Schetsen Uit De Indische Vorstenlanden De Aarde En Haar Volken
Chapter 2
De omstreken van Ahmedabad zijn zoo rijk aan merkwaardigheden van allerlei aard, dat het wel niet anders kan, of men gaat hier bijna achteloos monumenten voorbij, die elders onmiddellijk uwe aandacht trekken en uwe bewondering opwekken zouden. Datzelfde is het geval te Delhi; maar daar hebben onderscheidene machtige volksstammen en doorluchtige vorstengeslachten de sporen hunner heerschappij en grootheid nagelaten; hier dagteekenen al deze kunstgewrochten en verbazende scheppingen uit de betrekkelijk korte periode der regeering van enkele vorsten in de vijftiende eeuw.
De engelsche stad ligt te Ahmedabad op ongeveer vier mijlen afstands van de indische, waarmede zij door prachtige dreven en lanen van hoog geboomte verbonden is. Zij ligt in eene ruime vlakte, en bestaat, behalve uit de kazernen en andere militaire inrichtingen, uit een zeker aantal bevallige villa's, te midden van sierlijke tuinen gelegen, en door ongeveer een honderdtal Europeanen, beambten der kroon, bewoond. In de onmiddellijke nabijheid staat het paleis van Shahi-Baugh, in 1625 gebouwd, op last van den onderkoning Sultan Kurrum, die er zijne residentie wilde vestigen. Hij zette evenwel nooit een voet in het paleis, omdat de groote poort in de buitenste omwalling niet hoog genoeg was om den olifant door te laten, waarop de prins gewoonlijk reed. Nog vóór dit gebrek kon worden verholpen, werd de onderkoning, door den dood van zijn vader, geroepen om den keizerlijken troon te Delhi te bestijgen, dien hij, onder den naam van Shâh-Jehan, gedurende vele jaren, met roem bekleeden zou.
Eindelijk had ik, na lang bieden en loven, eene overeenkomst gesloten met een kameeldrijver, die mij, voor honderd-tachtig roepyen, twee dromedarissen en zeven kameelen zou bezorgen om de reis naar Oodipoor te ondernemen. Ik voorzag mij van eene kleine, zeer lichte tent, en verder van de noodige bedden, keukengereedschap en andere zaken, waaraan ik behoefte zou hebben. Wij togen nu toch naar een land, waar nog logementen noch bungalows zijn te vinden, en waar ik begreep, dat wij minstens een jaar zouden moeten toeven.
II.
Op den bepaalden dag, den 19den December, stonden de kameelen op de binnenplaats van de bungalow, gereed om hunne lading te ontvangen. De twee dromedarissen, die wij berijden zouden, waren prachtig opgetuigd met zijden dekkleeden en kwasten in overvloed; maar al deze pracht zou verdwijnen, zoodra wij eenmaal op weg waren. Onze karavaan bestond verder uit onze vier bedienden, twee samwâllahs en zeven kameeldrijvers; al deze lieden waren met sabels en geweren gewapend, en hielden zich waarschijnlijk overtuigd, dat zij zich binnen kort ook van die wapenen zouden moeten bedienen. Ik riep ze allen bijeen en hield eene korte toespraak, waarbij ik hun de verzekering gaf, dat het land, hetwelk wij gingen doortrekken, overal veilig was; en dat wij bovendien, daar wij goed gewapend waren, niets van de Bhîls hadden te vreezen. Ik droeg aan een hunner het bevel over de karavaan op, en gaf hem den last, in het dorp Raypoer, op vier-en-twintig mijlen afstands van Ahmedabad te overnachten en onze komst af te wachten. Wij waren overeengekomen eerst den volgenden morgen te vertrekken.
Dien morgen werd ik reeds te vier uur door den samwallah gewekt; ik wekte op mijn beurt mijn reismakker, en binnen weinige minuten waren wij gereed. Ik wierp nog eenige kleeden op den zadel, en nam daarop de achterste zitplaats in; mijn geleider zette zich vóór mij, en de dromedaris sprong eensklaps overeind. Het zadel der dromedarissen of rijkameelen is dubbel, of liever voor twee personen ingericht, die vlak achter elkander plaats nemen. De achterste plaats is juist niet de beste; maar ik had die uitgekozen, omdat ik nog niet gewoon was aan de eigenaardige beweging van den kameel, en het dus nog niet durfde ondernemen, zelf het dier te mennen. Het duurde wel een half uur eer ik mijn evenwicht gevonden had: ik werd zoo geweldig heen en weder geslingerd, dat ik stellig gevallen zou zijn, indien ik mij niet stevig aan mijn voorman vastgehouden had. Ik weet deze beweging niet beter te vergelijken dan met die van een schip op eene woelige zee; het gevoel dat zij, bij iemand die daaraan niet gewoon is, opwekt, heeft dan ook inderdaad veel van zeeziekte. Gelukkig went men er zich vrij spoedig aan: na verloop van een groot half uur, voelde ik mij ten minste genoeg op mijn gemak om eenige aandacht over te hebben voor den weg, waarlangs wij voorttogen. Ahmedabad lag reeds op verren afstand achter ons; het rijzende morgenlicht vertoonde ons eene onafzienbare vlakte, hier en daar afgebroken door boomgroepen en bosschages, waarin de dorpen wegscholen.
Tegen zes uur in den morgen kwamen wij te Raypoer; onze tent was reeds opgeslagen onder een grooten boom, aan den oever eener rivier, en op een geweerschot afstands van het dorp. Onder een anderen boom lag onze bagage; daar was ook de keuken en het verblijf van onze bedienden; sabels en geweren, aan de takken opgehangen, gaven aan dat gedeelte van het kamp een zeker krijgshaftig voorkomen. Het was, vooral op dezen prachtigen morgen, een schilderachtig tafereel, dat ik met te meer genoegen beschouwde, omdat het voor mij een teeken was, dat nu eerst mijne eigenlijke reis begon. Tot dusver had ik bekende, platgetreden wegen gevolgd, landen doorkruist, waar de beschaafde europeesche invloed zich, in meer dan één opzicht, reeds krachtig had doen gelden, en waaromtrent ik mij van te voren volkomen had kunnen inlichten; nu stond ik aan de grenzen van het onbekende. Wat zou ik in de landen der Radsjpoeten vinden: eene welwillende ontvangst of een vijandige stemming? eene wildernis of een paradijs? Ik bracht den dag door met het bezoeken van het dorp, het schieten van eenige hazen en pauwen, en kon mij des avonds vermeien met het belangwekkend tooneel van de tehuiskomst der kudden: twee- of drieduizend buffels en ossen kwamen in galop aanrennen, en spoedden zich naar de rivier om hun dorst te lesschen.
Twee uur na middernacht verlieten wij Raypoer, doorwaadden de rivier, en bevonden ons nu weder op het grondgebied van den Guikowar. De nacht is zeer donker, maar het land is volkomen vlak; onze kameelen gaan rustig en onvermoeid voort; de dorpen liggen allen op zekeren afstand van den weg; ter nauwernood ontmoeten wij eene enkele woning, tot wij te vier uur het stadje Deagaum bereiken. Aan de poort dezer stad worden wij staande gehouden door eenige _sowars_, die ons naar de plaats onzer bestemming vragen; en, na bekomen inlichting, ons eenige _bohimias_ verschaffen, die ons naar het naaste dorp brengen moesten. Deze bohimias zijn lieden van geringen stand, die verplicht zijn, tegen een zeer matige vergoeding, de reizigers van het eene dorp naar het andere te geleiden. De overheid van het dorp beloont hen voor die dienst, door hun het verblijf in het dorp te vergunnen en hun eenige stukken bouwland af te staan. Daar er in dit land geen gebaande wegen zijn, zou de reiziger groot gevaar loopen in de onafzienbare velden te verdwalen, indien deze gidsen hem niet te recht hielpen. Intusschen hebben deze arme lieden een tamelijk zware taak te vervullen; te ieder uur van den dag en den nacht moeten zij gereed staan, om eenige mijlen ver de karavanen te geleiden, waarvoor zij ongeveer een stuiver per _kôss_--twee engelsche mijlen--ontvangen; ook is het niet zeldzaam dat zij gedwongen worden tot een volgend station mede te gaan, of wel zonder belooning worden weggezonden.
Dien dag en ook nog den volgenden liep onze weg nog steeds door de eindelooze vlakten, die wij sedert ons vertrek van Baroda niet verlaten hebben. Wel hadden wij in de verte enkele naakte en lage heuvelreeksen gezien, als het ware de eerste voorloopers van het Doenghêr-gebergte, waarachter het land Bâghoer, het land der Bhîls, ligt: eene wilde, bergachtige streek, die de hooge vlakte van Malwa van Goezerate scheidt, en ten zuidoosten aan het uitgestrekte gebied der Radsjpoeten grenst;--maar toch verraste ons, in den vroegen morgen van den 23sten December, het gezicht van een dorp, waarvan de hutten schilderachtig lagen verspreid langs de helling van een bevalligen heuvel van witachtigen zandsteen. Het landschap nam nu eensklaps een geheel ander karakter aan. Aan de andere zijde van het dorp stroomde eene kleine rivier, door groote boomen overschaduwd, en omzoomd door bloeiend heidekruid; de heldere wateren murmelden en ruischten tusschen en over rotsen en steenblokken, en verdeelden zich in tallooze aderen en kanalen, die de aangrenzende velden bevochtigen en vruchtbaar maken. Dit liefelijke, bijna zwitsersche landschap maakt dan eensklaps plaats voor een statig indrukwekkend woud, aan welks uiteinde zich een prachtig meer voor onze blikken uitbreidt. Wat heerlijke aanblik, die wijde watervlakte, bezaaid met bloeiende lotusplanten, waartusschen gansche scharen van watervogels zwemmen en dartelen; en omzoomd door een donkeren gordel van bananen en andere reusachtige tropische boomen en gewassen. Nergens is een enkel spoor van menschelijk verblijf of werkzaamheid te ontdekken; in ongestoorde zekerheid genieten de bewoners van dit schilderachtige meer den heerlijken frisschen morgen. Op een der kleine lage eilandjes staan gansche rijen van rooskleurige flamingo's, bijna onbewegelijk, op den uitkijk; zwermen van wilde ganzen en schitterend gekleurde eenden doorkruisen in alle richtingen de diepe, kalme wateren; reigers, _karkhoundj_ en vele andere vogels van hunne soort staan, in kalme rust, op de half overstroomde wortels der boomen langs den oever; kleinere, purper en blauw gekleurde watersnippen springen en huppelen over de breede lotusbladen: een tafereel vol leven, vol beweging, en toch zoo kalm, zoo vredig, zoo onuitsprekelijk rustig. Zonder veel opschudding te maken, gaan wij langs den dichtbelommerden oever voort; tusschen de bloemrijke hagen, die tot boven onze hoofden opschieten, openen zich bekoorlijke wegen, welke naar den _mekkâm_ voeren.
De mekkâm, de voor het kamp aangewezen plaats, is doorgaans een boomrijke plek nabij het dorp, waarvan de grond zorgvuldig geëffend is. Deze plek wordt voor de reizigers beschikbaar gehouden; men vindt er een waterput en somwijlen een kleinen tempel, zoodat de pelgrim daar alles aantreft, wat hij noodig heeft: water, schaduw en een bedehuis. De mekkâm van Tintouï, waar wij ons nu bevinden, is zeer schoon: groote mangoboomen, nims en bananen omringen een open perk, met frisch en mollig gras bedekt, waarop ik mijne tent laat opslaan; op korten afstand vertoont zich het dorp, schilderachtig op eene hoogte gelegen, juist aan den ingang der steile en donkere bergpassen, waarvan de blauwachtige toppen en rotswanden zich aan den horizon verheffen; een fort met zware gekanteelde muren beheerscht de geheele omliggende vlakte.
Tintouï, dat zijn gewicht vooral dankt aan zijne ligging aan den ingang der passen van het Dounghêr-gebergte, behoort nog aan den Guikowar, en vormt aan deze zijde de uiterste grens van zijne staten; maar dit aanzienlijke vlek is tevens de residentie van een radsjpoeten baron of thakoer, die wel in naam de heerschappij van den koning van Baroda erkent, maar inderdaad onafhankelijk en de wezenlijke beheerscher des lands is. Deze thakoers bekleeden hier dezelfde plaats en spelen dezelfde rol, als onze feodale heeren en baronnen in de middeleeuwen: zij bezitten in hunne domeinen het hooge en lage rechtsgebied, en zijn aan den landsheer doorgaans niets anders verschuldigd dan eene zekere schatting, of de levering van een zeker aantal gewapenden. Voor het overige zijn zij bijna geheel onafhankelijk, en bezoeken slechts nu en dan de hoofdstad, om den souverein hunne hulde te brengen. Trotsch, aanmatigend en twistziek, liggen zij voortdurend met hunne naburen overhoop, en ontzien zich ook niet, de karavanen, die hun gebied doortrekken, te plunderen. Wel heeft de britsche regeering, althans voor het uiterlijke, aan deze rooverijen paal en perk gesteld; maar, in het wezen der zaak, heeft de gewelddadige plundering plaats gemaakt voor eene meer georganiseerde afzetterij. In stede van de karavanen te overvallen en uit te schudden, beschermt de thakoer ze veeleer: slechts laat hij zich voor deze bescherming behoorlijk betalen. Zoodra de karavaan het gebied van een dezer heeren betreedt, moet zij eene schatting van zooveel percent van de waarde harer koopmansgoederen voldoen; daarvoor koopt zij zich dan den vrijen en veiligen doortocht door de bergpassen; vertrouwt zij daarentegen op hare eigene kracht, en weigert zij de verlangde schatting, dan kan zij er zeker van zijn door de stammen van het gebergte te worden uitgeplunderd. De thakoer ontvangt, in zijne hoedanigheid van magistraat en rechter, de klachten der mishandelde kooplieden, hoort ze geduldig aan, houdt er aanteekening van, en roept al zijne manschappen onder de wapenen: maar alle nasporingen leiden tot niets; de soldaten keeren terug zonder de roovers te hebben gevonden, en de thakoer brengt den kooplieden onder het oog, hoe dwaas zij gehandeld hebben door zijne bescherming af te wijzen.
Bij mijne aankomst te Tintouï, werd ik door de lijfwacht van den thakoer ontvangen, die mij zijne groeten liet overbrengen en zijn bezoek aankondigen; maar, daar ik gaarne het kasteel wilde bezichtigen, verzocht ik hun, mij tot hun heer te geleiden. Eene zeer steile, met groote zerken geplaveide helling, waarop de paarden telkens uitglijden, brengt ons naar de poort van het slot, die door kleine torens en eene omrastering van met ijzer beslagen palen wordt verdedigd. Het inwendige van het kasteel vertoont eene zoo treffende gelijkenis met onze feodale burchten uit de twaalfde en dertiende eeuw, dat ieder, die een dezer slotruïnen gezien heeft, zich ook van deze indische vesting eene duidelijke voorstelling maken kan. Het is eene wonderlijke, schijnbaar ordelooze samenvoeging van torens, bolwerken, gebouwen, terrassen, die zich stout en dreigend boven het diepe dal verheft, waarin de nederige huizen van Tintouï staan verspreid. De thakoer, een Radsjpoet, met een echt aristokratisch voorkomen en een sneeuwwitten baard, ontvangt mij met groote hoffelijkheid, en vraagt mij naar het doel mijner reize: op het hooren van den naam van zijn souverein, buigt hij eerbiedig het hoofd, en zegt dat aangezien ik de vriend ben van zijn heer, den machtigen Guikowar, hij mijn slaaf is, en dat zijn persoon, zijne lieden en zijn land te mijner beschikking staan. Ik bepaal er mij toe, zijne bescherming te vragen voor mijnen tocht door de bergpassen, met verzoek eenige ruiters, als gewapend geleide, aan mijne karavaan toe te voegen. Daarop deelde hij mij allerlei bijzonderheden mede omtrent de Bhîls, hunne gewoonten en levenswijze, waarbij hij zich zeer beklaagde over de herhaalde strooptochten dier stammen, waardoor de karavanen van het bezoeken van zijn land werden afgeschrikt.
Eenige uren later kwam de baron mijn een officieel tegenbezoek in mijne tent brengen; hij was door een troep ruiters vergezeld, die er, in hunne bijkans middeleeuwsche kostumen, allerschilderachtigst uitzien. De oude thakoer vertoont in zijne houding en manieren al de waardigheid, die aan zijn rang past; alles wat hij spreekt, draagt den stempel van die fijne en nauwlettende wellevendheid, die hem doet kennen als een der heeren van het hof van Oudeypoor, dat als een voorbeeld van goeden toon en manieren door gansch Hindostan beroemd is. Bij het afscheid omhelsde hij mij zeer hartelijk, met de verklaring dat hij aan niemand de eer zou afstaan, mijne karavaan tot aan de grenzen te geleiden, indien zijn hooge leeftijd hem dit niet belette. Zijn zoon en drie ruiters zullen zich bij ons voegen; nog dienzelfden avond wordt hunne tent nevens de onze opgeslagen.
Maar eer wij verder gaan, moet ik mijn lezers het een en ander mededeelen omtrent de Bhîls, wier naam ik reeds meermalen heb genoemd, en wier land ik thans had betreden.
De Bhîls behooren tot een der merkwaardige stammen der oorspronkelijke bevolking van Indië, die vroeger in de uitgestrekte gewesten, thans onder de namen van Malwa en Radsjpoetana bekend, was gevestigd. Door de arische volksverhuizing uit het hoogland van centraal Azië, uit hunne woonplaats verdrongen, trokken zij zich in het gebergte terug, en schijnen langzamerhand tot dien staat van verval en barbaarschheid verzonken te zijn, waarin wij hen thans aantreffen. In hunne overleveringen en legenden leven nog enkele herinneringen aan den ver vervlogen tijd, toen zij als oppermachtige gebieders in de vlakte heerschten; een hunner aloude volkszangen verhaalt den oorsprong van den diepgewortelden haat, die tusschen hen en de Brahmanen bestaat.
Op zekeren dag, zoo luidt deze sage, dwaalde de god Mahadeo, van vermoeidheid en honger uitgeput, door het woud, toen eene jonge, schoone vrouw zich over hem ontfermde, en hem in hare woning opnam. Hij verhief haar tot zijne echtgenoote, en verwekte een aantal kinderen bij haar. Een daarvan, een zwarte, zeer leelijke knaap, van zeldzame spierkracht, doodde Nandi, den gewijden stier van den god. Tot straf voor dit misdrijf werd hij vervloekt en naar de wouden verbannen; hij ontving den naam van Nishada of Bhîl, dat wil zeggen, de banneling, de vogelvrijverklaarde.--Uit deze legende schijnt te blijken, dat dit volk zich niet, als de andere Soedras, aan de heerschappij der Brahmanen heeft willen onderwerpen, en daarom door hen van eene misdaad beschuldigd werd, die in het oog van iederen rechtgeloovigen Hindoe een onvergeeflijke gruwel is, van namelijk den heiligen os te hebben gedood: eene misdaad, waarop zij nog schijnen roem te dragen.
Ongetwijfeld hebben zij eenmaal zekere mate van macht en invloed bezeten; en dat deze niet gering kan geweest zijn, blijkt wel uit het feit, dat nog heden ten dage, bij de plechtige kroning der koningen van Mewar, een der Radsjpoeten-staten, de teekenen der koninklijke waardigheid door een Bhîl aan den nieuwen souverein worden ter hand gesteld. Ook leeft nog in het volk een soort van godsdienstige vereering voor de bouwvallen van sommige steden, wier puinen blijkbaar van eene overoude beschaving getuigen. Eeuwen lang als wilde dieren vervolgd en geplaagd, wreekten zij zich door schrikkelijke moord- en plundertochten; en de naam van roovers van Mahadeo, dien zij zich zelf gaven, werd in den ganschen omtrek geducht. In hunne bijkans ontoegankelijke gebergten verscholen, wisten zij iederen vijandelijken aanval af te slaan, en hunne onafhankelijkheid te bewaren. Zij zijn in stammen of clans verdeeld, die ieder hun eigen opperhoofd hebben, wien zijne onderhoorigen onbepaald gehoorzamen, en die bij hunne strooptochten het bevel voert. Hunne dorpen of pâls zijn, evenals onze middeleeuwsche burgten, altijd op hoogten gebouwd; iedere woning is op zich zelf eene kleine vesting, waarvan de zware steenen muren een dak van pannen of riet dragen. Het dorp is omgeven door eene hooge en stevige omrastering van doornige struiken en dooreengevlochten cactussen; in tijd van nood, worden de kudden door de vrouwen en kinderen in de rotskloven en spelonken gedreven, en trekken de mannen zich achter die sterke omwallingen terug, vanwaar zij hunne vijanden kunnen gadeslaan en hunne pijlen afschieten. De indeeling in kasten is bij hen onbekend; de jongelingen kiezen hunne bruiden uit een anderen stam. De huwelijksplechtigheid is zoo eenvoudig mogelijk. Op zekeren bepaalden dag komen de huwbare jongelingen en jonge dochters te zamen; iedere jonkman kiest zich een meisje uit, en trekt zich met haar voor eenige dagen in het woud terug, waarna het huwelijk als wettig gesloten wordt beschouwd. Ook hunne godsdienst is hoogst eenvoudig: hunne vereering geldt voornamelijk de elementen en de demonen, die ziekten verwekken; de tempel bestaat uit een hoop steenen, met oker besmeerd, of wel uit een ruw behouwen groote zerk. Echter koesteren zij een bijzonderen eerbied voor den reusachtigen _mhowah_, dien boom, die hun brood, brandhout en een bedwelmende drank levert; aan zijne takken hangen zij bij voorkeur ijzeren gereedschappen op. Zij voeden zich bijkans met alles wat hun voor de hand komt, en eten ook onreine dieren, zoo als ratten en slangen.
De Bhîls zijn doorgaans van middelbare gestalte, en, hoewel minder sierlijk, echter veel krachtiger gebouwd dan de Hindoes. Hunne gelaatstrekken zijn grof; hun platte neus en uitstekende wangbeenderen zijn alles behalve fraai; hunne zwarte haren hangen in wilde wanorde langs hun gelaat, alleen door een koord om de slapen eenigszins saamgehouden. Zij gaan bijna geheel naakt, en hebben in den regel geen ander gewaad dan een soort van _langoeti_ of schort, van twee of drie vingers breed, dat om de heupen gewonden wordt. De vrouwen zijn slanker van gestalte en lichter van kleur; haar gang is niet zonder waardigheid; zij dragen een soort van rok, die om de heupen gebonden en met een der uiteinden over de schouders geworpen wordt, zoodat de helft der borst bloot blijft. Aan armen en been en dragen zij eene menigte koperen ringen. De Bhîls gaan nooit uit, zonder bogen en pijlen mede te nemen; zij weten deze wapenen met groote behendigheid te gebruiken, en gaan er zelfs mede op de tijgerjacht. Jacht en vischvangst zijn hunne geliefkoosde bezigheden; zij tijgen in groote gezelschappen ter jacht; en vergiftigen de kreken met cactussap, om alzoo de visschen te kunnen vangen.
Hoewel zeer moedig, zijn zij tevens zeer bedachtzaam, en zullen nooit een vijand aantasten, indien zij niet zeker zijn van de overwinning. Toch is het vechten hun een ware behoefte; en wanneer zij geen vijand te bestrijden hebben, dagen zij een naburigen clan uit, en leveren elkander onderling moorddadige gevechten. Maar zoodra een algemeen gevaar dreigt, worden deze onderlinge twisten vergeten, en vereenigen zich de stammen tot den strijd tegen den gemeenschappelijken vijand. Dan weergalmt door alle dalen de _kisri_ of snijdende oorlogskreet, die van pâl tot pâl wordt herhaald; en binnen weinige uren zijn honderde krijgsvaardige mannen op een enkel punt vereenigd en tot den tocht gereed. De Bhîls verstaan ook voortreffelijk de kunst, om het geluid van hyena's, jakhalzen en nachtvogels na te bootsen, en geven daardoor elkander teekenen, zonder den argwaan der reizigers op te wekken.
Met al hunne gebreken, hebben de Bhîls twee deugden, die de eigenlijke Hindoes missen: dankbaarheid jegens hunne weldoeners, en trouw aan het eens gegeven woord. Van de eerste loffelijke eigenschap hebben zij, tijdens den grooten opstand van 1857, een schitterend bewijs gegeven, door niet alleen de Engelschen te beschermen, die door de sipayers werden bedreigd, maar ook zelf tegen de opstandelingen te gaan vechten. Zij zijn dan ook inderdaad veel aan de Engelschen verschuldigd, die gedaan hebben wat zij konden om hen uit hun ellendigen toestand op te heffen, en die in ieder geval een einde hebben gemaakt aan de jaarlijksche strooptochten der Radsjpoeten, waarbij de dorpen werden verbrand en de oogsten vernield.
De stammen der Bhîls bewonen tegenwoordig de landstreek Baghoer, een gedeelte van het Aravalli-gebergte en bijna het geheele Windhya-gebergte. Men schat hun aantal op een à twee millioen; zij maken dus nog een der groote indische volksstammen uit. In de dalen van Mewar vindt men de kaste der zoogenaamde Bhilâlas, afstammelingen van Bhîls en Radsjpoeten. Zij zijn vrij talrijk, maar missen de goede eigenschappen van hunne stamouders. Ook bij hen bevestigt zich alzoo de algemeene ervaring, dat uit zoodanige vermenging een lager en minder begaafd ras ontspruit.