Schetsen uit den Kaukasus De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 3
Gori telt tegenwoordig vijftienhonderd haardsteden, met gemiddeld drie mannelijke inwoners per haardstede; de vrouwen worden niet mede gerekend. In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat in tegenstelling met hetgeen de statistiek omtrent Europa leert, het aantal mannen in den Kaukasus grooter is dan dat der vrouwen.--De bevolking van Gori is een mengelmoes van Russen, Georgiërs en Armeniërs, welke laatsten de meerderheid uitmaken. In het district van Gori wonen bovendien een groot aantal Osseten, die voor het meerendeel in de bergen zijn gevestigd en de christelijke godsdienst belijden. Het district begint op drie wersten afstand van Mtzsheth, de oude hoofdstad van Georgië, en strekt zich uit tot aan het station Strasha-Jacob, op het domein van Börsjom, eene bezitting van den grootvorst Michaël.
Sedert mijne vorige reizen ten volle bekend met het volslagen gemis van bruikbare herbergen, dat aan alle kaukasische landen eigen is, was ik natuurlijk ten hoogste verwonderd, toen, bij het verlaten van het station te Gori, mijn oog viel op een vrij aanzienlijk huis, aan den weg naar de stad gelegen en prijkende met het weidsche opschrift _Gostinitsa Austria_. Maar mijne illusie duurde niet lang. Nauwelijks had ik den drempel van dit hôtel Oostenrijk overschreden, of ik bemerkte, dat het, op het stuk van onreinheid, in niets behoefde onder te doen voor de andere herbergen die ik kende: linnengoed, vaatwerk, alles was even smerig; het was een echt varkenshok. Gelukkig kon ik dit walgelijk krot spoedig verlaten, dank zij de voorkomende en vriendelijke gastvrijheid, welke ik ook nu, als steeds, bij de inlandsche familiën vond. Zeker moet men ook daar geen comfort verwachten; maar het ontbrekende wordt in belangrijke mate vergoed door de ongeveinsde hartelijkheid van het onthaal. Ook nu weder werden, te mijner eere, muziekale soireetjes en danspartijen gegeven. De muzikanten droegen het nationale kostuum van Georgië. Zoo als ik reeds zeide, is het spel hier niet minder in zwang dan dansen en muziek, vooral sedert de inlijving bij Rusland. Volgens een zonderling gebruik is in de huizen waar gespeeld wordt,--en dezen hebben verreweg de meerderheid--de knecht met de levering der kaarten belast: de gasten moeten bij hem hunne spellen koopen voor een, twee, drie roebels, naar gelang van de kwaliteit der kaarten. Dat is een aardig voordeeltje voor den knecht, die vooreerst niet meer dan zeventig of tachtig kopeken voor het spel betaalt, en die bovendien de gebruikte kaarten later weder verkoopt. Sommige minder gegoede familiën drijven zelven dien winstgevenden handel; zij, wier adellijke geboorte hun niet toelaat rechtstreeks van die winsten te profiteeren, sluiten eene overeenkomst met den knecht. Een bediende, die zich bij eene familie wil verhuren, onderzoekt dan ook in de eerste plaats, of hij de leverancie der kaarten heeft; en naar gelang hij de eenige leverancier is, dan wel de winst met zijn heer deelen moet, verschilt het bedrag van zijn loon.
IV
Van Gori naar Börsjom is geene groote reis; men gaat eerst per spoorweg tot het oude vlek Kashoeri, tegenwoordig Mikhaëloff. Voor den aanleg van de spoorbaan bestond dit vlek slechts uit weinige hutten, door arme georgische boeren bewoond; tegenwoordig vindt men er nette huizen, benevens een sierlijk en ruim stationsgebouw, het eenige van dien aard in Kaukasië. Dit voorrecht heeft het dorp te danken aan de nabijheid van Börsjom, de bezitting van grootvorst Michaël, stadhouder van Transkaukasië. Men verlaat te Mikhaëloff den trein en gaat over in den omnibus, die tweemaal in de week van hier naar Börsjom rijdt, dat zeven-en-twintig wersten verder ligt. Dit voertuig, van tamelijk primitieve constructie, heeft plaats voor zes personen. De bagages worden op eene perekladnaja geladen, die als bijwagen de diligence volgt.
De weg is bij uitnemendheid fraai, men zou kunnen zeggen een modelweg, waarvan de aanblik uw oog verheugt, nadat ge de modderige, ongeplaveide, hobbelige straten van Mikhaëloff verlaten hebt. Ter wederzijde schilderachtige dorpen, deels tegen de bergen, deels in de vlakte gelegen. Velden en heuvels zijn allen zorgvuldig bebouwd. Achter de heuvelen verrijzen hooge bergen, waarop zich hier een fiere toren verheft, ginds eene oude ruïne troont. In den winter blijft het landschap bijkans even groen als in den zomer, dank zij de dichte bosschen van dennen en pijnboomen, die niet alleen de berghellingen, maar ook voor een deel de vlakte bedekken. Langs den straatweg loopt eene leuning; bukt ge u daarover heen, dan kunt ge op de schuimende wateren van de Koer de vlotten zien varen, die timmerhout naar Tiflis brengen.
Op eenigen afstand van een ouden toren, die vroeger den toegang tot den bergpas van Börsjom verdedigde, ziet men overblijfselen van eene georgische brug, waarvan de bogen op de rots rusten. Men ontmoet op den weg nog vier of vijf dergelijke bruggen. Hoe verder men komt, des te grootscher karakter neemt het landschap aan; tot de hoogste toppen zijn de bergen bedekt met prachtige bosschen, waar, tusschen de eeuwenheugende stammen, villas en cottages wegschuilen in het heerlijke groen. Hier en daar is de houthakker aan het werk geweest. In dezen tijd des jaars ontmoet men op den weg slechts enkele perekladnajas, waarin beklagenswaardige reizigers gezeten zijn, of ook wel boerenkarren met de huif van zeildoek overspannen. In den zomer daarentegen wordt de weg druk bereden door toeristen, die de hitte te Tiflis ontvluchten, om koelte en verkwikking te zoeken in de heerlijke schaduwrijke bosschages van Börsjom. Daar de weg bijna onmerkbaar, maar gestadig stijgt, bevindt men zich, eer men het vermoedt, op eene hoogte van tweeduizend-drie-honderd voet boven de Zwarte-zee. Bij eene kromming van den straatweg staat het poststation van Sawanisghevi, zoo schilderachtig mogelijk gelegen aan den voet van een geweldig rotsgevaarte, waarvan de overhangende top het broze houten gebouwtje dreigt te verpletteren. In een woord, de weg is zoo verrukkelijk schoon, dat men er spijt van heeft als de tocht ten einde is en men te Börsjom aankomt.
Die naam Börsjom is, naar men zegt, afgeleid van een tartaarsch woord, dat versterkte plaats beteekent. Eene rivier, de Börsjomka, gevormd door de samenvloeiing van twee stroompjes, de Goedskareti-tzakli en de Bakoeriani-tzakli, vloeit door het vlek, dat aan den rechter oever van de Koer ligt. Het domein Börsjom behoorde sedert eeuwen aan de oude georgische vorstelijke familie van Avala, toen de stadhouder van den Kaukasus, prins Woronzoff, getroffen door de schoonheid der omgeving en de voordeelige ligging bij den ingang der groote wouden, besloot, het goed voor rekening der russische regeering aan te koopen. De Avala waren tot den verkoop bereid, tegen eene jaarlijksche lijfrente van duizend roebels, overgaande van geslacht op geslacht tot den laatsten vertegenwoordiger hunner familie. Ter wille van de eer van den monarch, dien hij vertegenwoordigde, wilde prins Woronzoff den koop niet op zulke bespottelijke voorwaarden sluiten: het terrein had eene uitgestrektheid van negen-en-zestigduizend-zevenhonderd-negen-en-negentig _deciatinen_ (een deciatine staat gelijk met vierduizend-achthonderd vierkante ellen), waarvan vijftigduizend met prachtig bosch bedekt. Uit eigen beweging voegde hij vierduizend roebels bij de gevraagde som, en de koop werd gesloten. Toen keizer Alexander II in 1871 Transkaukasië bezocht, schonk hij het goed aan zijn broeder, den grootvorst Michaël. Een opmerkelijk en bedroevend feit is het, dat verschillende van de vroegere eigenaren thans als arbeiders werkzaam zijn op de aloude bezitting hunner voorvaderen: een hunner is wegwerker en verdient vijftig kopeken per dag. Daar hij nog minderjarig is, kan hij zijn aandeel nog niet ontvangen van de jaarlijksche lijfrente, waarvoor het familiedomein werd afgestaan. Andere leden der familie ontvangen tien, vijftien of twintig roebels per maand, naar gelang van hunne aanspraken.
Uit hoofde van de nabijheid van het district Akhalzick, vroeger de voornaamste slavenmarkt van den geheelen Kaukasus, stond Börsjom bloot aan herhaalde invallen en strooptochten, zoowel van de Turken als van de Lesghiërs, op wier weg het lag. Daaruit verklaart zich ook het groot aantal vernielde forten en vestingwerken, waarmede deze geheele streek als overdekt is. Twee van die forten, Petres-tzishé, op den linker oever van de Koer, en Gogias-tzishé, op den rechter oever, behoorden aan twee broeders, naar wie zij genoemd zijn, en in den mond des volks leeft nog menige legende, aan deze oude torens verbonden. Tegenover een dezer forten ziet men nu eene kazerne, die honderd-vijftig soldaten kan herbergen; des zomers kampeert het garnizoen buiten in de vlakte.
Sedert de bezitting bij het kroondomein is ingelijfd, heeft het vlek een geheel ander voorkomen gekregen. De warme bronnen in den omtrek, die aanvankelijk slechts door enkele bezoekers van geringen stand werden gebruikt, werden nu weldra het vereenigingspunt voor de groote wereld, aangetrokken door het verblijf van prins Woronzoff, en smaakvolle villa's verrezen de eene na de andere. De prins zelf bewoonde er aanvankelijk een zeer eenvoudig landhuis. Tegenwoordig vindt men te Börsjom een park, eene badinrichting, fraaie wandelingen: kortom, eene geheele kleine stad, in verschillende wijken verdeeld. Een dezer wijken strekt zich aan den oever van de Koer uit, langs den straatweg naar Akhalzick; daar staat het paleis van den grootvorst, omringd door de villas en schilderachtige châlets van den _beau monde_ van Tiflis. Eene andere wijk, op den tegenovergestelden oever van de rivier, waarover eene fraaie ijzeren brug ligt, stijgt terrasgewijze tegen den berg omhoog en vormt eene schilderachtige huizengroep, beheerscht door de kazerne en de twee kerken. Eene derde wijk, die het best is gelegen, vult den smallen pas, die naar de bronnen leidt; haar dubbele rij van villa's heet _Anastasiefskaïa_, Anastasiastraat, naar de dochter van den grootvorst Michaël. De vierde wijk eindelijk, die tot dusver slechts uit een tiental huizen bestaat, ligt aan den oever van de Koer, tegenover het kasteel.
Het zomerpaleis van den grootvorst, tegen de helling van een heuvel gebouwd, vertoont eene verscheidenheid van bouwstijlen, die volkomen in overeenstemming is met de romantische omgeving; de roodachtige muren, de sierlijke balkons, de bevallige klokketoren, komen voortreffelijk uit tegen den donkergroenen fluweeligen achtergrond der pijn- en denneboomen. Van binnen draagt alles don stempel van landelijke eenvoudigheid; in de salons en de slaapvertrekken vervangt gebloemd cretonne de kostbare zijden en damasten draperiën; de eetzaal getuigt luide van 's vorsten liefhebberij voor de jacht: overal ziet men hoornen en klauwen van gevelde dieren. Het kabinet van den grootvorst maakt eene uitzondering: het is rijk in oosterschen smaak gemeubeld en gedekoreerd.
Het paleis is omringd door een grooten tuin met zeldzame bloemen en planten; het langs de bergen afvloeiende water wordt door buizen naar den tuin gevoerd, en voedt daar vijvers en kommen en springende fonteinen. Het klimaat is zeer goed en gezond; de frissche, met verkwikkende geuren vervulde lucht, de dennenbosschen, de badinrichting herinneren onwillekeurig aan sommige kleinere badplaatsen in Duitschland. Behalve de minerale baden kan men ook gewone, warme en koude baden, stortbaden, enz. nemen. Aan de inrichting, waartoe ook een soort van hygiënische school behoort, is niet alleen een geneesheer, maar ook eene vroedvrouw verbonden. Alles ziet er even netjes en goed onderhouden uit; ook mogen wij de bibliotheek niet vergeten, noch de leeszaal, de concertzaal, waar ook komediestukjes vertoond worden; en evenmin de militaire kapel, die 's morgens en 's avonds in het park speelt, eene heerlijke wandeling in de smalle vallei van de rivier Börsjomka, over wier schuimende wateren acht bruggen zijn geslagen. Niets schilderachtigers en bekoorlijkers dan dit door bergen ingesloten smalle dal, vol ruischende watervalletjes en eeuwenheugende boomen, tusschen wier geheimzinnige schaduwen zich kronkelende paadjes verliezen, waar het een wellust is te dolen.
Eene andere heerlijke wandeling biedt het Woronzoff-park met zijne donkere massaas van naaldboomen, boven op een plateau, van waar men een prachtig uitzicht heeft en den rechteroever van de Koer overziet, juist waar de Sjawi-tzakli zich in haar uitstort. Door eene opening in het geboomte heeft men een kijkje op een ruwen, gespleten rotswand, waaruit met groot geweld een bergstroom te voorschijn schiet, die, na langdurige regens, zulk eene massa zand en steenen medevoert, dat het verkeer op den straatweg soms vier-en-twintig uren lang gestremd is.
De inkomsten van het domein van Börsjom bestaan voornamelijk in de opbrengst der bosschen, die jaarlijks tusschen de dertig- en vijftigduizend deelen timmerhout opleveren, ongerekend het brandhout; al dit hout wordt in vlotten naar Tiflis gevoerd. De bevolking is zeer gemengd en bestaat uit Mohammedanen, Joden, Georgiërs, Grieken, Armeniërs en Russen. Het vlek bezit eene school waar kosteloos onderwijs wordt gegeven, en zal zich eerlang ook mogen verheugen in het bezit van een "Grand Hôtel", tot groote blijdschap der toeristen, die nu geen ander onderkomen kunnen vinden dan in eene afschuwelijke kaukasische herberg.
Van mijne verschillende uitstapjes in de schoone omstreken van Börsjom heugt mij bovenal een bezoek aan het oude klooster van Sint-George, op eenige wersten afstands van het dorp, dat zijn naam ontleent aan de rivier Lykanka, maar dat in de wandeling gemeenlijk Mistigris genoemd wordt, naar den naam van een aldaar gelegen goed. De eigenaar van dat goed heeft er niet alleen eene boerderij op gebouwd, maar ook een molen en een teer- en terpentijnfabriek, benevens eene brandewijnstokerij: deze laatste ware beter achterwege gebleven.
De weg naar Lykanka-Mistigris loopt eerst langs de Koer en gaat dan over de rivier door middel van eene brug, die gedeeltelijk in eene vaal-grauwe rotsmassa is uitgehouwen, zonderling afstekende tegen het fluweelig groen der omliggende weilanden. Boven op dit sombere rotsgevaarte troont de weemoedige ruïne van het oude fort Petrestzishé. Daar verlaat men den oever den rivier, om een weg te volgen, die langs de Lykanka naar het oude klooster van Sint-George voert. De overblijfselen van het voormalige heiligdom maken nog een grootschen indruk. Het benedengedeelte van den toren, dat nog bewaard is gebleven, bestaat uit een ronden muur van steenen van reusachtigen omvang, die zonder cement op elkander zijn gestapeld, en waarop tien zuilen rusten, waarvan sommigen nog sporen van beeldwerk vertoonen. De schier loodrechte rots, waarop die toren verrijst, is geheel bekleed met woeker- en slingerplanten, die de beklimming zeer moeilijk maken. De toren is van binnen geheel bedekt met dicht mos, waarop men zachter rust dan op een kaukasisch bed. Een beekje, dat naar de Lykanka afvloeit, verbreekt alleen met zijn murmelend ruischen de plechtige stilte van deze eenzame plek: dit geruisch schijnt welhaast een zucht, opstijgende uit de graven van het kleine kerkhof in de nabijheid. Beneden het ravijn, dat den toren omringt, ziet men brokstukken der muren van het voormalige klooster; naast de kerk bevinden zich graven door aardhoopen bedekt; door de gaten en openingen in deze kelders bespeurt men eene menigte uitgebleekte doodsbeenderen. Door eene vrij smalle spleet in den muur der kerk kan men een blik werpen in het inwendige van het schip, waarboven de koepel ontbreekt. Links van het altaar opent zich een grafkelder, waarin zich slechts een enkele steenen sarkophaag bevindt. Wie slaapt daar den eeuwigen slaap? Geen enkel opschrift geeft het ons te kennen. De ruïnen van het eerwaardige klooster zijn voor een goed deel onder dicht struikgewas en heesters bedolven.
Op het domein van Börsjom liggen ongeveer een veertigtal dorpjes verspreid, die door Georgiërs, Grieken, Klein-Russen, Armeniërs en Osseten bewoond zijn. De dorpelingen leven van landbouw en van het vervoer van hout; voor het meerendeel zijn zij zeer welvarend. De bebouwde akkers beslaan hier eene zeer belangrijke uitgestrektheid. De minnaars van forellen kunnen ook hun hart ophalen te Börsjom, want op omstreeks vijftig wersten van het stedeke ligt het meer Toebatz-Sjoemi, dat een overvloed van forellen bevat en de tafels van Tiflis van dezen smakelijken visch voorziet.
Aan den oever van dit meer, dat eene uitgestrektheid heeft van omstreeks vijf wersten, liggen twee dorpen, waarvan het eene Maliti heet, en het andere in het russisch Kraisnaïa Tzeskoff, in het georgisch Tziteli Sagdari, en in het tartaarsch Kisill Kilissa. Dit dorp ligt op eene lange smalle landtong die in het meer uitsteekt; het dankt zijn naam aan eene van roodachtige steenen gebouwde kerk. De ligging van dat dorp is misschien het schoonste en schilderachtigste, wat op het domein van Börsjom is te zien. Van boven gezien, schijnt het midden uit het water op te rijzen; eerst als men naderbij komt, blijkt het dat het dorp op eene hoogte ligt van vulkanischen oorsprong, even als een eilandje midden in het meer, dat wemelt van wilde eenden, die zich, zoo verhaalt men, met de hand laten grijpen. Dit is een buitenkansje voor de jachtliefhebbers, want op het domein mag niet gejaagd worden, zelfs mag men geen geweer medenemen. Men gaat naar dit meer, deels te paard, deels met rijtuig , langs den nieuwen straatweg naar Akhalkalaki, eene kleine stad op dertig wersten afstands van de turksche grens.
V
En nu op weg naar Akhalzick: het is per diligence een rit van vijf of zes uren door eene landstreek, steeds schilderachtiger en rijker in afwisseling. Bij het poststation van Strasha-Jacob hebben wij de grenzen van het domein van Börsjom bereikt; in vroeger tijd was hier de grensscheiding tusschen Georgië en Turkije. De overlevering verhaalt van een bandieten-hoofdman, Strasha-Jacob, de verschrikkelijke Jacob, genoemd, die de reizigers op de grenzen overviel en hen als slaven te Akhalzick verkocht. Zijn naam leeft nog voort in dien van het poststation.
Voorbij dit station verandert het landschap eensklaps van karakter. De bosschen van dennen en pijnen maken plaats voor rotsen, deels geheel kaal, deels gekroond met eiken, notenboomen en berken. In de verte dwaalt de blik door valleien en over vlakten; op den achtergrond verrijzen hooge bergen, waartusschen zich nauwe passen openen, en op elken top troont een fort, een der schakels van die keten van vestingen, die het land moest verdedigen tijdens de onophoudelijke oorlogen met de Halve-Maan. De tegenwoordige bewoners van deze eigenaardige landstreek zijn de Adjaren, mohammedaansche Georgiërs, die men telkens op den weg ontmoet, kleine pakpaarden drijvende of aan den weg zelven werkende. Hunne kleeding is dezelfde als die der Lazen van Batoem: een kort buis, een fez of een turkschen tulband. Reeds te Atzkhoer, halverwege tusschen Börsjom en Akhalzick, zou men kunnen meenen, in Turkije te zijn. Het vlek ligt aan de Koer, aan den ingang van een bergpas. Aan de eene zijde, op den rechter oever, liggen de woningen der Georgiërs, aan de andere wonen de armenische kooplieden, die het christelijke element vertegenwoordigen: twee werelden, geheel verschillend in type, kleederdracht en levenswijze.
Atzkhoer was voorheen de zetel van een der twaalf bisdommen van de provincie Samtzkhé, sedert door de Turken Adjar genoemd, naar de bergen welke haar begrenzen. In den laatsten tijd, gedurende den Krimoorlog, werd hier in den omtrek een gevecht geleverd tusschen de Turken en de Russen, waarbij de laatsten de overwinning behaalden. Van Atzkhoer tot Akhalzick vindt men uitsluitend muzelmansche dorpen, waarvan velen allerschilderachtigst zijn gelegen: met name Tsjenis, met zijn krans van tuinen en boomgaarden, aan den oever van de Koer. De gesluierde vrouwen, die zich voor de blikken van de voorbijgangers verbergen, doen u aanstonds begrijpen, in welke omgeving gij u bevindt. Uit de verte gezien, maken zij, in haar witte mantels gewikkeld, bijna den indruk van spoken. Ook trof mij de vreemde manier, waarop een aantal boeren, die ik onderweg ontmoette, te paard zaten, namelijk met den rug naar den kop van het dier.
Hoe meer men Akhalzick nadert, hoe kaler het land en hoe naakter de bergen worden. Men verhaalt dat de oorspronkelijke bewoners van Adjar afstammelingen waren van een zoon van Japhet, Meskh genaamd, die van Mesopotamië naar den Kaukasus trok en zich in de omstreken van Akhalzick vestigde, op eene plaats, die naar hem den naam ontving van Messkhé of Moesseckh, en die nog heden bestaat. Van daar zou, bij verbastering, de naam Samtzkhé zijn afgeleid, welke aan dit deel van Georgië gegeven werd. Verschillende geschiedschrijvers der oudheid maken melding van deze afstammelingen van Japhet, als van een dapper en krijgshaftig volk. Het dorp Moesseckh maakt aanspraak op de eer, de geboorteplaats te zijn van Mithridates, den koning van Pontus; een ander dorp, Koly, op zestig wersten van Akhalzick, heeft nog ouder titels: daar zou niemand minder zijn geboren dan Nebukadnezar, den machtigen beheerscher van Babylon.
Andere traditiën, waarin wij ons hier niet hebben te verdiepen, beweren dat de Meskhen hun naam ontleenen aan Mtzkhétos, den zoon van Karthos, den patriarch van Georgië. Zooveel schijnt zeker, dat deze provincie door den apostel Andreas, die van Mingrelië naar herwaarts over kwam, tot het Christendom werd bekeerd: altijd volgens de traditie. Een der bergen, waarop hij de bekeerlingen doopte, draagt nog den naam van Andreasberg (_Andreas zweri_). Te Atzkhoer zou de apostel de eerste christelijke kerk hebben gebouwd: in later tijd verrees daar eene kathedraal, welke door de Turken werd verwoest. Men kan nog de ruïnen zien dezer kerk, die eene der schoonste van het geheele land was, en die, zooals trouwens alle kathedralen, ook een wonderdoend beeld bezat, dat der Madonna van Atzkhoer, wier geschiedenis de stoffe zou kunnen leveren voor een epos. In 1468 door den khan Jacob geroofd, werd het beeld vervolgens door den Atabek Manutsjar, voor eene zeer groote som gelds weder vrijgekocht; zestig jaren later nam koning Bagrot van Imerethië het beeld weg en sloot het op in den toren van Tzishé Alsjwari, waar het eerst in 1562 uit te voorschijn kwam, bij het sluiten van den vrede tusschen den Atabek Knaknare en koning George van Imerethië. Wat sedert van de kostbare relikwie geworden is, weet men niet.