Schetsen Uit De Indische Vorstenlanden De Aarde En Haar Volken
Chapter 3
Toen wij heden morgen van Tintouï zouden opbreken, geraakte onze geheele karavaan in opschudding, en weigerde voor zonsopgang te vertrekken. Het gerucht had zich verspreid, dat een zoogenoemde _admikanewallah_, dat wil zeggen een tijger, die alleen menschen verslindt, op den weg in hinderlaag lag. De Hindoes beweren namelijk, dat wanneer een tijger eenmaal menschenbloed heeft geproefd, hij geen andere prooi meer aanvalt. Nu verhaalde men dat zooeven een man door zulk een admikanewallah verscheurd was. Het kostte den jongen thakoer en mij groote moeite, onze manschappen te bewegen den tocht voort te zetten: het was al erg genoeg, dat wij ons aan de aanvallen der Bhîls blootstelden; ontmoetingen met tijgers waren hun in het geheel niet naar den zin. Toch is onze karavaan thans sterk genoeg om voor geene vijanden bevreesd te zijn: zij bestaat uit drie-en-twintig gewapende mannen; wij zijn dus volkomen in staat om een geregelden veldslag te leveren tegen wilden, die geen vuurwapenen bezitten.
Boekthawoer-Singh, de jonge thakoer, rijdt nevens mij, en verhaalt mij allerlei anekdotes betreffende de Bhîls. Ook vertelt hij van de verwoestingen, die de gevreesde menschenetende tijger in den ganschen omtrek aanricht; er gaat bijna geen dag voorbij, dat hij geen nieuw slachtoffer velt; en hij is daarbij zoo slim, dat de jagers hem nog nooit hebben kunnen bereiken. De Hindoes koesteren voor deze tijgers eene bijna kinderachtige vrees, de europeesche jagers daarentegen, die zulk een admikanewallah geschoten hebben, beweren dat het dier bijna altijd krank en schurftig is: zij schrijven dit toe aan het eten van menschenvleesch. Dat de admikanewallah zich hoofdzakelijk met menschenvleesch voedt, wordt alzoo door beide partijen toegestemd; maar terwijl de Hindoes daaraan eene buitengewone mate van wildheid en bloeddorstigheid bij den tijger toeschrijven, houden de Europeanen staande, dat dit voedsel het dier verzwakt en ziek maakt. Ik stel mij de zaak aldus voor. Wanneer de tijger oud wordt, verliest hij veel van zijne kracht en nog meer van zijne vlugheid; hij durft dan geen buffel of afgedwaalden os aanvallen, omdat hij daarbij stellig het onderspit zou delven; en herten of antilopen met een fikschen sprong te bereiken, is hem onmogelijk geworden. Zoo is hij dan wel verplicht, zich langs de wegen in hinderlaag te leggen, en uit te zien of een zorgelooze wandelaar zich binnen zijn bereik waagt: geschiedt dit, dan doet de honger hem de vrees overwinnen, die hij instinktmatig voor den mensch gevoelt, en deze wordt maar al te licht zijn prooi.
Even voorbij Tintouï versmallen zich de bergpassen, en weldra bevinden wij ons in eene nauwe kloof, ter wederzijde door hooge zwartachtige rotswanden ingesloten; de hellingen en de toppen der bergen zijn met dicht bosch bedekt. Het is een grootsch, romantisch landschap, vol wilde, aangrijpende schoonheid: reusachtige marmerblokken, hier en daar over den grond verspreid, schitteren in het zonnelicht; schuimende bergstroomen storten zich met klaterend geweld in de diepe kloven, of zweven, als pluimen van stuivend zilver, van de steile hoogten neder. De dorpen der Bhîls, als vestingen boven op de steilten gebouwd, met een smallen zoom van bebouwd land aan hun voet, zien er, met hunne stekelige muren van struiken en doornen, van verre als reusachtige arendsnesten uit. Van tijd tot tijd wordt de gedaante van een Bhîl op den top eener rots zichtbaar: dat zijn de schildwachten, die moeten toezien wat er op den weg gebeurt; maar ons aantal en de bescherming van den thakoer waarborgen ons tegen alle vijandelijkheden.
De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen wij den mekkâm van Sameyra bereikten. Dit dorp behoort aan een thakoer, die vasal is van den rajah van Dounghêrpoer; het ligt aan den ingang van eene kleine, maar uiterst vruchtbare vallei. Ook hier beheerscht de burcht van den thakoer den ganschen omtrek. Wij slaan hier ons leger op, om den nacht door te brengen; voor wij ons ter rust begeven, worden de vuren rondom het kamp aangestoken en de wachten verdubbeld: het is goed dat de Bhîls weten, dat wij op onze hoede zijn. Den volgenden morgen togen wij reeds vroeg op weg. Het landschap wordt al woester en woester; groote, wild dooreengeworpen rotsblokken vullen de enge dalen en laten slechts weinige smalle paden voor den doortocht over; het is inderdaad opmerkelijk te zien, met hoeveel tact en geduld onze zwaar beladen kameelen zich door deze wildernis een weg banen. De gewapende ruiters en voetknechten vormen met mij de voorhoede; onze kameelen, door hunne drijvers geleid, en een dertigtal reizigers, die zich gaandeweg bij ons hebben aangesloten, maken den middentocht uit; eenige ruiters, door mijn reismakker aangevuurd, sluiten als achterhoede den trein. Wij hebben al deze voorzorgen genomen, omdat wij nu de gevaarlijkste en slechtst befaamde streken moeten doortrekken; de ruwe, geheel onafhankelijke inlanders ontzien geen enkele karavaan, onder wiens bescherming zij ook moge staan. Na onderscheidene enge bergpassen te zijn doorgetrokken, komen wij in eene vruchtbare vallei, door prachtige bergen ingesloten, wier hellingen met ondoordringbare bosschen zijn bedekt. Aan beide zijde vertoonen zich op de hoogten, talrijke dorpen of pâls van de Bhîls.
Nauwelijks hadden wij deze vallei betreden, of een onvoorzien toeval dreigde onzen verderen tocht eensklaps te stuiten. Reeds sedert den morgen van dezen dag hadden wij onderscheidene Bhîls ontmoet, die kalm en zwijgend hun weg vervolgden, zonder den broederlijken groet te beantwoorden, dien onze sowars hun toeriepen. Een dezer laatsten, over deze onwellevendheid verontwaardigd, maakte nu van de gelegenheid gebruik om een Bhîl, die geheel onverzeld was, aan te vallen, te slaan en van zijn boog en pijlen te berooven. Deze aanranding, die zoo ernstige gevolgen voor ons kon hebben, was geheel buiten mijne voorkennis geschiedt; ook had ik, in gesprek met Boekthawoer verdiept, er niets van gemerkt, tot dat de soldaat, die gehoord had dat ik gaarne zulk wapentuig wilde bezitten, mij de veroverde boog en pijlen kwam aanbieden. Ik begreep aanstonds welk gevaar ons bedreigde: nauwelijks had ik den tijd gehad, eenige bevelen te geven, of daar weergalmde reeds de wilde krijgskreet door de vallei, voortgedragen van heuvel tot heuvel; uit alle pâls kwamen gewapende mannen te voorschijn, die in snellen loop naar ons toekwamen. Eene onbeschrijfelijke verwarring maakte zich toen van het gros onzer kleine karavaan meester: de vrouwen begonnen te schreeuwen en te jammeren; de kooplieden stelden zich aan als razenden; zelfs de kameelen droegen het hunne bij, om het gewoel en getier te vergrooten. Onze soldaten hielden zich gelukkig beter: bedaard laadden zij hunne geweren, staken de lonten aan en wachtten mijne bevelen af.
Toen de Bhîls zagen dat wij gereed waren hen te ontvangen, ontstond er eenige aarzeling in hunne rangen, en gingen zij minder vastberaden voort: onze karabijnen boezemden hun blijkbaar ontzag in; intusschen was hun getal reeds merkelijk aangegroeid, en begonnen zij hunne pijlen op ons af te schieten, maar op een te verren afstand om ons te kunnen treffen. Enkelen slaagden er in, achter de struiken voortsluipende, ons te naderen; zij schoten hunne pijlen af, en troffen een kameel, die begon te steigeren en achteruit te slaan, hetgeen de verwarring nog grooter maakte. Ik stond op het punt, bevel tot vuren te geven, toen ik eensklaps een ouden radsjpoet ruiter van ons geleide van Sameyra, in vollen galop naar een bosschage van hoog struikgewas, in de nabijheid onzer kameelen, zag rennen. Weldra wendde hij zich plotseling om, en wierp zich, met uitgetogen sabel, op een ouden Bhîl, die in de struiken verscholen zat; in een oogwenk had hij hem gevangen genomen, en de handen op den rug gebonden. Deze onverwachte daad had eene verrassende uitwerking; woeste, woedende kreten weergalmden van alle kanten; een hagelbui van pijlen daalde op ons neder, waarop de karavaan met geweerschoten antwoordde. Wij vingen den terugtocht aan, onzen gevangene medevoerende, die, zooals de oude sowar mij verzekerde, het opperhoofd was van een der dorpen. Ik liet daarop de Bhîls waarschuwen, dat zoo zij voortgingen ons aan te vallen, hun opperhoofd onverwijld zou worden ter dood gebracht. De waarschuwing werd met luid geschreeuw beantwoord: maar zij trokken zich niet terug.
Ik liet den ouden Bhîl ontboeien, die mij daarop, in slecht hindoestani, verhaalde, hoezeer de lieden van zijn stam verbaasd en geërgerd waren over de beleediging, die wij hun hadden aangedaan; zij meenden, dat zij door de Europeanen beschermd werden, en waren er niet aan gewoon door hen mishandeld te worden. "Het is voor het eerst, zeide hij, dat iemand de vermetelheid heeft, de Bhîls in hunne eigen valleien te tergen en uit te dagen."--Hij verzocht, dat de geroofde boog en pijlen zouden worden teruggegeven, en dat de schuldige soldaat zou worden uitgeleverd: dan zouden wij ongehinderd onze reis kunnen vervolgen. Ik gaf hem de verzekering dat het voorgevallene mij leed deed, en bood hem aan den boog en de pijlen terug te geven, en den sowar vergeving voor zijne aanranding te doen vragen. Blijkbaar verlangde de oude wilde, dien man in zijne macht te hebben; maar toen hij zag, dat ik dit standvastig weigerde, nam hij mijn voorstel aan. Door twee soldaten begeleid, trad hij naar zijne stamgenooten en maakte hen met de getroffen schikking bekend. De boog en de pijlen werden teruggegeven; den gevangene echter hielden wij bij ons tot wij de vallei verlaten hadden. Eer wij hem zijne vrijheid terug gaven, liet ik hem een groot glas brandewijn inschenken, dat hij in een enkelen teug ledigde. Met haastigen tred keerde hij naar zijne stamgenooten terug, die ons zwijgend gevolgd waren, en begon nu onze lieden uit te schelden, hun toevoegende dat zij hun behoud alleen te danken hadden aan de tegenwoordigheid der sahibs (heeren); en dat zoo hij ooit een hunner in de vallei mocht ontmoeten, de verdiende straf niet zou uitblijven. Deze laatste bedreiging echter schenen de sowars, die toch langs denzelfden weg moesten terugkeeren, zich niet erg aan te trekken.
Wij sloegen dien avond ons kamp op nabij het vlek Bitsjoewara, in het midden eener ruime vallei gelegen. De thakoer van Bitsjoewara komt ons een bezoek brengen; waarschijnlijk heeft hij het noodig geacht, vooraf de flesch aan te spreken: althans hij is erg dronken. Naar het schijnt, is hij een harde meester voor zijne onderhoorigen, die zich in zijne tegenwoordigheid bitter over hem beklagen; hij tracht zich met den grootsten ernst en echte dronkemansgemoedelijkheid, te verdedigen, en de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht worden, te wederleggen. Waarschijnlijk ziet hij ons voor agenten van het engelsche gouvernement aan, die hem rekenschap komen vragen van zijn gedrag. Daar ik het een en ander noodig heb, dat in het dorp niet te krijgen is, kom ik met den thakoer overeen, dat hij mij acht kippen en vier dozijn eieren zal bezorgen, voor een flesch engelsche rum. Een uur later verschijnt hij, waggelende en zwaaiende, op den top des heuvels gevolgd door zijne bedienden: hij draagt zelf de kippen, die hij met veel beweging en allerlei buigingen en gebaren, voor mij op den grond legt; daarop vertrekt hij, zoogoed als het gaat, met zijne flesch in de hand. Een beklagelijk schouwspel, dat hier echter gelukkig zeer zeldzaam voorkomt. Gedurende den ganschen tijd van mijn verblijf in Hindostan heb ik nimmer een man van deftigen stand, vooral nooit een Radsjpoet, in zulk een ellendigen toestand gezien, als waarin deze thakoet van Bitsjoewara verkeerde.
Na een dag oponthoud in eene nette bungalow van het engelsche station Kheirwara, zetten wij onzen tocht naar Oudeypoor voort. De sowars van Sameyra en Tintouï hebben ons hier verlaten, en zijn vervangen geworden door vijf ruiters van het contingent ven Oudeypoor, die de kommandant van het garnizoen van Kheirwara ter onzer beschikking had gesteld. Een paar mijlen voorbij het station voert onze weg weder midden door de bergpassen; de bergen dragen hier echter een gansch ander karakter: de naakte, ruwe, verscheurde rotswanden stijgen tot eene aanmerkelijke hoogte, en tusschen de verschillende bergreeksen strekken zich breede valleien uit, door frissche waterstroomen besproeid. Wij hebben het Vindhya-gebergte verlaten en bevinden ons nu in de Aravallis, die zich dwars door Radsjpoetana tot aan Delhi uitstrekken. Deze bergketen is nog zeer weinig bekend; zij bevat niet alleen een onuitputtelijken rijkdom van kostbare marmersoorten, maar ook goud, zilver, koper, lood, blik, rotskristal, granaat en andere edele steenen. Al deze schatten liggen ongebruikt; de inlanders kunnen ze zelven niet exploiteeren, en houden de toegangen tot hunne bergen zooveel mogelijk voor de Europeanen gesloten. De hoogste toppen der Aravallis reiken tot ruim drie duizend voet boven de zee.
In den morgen van den 30sten December, na een vermoeiende nachtelijke reis door het gebergte en door dichte wouden, bereikten wij de plaats onzer bestemming: Oudeypoor, de hoofdstad van Mewar.
III.
Wij hadden den laatsten heuvel bestegen; mijne bedienden sprongen van vreugde; luide jubelkreten stegen uit de karavaan op: wij waren aan het einde van den bezwaarlijken tocht. Ik hield stil, en beschouwde in stomme bewondering het prachtige panorama, dat zich daar voor mijne blikken ontrolde. Ik had mij bijna nooit zoo iets schoons voorgesteld: eene tooververschijning uit de Duizend-en-een-Nacht scheen plotseling voor mij te verrijzen. Op den voorgrond eene lange reeks van vestingwerken, pagodes en paleizen, zich krachtig afteekenende tegen een breeden gordel van bloeiende tuinen en donkergroene bosschages; en daarachter en daarboven de stad, met haar fantastische weelde van torens, naalden, spitsen, kiosken, rustende tegen de helling van een hoogen heuvel, welks top gekroond wordt door een groot paleis van wit marmer, schitterend uitkomend tegen den blauwachtigen achtergrond der bergen. Geen pen, geen teekenstift of penseel, kan, naar waarheid, het wonderschoone beeld wedergeven dezer stad, zoo te recht Oudeypoor, de stad der rijzende zon, genaamd.
Na eenige oogenblikken van bewonderende beschouwing, daalden wij van den heuvel af en trokken naar de stad. Daar vroeg ik aan eenige voorbijgangers den weg naar de woning van den resident, die mij aanstonds gewezen werd. De residentie is een groot paleis met koepels en ruime terrassen: het ligt op den top van een heuvel, een à twee mijlen van de wallen verwijderd. Van een in scharlaken roode liverei uitgedosten bediende vernam ik, tot mijn grooten spijt, dat de engelsche resident nog niet van zijne officiëele rondreis was teruggekeerd, en dat wij, gedurende zijne afwezigheid, nergens in de stad een onderkomen zouden vinden. Ik wierp een wanhopigen blik op den omtrek, maar zag niets dan steenachtige heuvelen, zonder een enkelen boom, waaronder wij onze tent konden opslaan om beschutting te vinden tegen de felle hitte des daags en de scherpe koude des nachts. Juist kwam een _djemadar_, een chef van het dienstdoend personeel, aansnellen, en bood mij een verblijf in een der gebouwen van het paleis aan. Hoezeer tegen mijn zin, nam ik dit aanbod aan: mij vast voornemende te vertrekken, zoodra ik eene geschikte gelegenheid tot het opslaan van mijn kamp zou hebben gevonden.
Den volgenden morgen was ons eerste werk, te paard een bezoek te gaan afleggen bij Lutsjmun Rao, dewan of eerste minister van den koning van Mewar, voor wien de engelsche kommandant van Kheirwara mij een aanbevelingsbrief had medegegeven. Onze sowars hadden zich, als gewapend geleide, bij ons aangesloten, en zoo trok onze kleine stoet naar de naaste poort der stad. De hooge, zware, gekanteelde muren zijn omgeven door een diepe, met stroomend water gevulde gracht; maar er zijn geen aarden werken, en eenige kanonschoten zouden voldoende zijn om in dien muur een geweldige bres te schieten. Van afstand tot afstand verheffen zich zware vierkante bolwerken, waarop kanonnen zijn geplant.
De kommandant der wacht aan de zware, goed versterkte poort, treedt naar buiten, en vraagt waarheen wij gaan. Op het hooren van den naam des ministers, laat hij ons door, en geeft ons zelfs een soldaat mede om ons naar de woning van den dewan te geleiden. Wij bevinden ons nu in eene nauwe, drukke, volkrijke straat, waar onze sowars ons met groote vrijpostigheid een weg banen; de voorbijgangers staren ons met verbaasde en nieuwsgierige blikken aan; naar het schijnt, zijn zij niet gewoon andere Europeanen te zien, dan die tot het engelsche gezantschap behooren. Alles is hier nieuw voor mij: de bouworde der huizen, het voorkomen der inwoners, de gansche omgeving; aan alle zijden verheffen zich tempels en prachtgebouwen te midden van krotten en half in puin gestorte hutten: het geheel is niet alleen verrassend en nieuw, maar ook in de hoogste mate schilderachtig.
Wij stijgen af op de binnenplaats der woning van Lutsjmun Rao. De minister ontvangt ons zeer wellevend; hij is echter een Brahmaan en geen Radsjpoet; hij vraagt naar het doel onzer reis, en paait ons, met onberispelijke beleefdheid, met die indische beloften en toezeggingen, die tot niets verbinden. "Wij wenschen bij den Maha-Rana te worden toegelaten"--"Zeker, zeker; het zal hem een groot genoegen zijn, u te kunnen ontvangen";--maar ik kan onmogelijk te weten komen, hoe en wanneer dit geschieden zal. Ik verzoek hem dringend, ons eenig onderkomen in de stad te bezorgen; maar hij durft dit niet te doen, zonder vooraf met den Rana gesproken te hebben. Inmiddels biedt hij ons de gebouwen van den Hawalla, den circus, aan, buiten de stad in de nabijheid der residentie gelegen. Deze Hawalla, waar vroeger de gevechten van olifanten en de voorstellingen der worstelaars gegeven werden, bestaat uit een ruim langwerpig perk, de eigenlijke arena, omgeven door een acht à tien voet hoogen muur, waarop zich van afstand tot afstand sierlijke paviljoenen verheffen, wier platte daken door zuilenrijen gedragen worden. Het paviljoen, waarin wij onzen intrek namen, telde niet minder dan acht-en-veertig pilaren, in vier rijen geplaatst. Wij hadden van hier een prachtig uitzicht; en in den zomer zou deze sierlijke open zuilenhal voorzeker eene alleszins begeerlijke woning zijn geweest; in dezen, tijd des jaars was het er evenwel wat al te frisch.
Kort nadat wij ons hier gevestigd hadden, ontvingen wij een aantal bezoeken, onder anderen van den inspecteur der koninklijke gevangenissen en van een kapitein der lijfwacht; deze beide heeren waren uiterst beleefd, maar overstelpten ons evenzoo met telkens herhaalde vragen; ik bemerkte weldra dat men ons eigenlijk voor spionnen hield. Hoe vele malen ik ook verzekerde dat wij alleen gekomen waren om het land te zien, met zijne inwoners en monumenten kennis te maken, altijd kwam weder dezelfde vraag terug: "Wie zendt u?"--en wat ik ook deed, het was mij onmogelijk hun aan het verstand te brengen, dat wij enkel uit liefde voor de wetenschap zulk een gevaarlijke reis hadden ondernomen. De eerste minister kwam zelf, met een groot gevolg, ons bezoeken; hij was zoo beleefd mogelijk, bewonderde onze paarden en alles wat wij bij ons hadden, prees de hoogst vernuftige wijze, waarop wij onze woning hadden ingericht, sprak op den gulsten en vriendelijksten toon met ons:--en vroeg mij toen eensklaps, met het onnoozelste gezicht van de wereld, welke politieke zending mij was opgedragen: hij zou dit geheim aan niemand anders dan aan den Rana in persoon mededeelen. Ziende dat ik elk officieel karakter bleef ontkennen, beloofde hij, dat hij ons den volgenden dag aan den koning zou voorstellen.
Den volgenden dag herhaalde zich dezelfde komedie nog eens. Toen ik mij naar het paleis begaf, kwam ons een van de secretarissen des konings, Bulwant Rao, te gemoet rijden, en verzocht mij terug te keeren. Met een zeer ernstig gelaat deelde hij mij mede, dat ik niet bij den Rana kon worden toegelaten, indien ik hem niet vooraf in kennis stelde met hetgeen ik dezen te zeggen had. Ik gevoelde grooten lust hem te antwoorden, dat ik den Rana niet verlangde te spreken; maar ik bedwong mij, en herhaalde nog eens mijne verzekeringen en verklaringen, waarop het gewone antwoord volgde. Ditmaal had de secretaris al wat ik zeide woordelijk opgeschreven; toen hij mij verliet, gaf hij mij de verzekering, dat ik binnen weinige dagen ten gehoore zou worden ontvangen. Vraagt misschien een mijner lezers, waarom ik er dan toch zoo hoogen prijs op stelde bij den Rana te worden toegelaten, dan moge hij weten dat ik, eenmaal door dezen monarch ontvangen, met zekerheid rekenen kon op een goed onthaal bij al de andere vorsten der Radsjpoeten, die hem als het hoofd van hunne familie en van de gansche natie beschouwen.
Samboe-Singh, Maha-Rana van Mewar, was toen (1866) een jonkman van ruim achttien jaar. Uit den stam der Sesoedias gesproten, is hij het erkende hoofd en de vertegenwoordiger van de doorluchtige familie der Soeryavansis, het beroemde Zonnegeslacht van Indië. Zijn persoon is voor alle Hindoes een voorwerp van eerbiedige vereering; hij voert den weidschen titel van _Hindoe-Soeradje_, Zon der Hindoes. Deze hooge onderscheiding dankt hij niet aan zijne macht, want hij behoort slechts tot de vorsten van den tweeden rang; maar zijne familie heeft zich dien roem verworven door den heldhaftigen tegenstand, dien zij langen tijd aan de vreemde muzelmansche veroveraars bood. In het eind overwonnen, versmaadde zij toch de zoo verleidelijke en voordeelige verbintenissen met het keizerlijke geslacht der Groot-mogols van Delhi, en bewaarde, ook ten koste van zware offers, de zuiverheid van haar bloed on de onbevlekte reinheid harer kaste: een voorbeeld, slechts door weinige vorstelijke familiën van Hindostan gevolgd. Daaraan dankt dit aloude geslacht niet alleen zijne eereplaats aan het hoofd der indische aristokratie, maar ook vele andere voorrechten en onderscheidingen. In eene vergadering van inlandsche vorsten bekleedt de Rana altijd het gestoelte der eere, en heeft het recht te allen tijde het woord te voeren; in de geschillen, die wegens kwestiën van kaste of godsdienst tusschen de Radsjpoeten onderling ontstaan, is hij de hoogste scheidsrechter en zijne uitspraak beslissend.
Het gebied van den Maha-Rana omvat niet veel meer dan 550 vierkante mijlen, en telt eene bevolking van ruim een millioen zielen; deze staat schijnt nog ongeveer dezelfde grenzen te hebben als toen, ten jare 781, de Gheloot Bappa de Mori-koningen van Tsjittore verdreef, en de dynastie der Rana's grondvestte. Het koninkrijk Mewar wordt ten zuiden begrensd door het Vindhya-gebergte, ten westen door de Aravallis, ten oosten door Malwa, en ten noorden door de engelsche provincie Adsjmir. De inkomsten van den staat worden geschat op veertig lakh roepyen, gelijkstaande met ongeveer twee millioen gulden. Er is geen twijfel aan, of bij voortgaande ontwikkeling, kan deze opbrengst meer dan vertienvoudigd worden.