Schetsen Uit De Indische Vorstenlanden De Aarde En Haar Volken

Chapter 6

Chapter 63,695 wordsPublic domain

Het hof zal eerst den volgenden dag op reis gaan; de majoor, dokter Cunningham, mijn reisgezel en ik zullen den nacht doorbrengen in een huis buiten den Guirwô, en den volgenden morgen naar de bergen van Nahrmoegra, de algemeene verzamelplaats, trekken. Tegen twee uur, worden wij in twee open calèches, ieder met zes paarden bespannen afgehaald; de zweepen klappen, en wij vertrekken in vliegenden draf, gevolgd door een eskadron lanciers van den rana. Voor wij de bergengte bereiken, die naar de vlakte van Mewar voert, geleidt de majoor ons naar het meer Oedey-Sâgur, aan het uiteinde van den Guirwô, tegenover Oodipoor, gelegen: een schilderachtige waterkom, door donkere wouden omzoomd, en aan drie zijden beheerscht door de toppen van de Aravallis, die aan geheel het landschap een verheven ernstig voorkomen geven. Evenals het meer Petsjola is ook dit meer kunstmatig gevormd, door afdamming van de rivier Bunas, een op zich zelf zeer onbeduidend stroompje, dat op die wijze twee der fraaiste meren van Indië, op eenige mijlen afstands van elkander gelegen, voedt. De dijken van de meren Oedey-Sâgur en Petsjola verdienen met eere genoemd te worden onder de groote werken, door de Radsjpoeten tot stand gebracht. De dijk van Petsjola heeft een omtrek van twee kilometers; het door den dijk omsloten meer ligt tien of twaalf el boven den bodem der vallei, en bevat eene watermassa, die gerust op meer dan twee milliards kubiek el kan worden geschat; de dijk is zoo stevig aangelegd, dat hij eene gansche stadswijk dragen kan. De _bánd_ van Oedey-Sâgur is zeshonderd el lang en gemiddeld twintig el hoog; de watervlakte heeft eene lengte van vier en eene breedte van drie kilometers: de gemiddelde diepte bedraagt tien el. De dijk is van steen gebouwd, met trappen en kiosken voorzien; op de kruin verheft zich een fraai zomerpaleis. Deze kunstmatige meren hebben evenwel nog eene andere bestemming, dan om louter tot verfraaiing van het landschap te dienen. Men vindt ze overal door geheel Radsjpoetana, dat voornamelijk aan hen zijne buitengewone vruchtbaarheid dankt; het water, aldus opgesloten in een bekken, dat eenige ellen boven den beganen grond ligt, onderhoudt, vooral in het droge jaargetijde, eene weldadige frischheid en vochtigheid, en voedt de putten en bronnen der naburige dorpen. Verbreek de dijken dezer meren, en de rivieren, die ze vormen, zullen weder worden wat zij vroeger waren: woedende, vernielende bergstroomen in den regentijd, in het overige van het jaar droge, dorre ravijnen; en deze nu zoo vruchtbare vlakten zullen, binnen weinige jaren, weder terugkeeren tot de woestijn, waaraan zij zijn ontwoekerd. De volken, die elkander in het bezit dezer landen, en over het algemeen van Centraal-Indië zijn opgevolgd, hebben, van de vroegste tijden, het nut dezer kunstmatige meren erkend; overal hebben zij het water door reusachtige afdammingen opgehouden, om het vervolgens naar hun wil en keus te geleiden. Sommigen van deze waterwerken zijn duizende jaren oud, en wekken nog, door hun grootschen aanleg, de bewondering der reizigers op; velen zijn echter sedert vervallen, en alom waar dit, door de zorgeloosheid der regeeringen, is geschied, is het land tot een wildernis geworden.

Na ons bezoek aan het meer, keeren wij naar den grooten weg terug, en bereiken, tegen steile hellingen opklauterende, den ingang van den bergpas van Dobarri. Ter wederzijde verheffen zich hooge rotswanden, die slechts een weg van weinige ellen breed vrijlaten; de plek draagt den stempel van eene wilde grootschheid, wel geschikt om een diepen indruk te maken. In deze kronkelende bergengten heerscht eene ongestoorde stilte: de steile rotswanden, die loodrecht uit de omringende afgronden oprijzen, maken zelfs voor dieren den toegang bijna onmogelijk. Op het smalste punt van den pas bevindt zich eene versterkte poort, van bolwerken voorzien en gedekt door wallen, die langs de hellingen naar boven loopen; in een paviljoen nevens de poort is een militaire wacht geplaatst, die niemand doorlaat dan na voorafgaand onderzoek; op korten afstand ziet men een tempel en een waterbron, waar de pelgrims komen uitrusten.

Wij gaan de poort door, en overzien de rijke en vruchtbare vlakten van Mewar: aan den horizon verheffen zich de bergen van Tsjittore, de oude stad der Ranas. Op de plek, waar wij ons nu bevinden, stond, volgens de overlevering, ook eenmaal Pertap-Singh, en wierp een blik op zijn voorvaderlijk koninkrijk, door de vreemdelingen overweldigd, aan wie hij hier een eeuwigen haat zwoer. Door de mohammedaansche keizers van Delhi verdreven en van zijne bezittingen beroofd, bleef Pertap niets meer over dan het enge gebied, binnen den kring van den Guirwô ingesloten; toch bleef hij onverzettelijk de vredesvoorstellen der Mongolen afslaan, die hem, tegen den vrijwilligen afstand zijner souvereiniteitsrechten, eer en schatten aanboden; hij verklaarde hun een onverzoenlijken krijg. Met een handvol edelen, die hem getrouw waren gebleven, en de hulp der wilde Bhîls, weerstond hij, aan de bergengte van Dobarri, de herhaalde aanvallen der keizerlijke legers, en wist het, door onbezweken heldenmoed en schier bovenmenschelijke inspanning, zoover te brengen dat hij langzamerhand geheel Mewar herwon. Weinig natiën kunnen op eene geschiedenis bogen, zoo rijk aan heldendaden, zoo luide getuigende van zelfopofferende vaderlandsliefde, als die der Radspoeten van Mewar; van alle indische stammen waren zij de eenigen, die volstandig weigerden, de knie te buigen voor de Muzelmannen, en te midden van gruwelijke vervolgingen en verdelgingsoorlogen hunne fiere onafhankelijkheid wisten te bewaren.

Het landschap, dat ons omringt, verhoogt de belangstelling, waarmede wij naar het verhaal van majoor Nixon luisteren; de radsjpoet ruiters, die ons vergezellen, verheffen zich trotscher in den zadel, nu zij den grond betreden, zoo menigmalen door het bloed hunner heldhaftige voorvaderen gedrenkt, en ik zelf kan zekere aandoening, bij de herinnering aan dit verleden, niet onderdrukken.

Wij worden weldra uit onze mijmering gewekt door het gezicht van de bungalow van Dubock, waar onze bedienden reeds zijn aangekomen en waar ons een goed middagmaal wacht. Dubock is een klein dorp, aan den zuidelijken uitloop van de Nahrmoegraketen (Tijgergebergte), en slechts eenige mijlen van onze verzamelplaats verwijderd. Wij brengen hier den nacht door.

Den volgenden morgen breken onze lieden reeds vroegtijdig het kamp op, en trekken naar het dorp Nahrmoegra; in plaats van den gewonen weg te volgen, gaven wij de voorkeur aan den tocht over de bergvlakten, om nauwkeurig bekend te worden met de gesteldheid der streek, waar wij de volgende dagen ter jacht zullen gaan. De Nahrmoegrabergen vormen eene kleine keten, die over eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen evenwijdig aan de oostelijke bergketen van den Guirwô loopt; zij zijn van deze laatste gescheiden door eene tamelijk breede vallei, met op zich zelf staande hoogten bezaaid. De hellingen van het gebergte loopen in eene menigte voorsprongen uit, die op wonderlijke wijze als door elkander zijn geworpen en een bijkans ondoordringbaar net van kloven en diepten en ravijnen vormen. De zijden der bergen zijn geheel bedekt met dicht kreupelhout, bestaande uit een soort van kleinen, doornige acacia, _Acacia detinens_, die zelden hooger wordt dan drie el, en eene groote menigte gele bessen voortbrengt, die eene lekkernij zijn voor de wilde zwijnen. Gansche kudden van deze dieren houden zich in die bosschen op, veilig onder de bijzondere bescherming des konings: zonder uitdrukkelijke vergunning van den rana mag niemand hier in den omtrek een geweer afschieten, veel minder jagen. Terwijl wij door het dichte hout voorttrekken, zien wij dan ook overal troepen wilde zwijnen, die bij onze nadering op de vlucht gaan. Het dorp Nahrmoegra ligt aan het noordelijk uiteinde van de bergketen; een sierlijk paleis, waarvan de koepels en torens zich boven het geboomte verheffen, dient den Rajah tot verblijf gedurende den jachttijd.

Bij onze aankomst vinden wij het kamp der jagers reeds geheel kompleet; nabij het paleis zijn onze tenten geplaatst, die eene aanzienlijke oppervlakte beslaan. Aan de overzijde van een klein ravijn staan de gekleurde tenten van het gevolg van den rana, de stallen der olifanten, en de barakken der kavalerie en van de twee regimenten infanterie, die als drijvers dienst zullen doen. Meer dan tienduizend menschen zijn nu bijeen in dit doorgaans zoo stille en rustige oord; uit het kamp gaat een oorverdoovend gerucht op: toch schijnt er de meest volmaakte orde te heerschen. De etiquette wordt hier niet minder streng in acht genomen dan aan het hof zelf; eene deputatie van edellieden komt ons, met groote staatsie, uit naam van den rana begroeten en ons het programma der feesten ter hand stellen, die gedurende de veertien dagen, dat de jachtpartij duurt, zullen plaats hebben. De bayaderen hebben den last ontvangen, hare tenten in de nabijheid van die der vreemde heeren op te slaan. In den loop van den avond verschijnt de Rana, dien wij in het paleis afwachten; hij voert ons zelf door zijne woning rond, die inderdaad door eenvoud en smaak uitmunt.

Den 20sten, des middags, heeft de plechtige opening der jaarlijksche jacht plaats. De rana, op zijn olifant gezeten, verlaat zijn paleis, omstuwd door een koor van barden, die toepasselijke liederen aanheffen en groote palmtakken, met rozen versierd, zwaaien. De opperjagermeester, Maharaj Singjee, op een rijk opgetuigde kameel gezeten, volgt te midden der schaar van bedienden; achter hen komen de edelen en de genoodigden, ieder op een olifant; een talrijke schaar van Radsjpoeten te paard sluit den trein. De stoet trekt langzaam voort, te midden van eene menigte van dorpelingen en landlieden, van alle kanten saamgestroomd, om getuige te zijn van deze plechtigheid. Op een mijl afstands van het dorp gekomen, wijst de rana de personen aan, die de hooge eer zullen hebben met hem zelf te mogen jagen: die bevoorrechten zijn de resident, de dokter, mijn reismakker en ik, benevens de beide raos van Baidlah en Pursaoli; al de anderen zullen zich eenvoudig tot de rol van toeschouwer bepalen. Dit aldus geregeld en de jacht nu geopend zijnde, verspreiden de drijvers zich in de vlakte en jagen een troep wilde zwijnen op, die langs de olifanten heenloopen; vier liggen weldra ter aarde; deze buit wordt voor den eersten dag voldoende gerekend; de stoet schaart zich weder in orde en keert naar het kamp terug. Aan den ingang van het paleis komen de bayaderen, in hare fraaiste kleederen uitgedost, ons geluk wenschen met den behaalden buit.

De vier volgende dagen waren hoofdzakelijk gewijd aan eene soort van drijfjacht in de vlakte, om het wild naar het gebergte te drijven. Geen schilderachtiger aanblik, dan de lange lijn van olifanten, te midden der ruiters, zich in de vlakte ontplooiende; de reusachtige dieren, behangen met fraaie dekkleeden, uit de huiden hunner voorgangers vervaardigd, verheffen zich boven het kreupelhout als wandelende torens, en schrijden rustig en met vasten tred voort, dwars door de doornige struiken. Nooit komt de gevatheid en het merkwaardige instinkt van den olifant treffender uit, dan bij het nazetten der gewonde dieren. De wilde zwijnen hollen bij troepen langs de jagers heen; zoodra er een gewond is, verwijdert hij zich van de troep, en verschuilt zich in het dichte kreupelhout. Daar ieder gewond dier van rechtswege toebehoort aan den jager, die het 't eerst getroffen heeft, moet deze zich van de groep zijner makkers afzonderen en zijn wild gaan opsporen. Daarbij dient de olifant, dien hij berijdt, hem als speurhond; onvermoeid volgt het dier het spoor, van tijd tot tijd snuffelende, waar het wilde zwijn geloopen heeft; de gang van den olifant is zoo zacht, dat hij dikwijls langs de schuwste dieren heen gaat, zonder dat deze hem gewaar worden. Het is mij meermalen gebeurd, dat ik, op een olifant gezeten, het spoor van een of ander wild volgende, op weinige schreden afstands een troep damherten zag, die rustig bleven doorgrazen. In de nabijheid van het gewonde dier gekomen, staat de olifant eensklaps stil; en dikwijls kunt ge eerst na scherp rondzien het arme opgejaagde wilde zwijn ontdekken, gewond tusschen de struiken neergezonken; een kogel maakt een einde aan zijn lijden, en de olifant verkondigt de zegepraal door een luiden vreugdekreet.

Den 24sten kwamen de shikaris ons verwittigen, dat de _hankh_ of de jachten in het gebergte een aanvang konden nemen; volgens hunne verzekeringen hadden de dieren, verschrikt door onze drijfjachten, zich in grooten getale in de boschrijke kloven en ravijnen verscholen. Dadelijk werd het plan voor den veldtocht vastgesteld; wij zouden aan de zuidelijke punt van de bergketen beginnen, en aldus voortgaan tot den bergpas achter ons kamp, waar de laatste groote jacht zou plaats hebben.

Den volgenden morgen trok de jachtstoet naar Dubock, en vandaar naar de _houdi_, waarin wij de jacht zouden bijwonen. Deze houdis zijn een soort van kleine bolwerken, doorgaans aan den ingang van een dal of ravijn opgeworpen, zoodat het vuur der jagers de vallei geheel bestrijkt. Alles is hier voor ons gemak ingericht: sierlijke leuningstoelen staan gereed voor den rana en de genoodigden; bier, champagne, limonade met ijs en andere ververschingen zijn in overvloed voorhanden. Deze manier van jagen is zeker wel de minst vermoeiende, die men zich denken kan. Achter iederen jager staan twee shikaris, met eene geheele batterij van geweren; een hunner is belast met het laden der geweren, terwijl de andere ze aan den jager ter hand stelt, naarmate hij ze noodig heeft.

De houdi van Dubock is allerfraaist gelegen, beschaduwd door een groep hoog geboomte, aan den rand van een diep dal; de vlakte en het gebergte der Aravallis liggen in een wijd panorama voor ons. De drijvers, die vooruit zijn vertrokken, hebben zich ten getale van drieduizend man in het gebergte verspreid en alle hoogten bezet; het opgejaagde wild blijft geen andere uitweg over, dan het smalle dal aan onzen voet. Weldra klinkt ons uit de verte een luid gerucht tegen; uit het kreupelhout schettert en dreunt het oorverdoovend geraas van gongs, trompetten en tamtams. Eenige oogenblikken later ruischt en kraakt het in de struiken, en een troep wilde zwijnen stormt in het dal: zij zijn ongeveer ten getale van twintig en blijkbaar zeer verschrikt. Binnen het bereik onzer geweren gekomen, worden zij door onze kogels begroet; enkelen storten neder; anderen keeren naar het gebergte terug; sommigen zijn verstandig genoeg om hun weg te vervolgen en bereiken ongedeerd de vlakte. Na verloop van een half uur is de verwarring onbeschrijfelijk; de wilde zwijnen verdringen zich bij honderden in de smalle kloof, en het vuur van de houdi zwijgt geen oogenblik. Jakhalzen, hyenas vluchten in wilde warreling met de evers; al deze arme dieren zijn door een panischen schrik bevangen en loopen blindelings in hun verderf. Langzaam en voorzichtig treedt een panter te voorschijn; hij poogt de rotsen te beklimmen, en zoo achter de noodlottige houdi heen te komen: maar weldra tuimelt hij, door onderscheidene kogels getroffen, in de diepte, onder het luide gejuich der Radsjpoeten.

Eindelijk komen de drijvers terug; de jacht is afgeloopen. Wij dalen in de vallei af om het wild te onderzoeken. Het schouwspel is inderdaad afschuwelijk: de gedoode dieren liggen in schrikkelijke wanorde op en over elkander; breede bloedplassen bedekken den rotsigen bodem. Meer dan veertig wilde zwijnen, een vijftiental jakhalzen, hyenas en wilde honden, en een panter: ziedaar de buit, in anderhalf uur behaald. Mijne belangstelling wordt vooral opgewekt door de wilde honden, waarvan ik dikwijls had hooren spreken, maar die ik nog nooit had gezien. Zij zijn ongeveer zoo groot als een jakhals, op wien zij veel gelijken, ook door den vorm van hun kop; maar hun haar is korter, vaalbruin van kleur, en hun staart kaal. Het geblaf van den wilden hond komt overeen met dat van den gewonen huishond, maar is ruwer en heeft een onaangenamen, klagenden toon. In talrijke groepen vereenigd, maken deze dieren jacht op de herten en antilopen, die zij zonder veel moeite weten machtig te worden; den mensch vallen zij nooit aan. Zelfs zeer jong gevangen, worden zij nooit recht tam.

Ons leven in het kamp van Nahrmoegra is eene opeenvolging van feesten; om daarvan een denkbeeld te geven, zal ik beschrijven hoe wij in den regel den dag doorbrengen.

Onze tenten, die tot slaapkamers dienen, zijn in een wijden kring geschaard om twee groote tenten of liever gebouwen van tentdoek, van verandahs omgeven en met de grootste weelderigheid gemeubeld; een daarvan is de eetzaal, de andere is de algemeene salon, waar alle leden van het gezelschap elkander ontmoeten. Ten zes uur in den morgen komen de bedienden ons wekken met een glas sherry; opgestaan zijnde, trek ik mijne kleederen uit, en ga, met een eenvoudigen _janghir_, een korten nauwsluitenden broek, gekleed, naar buiten. Daar zet ik mij neder op een bos stroo, en breng mijn eersten groet aan mijne makkers, die, in hetzelfde kostuum uitgedost, in dezelfde houding, voor hunne tenten zitten; de _Bhistis_ naderen met hunne zakken ijswater en dienen ons een stortbad toe. Eenige minuten later zijn wij, in een deftiger kostuum, vergaderd rondom de tafel in de _Mess-Tent_, de eetzaal, waar een stevig eerste ontbijt staat aangericht. Vroolijk pratende en keuvelende, heerlijke _tsjeroets_ van Manilla rookende, gaat de tijd al ras voorbij; vervolgens stijgen wij te paard en gaan een toertje in den omtrek maken, onderwijl eenige ganzen en flamingo's schietende. Ten elf uur wordt op nieuw toilet gemaakt, en het tweede ontbijt gebruikt: de bedienden van den rana brengen ons daarbij dagelijks een deel van den koninklijken maaltijd. Twee deurwaarders met gouden staven wandelen aan de spits van dezen langen stoet van bedienden, die schotels aandragen met de meest verschillende spijzen beladen. Naar dit proefje van het dejeuner van den rana te oordeelen, moet die vorst met eene merkwaardigen eetlust begaafd zijn; waarschijnlijk zal echter zijn persoonlijk aandeel wel geringer zijn dan de voor ons bestemde porties. De gerechten van dit ontbijt bestaan in gebraden vleesch, wilde-zwijnen pooten, reeënbouten, sterkgekruide ragouts en zoogenaamde _curries_; enkele van deze schotels zouden eener aanzienlijke tafel in Europa geen oneer aandoen. De _pickles_ van allerlei soort, suikergoed en gebak vullen zoowat een dozijn schotels. Natuurlijk raken wij slechts even, voor den vorm, aan dit monster-dejeuner, dat verder aan onze bedienden wordt overgelaten. Het midden van den dag is aan de jacht gewijd. Ten vier uur, na ons nogmaals door een stortbad verkwikt en opgefrischt te hebben, ontvangen wij het bezoek van de indische edellieden, die over allerlei zaken met ons komen spreken. Het middagmaal duurt, naar de algemeene gewoonte in Hindostan, zeer lang, omdat ook hier het engelsche gebruik gevolgd wordt om na afloop der tafel nog te blijven drinken; de bayaderen, de goochelaars en het vuurwerk houden ons daarna tot middernacht bezig.

Den 30sten tijgen wij voor het laatst ter jacht; des avonds is er groot feest in het paleis, ten besluite der jachten van Nahrmoegra. Den volgenden morgen keerden wij naar Oodipoor.

VI.

De maand Februari ging voorbij met de verschillende feesten van den Holi, het lentefeest en tevens het indische carnaval, waarbij de uitgelatenste vroolijkheid en ook de ergerlijkste zedeloosheid en dartelheid allerwege den boventoon voeren. De rana had ons overgehaald tot na den afloop dezer feesten en die van de godin Goeri, te Oodipoor te blijven; nu echter stond mijn besluit om te vertrekken onwrikbaar vast. Wij hadden ons afscheidsbezoek bij den rana gebracht, en alle toebereidselen voor de reis waren voltooid. De rana had de beleefdheid gehad zijne kameelen te onzer beschikking te stellen: maar de vakil, de stalmeester, had--ik weet zelf niet waarom--ons allerlei moeilijkheden in den weg gelegd. Hij zond ons kreupele, onhandelbare of zwakke dieren, die wij niet konden gebruiken. Eindelijk gaf ik hem te kennen dat ik mij tot den resident of des noods tot den rana zelf zou wenden; dit hielp: en weldra had ik nu vijftien sterke kameelen tot mijnen dienst, die onze bagage, onze bedienden en onze tenten moesten vervoeren; twee uitnemende dromedarissen zullen ons dienen om daarop te rijden. Ons geleide bestaat uit twaalf sowars; onze bedienden en de kameeldrijvers daarbij geteld, is onze karavaan meer dan veertig personen sterk.

In den vroegen morgen van den 5den Maart, zond ik al mijn volkje vooruit naar Dubock; bij het vertrek heerscht de meest volslagen wanorde, zooals trouwens hier doorgaans het geval is. Wij ontbijten voor het laatst bij den resident; al onze goede vrienden zitten nog eens met ons aan tafel. Eindelijk--een laatste handdruk, en dan vaarwel! Wij springen in het zadel en rijden in galop weg; na een rit van een uur bereiken wij de bergpassen van Dobarri. Nog eenmaal wierpen wij een blik op het landschap achter ons: daar lag de rijke, heerlijke vallei met hare bosschen, hare vruchtbare velden, hare lachende dorpen; het riviertje de Bairis baande zich kronkelend een weg tusschen de rotsen. In de verte Oodipoor, de stad van de rijzende zon, met haar diadeem van paleizen, rustende tegen de Aravallis, wier prachtige grootsche lijnen zich krachtig in de blauwe lucht afteekenden. Wij trekken de bergengte door, en hebben de grenzen van den Guirwô overschreden; voor ons ontvouwt zich het panorama der vlakten van Mewar, ten oosten begrensd door eene schemerende blauwe lijn, de bergen van Tsjittore.

Wij bereiken de bungalow van Dubock, waarbij ons kamp is opgeslagen. Nauwelijks zijn wij daar aangekomen, of twee _harkaras_ of boden van den rana komen ons de _purwanas_ of firmans ter hand stellen, die de koning ons had beloofd. Deze purwanas zijn gericht aan de thakoers of baronnen, aan de kotwals of bevelhebbers der steden, aan de patels of dorpshoofden, en houden den last in, vooreerst, dat wij behandeld moeten worden met al den eerbied, dien men aan vrienden van den maha-rana verschuldigd is; voorts, dat ons dadelijk, zonder eenige vergoeding, de _rassâd_ voor ons en onze lieden moet worden verschaft. Onder dezen _rassâd_ verstaat men zoowel de noodige levensmiddelen als de koelies. Op mijn bevel moet dit alles, op de verschillende plaatsen waar wij ons ophouden, worden geleverd; het dorpshoofd maakt dan eene lijst op der geleverde goederen, die door mij wordt geteekend en vervolgens aan den minister van den rana ter hand gesteld, die voor de betaling zorgt. De purwana voegt daarbij, dat, aangezien de sahibs reizen om het land te leeren kennen, elk gehouden is hun alle merkwaardigheden aan te wijzen, en hun alle verlangde inlichtingen te geven omtrent de zeden, de overleveringen en legenden der streek. Deze laatste bijvoeging is van groot gewicht: want daar de inlanders altijd bevreesd zijn op eene of andere manier in onaangenaamheid te geraken, antwoorden zij zonder zulk een bevel steeds ontwijkend op al uwe vragen en houden zich als wisten zij van niets. De beide harkaras, die ons zullen vergezellen, moeten voor de goede naleving der firmans zorgen.