Schetsen Uit De Indische Vorstenlanden De Aarde En Haar Volken
Chapter 4
De Rana's zijn, zooals men ziet, van overouden stam. Het is opmerkelijk dat zij, volgens de traditiën hunner familie, verwant zouden zijn met de koningen van Perzië uit het huis der Sassaniden, en ook met de keizers van het oostersch-romeinsche rijk. Naar men verhaalt zou een Rana eene dochter van den grooten koning, den beroemden Shâh Koshroe-Anoeshirvan, hebben gehuwd; een ander zou de hand hebben verworven van de dochter van een der byzantijnsche keizers. Er is misschien geene tweede familie, die haar stamboom zoo hoog kan opvoeren als het geslacht der Rana's van Tsjittore en Oodipoor: hunne zorgvuldig bijgehouden genealogie verliest zich in den fabelachtigen voortijd. Zeker is het, dat de Radsjpoeten zich bij voorkeur te Oodipoor vrij hebben gehouden van alle vermenging met vreemd bloed; de hoofden der aloude stammen of clans Sesoedia, Rhattore, Tsjolan, hebben daar hun verblijf. Hier bovenal hebben de Radsjpoeten nog die schitterende eigenschappen weten te bewaren, die fierheid, die loyauteit, die wellevendheid, die eenmaal zoozeer de bewondering opwekten van den engelschen majoor Todd, hun lofredenaar en geschiedschrijver; minder dan elders is in Mewar hun nationaal karakter gewijzigd door de aanraking met en den invloed van vreemde veroveraars, hetzij Muzelmannen, hetzij Engelschen. De naam Radsjpoeten beteekent zonen der koningen; en iedere familie voert haar stamboom op tot een der aloude vorsten des lands. Iedere stam splitst zich in clans, die elk een bijzonderen naam dragen; niemand mag in zijn eigen clan huwen: de mannen moeten hunne echtgenooten uit een anderen clan kiezen: eene bepaling, die niet alleen de stammen onderling door steeds nieuwe banden verbindt, maar die ook bij uitnemendheid geschikt is, om de zuiverheid van het bloed en de kracht des volks te bewaren.
De verschillende clans ontleenen hunne namen aan een of ander merkwaardig feit uit het leven van hun stamvader. Omtrent den oorsprong van den naam, dien het koninklijk geslacht van Oodipoor, de Sesoedias, voert, meldt de legende het volgende. Eens dat een der voorvaderen van den Rana met zijne edellieden, in de vlakten van Mewar op de jacht was, gebeurde het bij ongeluk, dat hij eene groote vlieg inslikte. Het insect drong tot in zijne maag door, en veroorzaakte hem zoo ondragelijke smarten, dat bij het voornemen opvatte, zich van het leven te berooven. Gelukkig verscheen er een fakir, die op zich nam om den Rana te genezen. Ongemerkt sneed hij een stukje van het oor eener koe af, wikkelde dat in een linnen doekje, bond daaraan een draad vast, en liet het den Rana inslikken. Zoodra dit stukje oor in de maag van den vorst kwam, zette de vlieg, door haar instinkt gedreven, zich daarop, en werd zoo gemakkelijk te voorschijn gehaald. De monarch was genezen, en wilde nu ook weten, door welk middel dit bewerkt was. De fakir zocht allerlei uitvluchten, maar moest eindelijk de ontzettende waarheid bekennen. Wie beschrijft de ontsteltenis van den Rana, toen hij vernam dat een stuk van het heilige dier over zijne lippen gekomen was! Na zulk een misdaad, zij het dan ook onbewust, te hebben bedreven, achtte hij zich niet waardig, langer te leven; hij besloot vrijwillig te sterven, en zijne lippen te reinigen, door gesmolten lood in te slikken. Zijne bloedverwanten en hovelingen om zich vereenigd hebbende, nam de Rana met vaste hand den kelk met het gesmolten metaal, en ledigde dien met een enkelen teug. Maar, o wonder! het vloeiende lood ging over zijne lippen zonder ze te verbranden, en werd in zijn mond tot frisch, heerlijk water. Dat was de hand der hooge goden: en de Rana, dankbaar voor de hem zoo zichtbaar bewezen gunst en bescherming, nam voor zijn geslacht den naam aan van Sesoedia, van het zelfstandig naamwoord _siça_ (lood).
De Sesoedias vooral mogen zich met volle recht koningskinderen noemen; groot en welgemaakt van gestalte, schoon van gelaat, dragen hunne edele sprekende trekken den onmiskenbaren stempel van het zuivere arische bloed. Zij kennen geen ander bedrijf dan den wapenhandel; in Mewar vormen zij de aristokratie en bekleeden alle militaire rangen; moedig, tot vermetelheid toe, zijn zij uitstekende ruiters en onverschrokken jagers. De jacht is voor hen meer dan een vermaak of een tijdverdrijf, zij is hun eene ware hartstocht, hunne godsdienst zelve legt hun de verplichting op, gedurende zekere tijden des jaars ter jacht te tijgen; en zelden gaan er eenige weken voorbij, zonder dat zij tegen het wild gedierte te velde trekken. De jonge Radsjpoet wordt niet eer in den kring der volwassen mannen opgenomen, dan nadat hij met eigen hand een dier reusachtige wilde zwijnen heeft gedood, die zich in het Aravalli-gebergte ophouden. Alleen, slechts met zijn schild en zijn zwaren _catâr_ (een soort van slagzwaard) gewapend, begeeft zich de jonkman op weg, en wacht op een plek in het woud, waar de wilde zwijnen gewoonlijk langs komen, zijn geduchten vijand af. Ziet hij het woeste dier naderen, dan buigt hij eene knie ter aarde, en houdt zijn catâr gereed, om hem te treffen met doodelijken slag. Is hij overwinnaar in dien gevaarlijken strijd, dan keert hij naar zijne woning, en noodigt zijne verwanten tot een feestmaal, waarvan het gedoode zwijn den hoofdschotel vormt.
De kleeding der Radsjpoeten is zeer sierlijk en smaakvol. Zij bestaat uit eene lange, nauwsluitende tuniek en nauwsluitenden pantalon, beiden van rijk geborduurde en met goud doorwerkte stof; aan de voeten en de armen dragen ook de mannen zware ringen van massief goud: eene gewoonte, die bij geene andere kaste van Indië wordt aangetroffen. De vorm van den tulband is zeer verschillend, doch steeds sierlijk; ook weten zij dit bevallig hoofddeksel met zekere gratie en coquetterie te dragen, die hun iets zeer gedistingeerds geeft. In hun gordel dragen zij een volslagen tuighuis van dolken, degens, zwaarden; over den schouder hangt het ronde schild van rhinocerosvel, met gouden knoppen versierd. Hunne paarden zijn met smaak en pracht opgetuigd, en worden met groote zorg onderhouden en gekweekt.--De vrouwen der Radsjpoeten zijn groot, welgemaakt en dikwijls zeer schoon; de echtgenooten der edelen leven in den harem of de zenanah; de vrouwen van minderen stand zijn vrij en verschijnen met ongedekt gelaat op straat, maar zoodra zij meenen dat een Europeaan haar gadeslaat, omsluieren zij zich. Zij dragen een wijden geplooiden rok, die tot over de knieën reikt; een klein keurslijf, dat alleen de schouders en de borst bedekt en den rug bloot laat; en een breeden sjerp van gaas of zijde, waarmede zij zich het bovenlijf omwikkelen, en waarvan een der punten over haar hoofd geworpen wordt. Evenals alle vrouwen door geheel Hindostan, overladen zij zich met eene ongeloofelijke menigte van gouden en zilveren sieraden.
Ieder vermogend Radsjpoet heeft ten minste drie vrouwen, die niet alleen in het huiselijke, maar ook in het openbare leven eene zeer gewichtige rol spelen: niets geschiedt zonder dat vooraf haar raad is ingewonnen. Zelden zal een man, op eene belangrijke vraag, dadelijk antwoord geven: hij moet eerst zijne vrouw raadplegen, en meestal is het hare beslissing, die hij u later mededeelt. De Radsjpoeten betoonen der vrouw dien kieschen eerbied, wijden haar die dweepende vereering, die een eigenaardig kenmerk van alle ridderlijke volken is; hunne gedichten vloeien over van allerlei verhalen, waarin de verlossing van eene of andere gevangen schoone, of de wraak eener beleedigde dame het hoofdthema uitmaakt. In hunne groote oorlogen speelt bijna altijd eene vrouw de hoofdrol; en nog heden ten dage zendt eene dame, die eene beleediging te wreken heeft, een armband aan een of anderen krijgsman, dien zij tot haar ridder heeft uitverkoren. De aldus aangewezene is nu, op straffe van oneer, verplicht, als wreker der dame op te treden. De kronieken van Radsjpoetana zijn trouwens niet minder rijk aan trekken van heldenmoed en zelfopoffering ook der vrouwen.
Sinds overoude tijden en nog in deze dagen, is de stand der barden of heldendichters bij de Radsjpoeten hoog in eere. Iedere stam, iedere aanzienlijke familie, elke vorst of baron heeft zijn eigen bard of _bhât_, wiens roeping het is de herinnering te bewaren aan de aloude overleveringen en legenden van de familie of den stam. Hij houdt de geslachtregisters, en draagt bij plechtige gelegenheden zijne liederen voor, waarin de groote daden der voorvaderen worden geprezen. Ook de huiselijke en familiefeesten luistert hij op door zijne zangen; en des avonds zet hij zich in den kring en doet allen luisteren naar zijne verhalen en improvisaties. De persoon van den bard is in zekeren zin gewijd; hij is de overbrenger van de oorlogsverklaringen; hij is de voornaamste onderhandelaar in alle gewichtige zaken en vereffent de meeste geschillen. Hij houdt zich ook onledig met sterrenwichelarij; en bij de stammen der woestijn staat hij wellicht hooger in aanzien dan de priester van Brahma zelf. Hoe dit alles herinnert aan onze eigene middeleeuwsche toestanden; en hoe zonderling voelt zich de europeesche reiziger te moede, als hij hier eensklaps, in het hart van Azië, eene wereld om zich heen ziet herleven, die hij tot dusver alleen uit de oude kronieken en romancen kende, en die hij voor altijd ondergegaan waande.
De Radsjpoeten geven zich zelf tegenwoordig den titel van Kshatriyas: met welken naam, zooals men weet, vroeger de kaste der krijgslieden, de eerste in rang na die der Brahmanen, werd aangeduid, of liever de militaire adel van arischen stam, die de landen aan den voet van den Himalaya veroverde en daar een nieuw rijk grondvestte. Zij beweren dan ook af te stammen van den beroemden koning Rama, den overwinnaar van Lanka, den held van het oud-indische epos: hunne vestiging in het land zou dus tot omstreeks tweeduizend jaren voor Christus opklimmen. Intusschen is het thans zoogoed als uitgemaakt, dat de verschijning der Radsjpoeten in Hindostan tot een zeerveel later tijdperk behoort. Volgens het verhaal der Brahmanen, zouden de Kshatriyas allen gedood zijn bij een opstand der lagere kasten, aan wier hoofd zich Pasoerama, een der incarnatiën van Vishnoe, had gesteld; dit zou eenige eeuwen vóór onze jaartelling hebben plaats gehad. Wat hiervan zij: zeker is het, dat de aloude adel der Kshatriyas in den loop des tijds zijn overwicht en de alleenheerschappij verloor: want zelfs op den keizerlijken troon van Magadha ontmoeten wij verschillende familiën, die oorspronkelijk tot de lage kaste der Soedras behoorden.--De Radsjpoeten beginnen eerst omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling eene staatkundige rol in Indië te spelen; langen tijd schijnen zij zich aan de grenzen des lands, aan gene zijde van den Indus, te hebben opgehouden; Todd meende hen te moeten rekenen tot de skytische stammen, die langzamerhand de westelijke grenzen van Hindostan hadden overschreden. Tusschen de zesde en de zevende eeuw zien wij deze Radsjpoeten-stammen zich snel tot macht en aanzien verheffen; de Tsjandelas veroveren Malwa, de Tsjohans en Rhatores maken zich meester van Kanoedsj en Delhi: de Gheloten en Baghelas vestigen zich in Mewar en Goezerate. In dien tijd hielden de Radsjpoeten zich nog afgezonderd van de eigenlijke Hindoes, waarvan zij zich ook door hunne godsdienst onderscheidden. Zij waren destijds Djaïnen, doch omhelsden reeds vrij spoedig het Brahmanisme, met name de eeredienst van Çiva. Na hunne bekeering deden zij ook hunne aanspraken gelden op den titel van Kshatriyas: aanspraken, wier geldigheid echter door de Brahmanen, tot op dezen dag, nooit uitdrukkelijk is erkend. En inderdaad, zoowel door hun gelaatsvorm, zoozeer van dien der andere Hindoes afwijkende, als door hunne zeden en gewoonten, schijnen de Radsjpoeten veelmeer aan de oude Parthen, dan aan de oorspronkelijke vedische Kshatriyas verwant. Waarschijnlijk zijn zij de laatste emigranten van arischen stam, die uit het hoogland van Midden-Azië in Indië doordrongen.
Inmiddels was het mij nog niet mogen gelukken tot den Rana door te dringen, en reeds dacht ik er aan, mijne vruchtelooze pogingen op te geven en Oodipoor te verlaten, toen er eensklaps een onverwacht bondgenoot kwam opdagen, die mij zijne veelvermogende hulp aanbood. De Rao van Baidlah, de eerste baron des rijks, had nauwelijks de tijding van onze komst vernomen, of hij haastte zich ons te komen begroeten en zijne diensten aan te bieden. Hij kwam, vergezeld van een schitterend gevolg, in een prachtigen draagstoel gezeten; ik ging hem te gemoet, reikte hem de hand, hielp hem bij het uitstijgen, en geleidde hem, met de verschuldigde eerbewijzen, naar zijn zetel.
"Waar hebt gij de indische etiquette geleerd, waarvan de sahibs doorgaans niets weten?" vroeg mij de Rao. Ik verhaalde hem nu van mijn langdurig verblijf te Baroda, van mijn vertrouwelijken omgang met den Guikowar, en van het doel mijner komst in Mewar. Hij luisterde aandachtig naar mij, betuigde zijn spijt, dat ik mij niet dadelijk tot hem gewend had, en gaf mij de verzekering, dat de Rana zich stellig zou beijveren mijn eersten ongunstigen indruk weg te nemen, en mij niet minder goed zou ontvangen dan de Guikowar Khanderao.
De Rao van Baidlah is een schoon grijsaard, de volmaakte type van een Radsjpoet; zijne manieren zijn waardig en bevallig; in zijn spreken paart hij aan de onberispelijkste etiquette eene vrijmoedigheid en ongedwongenheid, die bij de Hindoes verre van algemeen is. Hij is het hoofd van den oppersten raad der zestien Raos of hertogen van het koninkrijk Mewar: die machtige leenmannen, die, voor dat de Engelschen zich met de regeering des lands bemoeiden, de macht van den souverein bijna geheel aan zich getrokken, en hem zelf tot een schijnbeeld gemaakt hadden.
Bijkans het gansche land is tusschen deze groote Raos, bijna allen aan de koninklijke familie verwant, verdeeld; in hunne gewesten of heerlijkheden oefenen zij een schier onbeperkt gezag uit; slechts zelden verschijnen zij aan het hof te Oodipoor, en zijn soms in openbaren opstand tegen den Rana. De britsche regeering heeft gedaan wat zij kon om de macht dezer Raos te breken, en den Rana het verloren gezag weder te geven; maar tot dusverre is zij daarin maar zeer ten deele geslaagd. De bezittingen van den Rao van Baidlah zijn zeer uitgestrekt, en leveren hem een inkomen van omstreeks zes ton per jaar op, zijne hoofdstad is slechts eenige mijlen van Oodipoor verwijderd, zoodat hij, zonder zijne residentie te verlaten, aan het hof verschijnen kan. Hij behoort tot den stam der Tsjohans, en aan zijn rang zijn enkele, echt middeleeuwsche privilegiën verbonden. Zoo worden, bijvoorbeeld, den derden dag der maand Samvatsiri, de teekenen der koninklijke waardigheid naar Baidlah gebracht en aan den Rao ter hand gesteld, die daarop, met groote staatsie, een bezoek gaat afleggen bij den Rana, welke hem in persoon aan den ingang van het paleis ontvangt. Scherpzinnig en met een fijn, doordringend verstand begaafd, heeft hij het volle vertrouwen van den jongen vorst weten te winnen, en tevens de vriendschap van het britsche gouvernement. Hij stelt hoogen prijs op de handhaving van den alouden luister der vorstelijke dynastie van Oodipoor en van de rechten en privilegiën van den adel; maar tegelijk is hij niet afkeerig van de nieuwe denkbeelden en instellingen, die met de Europeanen naar Hindostan zijn gekomen; en wel gaarne zou hij de ontwikkeling van europeeschen handel en nijverheid in zijn vaderland bevorderen, voor zooverre dit bestaanbaar is met de oude rechten en inzettingen. Aan zijn invloed vooral was de bescherming te danken, die de europeesche vluchtelingen, tijdens den grooten opstand van 1857, in Mewar vonden; zij werden niet alleen in veiligheid gebracht, maar zelfs gedurende vele maanden kosteloos gehuisvest en gevoed. De koningin van Engeland zond, uit dankbaarheid, den ouden Rao een prachtigen eeresabel, dien hij ons met blijkbare zelfvoldoening toonde.
Zijn eerste bezoek duurde langer dan een uur; hij onderzocht al onze bagages, tot zelfs ons toiletgereedschap, en had vooral grooten schik in een stereoscoop met gekleurde platen van de Tuileriën en Versailles; hij kon zich van de beschouwing dezer platen niet verzadigen, zoodat ik hem den stereoscoop ten geschenke gaf. Om te bewijzen dat hij met de gewoonten der beschaafde wereld bekend was, nam hij zonder aarzelen een glas sherry van mij aan, en vroeg mij een sigaar. Dit verwonderde mij ten hoogste: want nog nimmer had ik een Hindoe, vooral van zoo aanzienlijke kaste, ontmoet, die dus openlijk de europeesche gewoonten volgde; later vond ik overvloedige gelegenheid om mij te overtuigen, dat, althans wat het gebruik van wijn en sigaren betreft, de Radsjpoeten zich niet streng aan de voorschriften hunner kaste houden.
Het bezoek van den Rao droeg al spoedig vruchten. Reeds den volgenden morgen stond een door hem gezonden olifant voor onze deur gereed, vergezeld van een djemadar met vier sowars. De secretaris des konings, Bulwant Rao, die ons als cicerone zal dienen, voert ons door eene voorstad, waar de rijke inwoners van Oodipoor hunne villas of landhuizen hebben; aan alle kanten verheffen zich sierlijke heuvelen, met heerlijke lommerrijke tuinen bedekt, waar, tusschen het dichte groen, sierlijke kiosken, smaakvolle paviljoenen en wit marmeren tempeltjes, die zich in heldere waterkommen spiegelen, den voorbijganger tegenlachen. Wij trekken de stad binnen door eene met bolwerken verdedigde poort, en bevinden ons nu in een prachtigen bazar- of winkelstraat; de huizen zijn allen van steen gebouwd en van platte daken voorzien; de winkels bevinden zich onder booggangen, die de straat ter wederzijde begrenzen, en zien er netjes en zindelijk uit. Het geheele voorkomen der stad is bij uitnemendheid schilderachtig; elk huis heeft zijn eigenaardige bouworde, en prijkt met balkons, pilaren, beeldwerken en fresko's, die aan iedere woning een bijzonderen artistieken stempel geven.
Sommige straten hebben eene aanmerkelijke lengte en zijn geheel rechtlijnig; er heerscht hier over het algemeen eene groote drukte. Ook hier, evenals in de meeste oostersche en ook vroeger in de europeesche steden, zijn de verschillende beroepen en bedrijven allen bij elkander in dezelfde straat of wijk gevestigd. Zoo heeft men de straat der schoenmakers, der vervaardigers van tulbanden; der wapensmeden, der goudsmeden en juweliers, der handelaars in zijde en andere kostbare, stoffen. In de adellijke wijk vindt ge eene menigte trotsche woningen, echte kasteelen met gekanteelde muren, torens en bolwerken; jammer slechts, dat deze vorstelijke residentiën dikwijls door ruïnen en bouwvallige gebouwen worden ontsierd. De aanwezigheid dezer ruïnen midden in de stad verbaast u: zij is het gevolg van den kwalijk begrepen eerbied, dien de Radsjpoeten voor het werk der voorgeslachten koesteren; zij willen deze gebouwen noch herstellen noch afbreken, maar laten ze geheel in den toestand, waarin zij door den tijd gebracht zijn.
Langs steile straten beklimmen wij den heuvel, waarop het koninklijk paleis troont: die straten zijn zoo steil, dat zij voor rijtuigen bijna onbruikbaar zijn. In de voornaamste straat, die naar het paleis voert, en dicht bij den hoofdingang, verheft zich de groote koninklijke pagode, aan Djaggernauth gewijd, en in het laatst der zestiende eeuw door Pertap-Singh gebouwd. Zij staat op een hoog, wit marmeren terras, waarheen een breede trap, door twee marmeren olifanten met opgeheven snuit bewaakt, voert. De gansche tempel is uit wit marmer opgetrokken en geheel met beeldhouwwerk bedekt; de fraaie, bevallige groote toren verheft zich tot eene hoogte van ongeveer vijf-en-twintig ellen. Voor het heiligdom staat een sierlijk paviljoen, op zuilen rustende en met een pyramidaal dak gekroond; langs de wanden zijn bas-reliefs aangebracht, tafreelen uit het leven van Krishna voorstellend.
Wij dalen aan de andere zijde den heuvel weder af, en staan weldra aan den oever van een schilderachtig meer, dat ik reeds eenmaal uit de verte gezien had. Aan den zoom van het meer verrijst een prachtige, witmarmeren triomfboog, met drie doorgangen; door deze poort trekken de veelvuldige processiën, die bij gelegenheid der groote feesten zich naar het meer begeven. Wij stappen in eene gereedliggende boot, die ons naar de eilanden roeien moet; en weldra drijven wij op de kalme wateren van het meer Petsjola, waarin de huizen en paleizen der stad zich weerspiegelen. Eerst niet veelmeer dan eene smalle rivier, ter wederzijde door heuvelen, met paleizen gekroond, ingesloten, breidt het meer zich weldra tot eene wijde watervlakte uit, waaruit de eilanden Jug-Navas en Jug-Munder oprijzen.
Wij landen aan het eerste eiland, dat geheel wordt ingenomen door eene reeks van paleizen, door den Rana Juggut-Singh gesticht. Deze paleizen bevatten receptiezalen, staatsievertrekken, baden, kiosken: alles even rijk van stijl en schitterend van versiering. Al deze gebouwen, groote en kleine, zijn zonder uitzondering van wit of zwart marmer opgetrokken; de wanden zijn met veelkleurige mozaïeken versierd, en de voornaamste vertrekken bezitten historische fresko-schilderijen van groote waarde. Elk gebouw heeft zijn bijzonderen tuin, door zuilengangen omgeven; daar verspreiden heerlijke bloemperken, bosschages van citroen- en oranjeboomen hunne welriekende geuren, en slingeren zich murmelende, kristalheldere beken door den rijken hof, waar reusachtige mango- en tamarindeboomen met hunne verkwikkende schaduw de zuilengangen omhullen. Boven de koepels der paleizen verheffen dadel- en kokospalmen hunne sierlijke bladerkroonen, zacht wiegelende op den adem der koelte. Alle onderdeelen en bijzonderheden zijn hier in volkomen overeenstemming met de heerlijke schoonheid van het geheel; niets verbaast of treft u door groote afmetingen of stoute vormen; de paleizen zijn klein, bevallig, gemakkelijk ingericht; het zijn inderdaad lusthoven, waar de Rana nu en dan verpoozing zoekt van de statelijke pracht en strenge etiquette, die aan het hof van de Zon der Hindoes heerschen.
Ik zou hier uren hebben willen vertoeven, maar Bulwant-Rao noodigde mij uit naar het andere eiland te gaan, waar een ontbijt voor ons gereed stond. Reeds van verre doet zich Jug-Munder als eene verschijning uit het feeënland voor, met zijne koepels en palmen, zich weerkaatsende in de kalme wateren van het meer. Wij leggen aan bij een marmeren trap, en beginnen nu onze wandeling door eene nieuwe reeks van paleizen en tuinen, niet minder schoon dan die op het eiland Jug-Navas. Mijn gids wees mij een groot gebouw, met een mongoolschen koepel gekroond en door hem het paleis van Shâh Jehan genoemd. Deze vorst was in opstand gekomen tegen zijn vader, den keizer Djehanghir, en had eene schuilplaats gezocht aan het hof van den Rana Koeroen, den zoon van Oemra. De Rana ontving den voortvluchtigen prins met echt oostersche gastvrijheid; hij liet voor hem op het eiland Jug-Munder een prachtig paleis bouwen, waarop hij de halve maan liet plaatsen; het inwendige prijkte met mozaïeken van jaspis, agaat, onyx, en met rijke veelkleurige tapijten en draperieën; in een der zalen stond een troon, uit een enkel blok groenachtigen serpentijnsteen gehouwen, en door vier karyatiden gedragen. Al deze heerlijkheid is nog ongeschonden in wezen. Op dit tooverachtig schoone eiland, een waar paradijs, werden in 1857 de Engelschen geherbergd, die aan den moord der garnizoenen van Neemuch en Idore waren ontkomen.