Schetsen Uit De Indische Vorstenlanden De Aarde En Haar Volken
Chapter 8
Ruim dertig jaren later was Tsjittore nogmaals uit zijne asch herrezen, toen keizer Akbar het beleg voor de stad kwam slaan. De eerste maal werd hij, dank zij den heldenmoed van den rana Oedey-Singh, terug geslagen; maar kort daarop kwam hij terug. Ditmaal beging Oedey de laagheid van te vluchten, en de verdediging zijner hoofdstad over te laten aan zijne onverschrokken vasallen; zij deden wonderen van dapperheid, maar niets kon de arme stad redden, dus alleen gelaten in hare worsteling met het ontzachelijke rijk van den Groot-mogol. De vertegenwoordigers der schitterendste geslachten van den adel van Mewar vielen in den ongelijken strijd; de weduwe van Saloembra, een der Omras of pairs des rijks, geleidde zelf haar zestienjarigen zoon en hare schoondochter naar het gevecht, en alle drie vonden den dood op de wallen der heilige stad. Twee clanhoofden, Jeimul en Puttoe, hadden het bevel over de vesting op zich genomen; zij deden al wat menschelijkerwijze mogelijk was om de stad te redden, en hun onbezweken heldenmoed wekte zoozeer de bewondering zelfs der aanvallers op, dat tot op den huidigen dag hunne namen bijna evenzeer door de muzelmannen als door de Radsjpoeten in hooge eere worden gehouden. Jeimul, door de hand van Akbar zelf doodelijk gewond, gaf eindelijk, het teeken tot den Johur. Negen koninginnen, vijf prinsessen en meer dan tienduizend vrouwen bestegen den brandstapel, terwijl de laatste verdedigers zich te midden der vijandelijke gelederen wierpen. De groote Akbar toonde zich onverzoenlijk, en liet allen, die nog in het leven waren gebleven, ombrengen; hij overtrof in vernielingswoede Ala-Oedin en Bajazet, en verwoestte of schond al de monumenten van Tsjittore.
De godin Kangra-Rani had beloofd, deze rotsvesting nooit te zullen verlaten, zoolang nog een der afstammelingen van Bappa zich voor haar ten doode zou wijden. Getrouw aan deze belofte, hadden de zonen van Lakumsi, had de koning zelf, en hadden na hem vele andere vorsten, hun leven vrijwillig ten offer gebracht; maar bij deze laatste worsteling had geen enkel koninklijk slachtoffer den toorn der vreeselijke godin bezworen: de betoovering was geweken en de band, die haar aan de Sesoedias verbond, voor immer verbroken. Zij verliet de rotsburgt, die door haar koning verlaten was; en met haar verdween het prestige, dat Tsjittore omgeven had, en het steeds als het laatste en hoogste palladium van den stam der Radsjpoeten had doen beschouwen. De stad, die niet zonder recht den naam van de Onverwinlijke droeg, kon geene verdedigers meer vinden; en zooals de bard zegt, "deze koninklijke woning, die duizend jaren lang haar hoofd had opgeheven boven alle steden van Hindostan, is geworden tot een verblijf voor het wild gedierte, hare tempels zijn onreine holen geworden." Weleer de heilige stad bij uitnemendheid, wordt zij heden nog wel als een gewijde plaats beschouwd, maar die nu ten prooi is gelaten aan demonen en onreine geesten; en het is den rana's uitdrukkelijk verboden, haar te betreden. Geen hunner heeft, na Pertap-Singh, den voet op deze rots gezet, en zij, die het hebben gewaagd deze bouwvallen te bezoeken, werden als door eene onzichtbare macht terug gedreven.
Zulke herinneringen omzweven de eenzame, met ruïnen gekroonde rots, waarop de aloude hoofdstad der rana's in doodslaap gedompeld ligt, verlaten en vergeten. Aan haren voet, in de vlakte, ligt de Toelaïti, de benedenstad, met hare fraaie, drukke bazars, vol leven en beweging, met hare sierlijke huizen en welvarende bevolking, de tweede stad des rijks. Maar meer dan al deze welvaart en vooruitgang trokken mij de bleeke ruïnen der oude koningsstad aan, getuigen van een zoo schitterend verleden, dat voor immer is voorbijgegaan.
VII.
Den 17den Maart verlaten wij Tsjittore en slaan den weg noordwaarts in naar Ajmeer of Adsmir, de voornaamste stad der Aravallis. Dien dag en de volgende dagen voert onze tocht ons nog altijd door de staten van den maha-rana, door de vruchtbare, maar niet overal evengoed bebouwde vlakten van Mewar. Onderweg maakten wij kennis met den rajah van Bunera, een van de aanzienlijkste vasallen van den maha-rana, die mede uit den koninklijken stam der Sesoedias is gesproten en een prachtig kasteel, geheel van wit marmer opgetrokken; bewoont. De titel van rajah (koning) werd aan een der voorouders van dezen hoogen edelman, als belooning voor bewezen diensten, door de mongoolsche keizers geschonken. De rajah ontving ons met die uitgezochte hoffelijkheid en waardige voorkomendheid, die eene der goede eigenschappen van den radsjpoeten adel mag worden genoemd. Wij brachten op zijn kasteel een paar allergenoegelijkste dagen door.
In den morgen van den 23sten trokken wij de Kuhri-Nadi over, die de staten van den rana van de provincie Ajmeer scheidt. Deze provincie is het eenige gedeelte van Radsjpoetana, dat rechtstreeks onder britsch gezag staat. Zij behoort aan de Engelschen sedert 1818; in de vijftiende eeuw kwam zij in handen der mongoolsche keizers, en later, toen het groote rijk uit elkander viel, in de macht der mahratten-koningen van Gwalior; toen de Engelschen optraden als de erfgenamen van den Padishâh, eischten zij ook deze provincie, als deel uitmakende van de keizerlijke goederen, en sedert is zij ook aan hen verbleven. Dit belangrijk gewest ligt aan alle zijden ingesloten door de staten der vorsten van Mewar, Marwar, Jhodepoor en Kishengurh.
Den volgenden dag bereikten wij Nusserabad, een van de gewichtigste engelsche militaire stations in Radsjpoetana. Het kamp maakt een allertreurigsten, somberen indruk; in 1857 maakten de opstandelingen zich van dezen post meester, verbrandden al de woningen, hakten al de boomen om en vernielden de plantages: de gansche streek werd een wildernis. Ook de indische stad onderging hetzelfde lot als het engelsche kamp en werd bijna geheel verwoest; tegenwoordig is zij niet veel meer dan een grooten bazar, die echter eene bevolking telt van twintigduizend zielen. Men heeft zooveel mogelijk getracht de aangerichte schade te herstellen: maar de boomen langs de wegen hebben al het voorkomen van bezemstelen; en alle pogingen om nieuwe tuinen en plantages aan te leggen, hebben tot dusver schipbreuk geleden: de grond, door de brandende zonnehitte geblakerd, en beroofd van de hier vooral zoo onontbeerlijke schaduw, is uitgedroogd en zoo hard als metaal geworden. Maar zoo het uiterlijk voorkomen van Nusserabad weinig opwekkend is, wijkt die indruk toch spoedig bij nadere kennismaking: de talrijke bezetting maakt zich hier het leven zoo aangenaam mogelijk, waartoe zeker de nabijheid van Ajmeer en de tegenwoordigheid van een aantal Europeanen zeerveel bijdragen.
Hier kon ik op nieuw de ervaring opdoen, dat er weinig landen zijn, waar de vreemdelingen een guller en hartelijker onthaal vinden, dan in de engelsche stations van Hindostan. Om aan de verschillende uitnoodigingen te kunnen beantwoorden, zagen wij ons verplicht, vijf dagen te Nusserabad te vertoeven. Trouwens, die dagen werden op de aangenaamste wijze doorgebracht: onder anderen ook door een uitstapje naar de Aravallis, waar wij, met eenige officieren, gingen jagen. De vlakten om het kamp zijn overrijk aan allerlei soorten van wild; en in de dalen en kloven der groote bergketen huizen eene menigte wilde dieren. De jacht is dan ook een van de voornaamste uitspanningen der officieren, die zeer weinig te doen hebben; ieder jaar organiseeren zij groote expeditiën, die aan eene menigte tijgers, panthers, beren en dergelijken het leven kosten, en stof opleveren voor gesprekken en verhalen gedurende het gansche jaar. Het ontbreekt op die jachten dan ook dikwijls niet aan dramatische incidenten en treffende ontmoetingen; doorgaans zelfs loopt het niet zonder ongelukken af. Want de tijger, schoon in gewone omstandigheden eer lafhartig dan moedig en zoolang mogelijk de voorkeur gevende aan de vlucht, wordt toch, als hij eenmaal gewond en in de engte gedreven is, een allergevaarlijkste tegenpartij, die niets meer ontziet en geen gevaar kent.
Den 30sten Maart begeven wij ons op weg naar Ajmeer, waarvan wij nog slechts vijftien mijlen verwijderd zijn. Even voorbij Nusserabad begint het bergland, en weldra bevonden wij ons midden in de Aravallis. Juist toen wij de eerste bergengte doortrokken, verhief de zon zich boven de kimmen, en zette het prachtige landschap eene nieuwe bekoorlijkheid bij; aan alle zijden verrijzen getande, afgebrokkelde, wonderlijk gevormde naalden en spitsen en toppen, waartusschen zich diepe afgronden openen, in ondoordringbaar duister gehuld. De zonnestralen, door de rotspunten gebroken en weerkaatst, vlechten rooskleurige lichtkransen om de hoogere toppen; reusachtige cactussen, de eenige plant die op deze hoogte tiert, vormen schilderachtige groepen en fantastische bosschages; op de bergvlakten verheffen zich enkele breedgebladerde acacias met vuurroode bloementrossen; duizende patrijzen, in het kreupelhout verscholen, begroeten met hun doordringend geschreeuw de opkomende zon, terwijl van tijd tot tijd, bij onze nadering, een pauw opvliegt, en als een krans van stralende smaragden voor onze oogen schittert. De frischheid van den morgen, het gezang der vogels, de schoonheid van het landschap, doen ons alle vermoeienissen vergeten; eene vroolijke opgewektheid bezielt ons allen; wij zijn weldra aan het doel. Wij slaan een hoek om, en daar ligt Ajmeer voor ons, met zijne beroemde citadel Teraghur; een prachtige, verrassende aanblik: de witte huizen der stad zijn in een breeden krans van groen gevat, waardoor zij eene bloeiende oase schijnt te midden dezer wildernis van rotsen en klippen. Eene breede vallei scheidt ons nog van haar, en wij hebben niet minder dan twee uren noodig, om die vallei door te trekken; nabij de stad is het veld overal bezaaid met bloemen, die reusachtige perken vormen, en waaruit de zoo beroemde oliën en reukwaters vervaardigd worden.
Ten negen uur trekken wij, door eene der oude poorten Ajmeer binnen, en verliest zich onze karavaan in smalle en schilderachtige bazars, die op het eerste gezicht aan die van Kaïro herinneren. Onze voornaamste zorg is het vinden van een geschikt logement; hier is geen rana, die een paleis ter onzer beschikking kan stellen; hier is zelfs geen bungalow, want er komen hier zoo weinig reizigers, dat de stad geene inrichting van dien aard bezit. Wel hebben wij brieven voor den gouverneur der provincie, den majoor Davidson, en zouden wij dus een beroep kunnen doen op zijne gastvrijheid; maar het valt licht te begrijpen, dat ongevraagde gasten niet altijd welkom zijn, vooral niet, als zij met een gevolg van een vijftig personen komen. Ik herinnerde mij evenwel dat de majoor Nixon ons den raad gegeven had, om, wanneer wij in verlegenheid mochten zijn, ons in zijn naam te wenden tot een bankier van de sekte der Djaïnen, den Seth Partah-Mull. Ik vraag een der voorbijgangers mij de woning van den Seth te wijzen; en na verschillende groote straten, met fraaie huizen omzoomd te zijn doorgegaan, komen wij bij den bankier. Zijne bedienden ontvangen ons met groote beleefdheid; en weldra sta ik tegenover den Seth, een man van omstreeks veertig jaar, met een zeer innemend voorkomen. Nauwelijks heb ik hem de reden van ons bezoek medegedeeld, of zonder verdere ophelderingen of verontschuldigingen af te wachten, geeft hij onmiddellijk last dat een zijner huizen tot onze beschikking zal worden gesteld. Met innemende vriendelijkheid weigert hij zelfs onze dankbetuigingen aan te hooren, verklarende dat hij ons dank verschuldigd is voor de bewezen eer, ons tevens dringende om van de lange reis te gaan uitrusten. Een half uur later bevonden wij ons in een keurig, indisch huisje ver van de bazars in eene der voorsteden; de bedienden van den Seth brengen haastig alles in orde voor ons verblijf: rondom onze woning strekt zich een groote boomgaard uit, met granaat- en citroenboomen beplant; een kanaal met stroomend water loopt door deze bosschage, overal frischheid verspreidende. Dit alles heeft Purtab-Mull, met vorstelijke gastvrijheid, geheel tot onze beschikking gesteld voor al den tijd dien wij hier zullen vertoeven.
Te Ajmeer aangekomen, haast ik mij, het geleide, dat de rana ons gegeven had, terug te zenden, en den koning tevens kennis te geven van de wijze, waarop wij onderweg zijn ontvangen geworden; vervolgens geef ik den majoor Davidson bericht van onze aankomst. De majoor zond ons aanstonds een zijner rijtuigen, en stelde zich geheel te onzer beschikking voor het bezoeken der stad en hare omstreken. Het is bijna onnoodig hierbij te voegen, dat ik ook bij hem hetzelfde vriendelijke onthaal en dezelfde voorkomende hulpvaardigheid vond, waaraan de hooge engelsche ambtenaren in Indië mij reeds gewend hadden.
Ajmeer is eene zeer oude stad; in de eerste eeuwen onzer jaartelling werd zij gesticht door den Sjohan Aja-Pal, die, volgens de legende, aanvankelijk een herder was, maar later een machtig vorst werd. Hij bouwde de beroemde citadel, die de stad beheerscht, en maakte zich van geheel de omliggende landstreek meester. Vandaar de naam der stad, die sommigen Aja-Mer, de berg van den herder, of Aji-Mer, de onverwinlijke berg, noemen. In 1191 maakte de Sultan Shahab-Oedin zich meester van Ajmeer, in 1559 voegde Akbar ook dit gewest bij het rijk van den Groot-mogol. De latere lotgevallen van de stad vermeldde ik reeds.
Ajmeer ligt in eene bekoorlijke vallei; aan de eene zijde breidt de stad zich uit langs den oever van eene schilderachtig meer, de Ana-Sagur; aan de andere zijde leunt zij tegen de hellingen van een prachtigen berg, op welks top zich het fort Teraghur verheft. De schoone ligging en het heerlijke klimaat lokten al vroeg de mongoolsche keizers, die de vallei met hunne paleizen en parken vulden. Een der fraaiste dezer paleizen is dat van Daôlat-Baugh, dat in de zestiende eeuw door keizer Jehanghir werd gebouwd, en tegenwoordig de residentie is van den engelschen gouverneur. Sierlijke marmeren paviljoenen verrijzen aan den oever van het meer, en bieden het heerlijkst panorama over de stad en de omliggende bergen. De groote tuin is vol eeuwenheugende boomen: daar ontving der trotsche Jehanghir eens den gezant van koning Jacobus I van Engeland, die hem de hulde van zijn meester kwam brengen.
Het meer is, evenals alle meren in dat gedeelte van Indië, gevormd door het kunstmatig afsluiten eener rivier; de reusachtige dijk werd in de elfde eeuw, onder de regeering van koning Ana-Dévâ, aangelegd. De stad is omsloten door een gordel van zware muren, op bevel van keizer Jehanghir opgetrokken, die aan de eene zijde langs de toppen der aangrenzende bergen loopen en zich aan de citadel Teraghur aansluiten. Acht groote, fraaie poorten geven toegang tot de stad. Aan de zijde der vlakte wordt Ajmeer verdedigd door een versterkt kasteel, dat een groot paleis en kazernen voor de bezetting bevat, maar alleen in tijd van nood wordt gebruikt. Geene andere stad van Radsjpoetana, Jeypoor uitgezonderd, bezit zulke fraaie bazars als Ajmeer; het is die gedeeltelijk aan de Engelschen verschuldigd. Deze bazars zijn fraaie, breede, wel aangelegde straten, ter wederzijde van trottoirs voorzien; de benedenverdiepingen der huizen zijn tot sierlijke winkels ingericht; de gevels prijken met balkons en verandahs. De woningen der rijken zijn van wit marmer, en daaronder zijn er verscheidene, die met volle recht op den naam van paleizen aanspraak mogen maken. Ik wijs slechts op het paleis der Seths, het eigendom van eenige bankiers van de sekte der Djaïnen, een wonderschoon gebouw, eerst in den laatsten tijd verrezen, maar dat gerust de vergelijking kan doorstaan met de uitnemendste gewrochten van de kunst der Radsjpoeten.
Nevens deze groote ruime bazars, de schepping der Engelschen, breidt zich een net uit van nauwe, kronkelende, schilderachtig verwarde straten en stegen, altijd opgevuld met eene luidruchtige menigte. De kunstenaar vindt daar eerst het ware, echte Ajmeer en weinige steden van het Oosten, Kaïro daaronder begrepen, kunnen een verrassender, bekoorlijker aanblik opleveren. Alle stammen en rassen van Indië ontmoeten elkander in deze nauwe straten, niet meer dan twee el breed, waar de voornaamste markt gehouden wordt van een land, ongeveer zoo groot als Frankrijk; in deze duistere winkels vindt ge genoegzaam alle takken van nijverheid en bedrijf vertegenwoordigd. Niets belangrijker dan eene wandeling door deze bazars: gedurende mijn verblijf in de stad besteedde ik geregeld mijne morgenuren, om alleen te midden dezer schare heen en weder te kuieren; en iederen dag vond ik wat nieuws, dat mijn aandacht trok. Daar zit op zijn hooge bank, waarheen hij langs een trap opstijgt, de juwelier, een brahmaan, kenbaar aan het gewijde koord om het naakte bovenlijf, bezig met het snijden van keurige edelgesteenten: hij heeft eene groote bril op den neus, het onmisbaar teeken zijner waardigheid als meester in het vak; zijne leerlingen, ongetwijfeld zijne zonen, zijn bezig met het smeden of bewerken van kostbare metalen. Zoodra ik het woord tot hem richt, neemt hij zijn bril af, groet mij met de uiterste wellevendheid, en haalt dadelijk uit een ijzeren kistje zijne kostbaarheden voor den dag; hij laat mij alles zien, en verklaart mij de wijze van bewerking; hij is volkomen tevreden indien ik eene of andere kleinigheid koop, zonder mij iets hoegenaamd op te dringen.--Daarnaast is de fabriekant van armbanden en ringen; voor het vuur neergehurkt, smelt hij zijn fijn rood- of groenkleurig lak, dat hij vervolgens over een ronden vorm, in de gedaante van een suikerbrood, uitspreidt; dan verdeelt hij de massa, met een scherp werktuig, in smalle ringen, en haar plotseling afkoelende, stelt hij mij in een oogenblik twintig braceletten ter hand, even licht als sierlijk. Deze kunstenaar is doorgaans een banian van Marwar of een muzelman; zijne vrouw is hem bij zijn bedrijf behulpzaam, of wel zij past de braceletten aan de klanten, die nooit ontbreken, want alle vrouwen en meisjes, van welke kaste ook, dragen eene menigte van deze armbanden, zoo zelfs dat soms de geheele voorarm er mede bedekt is; en daar deze sieraden uiterst broos en tevens zeer goedkoop zijn, is er steeds drukke navraag.
De rij der winkels volgende, komen wij langs de vervaardigers van muziekinstrumenten, waar ge groote violen, guitaren, gongs en tam-tams ziet uitgestald; langs de kopergieters, op den grond neergezeten te midden van stapels van koper vaatwerk van allerlei vorm en grootte. Somwijlen is eene gansche straat uitsluitend bewoond door lieden, die hetzelfde ambacht drijven: schoenmakers, zijdewevers, pottenbakkers, die, zonder iets van de concurrentie te vreezen, hunne waren nevens elkander uitstallen. De bazars waar laken en zijde en andere stoffen verkocht worden, zijn de voornaamste; hier zijn de winkels goed verlicht en netjes; de koopman, op sneeuwwitte kussens neergezeten, wacht rustig zijne klanten af, terwijl zijn boekhouder, van den morgen tot den avond op eene eindelooze rol papier zit te cijferen. Te midden der vroolijke, luidruchtige menigte bewegen zich voortdurend een aantal straatventers, die u op luiden toon hunne waren aanprijzen: balletjes van suiker en meel, gebakjes, groenten, vruchten, betel, messen en vele andere zaken.
Sedert eeuwen reeds in de macht der muzelmannen, bevat Ajmeer geen enkel monument meer, dat aan zijne vroegere beheerschers herinnert, die, naar de overlevering verhaalt, de stad met de uitnemendste kunstgewrochten hadden getooid; van deze heerlijkheid is evenwel niets overgebleven dan de Araï-Dinka-Jhopra, aan den voet van den Teraghur, waarop ik straks terugkom. Binnen de stad zelf is het eenige oude monument de doergah van Kowjah-Sayed: een der meest gevierde heiligdommen van het mohammedaansche Hindostan. De doergah bevat het graf van den hoogvereerden Kowjah-Sayed, den eersten prediker van den islam aan de ongeloovige bewoners van Ajmeer. In het jaar 527 van de hedsjra in Sijistan geboren, kwam hij te Ajmeer met den veroveraar Koetub en bleef daar tot aan zijn dood. Hij had, toen hij stierf, den eerwaardigen ouderdom van honderd-acht jaren bereikt. Zijn leven was eene opeenvolging van vrome daden en van wonderen, die de stof hebben geleverd voor tallooze legenden. Na zijn dood vereerden alle vorsten van Indië zijn graf met geschenken; en keizer Jehanghir liet hem, in 1610, een prachtig mausoleum oprichten.
Ik begaf mij naar den doergah met een aanbevelingsbrief van den gouverneur; maar deze had mij toch gewaarschuwd dat ik waarschijnlijk niet zeer vriendelijk zou worden ontvangen: want in den regel worden de Europeanen niet tot het inwendige van het gebouw toegelaten. Bij de eerste poort werd ik terug gehouden door een groep mannen met een somber en dreigend voorkomen, die mij op ruwen toon toevoegden, dat ik niet verder mocht gaan, zonder mij eerst van mijne schoenen te ontdoen. Daar ik mij vast voorgenomen had, alles te zien, gehoorzaamde ik dadelijk aan dit bevel, en volgde op mijne kousen een der mollahs, die aanbood mij als gids te dienen. Wij betraden eene ruime binnenplaats, met wit marmer geplaveid, en aan alle zijden omgeven door moskeeën en graftomben, allen verblindend wit en stralende in het zonnelicht; in het midden, door prachtige boomen overschaduwd, verhief zich het wit marmeren mausoleum. Die weinige boomen, te midden dezer omgeving van gepolijst marmer, verspreidden eene zachte, als van licht doortrokken schaduw, en maakten van dezen hof, waar anders de veelheid der monumenten lichtelijk zou hebben vermoeid en gedrukt, een waar paradijs. Eene diepe stilte heerschte in het rond; geen enkel geluid, dan alleen het zacht gemompel van enkele oude mollahs, die, op de steenen neêrgebogen, gebeden en litanieën prevelden. Ik zette mij onder een boom neder, en mijn gids liet mij aan mijne overpeinzingen over. Het was mij niet vergund, het graf zelf van den heilige te naderen, maar van verre zag ik een massief zilveren kist onder een troonhemel van goudlaken: daar rustten de kostbare relikwieën, waaraan telken jare vele duizende pelgrims hunne hulde komen bewijzen.
Van den doergah van Kowjah-Sayed begaf ik mij naar de moskee van Araï-Din-ka-Jhopra, waarvan de bouwvallen zich schilderachtig verheffen in een klein bosch, op korten afstand van de wallen van den Teraghur. Deze beroemde moskee is zeker een der merkwaardigste monumenten van geheel Hindostan, niet alleen door hare zeldzame pracht, maar vooral door hare archeologische beteekenis. Zij is tegelijkertijd een der eerste gebouwen, door de muzelmannen in Indië opgericht, en ook een der fraaiste exemplaren van de eigenaardige architectuur der Djaïnen, uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Dit schijnbaar zonderling verschijnsel is evenwel niet moeilijk te verklaren. Toen de Mohammedanen de indische rijken overweldigden, waren hunne woeste horden op niets anders dan op plundering en vernieling bedacht, zonder er zich in het minst om te bekommeren wat de plaats zou moeten innemen der kunstgewrochten, die zij verwoestten. Eenmaal meester van het land geworden zijnde, en zich daar voorgoed willende vestigen, haastten de eerste sultans zich, tempels op te richten ter eere van den waren God; en daar zij zelf geen bouwmeester hadden, moesten zij daarvoor de hulp der Hindoes inroepen. De prachtige paleizen der oude inlandsche koningen en de wonderschoone tempels der afgoden leverden hun bouwstoffen in onuitputtelijken overvloed. Zij lieten slechts de afgodsbeelden wegnemen, eenige eigenaardige ornamenten aanbrengen, en gaven aan het aldus gemetamorphoseerde gebouw den stempel eener moskee door het bijbouwen van een gevel of portiek met puntbogen. Aldus ontwikkelde zich die grootsche, indrukwekkende stijl, waaraan sommigen den naam van indo-sarraceenschen hebben gegeven, en waaraan Indië, voor een goed deel, zijne uitnemendste kunstgewrochten dankt.