Schetsen uit den Kaukasus De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 2
Nog merkwaardiger zijn, op acht wersten afstands van Oezoergheti, de overblijfselen van antieke steden, door den tegenwoordigen eigenaar van het terrein ontdekt, toen hij opgravingen liet doen voor het leggen der fondamenten van eene nieuwe woning. Voortgezette opgravingen brachten twee steden aan het licht, die boven elkander waren gebouwd; de oudste had steenen, de jongere houten huizen. Men vond achtereenvolgens verschillende overblijfselen van monumenten, en nu onlangs heeft men sporen ontdekt van een soort van amphitheater. Volgens de plaatselijke overlevering zou deze stad meer dan duizend jaren oud en door de Joden gesticht zijn; naar deze Joden--door de Georgiërs Oeria genoemd--zou het land zelf, bij verbastering, Goerië zijn genoemd. Naar men zegt, heette de stad eerst _Oeri-kalaki._ Beurtelings in het bezit der Perzen en der Romeinen, ontving de stad later den naam van _Oedsjenar,_ vervolgens dien van _Petra,_ naar Petrus, een der generaals van Keizer Justinianus, die in 532 de Perzen uit Lazistan verdreef en het land onder de byzantijnsche heerschappij bracht. De gouverneur van de nieuwe provincie liet toen op de puinhoopen der oude stad, welke door de Perzen was verbrand, eene citadel bouwen, waarvan men nog de overblijfselen ziet tusschen de Natanebi en de Skoerdebi, en waaromheen langzamerhand eene nieuwe stad ontstond, die den naam van Petra ontving.
Van deze tweede stad, die, naar het schijnt, een zeer belangrijken handel dreef, is nog eene oude brug over, benevens waterleidingen, romeinsche muren van buitengewone stevigheid, en eindelijk graven, waarin men vrouwelijke toiletsieraden en andere voorwerpen gevonden heeft. Van de schatten, welke, naar men beweert, hier in den grond begraven zijn, is tot dusverre geen spoor ontdekt. De tegenwoordige eigenaar van het terrein, die daar ook woont, heeft genoeg te doen met het uitroeien der reusachtige boomen, die sedert eeuwen op dit graf van twee steden zijn gegroeid. In alle landen, die tot den kring der antieke beschaving hebben behoord, behoeft men doorgaans slechts even den grond om te woelen om sporen van de oude kultuur te vinden; maar in den Kaukasus is daartoe veel inspanning noodig, waartoe de inlandsche bevolking, traag van aard, weinig lust gevoelt.
Toen ik te Oezoergheti vertoefde was het juist de vastentijd. Zoo als men weet, zijn de voorschriften der grieksche kerk op dit punt zeer streng en vorderen geheele onthouding van alle soort van uitspanning: van tochtjes naar buiten, zelfs van het afleggen of ontvangen van bezoeken was geen spraak. Het vlek was als uitgestorven. Daarentegen was de kerk den geheelen dag vol. Ik had ruimschoots de gelegenheid, om de schoonheid op te merken van de vrouwen des lands, wier gelaat meer leven en uitdrukking heeft dan dat van de meeste andere vrouwen uit Georgië. Maar even als haar zusters, ontbreekt het ook haar ten eenemale aan zin voor orde en huishoudelijkheid. Haar meest geliefkoosde uitspanning is het kaartspel. Ik ben getuige geweest van eene partij, die volle veertien dagen duurde; men begon omstreeks zeven uren in den morgen, hield tegen den middag op om te eten en hervatte de partij om twee uur; om zes uur werd op nieuw gedurende eenige oogenblikken opgehouden voor de thee, waarna de strijd weer begon, met zoo veel ijver, dat het souper, hetwelk tegen tien uren gereed werd gezet, soms om drie uren in den nacht nog onaangeroerd stond.
De geschiedenis van Goerië komt in de hoofdtrekken overeen met die van Imerethië en van Mingrelië. Even als die provinciën, werd de landstreek waarvan Oezoergheti de hoofdplaats was, tijdens de verdeeling van het koninkrijk Georgië, bestuurd door een gouverneur; en ook hier matigden de afstammelingen van dien koninklijken stadhouder zich de souvereiniteitsrechten aan. De vorsten van Goerië behielden, als familienaam den ouden titel van Goeriël. De eerst bekende vorst des lands is Attabek, die in 1488 stierf en opgevolgd werd door zijn zoon Giorgi. Dan volgt een lang tijdvak van innerlijke verdeeldheid en beroeringen, waarin verschillende regeerende vorsten door pretendenten werden verjaagd, verbannen, gedood; somwijlen geschiedde dit door hunne eigene zonen, zooals met den opvolger van een anderen Giorgi gebeurde, die in 1652 door zijn eigen zoon en erfgenaam werd vermoord. Kort daarop in 1668 werden Demetrius, die over Goerië en Imerethië regeerde, de oogen uitgestoken.
Dit is ook het tijdperk van de worsteling tegen de dreigende overmacht van de Halve Maan. In 1689 sneuvelde de Goeriël Kaishrosrow in een gevecht tegen de Turken, en weldra werd Goerië, in de handen der ongeloovigen gevallen, eene provincie van het Turksche rijk. Meer dan een eeuw lang droeg het land het harde juk; geplunderd en uitgezogen door zijne beheerschers, gedwongen jaarlijks eene bepaalde schatting aan slaven op te brengen, scheen Goerië ten ondergang gedoemd. In het begin dezer eeuw stond het lang getergde volk eindelijk tegen zijne verdrukkers op; in 1810 plaatste Goerië zich onder het protectoraat van Rusland, maar behield voor het uiterlijk nog zijne onafhankelijkheid.
Toen de laatste Goeriël, Mamia, in 1829 stierf, met achterlating van een minderjarigen zoon, werd de moeder van dit kind, de prinses Sophia, tot regentes benoemd. Zij vatte het plan op, om zich aan het russische oppergezag te onttrekken, en kwam op het ongelukkige denkbeeld, daartoe de hulp van Turkije in te roepen. Om aan haar plan uitvoering te geven, verliet zij Oezoergheti, om zich met haar zoon naar Anatolië te begeven; maar de russische regeering, van de zaak onderricht, bezette in hare afwezigheid het land en bestuurde het aanvankelijk in naam van den minderjarigen vorst. Later werd Goerië bij het rijk ingelijfd.
In de laatste eeuwen werd Goerië dus bijna aanhoudend geteisterd, hetzij door binnenlandsche beroerten, hetzij door aanvallen van buitenlandsche vijanden. Nog in den laatsten russisch-turkschen oorlog (1876-77) moest het land zich verdedigen tegen de Turken, die met een inval dreigden.
Oezoergheti gelijkt tegenwoordig vrij wel op een dier groote vlekken, die in Europa door de mode zijn aangewezen, om daar den zomer door te brengen. De huizen zijn ook hier omringd, wel niet door eigenlijke tuinen--de horticultuur is hier nog onbekend--maar door velden met mais, gerst, katoen of tabak beplant. Deze laatste kultuur, die door de Turken is ingevoerd, heeft vooral eene groote uitbreiding gekregen sedert de ziekte onder de zijdewormen is uitgebroken, waardoor de zijdeweverij, welke voornamelijk door de vrouwen werd uitgeoefend, te gronde is gericht. De vrouwen toch vervaardigden, zoo voor zich zelven als voor de mannen, die fraaie zijden hemden, welke, naar oud gebruik, met Paschen het eerst werden aangetrokken: hetgeen eigenlijk beteekent, dat men hier eens in het jaar van ondergoed verwisselt. Laat ons hopen dat, nu de katoen de plaats van de zijde heeft ingenomen, de zindelijkheid bij die verandering mag hebben gewonnen.
De huizen van Oezoergheti zijn van hout gebouwd en hebben voor het meerendeel maar eene verdieping. Met hunne rondloopende veranda zien zij er zeer vriendelijk uit; terwijl de rustieke stijl in volkomen harmonie is met het landschap. Dat betreft echter slechts het uiterlijke: van binnen ontbreekt alle comfort. Op een afstand gezien, maken deze pittoreske woningen een zeer aangenamen indruk; maar de betoovering wijkt geheel, als ge binnentreedt. Het is met deze huizen als met die inlandsche prinsessen, wier toilet, op feestdagen en bij plechtige gelegenheden, uiterst kostbaar en keurig is, maar wier nagels steeds in den rouw zijn. Het meubilair bestaat onveranderlijk uit eenige houten banken met kostbare tapijten bekleed en met kussens belegd. Als de nacht gekomen is, worden deze divans als bedden gebruikt; hetzelfde vertrek dient beurtelings tot eetkamer, tot salon en tot slaapkamer.
Naast die huizen in oosterschen stijl vormen twee gebouwen in europeeschen trant een scherp contrast: het eene is een modern huis, door een lid der voormalige regeerende familie bewoond; het andere is een vervallen paleis, door den laatsten souverein van Goerië gebouwd, en dat ten tijde der stichting--dat wil zeggen in het begin dezer eeuw--voor een wonder gold. Nog nimmer had men in het land zoo iets gezien; en men moet erkennen, dat het gebouw zelfs in Europa de aandacht trekken zou. Het paleis, thans zeer vervallen, heeft drie of vier verdiepingen; uit de talrijke vensters aan de vier zijden heeft men een prachtig gezicht; maar aangezien de vroegere prinselijke residentie thans een militair hospitaal is, heeft dat schoone uitzicht voor de tegenwoordige bewoners minder waarde. De bijgebouwen, die het hoofdgebouw omringen, hebben tegenwoordig eene geheele andere bestemming dan de bouwmeester daaraan had toegedacht. Het badhuis dient thans tot varkenshok; en de vroegere tuin, die het paleis omringde en waarin verschillende zeldzame en vreemde planten werden aangetroffen, is bijna eene wildernis. Er is sprake van, dien tuin tot eene publieke wandelplaats in te richten.
Op het plein, tegenover het paleis, staan twee kerken: eene naar den georgischen ritus, voor de inwoners der stad, de andere, naar den russischen ritus, voor het garnizoen. Des zondags speelt de militaire muziek op het plein; maar de inwoners, die zeer op hun gemak gesteld zijn, komen daar niet naar luisteren; zij wandelen liever op de veranda's hunner woningen. Uit de verte gezien, maken die wandelaars, met hun smaakvolle tsjokha en hun bashlik, en vooral ook de dames, met den georgischen sluier en hoofdband, eene zeer schilderachtige vertooning. Als het mooi weer is, dient de veranda tot woonvertrek, waar men zijn tijd doorbrengt, waar men eet, en dikwijls zelfs slaapt.
Oezoergheti, hoewel stil en rustig, is toch vrij sterk bevolkt. De bazar beslaat eene oppervlakte van meer dan een werst; uit den aard der zaak vindt men daar het middelpunt van het leven en verkeer. Deze bazar, ter wederzijde door houten kramen omzoomd, is eigenlijk geene straat, maar veelmeer een landweg, waarlangs aan beide zijden slooten loopen. Langs de winkels loopt een planken voetpad, dat een paar voet boven den beganen grond verheven is; over de beken of slooten zijn boomstammen gelegd, die naar de verschillende kramen of winkels voeren; onder uwe voeten zwemmen en kwaken de eenden. Dit is trouwens niets vreemds, want ook de andere straten wemelen van allerlei gedierte.
Een der straten of lanen van den bazar is bestemd voor de handelaars in kruidenierswaren, eene andere wordt ingenomen door kooplui in tapijten, geweven stoffen en dergelijke zaken. Deze kooplieden zijn voor het meerendeel Armeniërs, Mingreliërs of Turken; men vindt onder hen zeer weinig Russen. De kleermakers, schoenmakers, wapensmeden, blikslagers, hebben allen hunne aangewezen plaats, en allen oefenen in hun kraampje of winkeltje, ten aanschouwe van het publiek, hun ambacht uit. Wanneer men let op de hoogst eenvoudige werktuigen en gereedschappen, waarvan deze ambachtslieden zich bedienen, dan kan men moeielijk begrijpen, hoe zij zulk fijn en artistiek werk kunnen leveren, als inderdaad uit hunne handen komt.
De kleederdracht der mannen in Goerië heeft eenige overeenkomst met de turksche. In plaats van de lange jas, die in Imerethië en Mingrelië in zwang is, draagt men een kort buis, een vest, een veelkleurige zijden sjerp bij wijze van gordel, en daarover heen een lederen met goud en zilver geborduurden gordel, waaraan de wapenen en andere voorwerpen worden vastgemaakt. Een nauwsluitende broek en een bashlik voltooien het kostuum. De vrouwen kleeden zich daarentegen naar de europeesche mode, maar zonder eenigen smaak; de sluier, waarmede zij zich het hoofd en de schouders omhullen, is het eenige werkelijk bevallige en gracieuse kleedingstuk van haar toilet. Zij die zich bijzonder onderscheiden willen, drijven den gruwel zoo ver, dat zij zich het hoofd dekken met een der onzinnigen hoeden, die de ongerijmde mode voor onze dames heeft uitgevonden.
III
Bij mijne terugkomst te Tiflis vond ik de zeer gemengde bevolking dier stad in buitengewone, maar zeer verklaarbare opwinding en spanning: men was aan den vooravond van een nieuwen oorlog tegen Turkije. De straten waren vol soldaten, die opgeroepen waren om zich bij hunne korpsen te voegen; zij kwamen bij troepen van alle kanten en werden, zoodra zij uitgerust en gewapend waren, naar de plaats hunner bestemming gezonden. Natuurlijk hield dit de leegloopers en kijkers in de hoofdstad van Transkaukasië in voortdurende spanning. De toebereidselen tot het bloedige drama hadden intusschen ook hunne komische zijde: bij het zien van die wonderlijk uitgedoste miliciens, die maar hadden gegrepen wat het eerste voor de hand lag, dacht men onwillekeurig aan het voorspel van eene reusachtige maskerade. Sommigen droegen een gescheurde en gelapte kapotjas, een om het hoofd geknoopten bashlik, en in plaats van een geweer, een met ijzer beslagen stok: dat waren Osseten uit het bergland. Anderen, met een kepi op het hoofd, droegen eene langharige boerkha van zwart vilt. Onder de menigte zag men mutsen en hoofddeksels van allerlei vorm en afmeting. Naast de gewone militaire laarzen vertoonden zich de groote sandalen van dierenhuid, welke de kaukasische boer zich met smalle riemen aan den voet bindt; naast den geoefenden veteraan met zijn geweer marcheerde de jonge rekruut, zoo pas aan het boerenbedrijf ontrukt, die, met zwaren stap voortgaande, zijn sabel door de modder liet slepen.
Bij hunne aankomst in de stad, werden de soldaten, in naam der grootvorstin Olga Federowna, in den tuin van het paleis, op thee en wittebrood onthaald. Geen enkel officier werd bij deze eenvoudige maaltijden toegelaten; de gasten zaten aan lange tafels en werden door de zonen van den onderkoning bediend, die zelf met zijne gemalin bij het maal tegenwoordig was. De meeste miliciens hadden nog nooit de hoofdstad van Transkaukasië gezien; in kleine troepjes wandelden zij door de geplaveide, schitterend verlichte straten en beschouwden met ongeveinsde verbazing en bewondering de prachtige huizen en sierlijke winkels, waarvan zij zich zelfs in hunne stoutste droomen geene voorstelling hadden kunnen maken.
Ook paarden werden in menigte aangevoerd, deels edele, prachtige rossen, krachtig en fier; deels magere, afgetobde knollen, ten eenemale voor de dienst ongeschikt; want, zoo als dat bij dergelijke gelegenheden altijd en overal geschiedt, had men de hand gelegd op alle paarden, die men maar vinden kon. Ik spreek niet van de zware caissonwagens, die het ongelijke plaveisel der hellende straten deden dreunen; noch van de koortsige drukte en beweging in het hoog boven de Koer tronende arsenaal: zelfs des nachts stond in deze werkplaats des doods de arbeid niet stil; en de roode gloed, die uit de talrijke vensters straalde, was als het ware de flikkering van het weerlicht, dat den donder voorafgaat. Inmiddels hielden de dames van Tiflis zich ijverig bezig met het maken van pluksel, het vervaardigen van kleedingstukken, kousen, zwachtels, enz.; in één woord, de gansche stad door, van Solalaki tot Koecki--de beide uiterste wijken--heerschte drukte en beweging.
Men zou Solalaki de voorstad Saint-Germain van Tiflis kunnen noemen: het is de aristokratische wijk der hoofdstad. Zij ontleent haar naam aan eene beek, die langs de rechterzijde van den Botanischen-tuin vloeit, om zich in de Koer uit te storten, welke rivier bij de Georgiërs den naam draagt van de Mtéwari. Koecki ligt aan het andere einde der stad en wordt hoofdzakelijk door Duitschers bewoond: daar was het veel stiller en rustiger: de sedert eene halve eeuw hier gevestigde duitsche kolonie hield zich met hare gewone zaken en haar kalmen dagelijkschen arbeid bezig en nam maar weinig deel aan de algemeene opgewondenheid.
Het was te midden van deze geruchten van oorlog en toebereidselen tot den krijg, dat ik mij op weg begaf naar Gori, de hoofdplaats der provincie van denzelfden naam, aan de Koer gelegen. Ik moet verlof vragen, hier wat historie in te vlechten.
Volgens de overlevering, was de gemeenschappelijke stamvader der kaukasische stammen een zekere Targamos, die omstreeks zeshonderd jaren na den zondvloed leefde, en die acht zonen had, Aos, Karthos, Bardos, Mowaxan, Lekos, Eros, Kawkas en Egros, tusschen wie, na zijn dood, het land werd verdeeld. Naar het schijnt, schonk Kawkas zijn naam aan dat deel van het land, hetwelk hem werd toebedeeld. Tengevolge van oneenigheden met zijn vader, nam een zijner zonen, Pepa, gevolgd door driehonderd mannen, de wijk in Maugladoretië (het land der Osseten), op den berg Bibilmta, en nam den naam aan van Bibiloeri. Vandaar trok hij over de rivier de Ksanka, in het district van Doeshett, naar de plek, thans Kwemo Ipnemi genoemd. Na hem vestigde zijn zoon Biba, die met de ossetische prinses Berdi gehuwd was, zich te Largwici aan de Ksanka, en nam den titel aan van _Eristaw_ (hoofd des volks) van Ksanka.
Deze Eristaw oefenden in later tijd een zeer grooten invloed uit op de regeering van Georgië, waarvan de koning niet dan met hunne toestemming kon gekroond worden. In het voorbijgaan zij vermeld, dat keizer Justinianus, omstreeks 570, ten behoeve van zekeren Rostom, een Osseet, de vallei van de Ksan tot een eristawaat verhief. Toen de keizer in Kaukasië kwam, vergrootte hij het grondgebied der vorsten van Ksanka en breidde hun gezag uit over de geheele landstreek, welke door de Liashwa en de Ksanka besproeid wordt. Van dit oogenblik namen zij den titel aan van souvereine vorsten (Eristaw Ksanki), die door de koningen van Georgië werd erkend.
Vroeger vormden hunne bezittingen een majoraat; maar tengevolge van verdeeldheid tusschen de verschillende takken der familie, greep er eene splitsing en verdeeling plaats, waartoe de koningen van Georgië, die de macht dezer familie met leede oogen zagen, gaarne medewerkten. De Eristaw Ewthine, in 1028 gestorven, stichtte in gemeenschappelijk overleg met de Eristaw Johan en Thornia, het iberisch klooster van den berg Athos. Toen de kaukasische provinciën bij het russische rijk werden ingelijfd, werd de oude titel door de nieuwe beheerschers van het land wel erkend en bevestigd, maar het is nu slechts een bloote naam, waaraan hoegenaamd geen gezag verbonden is.
Te Gori, waar vroeger een tak der Eristaw gevestigd was, vindt men tegenwoordig nog een twintigtal familiën van dien naam: sommigen hebben grondbezit, anderen oefenen verschillende beroepen uit. Een dezer Eristaw, achterkleinzoon van koning Heracleus van Georgië, is eigenaar van het kasteel van Karalethi, op een berg gelegen, die door vruchtbare vlakten en tuinen is omringd, te midden van eene uiterst wildrijke streek. Het dorp, op honderd wersten van Gori gelegen, telt een honderdtal huizen; de bewoners houden zich met land- en wijnbouw bezig. In de onmiddellijke nabijheid staat eene kleine, zeer oude kerk, die eene druk bezochte bedevaartplaats is.
De oude citadel van Gori kon, naar men zegt, zeventigduizend man bevatten; heden ten dage staat daar slechts een kruithuis, waarvoor een enkele schildwacht is geplaatst; verder zag ik in de wijde ruimte niets dan een paar ezels, het weinige schrale gras afscherende, dat tusschen de steenen opschoot. Aan den oever van de Liakwi, een riviertje dat langs den voet des bergs stroomt, begint een gekanteelde muur, die zig-zagsgewijze tegen de helling opklimt. Beneden aan dien muur bevindt zich een hol of grot, waarin koning Heracleus, naar men zegt, zijne schatten verborg: van daar de naam van _Gori_ (gouden berg), door hem aan de toenmalige stad gegeven.
Bij herhaling verwoest en weder opgebouwd, beurtelings in de macht der Turken, der Georgiërs, der Perzen, verloor zoowel de citadel als de stad zelve al vroeg haar beteekenis. Van de hoogte, waarop zij lag, overziet men alle wegen, van waar de vijand vroeger komen kon: de bergen van Akhalzick (naar de turksche zijde); de bergen der Lesghiërs, der Circassiërs, der Osseten. In de vlakte vloeien, naast de onstuimige snelvlietende Koer, de beide riviertjes Liakwi en Pshawi; een brug over de Koer voert naar het station van den spoorweg, een andere naar het dorp Khidistavi, in eene schilderachtige omgeving gelegen en het geliefkoosde zomerverblijf van de rijke Armeniërs uit deze streken. Op de heuvelen tegenover de citadel bevinden zich de georgische, armenische en katholieke begraafplaatsen.
Aan de oevers van de Koer verheffen zich de bergen Boerethi en Goris-Djoeari, de laatste met het klooster van denzelfden naam, het _Kruis van Gori_, zooals het genoemd wordt. Nabij de oude kapel van dit klooster heeft men in den laatsten tijd eene nieuwe kerk gebouwd, welke jaarlijks, in de maand November, door talrijke bedevaartgangers uit de omliggende streek bezocht wordt. De rotskam, waarop het oude klooster troont, is zoo smal, dat men voortdurend gevaar loopt, in de aangrenzende afgronden neer te storten.
Het dorp aan den voet van den berg wordt hoofdzakelijk bewoond door Georgiërs, die bij voorkeur op de platte daken hunner huizen wonen en zoo met hunne buren conversatie houden. Zij komen daar niet alleen om versche lucht te scheppen en een praatje te maken, maar zij gebruiken er ook hunne maaltijden: een gat in den muur dient om te koken; een steenen buis voert den rook af. De woning zelve bestaat ook hier, als in geheel Georgië, uit slechts een enkel vertrek met het ons reeds bekende ameublement.
De oude stad is te Gori tegen den rotswand aangebouwd; de nieuwe stad strekt zich in de vlakte uit; maar overal kan men op de platte daken dezelfde huiselijke tafreeltjes aanschouwen. Naast de moeder, die, ijverig spinnende, haar zuigeling in slaap wiegt, zit de vader, met de hooge muts op het hoofd, en in den regel tot de tanden gewapend, met kalme waardigheid zijne cigarette te rooken; in een hoek zit een groepje kinderen, die met de _daïra_ (tamboerijn) en handgeklap den dans begeleiden van de oudste dochter des huizes. Sommige van deze woningen, in den laatsten tijd gebouwd, herinneren ook door de versiering aan den perzischen stijl; andere zijn naar den georgischen trant en van eene rondloopende veranda voorzien.
De straten van Gori zijn geplaveid, hetgeen in den Kaukasus volstrekt geen alledaagsch verschijnsel is; dit verhindert evenwel niet dat zij, bij eenigszins aanhoudenden regen, in modderpoelen worden herschapen. Voor de verlichting moeten de burgers, die nog laat op straat willen gaan, maar zelven zorgen, door een lantaarn mede te nemen. Voor de openbare reiniging zorgt, dit spreekt van zelf, niemand : dat is iets waarmede de inlanders--en over het algemeen de Oosterlingen--zich hoegenaamd niet bemoeien. De winkels munten niet uit door pracht. Toen ik, op mijne laatste reis door den Kaukasus (1881), Gori bezocht, photografeerde ik in den bazar enkele kooplui in hunne winkeltjes. Ik had mijne aandacht ook gevestigd op een gaarkeuken, waarvan de eigenaar, een flink gebouwd man, achter een groot fornuis stond; toen ik hem verzocht, een oogenblik stil te staan, snoot hij eerst zijn neus naar landsgebruik:--zakdoeken zijn hier volkomen onbekend.
De stad heeft een aantal kerken, die echter niets bevatten wat eenigszins de aandacht verdient, en ook verschillende scholen, waar het onderwijs in het georgisch en vooral in het russisch gegeven wordt. Sedert September 1876 bezit zij zelfs een transkaukasisch seminarie, dat wil zeggen eene kweekschool voor onderwijzers, zoo als men die ook te Kazan en te Irkoetsk in Siberië vindt. Vijf-en-twintig kweekelingen, waaronder vijf Russen, ontvangen hier hunne opleiding voor rekening van den staat. De cursus duurt drie jaren; behalve de gewone vakken van onderwijs, worden ook verschillende handwerken en beroepen onderwezen, zooals meubelmaken, boekbinden, tuinbouw, mozaïekwerken en dergelijken. Katholieken worden niet op de school toegelaten.