Schetsen Uit De Indische Vorstenlanden De Aarde En Haar Volken

Chapter 5

Chapter 53,325 wordsPublic domain

Na een eenvoudig ontbijt, dat wij in een der kiosken nuttigden, namen wij den terugtocht aan. Van hier omvat men, met een enkelen blik, de geheele reeks der paleizen van Oodipoor. Vooreerst, aan het uiteinde van den heuvel, het paleis van Oemra, dat tegenwoordig niet meer bewoond wordt; dan het paleis van den regeerenden Rana, met de Rosana, het vrouwenverblijf, waarvan de kolossale muur tot aan den oever van het meer reikt, en zijne lommerrijke tuinen, bezaaid met kiosken; en eindelijk de stad, half wegschuilende achter een woud van groote boomen. Dat gezicht is zeker een der fraaiste van geheel Indië.

Bij het uitstappen aan de kaai, wijst men ons de staatsiebooten van den Rana: groote, zeer sierlijke gondels, waarin ongeveer een honderdtal personen plaats kunnen vinden. De achtersteven stijgt, terrasgewijze, tot eene aanmerkelijke hoogte: op het hoogste terras staat de troonzetel van den Rana. De voorsteven is versierd met de beelden van paarden of pauwen, die uit het water schijnen op te rijzen.

Onze nieuwe vriend, de Rao van Baidlah, wist ons zoo, gedurende eenige dagen, telkens nieuwe uitspanningen te bezorgen; maar van onze audiëntie kwam nog niets. Eindelijk werd ik, op zekeren morgen, gewekt door kanonschoten, die de lang verwachte terugkomst verkondigden van majoor Nixon, den engelschen resident bij het hof van den Maha-Rana. Ik schreef hem dadelijk, en zond hem mijne aanbevelingsbrieven; een half uur later zaten wij te zamen aan het ontbijt. De koele wijze, waarop men ons tot dusver behandeld had, scheen hem volstrekt niet te verwonderen; volgens hem, had men ons waarschijnlijk voor russische spionnen aangezien. Hij drong er evenwel op aan, dat wij ons verblijf zouden verlengen, en gaf de stellige verzekering, dat hij ons aan den Rana zou voorstellen, aan wiens hof wij zeker niet minder te zien en op te merken zouden vinden dan aan dat van Baroda. De majoor liet niet af, voor wij andermaal onzen intrek in de residentie hadden genomen, en stelde ons nog dien avond voor aan twee engelsche officieren, den ingenieur en den dokter, die met hem het geheele europeesche personeel der ambassade uitmaakten. Ik bracht in gezelschap van die heeren een genotvollen avond door.

IV.

Zooals ik vermoed had, bracht de komst van den engelschen resident eene groote verandering in onze positie te Oodipoor. De rana, officiëel van onze komst onderricht, kon ons nu niet langer voor russische spionnen aanzien, die gekomen waren om hem in eene of andere gevaarlijke samenzwering te wikkelen, maar toonde zich bereid ons als gewone fransche reizigers te ontvangen. De majoor Nixon wilde ons zelf aan den vorst voorstellen, en stond er op, dat de eerste audiëntie zoo statig mogelijk zou zijn. In een hofrijtuig gezeten, door eene eerewacht begeleid, reden wij van de britsche residentie naar het paleis. Voor de hoofdpoort stonden de soldaten der koninklijke lijfwacht en presenteerden het geweer; wij stapten af op het ruime voorplein; de rao van Baidlah, die ons in naam van den maha-rana ontvangen moest, wachtte ons op het bordes op.

Eer ik de tsjoebdars met gouden staven volg, die ons naar de troonzaal moeten geleiden, sta ik een oogenblik stil, om deze wonderschoone vorstenwoning te beschouwen, waarvan de toegang mij zoolang verboden bleef: hooge muren, van vensters met steenen traliewerk voorzien; torens, met sierlijke koepels gekroond; galerijen, tot bijkans duizelingwekkende hoogte boven elkander oprijzende:--en dat alles van wit marmer, overdekt met het weelderigste beeldhouwwerk. De aanblik had iets tooverachtigs; het was een fantastisch geheel, schijnbaar zonder orde en harmonie, maar toch zoo schoon, dat de herinnering daaraan niet licht wijken zal.

Doch ik kan deze wonderen slechts met een vluchtigen blik overzien: wij volgen den majoor door lange, overwelfde, koele galerijen, die, zachtkens stijgende, ons naar de bovenverdiepingen voeren. De rana zal ons in den vollen durbar ontvangen: eene hooge eere! durbar noemt men in geheel Hindostan eene plechtige audiëntie bij den rajah, waarbij ook de voornaamste edellieden, de groot-dignitarissen van het hof en staatsdienaars tegenwoordig zijn; bij uitbreiding wordt het woord soms wel van den souverein zelf gebruikt, als hij groote publieke ceremoniën met zijne tegenwoordigheid vereert.--Een der binnenplaatsen op de bovenverdieping is tot troonzaal ingericht; een groot zeildoek keert de felle zonnestralen. De deurwaarders kondigen onze komst aan; de koning zit op een zilveren troon, door gouden leeuwen gedragen; zijne hovelingen en edelen zijn ter wederzijde in een halven kring geschaard. Zoodra wij de zaal binnentreden, rijst de koning van zijn troon op, en gaat ons enkele schreden te gemoet; hij reikt ons de hand, en wij zetten ons nevens hem op zilveren leuningstoelen neder.

Samboe-Singh was toen, zoo als ik reeds zeide, achttien of negentien jaar oud; hij ziet er vriendelijk en goed uit, maar zijne trekken missen die fijnheid, dat scherp geteekende, dat anders den leden van zijn geslacht doorgaans eigen is; zijne manieren zijn vriendelijk, voorkomend en toch vol waardigheid; hij schijnt een echt gentleman. Met groote hoffelijkheid verontschuldigt hij zich over de teleurstelling, die hij ons door het lange uitstel dezer audiëntie heeft veroorzaakt: redenen van zuiver staatkundigen aard hebben hem belet vroeger aan ons verzoek gevolg te geven. Hij luistert met groote belangstelling naar hetgeen ik hem omtrent het doel mijner reis verhaal, doet mij allerlei vragen aangaande Frankrijk, en drukt eindelijk zijne verwachting uit, dat ik mijn verblijf te Oodipoor nog eenigen tijd rekken zal. Wanneer wij opstaan om de zaal te verlaten, ontvangen wij--de resident, mijn reismakker en ik--uit handen van den rana zelf, het bosje betelbladeren, _bîra_ genaamd, en besprenkelt hij zelf onze zakdoeken met eenige druppelen rozenolie. Deze ceremonie, die aan alle indische hoven bij het afscheid nemen gebruikelijk is, heeft hier eene dubbele beteekenis: alleen vorsten van hoogen stam, beroemde veldoversten of zeer aanzienlijke vreemdelingen plegen de bîra uit handen van den maha-rana van Oodipoor te ontvangen. Zulk een eerbewijs geldt bijna als een adelbrief. Ik steek de beroemde bîra eerbiedig in mijn zak, en wij keeren naar het rijtuig terug, gevolgd door de edelen, die ons tot aan de voorplaats uitgeleide doen.

Het paleis van Oodipoor, misschien het grootste en prachtigste van geheel Hindostan, beslaat den top van een tamelijk hoogen heuvel, die evenwijdig aan het meer, van het oosten naar het westen loopt. Daar de kruin des heuvels zeer smal is, hebben de indische architecten aan de eene zijde een groot terras of platform uitgebouwd, dat door drie rijen bogen en gewelven boven elkander gedragen wordt: een ware reuzenarbeid. Gedeeltelijk is het paleis op dit terras opgetrokken; het overige vormt eene groote ruime binnenplaats, waarop de kazernen en de stallen der olifanten zijn geplaatst.

De gezamenlijke paleizen, sedert de dagen van Oemra-Singh tot op die van Sirdar-Singh gebouwd, en wier lengte te zamen meer dan drie kilometers bedraagt, zijn in een dubbelen muur gevat. De hoofdingang is aan de zijde der stad: eene prachtige marmeren poort, met drie rijk gebeeldhouwde doorgangen, en met eene rijke attika gekroond; de paneelen, de balkons, de koepels zijn met smaak versierd. Deze poort voert naar de groote binnenplaats, aan twee zijden door de koninklijke vertrekken ingesloten; de muren zijn op de verschillende verdiepingen met gebeeldhouwde galerijen versierd; in de hoeken verrijzen bevallige achtkantige torens, met koepels gekroond. De hoogte van het gebouw bedraagt zeven-en-dertig el, maar de glans van het schitterend witte marmer, waarvan het geheel is opgetrokken, en de eenvoudig-grootsche stijl der architectuur maken zulk een overweldigenden indruk, dat ge aanvankelijk het paleis voor veel hooger aanziet.

Aan het uiteinde van dezen hof bevindt zich eene groote deur, die zorgvuldig gesloten en door soldaten van de lijfwacht bewaard wordt: dat is de ingang van de zenanah of het vrouwenverblijf; niemand dan rana of de leden zijner familie mag dit gedeelte van het paleis bezoeken. Boven de poort prijkt het meer dan levensgroote standbeeld van Ganesa, den god der wijsheid.

Het inwendige van het paleis beantwoordt volkomen aan de grootste pracht van het uiterlijke, en tevens aan de eigenaardige behoeften van het tropische klimaat; lange, schemerachtige, zacht-hellende gangen en galerijen vervangen onze trappen, en voeren van de eene verdieping naar de andere: de ruime, luchtige, goed verlichte zalen zijn geheel met gepolijst marmer van verschillende kleur bekleed, hetgeen niet alleen zeer fraai staat, maar ook tot de frischheid der vertrekken bijdraagt; overal binnenplaatsen, hoven, fonteinen, bloemen. De groote vertrekken zijn met draperiën behangen; zachte kussens, wollige tapijten bedekten den vloer; de wanden, schitteren van mozaïek en van ivoor, parelmoer en kostbare steenen; spiegels en veelkleurige fresko's verhoogen die pracht. Een der zalen is op zeer eigenaardige wijze versierd, en perst den europeeschen bezoeker onwillekeurig een glimlach af: de wanden zijn geheel bedekt met europeesche borden, schoteltjes, glazen, bobèches, enz.;--het gemeenste glas- of aardewerk prijkt hier naast het kostbaarste saksische porselein of het fraaiste boheemsche kristal: de indische kunstenaar heeft niet gelet op de innerlijke waarde van al dit huisraad, maar enkel op de kleur: en met den hem aangeboren takt is hij er in geslaagd van deze wonderlijke, zoozeer heterogene elementen een niet onbevallig geheel samen te stellen, dat althans door het ongewone treft. De fresko's op de muren en zolderingen van sommige vertrekken zijn van groote, voor 't minst historische waarde. Men vindt hier de portretten van al de ranas, te beginnen met Oedey-Singh, den stichter van Oodipoor, tot op onzen tijdgenoot Samboe-Singh; bij deze portretten bevinden zich voorstellingen van de merkwaardigste gebeurtenissen uit de regeering dezer verschillende vorsten. Met groote zorg en eene opmerkelijke fijnheid van koloriet geschilderd, zijn deze fresko's uitnemende bijdragen voor de studie van de geschiedenis en de zeden der Sesoedias.

Een der grootste merkwaardigheden van het paleis van Oodipoor is ongetwijfeld de tuin, die boven op het platte dak is aangelegd. Ge kunt u moeielijk voorstellen, welken zonderlingen indruk het maakt, wanneer ge daar eensklaps, hoog in de lucht, eeuwenheugende boomen en prachtige bloemperken ziet. In het midden van den tuin bevindt zich een waterbekken, vanwaar straalsgewijze de met marmer geplaveide paden uitgaan; het water vloeit door sierlijk met mozaïeken ingelegde kanalen, en verliest zich in de schaduw van geurige granaat- en oranjeboschjes. Eene opene marmeren galerij omgeeft deze bekoorlijke plek; in het rond zijn fluweelen sofa's geplaatst, waarop de heeren van het hof hunne siësta komen houden. Van deze hoogte overzien zij de gansche schoone vallei, waar bijna iedere plek getuigd van den wapenroem en de heldendaden hunner voorvaderen, die eeuwen lang, met onbezweken volharding, deze toenmaals woeste en vergeten plek gronds, die zij in een paradijs herschiepen, tegen den aandrang der Muzelmannen hebben verdedigd.

Na dit alles bezichtigd te hebben, begeven wij ons naar het Koesh-Mahal, het paleis des vermaaks, door den laatsten rana, Sirdar Singh, opzettelijk gebouwd voor de ontvangst zijner europeesche gasten. In de groote, met vorstelijke pracht versierde zalen van dit paleis worden de diners en feesten gegeven, wanneer aanzienlijke vreemdelingen uit het westen den koning bezoeken. De tsjoebdar, die ons tot cicerone dient, toont ons de toebereidselen van zulk een feest, dat tot eere van onze komst zal worden aangericht. Boven de zalen verheffen zich marmeren kiosken, vanwaar de blik het schoonste panorama van de stad, het meer en de omringende bergen overziet. De bergketen, die de vallei van Oodipoor omringt, draagt den naam van _Guirwô_ of cirkel; eigenlijk vormt zij een onregelmatigen ellips van twee en twintig mijlen van het noorden tot het zuiden, en van zeventien mijlen van het westen tot het oosten. De stad zelf ligt aan het uiteinde van dien boog, en wordt alleen door het meer Petsjola van de bergen gescheiden. De middelbare hoogte van den Guirwô bedraagt zeshonderd el boven den beganen grond der vallei; aan den oever van het meer bereiken de bergen eene hoogte van duizend el; zij vertoonen in hunne lijnen de vreemdste en meest afwisselende vormen. Dit ingesloten dal is als strategische positie van groot gewicht: het heeft slechts drie naar het oosten gekeerde uitgangen, bij Dobarri, bij Dailwara en bij Naen; en deze openingen zijn niets meer dan enge en zeer lange bergpassen, die met het uiterste gemak tegen een overmachtigen vijand kunnen verdedigd worden.

Op de helling, aan de zijde van het meer, verheft zich de Rosanah, een uitgestrekt paleis, met den voorgevel naar het water gekeerd, en de vertrekken bevattende van de hovelingen, de heeren en officieren van het hof. Schilderachtige tuinen, terrasgewijze afdalende, voeren u naar den oever van het meer; deze tuinen prijken met paviljoenen en kiosken, half wegduikende in den lommer der boomen, waaronder fonteinen ruischen. Een dezer tooverpaleizen staat vlak aan den oever: duizend slanke zuilen dragen de met mozaïek ingelegde zoldering, en eene gansche reeks van springende fonteinen hult het geheele gebouw als in een sluier van water. Hier komt de rana met zijn hof, in de heete zomerdagen, de brandende middaguren doorbrengen.

Toen ik in de residentie terugkeerde, deelde de majoor mij mede, dat de Maha-Rana, den volgenden dag, ter onzer eere, een feest op het eiland Jug-Navas zou geven, gevolgd door een jacht op het water.

Den volgenden morgen begeven wij ons al vroeg op het pad; wij rijden de stad door, en schepen ons in aan de kaai; eenige minuten later stappen wij op het eiland Jug-Navas aan wal. Deze anders zoo stille plek is nu vol leven en beweging: de lakeien en bedienden van den rana loopen heen en weder, levensmiddelen aandragende en alles gereedmakende voor onze ontvangst. De kamers worden in der haast gemeubeld; de open vensters en galerijbogen worden met draperiën of stores behangen; de marmeren vloeren met kussens en tapijten belegd. Aan het uiteinde van het eiland is een geheel gebouw ter onzer beschikking gesteld; wij vinden daar bedden, stoelen, toilettafels, en, wat ons niet minder welkom is, een ontbijt. In eene naburige keuken is men bezig een tweede, steviger dejeuner klaar te maken, waarbij het althans aan fijne wijnen niet ontbreken zal. Van alle kanten schitteren de zilveren stralen der fonteinen tusschen het donkere loof, en honderde beekjes slingeren zich murmelend tusschen de bloembedden. Men heeft niets vergeten: in een kiosk aan den oever word ik eene groep vroolijke jonge meisjes gewaar, rijk uitgedost met gouden sieraden, en schitterende van edelgesteenten: dat zijn de nautsjnis of hofdanseressen, die de rana hier heeft gezonden om ons door hare dansen en gezangen te vermaken. Ik onderhoud mij eenige oogenblikken met deze bayaderen, en sta verbaasd over haar zuiver accent en haar sierlijke gekuischte taal, waaruit duidelijk blijkt dat zij eene beschaafde opvoeding moeten genoten hebben. Een jonge Radsjpoet, wien ik mijne verwondering mededeelde, zeide mij dat deze nautsjnis niet, als de gewone danseressen, arme schepsels zijn, die niets weten dan wat het toeval haar heeft geleerd, maar integendeel van hare eerste jeugd zeer zorgvuldig worden opgevoed en onderwezen in alles wat tot veraangenaming van het leven strekken kan, in poëzie, muziek, beschaafde innemende manieren.

Samboe-Singh zelf verschijnt eerst tegen twee uur; hij is gezeten in een prachtig versierde gondel, die aan de groote trap aanlegt, waar wij gereed staan om hem te ontvangen; de Rao van Baidlah en de Rao van Pursaoli vergezellen den Vorst. Terwijl wij met elkander praten, worden de toebereidselen voor de jacht voltooid; daarop scharen zich de tsjoebdars en de soldaten der lijfwacht ter wederzijde van den weg, en wij trekken in optocht, voorafgegaan door de zingende bayaderen, naar den oever, waar wij ons inschepen in de booten. Deze platboomde schuiten kunnen niet meer dan drie of vier personen bevatten, en zijn uitnemend geschikt voor de jacht in deze meren en moerassen, waar het water doorgaans maar weinig diepte heeft.

Wij steken het meer over, en verliezen ons weldra in een doolhof van smalle kanalen, die in alle richtingen het groote moeras aan den voet der bergen doorkruisen; reusachtige biezen en dichte rietbosschen omsluiten ons van alle kanten; en naarmate wij verder komen, vliegen gansche zwermen van eenden, ganzen en flamingo's uit deze bosschen op. Nu werden de geweren ter hand genomen; en na verloop van een uur hadden wij eenige honderde eenden en andere vogels geschoten. Te vier uur verlieten wij het moeras, en keerden naar het meer terug, waar wij de staatsiegondels vinden; hier neemt de rana, op de meest hoffelijke wijze, afscheid van ieder onzer, en keert naar zijn paleis weder; wij blijven nog in onze booten om de jacht op krokodillen voort te zetten.

De krokodil van de indische binnenmeren is een geducht roofdier; hij bereikt eene vrij aanmerkelijke lengte, en schroomt niet de menschen aan te vallen. Sedert de engelsche resident te Oodipoor is gevestigd, en de rana, in strijd met de godsdienstige vooroordeelen, die de krokodillen onschendbaar maakten, aan de Europeanen vergunning heeft gegeven hen te dooden, hebben deze monsters de onmiddellijke omstreken der stad verlaten, en zich op den tegenover liggenden oever teruggetrokken. Onverbiddelijk in hunne schuilhoeken vervolgd, zijn zij zeer bedachtzaam en voorzichtig geworden; zoodra zich eene boot op het meer vertoont, duiken zij allen onder en laten, ook wanneer zij weder boven komen, niets dan het uiteinde van hun snuit zien. Maar dit is voor den jager voldoende; de kogels van onze getrokken karabijnen treffen de krokodillen ook onder water; een heftige beweging in het meer en een roode plek op het water zijn echter de eenige zichtbare resultaten van deze jacht, want de gedoode alligator zinkt onmiddellijk naar den grond.

Wij keeren naar ons toover-eiland terug, waar wij door het gezang der bayaderen worden verwelkomd; na het middagmaal begeven wij ons andermaal in onze booten en laten ons gedurende eenige uren door het meer roeien; de maan rijst boven de bergen en giet haar zilveren licht uit over de wit marmeren koepels van het paleis; de kabbelende wateren schijnen met diamanten bezaaid; de zwoele avondwind voert ons de welluidende tonen toe van het gezang der nautsjnis, die ons op eenigen afstand volgen.

Eindelijk is het tijd om huiswaarts te keeren; onze olifanten wachten ons aan de kaai, en wij begeven ons op weg naar de residentie, vervuld met de aangenaamste herinneringen aan dezen heerlijken dag. De rana heeft woord gehouden: hij heeft ons bijna de schitterende gastvrijheid van onzen vriend den Guikowar doen vergeten.

V.

Toch was deze dag slechts de inleiding tot eene lange reeks van feesten, die onafgebroken tot den 17den Januari voortduurden. In dien roes begonnen wij bijna te vergeten, dat wij nog eene lange reis hadden te doen, eer wij Jhodipoor, de eerstvolgende plaats onzer bestemming, bereiken zouden; toch besloot ik aan dit werkelooze leven een einde te maken, en deelde aan den majoor mijn voornemen mede, om den 20sten te vertrekken.

Intusschen had men weldra iets gevonden, om onze afreis te vertragen: de groote jacht, die de rana jaarlijks in het Aravalli-gebergte houdt, zou weldra plaats grijpen; en de majoor gaf mij zulk eene schitterende beschrijving van die monster-jacht, dat ik mijn vertrek dadelijk uitstelde. Waarom ook zou ik mij haasten: ik had mij wel vast voorgenomen niet het voorbeeld te volgen onzer hedendaagsche touristen, die land aan land pijlsnel doorvliegen, als joeg hen een demon voort; altijd gejaagd en gehaast en voortgedreven, zien zij eigenlijk niets, en eenmaal aan de plaats hunner bestemming gekomen, vragen zij zich zelf twijfelend af, waarom zij zich toch zoo gehaast hebben. Waren drie jaren niet voldoende om Indië te bezoeken, welnu, dan zou ik er vier of zoo noodig vijf jaren voor besteden, maar ik zou dan ook inderdaad iets gezien hebben.

In den morgen van den 18den Januari heerschte er in den omtrek van de residentie die eigenaardige drukte en beweging, die onafscheidelijk is van het vertrek van een hooggeplaatst persoon in Indië. Daar de majoor door al zijne bedienden en huisgenooten gevolgd werd, waren er verscheidene olifanten en een aantal kameelen noodig, om de tenten, de bagage en de mondbehoeften te vervoeren. Zulk een pleiziertochtje is hier in dit land geene kleinigheid: weelde en prachtvertoon is overal onontbeerlijk; en voor eene jachtexpeditie, die hoogstens veertien dagen zou duren, moest de majoor een volledig ameublement medenemen: tafels, stoelen, bedden, sofa's, buffetten en zilverwerk. Het zou zijner hooge waardigheid en zijn aanzien afbreuk hebben gedaan, indien zijne slaapkamer in het kamp minder weelderig ware gemeubeld geweest, dan in zijn paleis te Oodipoor.