte verbergen. Zij loochenen het gezag van den Bijbel en van de geschriften der orthodoxe kerkvaders; zij hebben noch priesters, noch gewijde boeken, noch uitwendige eeredienst. De gebeden, waarvan zij zich bij hunne samenkomsten gewoonlijk bedienen, zijn bij hen bekend onder den naam van Psalmen van David, en zijn, volgens hen, ook woordelijk afkomstig van dien koninklijken israëlitischen zanger, voor wien zij een grooten eerbied koesteren. Hoe zij dit rijmen met de uitdrukkingen in die Psalmen voorkomende, waarin telkens van Christus, van den Heiligen Geest, van Onze Lieve Vrouwe, van de kerk en de sakramenten gesproken wordt, weet ik niet. Zij schijnen overigens een zeer ordelijk en betamelijk leven te leiden, en zijn voor het meerendeel zeer welvarend. Het huwelijk wordt bij hen zonder eenige godsdienstige plechtigheid gesloten, en, naar men zegt, ook zeer gemakkelijk weer ontbonden. Zij leven onderling in goede verstandhouding en geven door hun handel en wandel geen aanstoot. Zij hebben noch boeken, noch geschriften; de zoo even genoemde Psalmen van David worden door mondelinge overlevering bewaard: men kan dus gissen, wat van deze gebeeden allengs worden moet. De kinderen ontvangen bijna geen onderricht, en maar zeer weinigen onder de volwassenen kunnen lezen en schrijven; zij achten die kennis voor boeren als zij zijn niet noodig.