Schetsen uit den Kaukasus De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 5
In het dorp Gariellowka, op tien wersten afstands van Akhalkalaki, woonde de toenmalige Overste van de Doukhobortzis, eene vrouw, de zeer rijke weduwe van een bloedverwant van een der vroegere hoofden of oversten van de sekte, die evenwel geen vast opperhoofd heeft. Deze vrouw wordt in zekeren zin als koningin beschouwd en gehoorzaamd. De Heilige Maagd of de Moeder Gods (_Bogorodiza_), zooals deze vrouw wordt genoemd, ontvangt alle doortrekkende reizigers met de meest onbekrompen en voorkomende gastvrijheid; zelfs is het niets vreemds, op haar welvoorzienen disch champagne te zien verschijnen. Trouwens het gebruik van wijn en sterken drank is den Doukhobortzis niet verboden. Zoo als ik reeds zeide, staan de aanhangers dezer zonderlinge mystieke sekte over het algemeen als eerlijke en brave lieden bekend en genieten zij, ondanks hunne volslagen onwetendheid, eene groote mate van welvaart. Zij houden zich hoofdzakelijk met landbouw bezig, en met het vervoer van reizigers en goederen. Verschillende posthuizen zijn door aanhangers dezer sekte gepacht. Vooral het verkeer op den weg van Akhalkalaki naar Alexandropol is in hunne handen. Door hunne kleederdracht, hunne levenswijze en de behagelijke zindelijkheid hunner eenvoudige woningen, hebben zij meer overeenkomst met de duitsche kolonisten dan met de Russen. Op het gedeelte van den weg, dat zij bedienen, is de perekladnaja vervangen door een soort van overdekten _char-à-bancs_, veel overeenkomende met den wagen, dien de landlieden in Duitschland gebruiken.
Ik was in de gelegenheid, een hunner godsdienstoefeningen bij te wonen, die in een gewoon huis worden gehouden. Men bracht mij in eene ruime kamer, laag van verdieping, maar zeer zindelijk, die geheel met geloovigen was gevuld: de mannen stonden aan de eene zijde geschaard, de vrouwen aan de andere; alleen de oudsten zaten op banken.
Men begon met het opzeggen van gebeden, hetgeen door ieder op zijne beurt geschiedde. Indien iemand zich daarbij vergiste, werd hij onmiddellijk terecht gewezen: "Zoo zegt men het niet."--"Niet; hoe dan, zeg het mij."--En wanneer hij, die de aanmerking gemaakt had, zich op zijne beurt vergiste, ging van alle kanten een luid gemor op. Het kwam mij voor, dat de vrouwen minder fouten maakten dan de mannen.
Dit opzeggen der psalmen duurt eenige uren achtereen, tot zij hun ganschen voorraad hebben uitgeput, of liever tot een groot gedeelte der gemeente indommelt, hetgeen vooral in den tijd van zwaren en vermoeienden veldarbeid niet zelden het geval is. Maar ook afgescheiden daarvan, is het niet te verwachten dat de geest opgewekt zal blijven bij het opzeggen van honderdmaal gehoorde formulieren, die de meesten niet begrijpen en waarbij zij niets denken.
Als dit eindelijk is afgeloopen, neemt het zingen een aanvang. Een der aanwezigen merkte op, dat het in de kamer zoo benauwd was, en stelde voor, liever buiten, in de open lucht te gaan zingen. Dit geschiedde: wederom schaarden zich de mannen aan de eene, de vrouwen aan de andere zijde. Dat zeer eigenaardig, weemoedig, aangrijpend gezang maakt op iemand, die het voor het eerst hoort, een onbeschrijfelijken indruk. Onwillekeurig gaat ge, al luisterend, mijmeren en droomen; allerlei beelden, herinneringen, indrukken, dagen in schemerachtige, nevelige omtrekken voor u op: ik dacht aan de woestijn, aan het gezang der kameeldrijvers, aan de treurige nationale liederen der slaven, aan het gezang der fellahs in het schemerend avonduur of in de heerlijke nachten op den Nijl....
Voor de mannen staat een voorzanger, die iederen psalm aanheft. Deze betrekking werd hier vervuld door een grijsaard, wiens stem echter nog weinig van hare kracht en melodie verloren had. De voorzanger begint: eenige mannen volgen en spreken, meer of minder duidelijk, de woorden van den psalm; de anderen brommen maar zoo wat. Tegen het einde scharen de geloovigen zich in een halven cirkel, en beginnen elkander te groeten en te omhelzen. Ieder gaat op zijn beurt bij al de mannen rond; de vrouwen doen hetzelfde onder elkander. Gedurende die begroetingen gaat evenwel het zingen zijn gang. Als alles eindelijk is afgeloopen, zet ieder den hoed op en keert naar zijne woning terug.
De Pneumatomaken komen niet enkel des zondags samen om te bidden, maar alle dagen na afloop van den arbeid; de zaterdag is echter meer bepaald voor de godsdienstoefeningen bestemd.
Bij mijne terugkomst te Tiflis vond ik de hoofdstad van Transkaukasië, even als bij mijn vertrek, nog geheel vervuld van de toebereidselen voor den dreigenden oorlog, maar toch veel kalmer. De koortsige opwinding van het eerste oogenblik was in die twee maanden vrij wat bedaard. Ieder was tot zijn gewone levenswijze teruggekeerd en tot de behartiging zijner zaken; in de societeiten werd weder, met meer ijver dan ooit, dag aan dag, whist gespeeld; de dames hadden het maken van pluksel en het breien van kousen opgegeven en waren weer begonnen met haar oude liefhebberij, het kienspel.
De straten der stad hadden ook een vreemd voorkomen: zij waren opgevuld met buitenlieden, die de vrees voor vijandelijkheden uit hunne dorpen nabij de turksche grenzen verdreven had en die een veilig onderkomen zochten in de hoofdstad. Voorts zag men overal troepen van sjouwerlieden, met allerlei meubels beladen; want de Armeniërs, die geene gelegenheid om een voordeeltje te behalen laten voorbijgaan, haastten zich hunne winterkwartieren te verlaten, ten einde die zoo duur mogelijk aan de buitenlieden te verhuren; maar zij droegen zorg, vooraf de kostbare meubelen te verwijderen, welke zij niet aan de nieuwe bewoners durfden toevertrouwen. Vele buitenlieden brachten evenwel hun eigen huisraad mede: de gewoonlijk zoo stille straten der stad geleken nu op de beddingen van rivieren en beken in het gebergte, die door een plotselingen toevoer van water eensklaps ten boorde worden gevuld.
Natuurlijk waren er ook nog eene menigte soldaten, die voortdurend in den wapenhandel werden geoefend en vervolgens naar hunne korpsen gezonden. Het was echter duidelijk, dat ook in militaire kringen het lang uitblijven der beslissing de geestdrift had bekoeld. Toch was het duidelijk te bespeuren, hoe alom het bewustzijn levendig was van de groote beteekenis dezer nieuwe episode in den eeuwenlangen krijg, waarvan de einduitkomst voor niemand twijfelachtig kan zijn.
AANTEEKENING
[1] Zie De Aarde, jaargang 1884, bladz. 241 en volgg.
End of Project Gutenberg's Schetsen uit den Kaukasus, by Carla Serena