Schetsen Uit De Indische Vorstenlanden De Aarde En Haar Volken
Chapter 7
Het kamp is in de volmaakste orde; de kameelen en paarden zijn aan palen vastgebonden; de tenten regelmatig geplaatst; ieder man is op zijn post, en heeft zijn bed, een strooien mat, gereed gemaakt. Van de verwarring en wanorde, die te Oodipoor heerschten, is geen spoor meer over. Zoo lang de reis nog niet begonnen is, kunt ge niets van uw volk gedaan krijgen: de beesten worden slecht geladen; de touwen breken; elk oogenblik hebt ge met allerlei moeielijkheden te kampen. Maar nauwelijks zijn zij een paar mijlen buiten de stad, of uwe lieden begrijpen dat alle verder tegenspartelen nutteloos is, en van nu gaat alles naar wensch. De Hindoes hebben allen een ingeschapen lust voor reizen; het eenige waar zij tegen opzien, is het vertrek; maar eenmaal op weg, zult ge moeielijk lieden vinden, die zich gewilliger en met meer blijmoedigheid de vermoeienissen en ontberingen van een langen marsch getroosten; zij zijn op reis bereid te doen, wat zij u in de stad zeer stellig weigeren zouden, en niemand aarzelt een oogenblik, de handen aan het werk te slaan.
Nog voor het aanbreken van den dag, werd ik den volgenden morgen door mijn getrouwen bediende gewekt. Al ons volk is reeds op de been, en druk bezig, bij het schijnsel der wachtvuren, de kameelen te laden, die gansch niet in hun schik zijn, dat zij zoo vroeg gewekt worden, en hun ongenoegen door een luid gebulk openbaren. Het tooneel is schilderachtig genoeg: dit geraas en rumoer, dat rosachtig schijnsel der vuren, die zonderlinge dieren, onwillig tegenstribbelende tegen die door elkander woelende menschen, die groote donkere boomgroepen:--en dan dat stille rustige, in schemering gehulde landschap daar om heen. Het is vier uur in den morgen, tusschen de keerkringen het stille uur; het roofgedierte, dat des nachts rondsluipt, is reeds naar zijn holen terug gekeerd; de andere woud- en veld- en luchtbewoners wachten op de komst van den dageraad; de lucht is frisch, koel zelfs: het doet u goed, bij het wachtvuur te staan. De maan is ondergegaan; geen ander licht dan het schijnsel der sterren en de heldere glans van het zodiacaal licht, dat aan den oostelijken horizon als een langwerpige aureool straalt.
Het land, waar wij ons thans bevinden, behoort zeker tot de door de natuur meest gezegende streken; de bodem bestaat uit die zwarte, zware tuinaarde, in het hindoesch _mâl_ genaamd, waaraan de uitgestrekte landstreek, door de Tsjumboel bespoeld, den naam van Malwa dankt. Maar de bebouwing staat hier niet in evenredigheid tot de vruchtbaarheid; de onophoudelijke oorlogen der vorige eeuw hebben het land grootendeels tot een wildernis gemaakt; het oog van den reiziger dwaalt langs onafzienbare vlakten, overal bedekt met dat grijsachtige struikgewas, dat alle indische jungles vormt. Van afstand tot afstand ontmoet ge een enkel dorp, met zijne woningen en tuinen tegen de hellingen van een heuvel gebouwd; daar om heen smaragdgroene rijstvelden, veelkleurige opiumplantages, prachtige akkers met graan. Deze dorpen zien er allen welvarend uit; bij onze nadering loopen de inwoners toe om ons te groeten.
Na een tocht van een-en-twintig kilometers door deze fraaie, hoewel eenigszins eentonige landstreek, komen wij te Mynar, een schilderachtig dorp, tegen een heuvel gelegen, waarvan de top door een sierlijken tempel wordt gekroond. Wij slaan ons kamp op in de schaduw van eeuwenheugende boomen, aan den oever van een fraai meer, tegenover een grooten plas, waar, tusschen de breede lotusbladen, gansche zwermen van eenden dartelen. Ik begaf mij daarheen, en schoot mijn geweer onder den hoop af. Duizende eenden verduisterden de lucht, en lieten zich dooden met eene gemakkelijkheid, die mij al spoedig de lust deed vergaan.
De sowars rapen den buit op, en volgen mij, bij zich zelven mompelende en lachende, tot aan mijne tent; maar nauwelijks heb ik mijn ontbijt gebruikt, of een zwaarlijvige brahmaan komt mij vertellen dat het niet geoorloofd is op het meer te gaan jagen, omdat het dorp gewijde grond is. Ik tracht hem onder het oog te brengen dat ik, indien ik al kwaad heb gepleegd, dit dan toch onwetend heb gedaan, en dat de rana mij bovendien heeft vergund om overal in zijne staten zonder eenige beperking te jagen. Deze uitlegging schijnt den brahmaan niet te voldoen, die blijft razen en tieren, tot ik hem buiten het kamp laat zetten.
Mynar is inderdaad een _sahsun_, dat wil zeggen eene kerkelijk domein; de priesters beweren dat hun dit goed geschonken werd door den mythischen rajah Mandhata, die vóór Vicramaditya te Dhar regeerde en wiens rijk zich uitstrekte tot de Aravallis. Deze koning, eens te Doendia, eene naburige stad, zijnde, bracht daar den goden de aswamedha of het offer van een paard; na afloop der plechtigheid, wilde hij de beide ritsjis of heilige kluizenaars, die geofferd hadden een geschenk vereeren, maar deze weigerden iedere gave. Toen nam de koning zijne toevlucht tot list: hij verborg in de bîra, het bosje betelbladen, dat hij hun aanbood, een brief, waarbij hun het dorp Mynar met de daarbij behoorende gronden in eigendom werd geschonken. De ritsjis, de bîra aangenomen hebbende verloren hun vermogen om wonderen te doen; zij vestigden zich toen op hun nieuw domein en werden landbouwers.
In geheel Radsjpoetana is er geen enkele staat, waarin althans niet een vijfde gedeelte van den grond het eigendom is der brahmanen; in den loop der eeuwen heeft de brahmaansche kerk onberekenbare schatten opgestapeld, wier bezit zij met alle kracht verdedigt. Worden de vorsten niet in de oude gewijde boeken van Manoe zelf vermaand, om vóór hun dood al hunne persoonlijke bezittingen aan de priesters te vermaken? En worden zij, die de hand zouden durven slaan aan de gewijde goederen, niet bedreigd met een verblijf van zestigduizend jaar in het lichaam van een onreinen worm? Het moet toch wel hard zijn, na al de weelden van den troon genoten te hebben, zoo ontzettend diep te vallen; en aan den anderen kant is het recht aangenaam uit dit leven te scheiden met het bewustzijn dat, zoo uwe erfgenamen al teleur zijn gesteld, dan toch uwe ziel van alle smet is gereinigd en der zaligheid deelachtig wordt;--daarom geven de koningen, en de kerk behoudt wat zij eens ontving. In het koninkrijk Mewar gaat een vijfde van de staatsinkomsten in de handen der brahmanen over; en ter nauwernood durft de koning het wagen om gronden, die reeds voor eeuwen aan de priesters werden geschonken en nu geheel verlaten liggen, weder bij het kroondomein te voegen. Tot het dorp Mynar behooren vijfduizend _bigahs_, ongeveer zesduizend-vierhonderd bunders bouwland, waarvan meer dan drie vierde gedeelte onbebouwd en woest ligt, door de afwezigheid of het uitsterven der oude bezitters. Niet alleen laten de koningen dus een groot deel van hun land ongebruikt en braak liggen, maar nog voortdurend maken zij nieuwe schenkingen, die het land nog meer verarmen; doch deze staat van zaken kan niet eindeloos voortduren, en waarschijnlijk is de tijd niet meer verre dat de vorsten op aansporing der engelsche agenten, hunne bijgeloovige vrees zullen overwinnen en maatregelen nemen om althans de woeste gronden weder aan den landbouw terug te geven.
Twee dagreizen brengen ons naar Tsjittore, de aloude hoofdstad van Mewar, en gedurende eenige eeuwen het laatste bolwerk der hindoesche nationaliteit tegen de mohammedaansche overweldiging. De stad ligt op den top van een alleenstaanden berg; het plateau heeft eene lengte van vijf kilometers, bij eene breedte van gemiddeld vierhonderd el. De wanden van den berg, die tusschen de negentig en honderdtwintig ellen hoog is, rijzen bijna loodrecht uit de vlakte op; een hooge gekanteelde muur, met zware torens voorzien, loopt langs den rand van den afgrond. Deze natuurlijke gesteldheid, gevoegd bij uitnemend aangelegde verdedigingswerken, maakte Tsjittore tot eene bijkans onneembare vesting; rijkelijk van waterputten voorzien, en met welgevulde reusachtige magazijnen, kon zij ook moeielijk door honger bedwongen worden:--en toch zijn weinige steden in Indië zoo dikwijls genomen geworden als juist deze. Haar kwetsbaar punt is eene kleine bergvlakte, ten zuiden van den berg, die, hoewel lager liggende dan de muur der vesting, toch voor de aanvallers een geschikt punt oplevert om de stad aan te tasten. Volgens de overlevering, zou dit plateau, onder den naam van Tsjittore bekend, zijn ontstaan te danken hebben aan den tartaarschen sultan Ala-Oedin; inderdaad was het van dit punt, dat hij den storm waagde, die hem, ten jare 1303, Tsjittore in handen deed vallen; en daar het beleg niet minder dan twaalf jaren geduurd had, is het zeerwel mogelijk, dat de belegeringswerken van den sultan de kruin van dezen vooruitspringenden heuvel aanmerkelijk hebben verhoogd; naar men wil, had hij op deze hoogte zijne munjanikas of werptuigen geplaatst. Madhaji Scindia plantte, in 1792, mede op de hoogte van Tsjittore zijne batterijen, waarmede hij de stad bombardeerde.
Het lagere gedeelte van de berghelling is met ondoordringbaar bosch begroeid, waarin allerlei gedierte huist; ten oosten aan den voet des bergs, ligt de Toelaïti of benedenstad; aan deze zijde bevinden zich ook al de merkwaardige monumenten van Tsjittore. Een enkele weg voert van de Toelaïti naar boven, naar Tsjittore; deze toegang was door zeven poorten verdedigd, die tegenwoordig zeer vervallen zijn. Deze poorten, op verschillende hoogte geplaatst, dragen allen een monumentaal karakter, en zijn zeer fraai van stijl; zij bevatten niet slechts wachtkamers, maar zelfs groote zalen. Tusschen de derde en de vierde poort verrijst een klein marmeren grafmonument, dat de immer gedenkwaardige plek aanwijst, waar de beide helden Jeimul en Puttoe, tijdens het beleg der stad door keizer Akbar, sneuvelden. In de nabijheid is het graf van een anderen martelaar van de onafhankelijkheid der Radsjpoeten, Ragondeh, tegenwoordig als een heilige vereerd. De laatste poort is een statig, indrukwekkend gebouw: een wijde boog geeft toegang tot de stad; ter wederzijde zijn fraaie wachthuizen, door zuilen gedragen; en boven de poort is de Durri Kana of groote staatsiezaal der Radsjpoeten vorsten. Het was in deze zaal, dat de machtige Kangra Rani, de beschermgodin van Tsjittore, aan den rana Ursi verscheen, en hem de vernedering van zijn doorluchtig geslacht voorspelde. Maar hier is geen enkel brok muur, geen steen bijna, waaraan zich niet eene of andere legende uit den heldentijd hecht, en die niet de herinnering van een schitterend wapenfeit of van eene edele zelfopoffering voor het geheugen terugroept. Deze poort leidde vroeger naar eene groote schitterende stad, de roem van Indië, waarvan nu niets meer over is dan enkele leemen hutten, verloren te midden der bouwvallen van paleizen en praalgebouwen.
Van al deze overblijfselen van vervlogen grootheid, paleizen en tempels, is verreweg het merkwaardigste de Kheerut-Khoemb of Toren der Overwinning van Khoembhoe. Hij werd door den rana van dien naam gebouwd, ter herinnering aan de groote overwinning, die hij op de verbonden legers des sultans van Malwa en Goezerate behaald had. Het eenige monument in geheel Hindostan, dat met dezen toren kan vergeleken worden, is de toren der Overwinning van Koetub te Delhi, die de Kheerut in hoogte, maar niet in schoonheid overtreft. De Kheerut van Tsjittore is een vierkante toren van zeven-en-dertig ellen hoogte; de breedte van iedere zijde is beneden tien el, en boven onder den koepel vijf el; de toren rust op een grondslag of voetstuk van dertien el aan iedere zijde. De vorm van het gebouw is verre van regelmatig; het is verdeeld in negen verdiepingen, waarvan de met zuilen versierde vensters, de balkons en uitspringende lijsten de eenvormigheid der lijnen bevallig breken en eene hoogst gelukkige uitwerking doen. Zoowel het uit- als het inwendige prijkt met duizende standbeelden, bas-reliefs en ornamenten; alle goden van den indischen Olympus zijn hier vertegenwoordigd. De negende verdieping is een lantaarn, waarboven zich een moderne koepel verheft, daar de oude door den bliksem is vernield. In deze verhevene zaal bevonden zich de marmerplaten, waarop de stamboom der Ranas en hunne voornaamste daden waren gebeiteld; het mohammedaansche vandalisme heeft er slechts enkelen van gespaard. Van den top des torens geniet men een overheerlijk uitzicht over de gansche omliggende streek.
Aan den voet van dezen toren bevindt zich een tempel aan Brâma, den onzichtbaren god, gewijd, en mede door Khoembhoe, ter eere van zijn vader Mokul, gesticht. In de nabijheid ligt de Shâr Bâgh of de koninklijke begraafplaats, met de graftomben van al de Ranas, te beginnen met Bappa, den stichter der dynastie (782) tot Oedey-Singh, den laatsten vorst van Tsjittore (1597). Onder deze graftomben zijn er vele, die eene nauwkeurige studie alleszins waardig zijn. Maar waar zou ik eindigen, indien ik al de merkwaardigheden wilde beschrijven van deze aloude hoofdstad, waar nog meer dan driehonderd monumenten, uit een tijdvak van misschien zeven of acht eeuwen afkomstig, verhalen van de vroegere heerlijkheid, thans voor immer ondergegaan?
Men zal zich, na het gezegde, eenigermate een denkbeeld kunnen maken van den geweldigen indruk, dien de rampen van deze stad op de Hindoes moesten maken: eene stad, die gedurende de lange onafhankelijkheidsoorlogen het voornaamste brand- en middelpunt der hindoesche nationaliteit was, en daarbij de trots en de laatste hoop der ridderlijke Radsjpoeten. Nog is deze herinnering levendig in aller gemoed, en de naam van Tsjittore, de ongelukkige stad, zweeft nog steeds op de lippen des volks.
De Hindoes verhalen van drie-en-een-halve _sacas_ (plundering) van Tsjittore, tijdens het bestuur der Radsjpoeten: en wel, een onder Lakumsi, en de twee anderen onder Bikramajit en Oedey-Singh. Luisteren wij een oogenblik naar het verhaal dezer schitterende episoden uit de laatste heldhaftige worsteling voor de onafhankelijkheid van het oude Indië.
De rana Lakumsi besteeg den troon zijner vaderen in het jaar 1275; zijne hoofdstad, tot op dat oogenblik nog door geen vijand vermeesterd, bevatte bijna alles wat er in Hindostan groots en heiligs was overgebleven: Delhi was toen reeds gevallen. Bhimsi, oom des konings en regent gedurende diens minderjarigheid, had de dochter van een edelman van Ceilon gehuwd, eene vrouw van zeldzame schoonheid en zeer uitnemende gaven van geest en hart. De sultan Ala-Oedin-Ghilsy, van de bekoorlijkheden dezer vorstin gehoord hebbende, sloeg het beleg voor Tsjittore, met geen ander doel dan om deze beroemde vrouw, van wier voortreffelijkheid het gansche land gewaagde, voor zich te winnen. De Radsjpoeten verdedigden zich met heldenmoed; en de sultan, wien het lange, hopelooze beleg begon te verdrieten, verklaarde eindelijk te zullen aftrekken, indien het hem slechts eenmaal vergund mocht zijn, het gelaat der schoone Pudmani te aanschouwen. Zijn wensch werd ingewilligd: en Ala, zich verlatende op het eerewoord en de ridderlijke trouw der Radsjpoeten, kwam binnen Tsjittore, werd bij de vorstin toegelaten, en verliet ongedeerd de stad. Bhimsi, zich niet minder edelmoedig willende toonen dan de tartaarsche sultan, begeleidde dezen tot buiten de vestingwerken. Juist daarop had Ala gerekend: de onvoorzichtige Radsjpoet zag zich plotseling overvallen en als gevangene naar het muzelmansche kamp gevoerd. Groot was de verslagenheid in Tsjittore, toen men den volgende morgen vernam, dat Ala zijn gevangene niet wilde loslaten, tenzij hem de prinses werd uitgeleverd. Pudmani aarzelde niet, en maakte aan allen haar besluit kenbaar, zich in handen van den sultan te stellen; maar tegelijk riep zij hare bloedverwanten bijeen en deelde hun het plan mede, dat zij ontworpen had om haar gemaal te redden. Ala werd mitsdien geboodschapt dat de vorstin zijne gevangene zou worden in plaats van Bhimsi: onder voorwaarde evenwel, dat het haar vergund zou zijn, zich tot aan het vijandelijk kamp te doen vergezellen door hare vrouwen en dienstmaagden en door de leden harer familie; en voorts onder de uitdrukkelijke bepaling dat de wetten van de zenanah stipt zouden worden geëerbiedigd. Deze voorwaarden aangenomen zijnde, daalden den volgenden dag zevenhonderd draagstoelen van de rotsige hoogte af; in iederen draagstoel zat, verborgen door de dichte gordijnen, een uitgelezen strijder van de ridderschap van Tsjittore; de vier dragers waren vermomde soldaten. Bij het tartaarsche kamp gekomen, werd aan de gewaande vrouwen, een half uur toegestaan om afscheid te nemen van Pudmani; de in vrijheid gestelde Bhimsi voegde zich bij zijne helden, en beraadslaagde met hen, aan aller oog onttrokken door de gordijnen der draagstoelen. Op een gegeven teeken springen nu de mannen eensklaps te voorschijn; de soldaten van Ala willen hen gevangen nemen. Van de verwarring gebruik makende, werpt Bhimsi zich op een paard en ijlt naar Tsjittore, terwijl zijn makkers zijn terugtocht dekken. De strijd was bloedig; van de heldenschaar der Radsjpoeten keerden maar weinigen in de vesting terug; maar het verlies van Ala-Oedin was zoo groot, dat hij den moed verloor en het beleg opbrak. De indische geschiedschrijvers noemen dit de halve _saca_ van Tsjittore; want hoewel de stad niet genomen werd, had zij toch de bloem van haar ridderschap verloren.
In 1290 keerde Ala-Oedin terug en sloeg nogmaals het beleg voor Tsjittore; ditmaal met het vaste voornemen om deze laatste wijkplaats der afgodendienaars te vernietigen. Meer dan twaalf jaren lang bood de onneembare vesting een heldhaftigen tegenstand; maar eindelijk slaagden de Muzelmannen er in, zich van de hoogte van Tsjittore meester te maken: en nu begrepen de Radsjpoeten dat hun val onvermijdelijk was. De legende verhaalt dat, op dit uiterste oogenblik, de beschermgodin van Tsjittore, de vreeselijke Kangra-Rani, aan den koning Lakumsi verscheen, en tot hem de ontzettende woorden sprak: "Ik begeer koninklijke offers! Dat twaalf gekroonde vorsten hun bloed voor mij vergieten, en uwe nakomelingen zullen over Mewar regeeren!" Den volgenden dag riep de rana Lakumsi, die allen in den strijd was voorgegaan, zijne edelen en de voornaamsten der stad bijeen, en deelde hun de woorden der godin mede; maar de grijsaards trachtten den vorst te overreden, dat zijne overspannen verbeelding hem had misleid. Doch nu verschijnt Kangra-Rani ook voor hunne oogen, en roept hun toe: "Wat baten mij de duizende barbaren, die gij mij ten offer hebt gebracht? ik dorst naar koningsbloed! Laat iederen dag een andere vorst worden gekroond; laat hem getooid worden met de koninklijke insigniën, met de _kirma_ (zonnescherm), met de _sjatta_ (kleine parasol) en de _sjamra_ (waaier); dat hij gedurende drie dagen zijne bevelen uitvaardige, en den vierden dag ten strijde ga en sneuvele. Op deze voorwaarden alleen zal ik met u blijven."--De twaalf zonen van den rana waren aanstonds bereid zich ten offer te wijden, en betwistten elkander de eer wie het eerst ten doode zou gaan. Ursi werd het eerst als koning uitgeroepen: en na eene regeering van vier dagen, sneuvelde hij, strijdende voor Tsjittore. Elf zijner zonen waren aldus voor het vaderland gevallen, toen de rana zelf zijn krijgers verkondigde, dat nu de beurt om te sterven aan hem gekomen was. De laatste zijner zonen, die op uitdrukkelijk bevel van zijn vader, met een zwak geleide, de vesting verlaten had, bereikte gelukkig het Aravalli-gebergte. De Radsjpoeten bereidden zich nu tot den dood: de verschrikkelijke offerande van den johur zou worden voltrokken. De onderaardsche vertrekken van den Rani Bindar werden met brandbare stoffen opgevuld, en daarboven de schatten opgestapeld, die de muzelmansche hebzucht het meest konden prikkelen: de juweelen, de gouden en zilveren vaten en de vrouwen; deze laatsten gingen, ten getale van eenige duizenden, dit levend graf binnen, op het voetspoor van hare vorstin, de onvergelijkelijke Pudmani. Toen liet de rana de poorten der vesting openen, en omstuwd door het overblijfsel zijner helden, wierp hij zich op het leger van Ala; allen werden tot den laatsten man gedood, na onder hunne vijanden eene verschrikkelijke slachting te hebben aangericht. Toen de tartaarsche sultan eindelijk Tsjittore binnentrok, vond hij eene zwijgende, uitgestorven stad, waarboven een akelige zware rookwolk hing, die opsteeg uit de onderaardsche vertrekken, waarin alles, dat zijne begeerlijkheid had opgewekt, door de smeulende vlammen werd verteerd! In zijne woede, vernielde hij alle gebouwen binnen de vesting, met uitzondering van het paleis van Pudmani, de vrouw, die de onschuldige oorzaak was geworden van den val van Tsjittore.
Aldus de legende, die zekerlijk de historische werkelijkheid heeft opgesierd. De tweede verovering der uit hare puinen herrezen hoofdstad had plaats onder de regeering van Bikramajit, omstreeks 1537. De vroegere rampen waren sinds lang vergeten, en onder de glansrijke regeering van den rana Khoembhoe had Tsjittore het toppunt van macht en heerlijkheid bereikt, toen de sultan Bahadoer-Bajazet, de beheerscher van Goezerate, een inval in Mewar deed, om de nederlaag van zijn voorganger Mozuffar te wreken. De rana, een man van een heftig en wantrouwend karakter, door zijne edelen verlaten, die zich in Tsjittore hadden opgesloten, trok moedig den sultan tegen, maar werd verslagen. Onmiddellijk werd nu de hoofdstad belegerd, en Bajazet maakte daarbij gebruik van geschut: een wapen, dat de Radsjpoeten tot dusverre hadden versmaad. Volgens de verhalen van dien tijd, werd de muzelmansche artillerie gekommandeerd door een Europeaan: Labri Khan van Frenghân, waarschijnlijk een deserteur van de vloot van Vasco De Gama. Hij liet mijnen rondom de vesting aanleggen; en eene daarvan had eene zoo geweldige uitwerking, dat de wal over eene lengte van veertig ellebogen instortte, benevens een bolwerk, waarvan al de verdedigers omkwamen. De radsjpoeten edellieden boden een hardnekkigen tegenstand, en riepen, bij afwezigheid van den rana, een der prinsen van het koninklijk geslacht tot koning uit; deze, met de teekenen der souvereine waardigheid bekleed, begaf zich naar den muur en liet zich dooden, ten einde door dit offer de vertoornde godheid te verzoenen. Onder de vele bewijzen van schitterenden heldenmoed, waarvan ook dit beleg wederom getuige was, roemen de nationale barden bovenal het gedrag van de koningin-moeder, Jowahir-Baï, die, van top tot teen gewapend, zelf aan het hoofd eener gewapende bende, een uitval deed en sneuvelde, na met eigen hand eene menigte vijanden te hebben omgebracht. Eindelijk was langer tegenstand onmogelijk geworden; de vijand heeft bijna den wal vermeesterd; de vreeselijke plechtigheid van den johur zal wederom worden gevierd; maar de tijd ontbreekt om een brandstapel op te richten; de koningin Kurnavati en dertienduizend vrouwen vereenigen zich op eene ondermijnde rots: de lont wordt aan het kruid gelegd; en, na aldus hunne eer en hunne dierbaarste panden gered te hebben, ijlen de mannen naar de laatste worsteling, waaruit geen hunner keert. Bajazet werd, bij het gezicht dezer brandende, met dooden en stervenden opgevulde stad, van afschuw bevangen, en verliet haar zoo spoedig mogelijk.